web analytics
zondag, mei 15

Vertellingen: Dodendanserslicht – deel 6

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zeven delen.

De Aïshi zijn er als eerste. Hun donkere ogen branden van woede. Ze vormen geen cirkel deze keer, maar stellen zich in een lange rij achter me op. Ik moet er haast om glimlachen. Ik ga nergens meer naar toe, jongens. Toch niet in deze wereld. Hijgend houden de uitgeputte stormpanters van de bestjerka voor me halt. Hun pels is nu zo goed als doorschijnend.
‘Dwaas!’ De luchtweefster veert overeind en rukt haar bontkap af. Sneeuwwitte ogen in een sneeuwwit gezicht, omlijst door sneeuwwitte haren, boren zich in de mijne. Het rijmpje dat mijn moeder me als kind leerde, flitst door mijn ontzette hoofd.

Wit als ijs, wit als sneeuw,
ren ren
of de ijskoningin
gaat met je heen.
Wit als ijs, wit als sneeuw,
ren ren
of de gevallene
neemt je knoken met zich mee.
Dan word je net als zij,
wit als ijs, wit als sneeuw.
Ren ren of de verbannene doet je botten…

Ik verstijf. Ik had het mis, de hele tijd. De vrouw in de slee is veel meer dan een bestjerka. Ze is een dodendanseres. In een flits worden haar plannen me duidelijk. Niks smokkelroute. Ze wil de veertiende wereld in. De wereld die zelfs voor ons poortwachters verboden terrein is. De wereld van de doden. Daarom heeft ze de griffioen nodig. Als afgezant van de Eerste is hij een van de weinigen die ernaartoe kan reizen en ook weer terug, zonder zichzelf te verliezen. Sterker nog, omdat hij net als een poortwachterspaard de poorten ziet, kan hij eens hij volwassen is op zijn rug iemand meenemen en ook weer terugbrengen uit het rijk waar normaal niemand uit terugkeert. De schade is niet te overzien als deze heks er in slaagt het dodenrijk te betreden. Ze is in staat een heel leger op de been te brengen. Duizenden en duizenden zielen, die allemaal voor haar zullen dansen. Als ze die hierheen haalt… Het duizelt me.
Alsof ze weet wat ik denk, draait de vrouw voor me zich met een bloedeloze glimlach van me af. Haar hand strekt zich uit. Naar Schims karkas. Naar zijn ziel. Die is nog steeds hier, dat weet ik zeker. Mijn hengst wacht op me, ook nu nog, net zoals hij altijd op me wachtte, sinds hij me als zijn berijder koos.
‘Nee,’ schreeuw ik. ‘Laat hem met rust.’ Ik bestorm de slee, maar kom niet ver. De Aïshi storten zich als een meute merghonden op me. Ze schoppen en slaan, trekken me alle kanten op. Uiteindelijk kan ik niet anders dan mijn ogen sluiten en me overgeven. Ik kom eraan, Schim. Ik kom eraan. Misschien kunnen we haar plannen alsnog verijdelen als we samen aan de andere kant zijn. Ik zak steeds verder weg, bij de kou en de schoppende Aïshi vandaan.
‘Niet zo! Ik reken met haar af. Zet haar recht.’
Ze sleuren mijn verdoofde lichaam overeind. Met het weinige zicht dat ik nog bezit, zie ik hoe de ijskoningin aan het werk gaat, nog steeds met die afgrijselijk lach om haar lippen. Ze weeft nu met beide handen. Haar dansende vingers zijn op mijn dode hengst gericht.

© Marcel van der Sleen

Een tijd lang gebeurt er niets. Ik begin net te hopen dat ze niet in haar opzet zal slagen, dat Schim tenminste in vrede zal mogen rusten, dat hij zonder mij naar het rijk van de dood vertrokken is, als de sneeuwheuvel om zijn dode gestalte in beweging komt.
‘Nee!’ Ik probeer me los te rukken, ik vecht met alles wat ik nog in me heb, maar de Aïshi hebben me stevig vast.
Langzaam tilt Schim zijn grote schedel op. Zijn kaalgevreten voorbenen volgen. Moeizaam hijst hij ook de rest van zijn geplunderde lichaam rechtop, tot zijn grote gestalte uit de dood herrijst. Half wit, half zwart. De dodendanseres beweegt haar armen, alsof ze aan iets trekt. Krakend zet mijn arme hengst een stap naar ons toe. En nog een. In zijn holle oogkassen brandt een wit licht.
Dodendanserslicht.
Een voor een worden de botten in zijn dode lichaam op hun plaats gedwongen. Zelfs de ribben die ik afbrak en die verloren in de omgewoelde sneeuw liggen, keren naar hun plaats terug. Zijn gebroken vleugels slepen zich naast hem voort, tot ook zij zich herstellen.
Ik krimp in elkaar. Ach Schim. Wat heb ik je aangedaan? Vlak voor me houdt mijn reusachtige hengst halt, briesend uit neusgaten die er niet langer zijn. De Aïshi laten me los en wijken achteruit. Ik kan wel raden wat er nu komt. Ik spreid mijn armen en bied mijn trouwe vriend mijn borstkas aan.
‘Het is goed zo.’
De dodendanseres grijnst en verheft haar handen. Met zijn bottenbenen zet Schim zich af. Zijn ribbenkast torent boven me uit, zijn vleugels spreiden zich, zijn hoef raast naar me toe. Op het laatste moment wijkt hij uit. Vlak naast me boort zijn voorbeen zich in de sneeuw. In de witbewoonde ogen van mijn hengst flitst iets. Iets van hem, niet van de vrouw die hem beheerst. Iets roods. Poortwachterslicht. Mijn Schim. Altijd mijn Schim. In de slee schreeuwt de dodendanseres het uit. Schim snuift en buigt zijn bottenhoofd. Moeizaam hink ik naar hem toe. ‘Het is goed, maatje. Echt. Verzet je er niet tegen. Dit gevecht kunnen we niet winnen.’ Ik leg mijn hand op de reusachtige knoken van zijn nek.
Hij tilt zijn dode hoofd op. ‘Nee,’ zegt hij met een ijzige stem. ‘Dat kun je inderdaad niet.’ Het rood in zijn ogen dooft uit. Voor de tweede maal tilt de ijskoningin haar hand op. Schims been verheft zich. Ik veranker me zo goed mogelijk in de hier eeuwig bevroren grond, sluit mijn ogen en spreid mijn armen.
Een schor krijsend wezen duikt als een stormwind op me neer. Voor de tweede keer ploft Schims hoef neer .Hij raakt de plaats waar ik net nog stond. Alleen ben ik daar niet meer. In de tijddansende tel die we delen staar ik de griffioen met wijd open ogen aan. ‘Je bent teruggekomen.’
Een waanzinnig idee komt bij me op.  Zou de koningsgriffioen sterk genoeg zijn om ons beiden, mijn dode hengst en mij – tijdspringend – door de poort te krijgen? Dat kan alleen lukken als Schims ziel net genoeg onder de invloed van de dodendanseres blijft. Te veel, en hij stampt de griffioen en mij tot moes, te weinig en zijn lichaam keert weer naar zijn dode staat terug voor we bij de poort zijn. Ik besluit het te proberen. Wat hebben we per slot van rekening te verliezen?

Voor de dodendanseres Schims been opnieuw kan verheffen, hink-spurt ik met de griffioen in mijn armen naar mijn hengst toe en slinger ik het jonge dier op Schims bottenrug. Meteen vlamt het rood in Schims ogen weer op. Ja! Ik hijs mijn kreupele lijf achter mijn tijdspringende vriend aan en geef Schim de sporen. ‘Rakha!
Hinnikend spreidt hij zijn vleugels. Hij verheft zijn grote lijf en vliegt ervandoor, door de tijd springend alsof hij nooit iets anders gedaan heeft. We koersen recht op de poort af.
Een woeste grijns verspreidt zich over mijn gezicht. Niet te snel nu, niet te snel. Geef dat wit serpent de tijd om ons te volgen, maar ook niet meer dan dat. In mijn armen krijst de koningsgriffoen. Onder ons, de dodendanseres. Ze doet wat ze kan om mijn hengst weer in haar greep te krijgen, maar het wezen in mijn armen is haar steeds een stap voor.
Voor ons duikt de poort op. Ik ben nog nooit zo blij geweest om die te zien. De ogen van de dieren bij me worden roder en roder. Dan verliest Schim een bot. Een klein botje, maar toch. Ik verstijf en buig me over de knokenhals van mijn hengst. De dodendanseres staat in het midden van de vlakte. Ze houdt haar armen en handen kalm naast zich. Bloed van de Eerste! Bot voor bot vallen Schims lange voorbenen onder hem uit. Maar hij blijft verbeten vliegen, recht op de oplichtende poort af. Na de benen volgen de schouderbladen.
‘Ga,’ zeg ik tegen de griffioen als ook Schims ribben zich van zijn lijf losmaken. Alleen een dunne lijn nekwervels verbindt zijn uit elkaar vallende lijf nog met zijn hoofd. Ik duw het griffioenenjong van me af, in de richting van de doorgang. Hij spreidt zijn vleugels en tilt zijn zware leeuwenachterlijf de lucht in, maar vliegt niet weg. Hij blijft rond Schim en mij cirkelen, blijft ons aansporen. We zijn er bijna. Bijna. Dan knapt het zware bot dat Schims rechtervleugel draagt. We zwenken van de poort weg en vallen uit de lucht. Maar dat is buiten mijn hengst gerekend. Met een laatste bok van zijn uiteenvallende lijf gooit hij me van zich af. In een regen van paardenbotten duik ik samen met de krassende griffioen de poort door.

Deel 7 verschijnt volgende week. Lees ook deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (1969, Leuven), ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster zo beleefd mogelijk uit dat ze het noorden kwijt was, dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. Haar verhaal vertellen. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik, tussen het werk op onze boerderij door. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
De verhalen die jullie hier op Fantasize terugvinden, zijn de adempauzes die we beiden af en toe nodig hebben om het grote verhaal nog beter te maken. Veel leesplezier en laat ons vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020-2022 Fantasize, Isabelle Plompteux & Marcel van der Sleen