donderdag, april 16

Vertelling: Dagen in D-mineur — of hoe we Chronos verloren

Door Jentl de Waal

De afdruk van afwezigheid
Een zwaar dieselgebrom rommelde door de straat. Als een hond die gromde voor hij beet. Rauw, dreigend, onverbiddelijk. Annie Vink werd wakker. Ze gooide haar benen over de bedrand en bewoog haar tenen. Ze bewogen, maar ze voelde niets. Alsof ze naar het lichaam van een vreemde keek.
Annie had weer over vroeger gedroomd. Ze vermoedde dat ze een jaar of tien was. De tijd was toen nog niet uit de wereld verdwenen. Haar ouders hadden haar en haar zusje meegenomen naar de dierentuin. Ze keek met grote ogen naar de safaridieren: giraffen, neushoorns en zebra’s. Bij het aquarium had ze beide handen tegen het glas gezet en haar neus ertegenaan gedrukt. Alsof ze door het glas kon vloeien om dichter bij de majesteitelijke dolfijnen te zijn. De ringstaatmaki’s en stokstaartjes hadden een ander effect: toen ze zich oprichtten en met donkere ogen rondkeken, schaterde Annie. Het was het pure plezier van een kind dat de wereld ontdekte. Het gelach van haar vroegere zelf klonk nog na terwijl ze haar groene ochtendjas en bordeauxrode pantoffels aantrok.
Afwezig liep ze naar de badkamer. In de spiegel zag ze een zielloze blik terugkijken. Ze had donkerbruin haar tot op de schouders. Haar ogen stonden dof en liepen over in dikke wallen. Even bleven de twee gezichten elkaar aankijken. Ze zochten naar iets — herkenning, of betekenis. Maar ze vonden niets.
Ze zette de radio aan. Uit de radio klonk Windowpane van Opeth. Melancholisch, introspectief, dromerig — precies zoals ze zich voelde. Ze draaide de douche open. Heel haar wezen vertraagde op de deinende klanken van de muziek. Stoom vulde de badkamer terwijl ze zich, in gedachten verzonken, langzaam uitkleedde. Toen ze onder de douche stapte, voelde ze het warme water over haar huid glijden.

Blank face in the windowpane / … / Might be waiting for someone / Might be there for us to see / Might be in need of talking / Might be staring directly at me

Ondanks het stromende water werd ze van binnen niet warm. Gevuld met een onbekend verlangen, opende ze de deur en stapte naar buiten.
Annie slenterde naar de babykamer. Een flauwe gloed vulde de kamer. Op de muren zat behang met sterren, manen en planeten. Een hemel van papier. Op een ladekast stonden knuffels die nog nooit waren aangeraakt: een tijger, een giraffe, een dinosaurus. In de hoek stond een kist met bouwblokken — de verpakking nog onaangetast. In het midden stond een houten wieg. Ze pakte Elodie op en wiegde haar zachtjes, terwijl ze een monotoon, betekenisloos liedje neuriede.
Haar gedachten dwaalden af. Naar Elodie. Het meisje dat ze nooit had gebaard. Dat nooit groeide, nooit huilde, geen dag ouder werd. Soms dacht ze dat Elodie helemaal geen kind was, maar iets wat ze per ongeluk had opgeraapt, ergens tussen de seconden van een droom. Ze was iets ouds, ouder dan Annie. Ouder dan de tijd die ze probeerde te vergeten. En toch hield ze van haar — als van een kind.
In haar ooghoeken zag Annie vaak een schaduw. Maar zodra ze er rechtstreeks naar keek, was het weg. Alleen zonder focus was het er: altijd aanwezig, maar nooit helemaal zichtbaar. Soms fluisterde de schaduw haar toe. Zijn stem was laag en duister, als iets uit een droom. “Kom naar mij. Geef je over. Ik ben altijd dichtbij.” Alsof Thanatos zelf sprak — de god van de dood. Alsof hij haar verleidde om de grens over te steken naar het hiernamaals.
Zorgvuldig legde ze Elodie terug in de wieg. Ze trok een dekentje over haar heen en liep de trap af, alsof ze een ceremonie had voltrokken.
De huiskamer was dof. Stof lag als een waas op de planken van de boekenkast en de planten hingen slap. Uitgedroogd. Opgegeven. De grote houten klok van haar grootouders tikte al lang niet meer. Op een dag rond 16.00 uur was hij ermee gestopt. Bevroren in de tijd.
In de hoek van de kamer stond een aftandse krabpaal, bekroond met een pluizig mandje. Oblomov keek op uit zijn bed. Licht geïrriteerd omdat hij gewekt was. De zwarte kater was nog maar drie, maar kwam nauwelijks van zijn plek. Alleen om te eten, drinken of naar de kattenbak te strompelen kwam hij overheid. Tóch gedroeg hij zich alsof hij de held was van het huishouden.
Aan de rand van de keuken dwaalde Estragon. De lapjeskat keek licht verwilderd om zich heen. Zette een paar passen, draaide zich weer om. Annie zuchtte. Hoe vaak ze het ook probeerden, Estragon vergat altijd waar het eten stond. Ze pakte hem op en zette hem op de juiste plek neer.
Aan tafel zat Annies huisgenoot, Aaltje van der Zandt. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat werkte ze aan haar roman. Maar elke keer dat Aaltje een zin typte, verdween die weer. Altijd weer. Ze bleef hopen op die ene keer dat haar woorden wel zouden blijven staan. Ze verlangde ernaar om haar stem te laten horen in deze wereld.
Het lied dat tijdens het schrijven klonk, was als een smeekbede. Nouvelle Vague zong In a Manner of Speaking. Het was licht weemoedig, afstandelijk maar ook wat ironisch.

Oh, give me the words / Give me the words / That tell me nothing / Oh, give me the words / Give me the words / That tell me everything

Dus Aaltje schreef. En dan nog wat meer. Opnieuw verdween een zin. Ze typte een andere. Liet haar hand rusten op de muis. Klikte terug. Probeerde het opnieuw. Aaltje klampte zich wanhopig vast aan de droom haar woorden eindelijk uiting te kunnen geven.
Acht jaar geleden was Aaltje bij Annie ingetrokken. Annie had meerdere kandidaten geïnterviewd. Bij Aaltje voelde ze zich meteen op haar gemak. Ze pasten zich moeiteloos aan elkaars leefritme aan. Aaltje respecteerde haar. Geen oordelen, alleen acceptatie. In het begin speelden ze vaak spelletjes, maar dat was inmiddels verstomd. Het leven trok aan hen en liet weinig ruimte voor plezier.
‘Goedemorgen, Aaltje,’ zei Annie. ‘Mooi weer, hé?’ Aaltje keek op van haar werk. Haar lange blonde haar hing los — warrig en ongekamd. Ze droeg een spijkerbroek en donkerblauwe trui.
‘Goedemorgen. Inderdaad, prima weer,’ antwoordde Aaltje.
De laatste tijd praatten ze meestal over het weer.
Annie schuifelde naar de keuken. Ze maakte ruimte op het aanrechtblad door vies servies naar de hoek te schuiven, alsof ze het verbande. In een pannetje warmde ze babymelk op en goot het in een flesje. Pas nadat ze met het flesje naar Elodie was geweest, begon ze aan haar eigen ontbijt.
Terwijl ze een boterham smeerde, keek ze uit het raam. Hun buurman liep naar de brievenbus. Hij was van dezelfde leeftijd als Aaltje en Annie, maar liep alsof hij ouder was. Alsof de zwaartekracht extra hard aan hem trok. Hij droeg een blauwe spijkerbroek en een zwarte capuchontrui met in grote witte letters Puma op de borst. Zijn haar was afgeschoren — zodat hij er geen omkijken naar had. Wilbert Teerlinck haalde een brief uit de brievenbus, las hem aandachtig, en vouwde het papier zorgvuldig weer dicht. Dit deed hij elke dag opnieuw.
Maar de brief was altijd leeg.
Ze had Wilbert wel eens horen zeggen dat hij het lastig vond om de controle los te laten. In het duister te tasten. Dus bleef hij komen, ook al was de brief telkens leeg. Want wat als hij belangrijke informatie zou missen? Daarna ging Wilbert weer naar binnen. Hij zette de televisie aan en keek urenlang naar het LG-logo dat over het scherm bewoog. Zonder ook maar één keer om te kijken.
Aan het begin van de avond besloten Aaltje en Annie weer eens een spelletje te doen. Annie pakte Mens-erger-je-niet uit de kast. Aaltje was groen, Annie blauw. Ze speelden door tot het donker werd. Steeds weer gooiden ze elkaars pionnen van het bord. Het spel herhaalde zich eindeloos. Bij elk potje werden hun blikken doffer, vermoeider. Als Aaltje aan de winnende hand was, zat Annie in passief-agressieve stilte.
Halverwege de avond werd Oblomov wakker. Hij rekte zich kreunend uit, zijn spieren kraakten. Hij schuifelde naar de kattenbak en koos voor de kortste route: dwars over het speelbord van Aaltje en Annie. De pionnen vielen om, zonder verzet. Ze rolden geluidloos van het tafelblad, als afgeschreven stukken in een vergeten spel. Dit bracht Estragon in verwarring. Hij liep naar een blauwe pion toe en bleef ernaar staren. Alsof hij zich afvroeg wat het betekende dat de pionnen vielen. Voorzichtig trok hij zijn poot op en duwde tegen de pion. Zodra het bewoog, sprong hij geschrokken naar achteren en keek om zich heen om te zien wie verantwoordelijk was voor de beweging.
Toen het donker was, verschoonde Annie het bedje van Elodie. Daarna ging ze naar haar slaapkamer. Daar zette ze haar koptelefoon op. Een Bowers & Wilkins PX8. Eén lied, zoals altijd. Alsof dat iets uitmaakte.
Ze koos voor het nummer Wait van M83. Dromerig, traag, zwevend. Het gaf haar een weids gevoel van verlangen en vergankelijkheid — als een schilderachtig landschap waarin ze kon verdwijnen.

Send your dreams / Where nobody hides / Give your tears / To the tide / … / No time / No time / … / There’s no end / There is no goodbye / Disappear with the night

‘s Nachts droomde ze over Thanatos. Hij droeg een zwarte mantel die tot op de grond reikte, en aan zijn schouders zaten kleine, donkere vleugels. Hij keek naar haar en strekte zijn hand uit, zoals God naar Adam in Michelangelo’s beroemde fresco: De Schepping van Adam. Maar Annie kwam niet dichterbij. Ze weerstond zijn aantrekkingskracht. Ze vertrouwde hem niet. De vonk die uit de vinger van Thanatos kwam, dwarrelde omlaag en doofde uit op de grond. De volgende ochtend dacht Annie aan het lied. Wait van M83. Ze kon niet verdwijnen in de nacht. Altijd was hij daar — Thanatos. Hij vergezelde haar. Achtervolgde haar, als een schaduw.

De eerste schreeuw
Annie herhaalde haar ochtendritueel: ze douchte, wiegde Elodie en maakte ontbijt voor twee. Toen ze in de huiskamer kwam, zette ze een lied op. Sky Blue van Peter Gabriel. Het paste precies bij haar dagelijkse rituelen — plechtig, herhalend, maar met een voortdurend ingehouden schreeuw van wanhoop. Met zijn trage cadans riep het heldere beelden op. De achtergrondzang van The Blind Boys of Alabama gaf het bijna iets sacraals, maar met een melancholische ondertoon.

I can hear the same voice calling / Crying out, from my heart / And that cry, what a cry / What a cry, it’s going to be / If I can stop to let it out, oh.

Annie zag hoe Estragon een vlieg probeerde te vangen. Hij rende er achteraan, sprong in de lucht en boog zijn rug acrobatisch alle kanten op. Maar zijn poot kwam niet eens in de buurt van de vlieg. De vlieg leek hem spottend aan te kijken. Alsof hij hem uitlachte. Met opzet vloog hij nog een paar keer precies voor de neus van Estragon langs.
De vlieg lette niet op zijn omgeving. Toen hij dicht langs het mandje van Oblomov vloog, werd hij verpletterd. Oblomov had niet eens zijn ogen opengedaan. Hij geeuwde van zijn plotselinge inspanning, draaide zich om en sliep weer verder.
Aaltje zat aan tafel met haar laptop. Ze typte. De zin verdween. En opnieuw. Even wierp ze een blik op Elodie.
‘Ze is er… maar wanneer, dat weet ik nooit,’ zei ze bevreemd.
Plotseling kwam Wilbert het huis binnenstormen. Hij had zijn blauwe ochtendjas en beige pantoffels nog aan, alsof Arthur Dent zélf op de koffie kwam. Hij keek verwilderd en wees trillend naar Aaltje.
‘Jij! Jij bent het! Jij bent degene die al die lege brieven naar me stuurt!’ Blijkbaar had hij gezien dat alles wat Aaltje typte, onmiddellijk verdween.
Wilbert liep op Aaltje af. Hij zag niet dat Estragon zich midden in de kamer waste. Wilbert struikelde over de lapjeskat en viel met een harde klap voorover, plat op zijn borst. Estragon schreeuwde en blies. Wilbert stond met een rood aangelopen gezicht weer op. Hij pakte Aaltje bij haar arm en trok haar ruw van de stoel. Hij probeerde haar mee te sleuren, maar Aaltje klampte zich vast aan de tafelrand.
‘Blijf van me af!’ schreeuwde ze.
‘Ik heb er genoeg van! Je gaat met mij mee, totdat je eindelijk een keer die brief wél voor me schrijft! Ik word er gek van! Laat me weten wat je wil, wat er gebeurt.’
‘Maar ik heb niet…’
‘Stil! Genoeg!’
Wilbert maakte Aaltjes vingers los van de tafel en tilde haar op. Aaltje spartelde met haar armen en benen, zoals een klein kind zou doen. Maar Wilberts greep verslapte niet. Hij nam haar mee naar de deuropening.
Hier sprong Annie tussenbeide. Ze ging in de deuropening staan en spreidde haar armen.
‘Laat haar los! Nu! Je bent niet goed bij je hoofd!’
Wilbert zette een paar passen naar achteren. Hij nam een aanloopje en rende vervolgens, met Aaltje in zijn armen, recht op Annie af. Bij Annie draaide hij zijn rechterschouder in haar richting en beukte haar omver. Hij rende over haar heen naar buiten. Onderweg spuugde Estragon nog naar hem. Boos, omdat Wilbert zijn ochtendwasbeurt had verstoord.
Annie voelde nog de afdruk van Wilberts voeten op haar buik en bovenarm. Als dit een tekenfilm was, stonden de schoenafdrukken nog op haar huid. De plekken gloeiden, brandden. Maar ze schonk er weinig aandacht aan. Ze keek het tweetal na. In deze wereld was iedereen altijd op zoek naar betekenis, dacht ze. Naar emotie. Naar iets. Al was het maar afgunst, irritatie of zelfs haat. Maar niet deze leegte. Alles was beter dan deze leegte. Dit oneindige, uitzichtloze bestaan.
Maar niemand stond ooit op. Wat bewoog Wilbert om dat nu wel te doen? Was het hem gelukt om zijn innerlijke schreeuw te ontsluiten? Zoals Peter Gabriel het bezingt in Sky Blue? Was het hem gelukt om stil te staan en die schreeuw eruit te laten?
Hoe was hem dat gelukt?
Annie nam Elodie mee naar beneden en ging op de bank zitten. Ze drukte het bundeltje tegen haar borst, tegen haar hart. Zonder Aaltje voelde het huis nog leger. Ze miste het geluid van Aaltjes getik op de laptop. De zuchten van frustratie wanneer er weer een zin verdween. In de stilte werd de fluisterstem van Thanatos ook luider.
‘Richt je tot mij. Ik ben het antwoord. Negeer me niet.’
Maar dat probeerde ze wel. Hardnekkig.
Estragon liep de kamer rond. Zoekend. Hij keek overal: onder de bank, achter de kasten. Hij zocht Aaltje. Af en toe riep hij naar haar. ‘Maaaaaauw! Kom tevoorschijn!’
Maar niemand kwam.
Oblomov tilde één ooglid op en keek naar Annie. Indringend, zonder te knipperen. Alsof hij zei: ‘Jij liet Aaltje in de steek. Het was jouw schuld.’
De kritische blikken van Oblomov, het wanhopige gemauw van Estragon en de fluistering van Thanatos werden Annie te veel. Ze liep met Elodie naar boven en legde haar in de wieg. Ze ging ernaast zitten, greep het hout vast en schommelde het bedje heen en weer. Ze bleef zo zitten tot het donker werd, verschoonde het bed van Elodie en trok zich daarna terug in haar eigen slaapkamer.
Traditiegetrouw zette ze haar koptelefoon op voor een laatste lied. How to Disappear Completely van Radiohead klonk door de oorschelpen. Het lied klonk vervreemdend, kwetsbaar. Langzaam zweefde het geluid door haar oren terwijl haar gedachten afdwaalden. Ze wilde niet erkennen dat Aaltje er niet meer was. Doen alsof het nooit was gebeurd.

In a little while / I’ll be gone / The moment’s already passed / Yeah it’s gone / And I’m not here / This isn’t happening

Zou Aaltje haar missen? Zou de wereld haar missen als ze er niet meer was? Wat als ze zich om zou draaien en nooit meer terugkwam?

Dolen door het bestaan
Annie begon weer aan haar ochtendritueel: ze douchte, wiegde Elodie en maakte ontbijt voor twee. Voor het eerst in dagen ging ze weer naar haar werk. Ze werkte als zaalwacht in het museum. Ze legde Elodie in de kinderwagen en vertrok. Onderweg zette ze haar koptelefoon op. Ze koos voor het nummer Dancing with Ghosts van Hania Rani. Het nummer was lichtvoetig en poëtisch. De zachte pianoklanken en het kwetsbare stemgeluid met echo’s versterkten het tragikomische tafereel dat ze op straat zag.

And you will be silence with mine / In the fire, in the night / We will be dancing like ghosts, apart / Will you be dancing tonight?

© Sjoerd de Boer

Ze zag een vrouw in een eenvoudige blauwe jurk over straat zwerven. Zonder doel, zonder bestemming. Soms bleef de vrouw staan en keek naar iets wat Annie niet zag. Dan liep ze weer verder. De vrouw zocht naar iets — maar ze wist zelf ook niet wat dat was.
Even verderop liep een man in een grijs pak. Hij wandelde met zijn labrador. De hond liep kwispelend voorop, de man er sjokkend achteraan.
In het park boog een groep bomen over een vijver. Hun tranen hingen laag en vulden de vijver tot over de oevers. De paden naast de vijver waren doorweekt en onbegaanbaar.
Op een grasveld schopten jongeren in trainingskleren tegen een bal. Er leken geen spelregels te zijn. Ze praatten niet, lachten niet. Alleen maar schoppen. En weer opnieuw.
Aan de rand van de winkelstraat speelde een vrouw in een lange rode jas op haar saxofoon. Annie deed een moment haar koptelefoon af, maar ze hoorde niets. Er was geen geluid. Alleen de tomeloze inzet van de muzikante — zonder weerklank.
Annie keek naar Elodie. Haar houvast in de wereld. Elodie was binnen handbereik, maar de afstand voelde groter dan ooit. Alsof ze reikte naar iets wat haar altijd een stap voor zou blijven. Ze zuchtte. Ze danste alleen. Net als iedereen in deze wereld. Als geesten, zonder toeschouwers.
In het museum ging ze zitten. Ze zat op een stoel aan de zijkant van de grote zaal. De kinderwagen stond naast haar. Haar taak was simpel: zorgen dat niemand de kunstwerken aanraakte of meenam. Ze reed de kinderwagen zachtjes heen en weer zodat Elodie kon slapen. Er liepen wat bezoekers de zaal binnen. Sommigen bleven even staan terwijl ze naar een kunstwerk keken, anderen liepen gelijk door.
Twee vrouwen stapten binnen. Ze liepen recht op de kinderwagen af.
‘Oh, een baby!’ zei de vrouw met het halflange haar. Ze bogen zich voorover om onder de kap te kijken. Ze schoten verward overeind.
‘Waar is je baby?’ vroegen ze aan Annie.
Annie knikte naar de kinderwagen.
De vrouwen wisselden een blik en bogen zich opnieuw voorover. ‘Daar zit niets in,’ zei er één.
Annie haalde haar schouders op. ‘Ze is er alleen voor mij,’ mompelde ze.
De andere vrouw keek haar strak aan. ‘Nee echt, daar zit helemáál niets in. Geen deken, geen pop, niks.’ De twee vrouwen stonden een moment stil, en deinsden toen verschrikt achteruit. Alsof ze een besmettelijke gek hadden gezien. Hun samenzweerderig gefluister klonk nog door de ruimte terwijl ze verder liepen. Af en toe wierpen ze een blik achterom op Annie voordat ze de hoek om verdwenen.
De baby huilde niet. De baby bewoog niet. De baby wás niet.
Annie liet haar blik door de ruimte dwalen. Aan de zijkant hing Hommage à Claude Lorrain, in 1926 geschilderd door Raoul Dufy. In heldere kleuren en losse penseelstreken toonde het een warm, idyllisch landschap. In het midden stroomde een rivier waar twee schepen op dreven. Aan weerzijden stonden klassieke gebouwen. Het ademde eeuwige middagzon, een wereld waarin verdriet op afstand bleef. Ze voelde weemoed bij de herinnering aan een tijd dat zij zich ook zo voelde. Zoals in de dierentuin met haar ouders en zusje. Maar dat lag lang achter haar.
Centraal hing een werk van Salvador Dali: The Persistence of Memory. Hij schilderde het nadat de tijd uit de wereld was verdwenen. Op het werk zag je een woestijn waarin een aantal klokken smolten. De klokken lagen als vergeten attributen in het landschap. De volgende generatie herkent ze misschien niet eens meer, dacht ze weemoedig. Ze herinnerde zich dat ze voor deze ingrijpende verandering veel gelukkiger was.
Aan de rechtermuur hing Death and the Maiden van Marianne Stokes, geschilderd in 1900. De stijl paste het beste bij het symbolisme. Op het schilderij zag ze een jonge vrouw onder een rode deken, die zich oprichtte uit bed. Voor haar zat Thanatos: hier een zwarte gestalte met grote vleugels. Thanatos hief zijn linkerhand geruststellend, en in zijn rechter hield hij een lantaarn die licht verspreidde. Annie vond dat Thanatos er hier bijna liefkozend uitzag. Hij toonde zich niet als iemand die de vrouw ruw meetrok naar het hiernamaals, maar die haar wilde begeleiden. De lantaarn bevestigde voor haar dat Thanatos hier juist licht bracht. Omdat Thanatos altijd meeluisterde in haar gedachten, hoorde ze nu ook weer zijn fluisterende stem. De stem kwam als altijd, zacht en onontkoombaar: ‘Ik verlaat je nooit. Berust in mij en geef je over.’
Onderweg naar huis luisterde ze naar Everything in its Right Place van Radiohead. Door de herhalingen in het nummer en de elektronische echo’s op de achtergrond klonk het als een gecontroleerde chaos. Voor Annie voelde het alsof het nummer haar uitlachte. Alles op de juiste plaats. Of toch niet?

Everything / Everything / Everything / In its right place / In its right place / In its right place / Right place

Gesprek met Thanatos
Annie begon haar ochtendritueel: douchen, Elodie wiegen, ontbijt maken voor twee. Die nacht had ze weer gedroomd over het ongeluk. Ze was er niet bij, maar haar hoofd had de leegte volgestort met beelden. Piepende remmen. Schurend rubber. Een klap. Brekend glas. Het gegil van haar ouders en zusje. Twee agenten stonden op een dag aan de deur, met het slechte nieuws.
Annie viel, alsof iemand haar in een oneindige put had geduwd. Ze bleef maar vallen. Steeds dieper, dieper. De grond kwam nooit in zicht. Er was geen enkele houvast meer. De realiteit werd een waas. Alsof er een sluier overheen viel die alles verduisterde, uitwiste.
Op een dag, ergens tussen het vallen en die waas, had ze Elodie opgepakt. Misschien had ze haar wel zelf verzonnen, gegrepen uit pure wanhoop. Ze wist niet meer wanneer, of hoe, alleen dat Elodie er was. En dat ze haar overeind hield, tegen alles in. Het vallen stopte. De sluier verdween.
In de huiskamer zette ze de radio aan. De zender draaide Lights van Archive. Het nummer duurde ruim 18 minuten en had een langzame opbouw. Langzaam voegden steeds meer lagen zich bij het klankenspel. Het klonk vervreemdend, als tragische, technologische melancholie.
Roppe PetCare Ultra vertrok vanuit station 0 voor zijn stofzuigronde. Oblomov keek geïrriteerd op vanuit zijn mandje. Estragon sprong opzij en liet een stoffen muisje uit zijn bek vallen. Roppe zoog het muisje op en stikte er bijna in. Hij gloeide rood op en loeide hard, als een stervende koe in een systeemfout. Daarna was zijn keel weer vrij.
De stem mengde zich in de klanken van Archives Lights. De tekst werd gezongen met langgerekte woorden in een heldere stem. Alsof de zanger de woorden uit het diepste van zichzelf moest trekken. Het klonk klagend, scheurend.

The hurt’s relentless / The hurt of emptiness / The hurt of wanting / The hurt of going on / The hurt of missing / The hurt is killing me / Turn my head / Off / Forever

Roppe reed tegen een tafelpoot en begon te roepen. ‘Tafelpoot gedetecteerd. Tafelpoot gedetecteerd. Geen omleiding mogelijk. Tafelpoot gedetecteerd. Moet stofzuigen. Elke dag weer stofzuigen. Stofzuigen. Stofzuigen. Stofzuigen.’
Annie staarde naar Roppe. Mengde het nummer zich met haar waarneming, of klonk hij echt ongelukkig? Werd hij geraakt door het eentonige plichtsbesef van werken? Altijd maar werken? Ze liep naar het hoofd van Roppe en drukte op de oranje knop om hem uit te schakelen.
Annie besloot een bezoek te brengen aan de kerk. Dé plek waar zingeving centraal stond, althans, volgens sommigen. Ze tilde Elodie in de wagen — alsof zij haar beschermde tegen wat kon komen. In de kerk ging ze ergens halverwege zitten, op een hardhouten bankje dat kraakte onder haar gewicht. Ze keek rond: het altaar, het orgel, schilderijen aan de muren, kruizen overal. Ze dacht aan Aaltje terwijl ze wachtte — op troost, richting, gevoel.
Na een tijdje gleed een stem als wierrook door de ruimte. Een trage, minimale begeleiding tilde de stem zachtjes op. Het klonk verleidelijk, bijna bedwelmend. Zwevend. Ze kende het lied meteen: I Hold You van Clann.

Rest now, your heart / … / It’s all right / We’re all right / Although you’re gone / I’ll be here to hold you / I’ve got you / … / Will you breathe through me? / And calm the storm inside / Just breathe through me / We’ll keep the fires alight / I’ll face down the world with you

Het klonk als een fluisterende omhelzing, warm en zwaar van betekenis. Het wenkte haar, alsof iets groters haar zachtjes tot zich wilde nemen. Zou de zangeres haar ooit weer los willen laten? Was het niet een fluistering die zei: ‘Je hoeft er niet meer te zijn.’
Ze voelde zich bedwelmd. In slaap gesust. De warmte stelde haar gerust, maar juist die geruststelling voelde gevaarlijk. Alsof ze zichzelf aan het verliezen was. Ze verzette zich, probeerde wakker te blijven. Haar blik viel op Elodie. Altijd weer Elodie. Wie zou ze zijn zonder haar? Ze hield Elodie stevig in haar hart vast en liep de kerk uit.
Toen ze naar buiten stapte, liep ze de priester tegen het lijf. Hij sprak haar aan en vroeg wat er aan de hand was. Ze vertelde in grote lijnen het verhaal van Aaltje. Ze zei dat ze zich nu pas echt verloren voelde. Ze zocht naar iets dat richting gaf. Naar zingeving.
Annie dacht dat de priester zó aangenomen zou worden als hoofdredacteur tegeltjeswijsheden. Alles wat hij zei was leeg. Holle frasen. Alsof hij betekenis juist had afgeschaft.
‘Ook Jezus kende verlies.’
‘Gun jezelf de ruimte om het verdriet een plek te geven.’
‘Soms is loslaten een vorm van overgave.’
Hoe moest dit haar in hemelsnaam helpen om verder te leven? Dit klonk meer als opgeven dan als steun. Toch bedankte ze de priester vriendelijk voor zijn hulp, zoals het nou eenmaal hoorde, en vertrok.
Toen ze naar huis wilde lopen, hoorde ze een stem.
‘Kom dan,’ fluisterde het, ergens in haar achterhoofd. Alsof iemand al te lang had staan wachten. Ze herkende de stem meteen. Thanatos. Zijn stem was warm en samenzweerderig tegelijk. Ze aarzelde — maar wat had ze nog te verliezen? Ze had al haar opties overwogen. Alles geprobeerd. Maar nergens vond ze een antwoord.
Even dacht ze terug aan het schilderij van Marianne Stokes: Death and the Maiden. Thanatos had daar bijna teder geleken. Ze draaide zich om. Haar voeten bewogen vanzelf.
Ze bevond zich plots op een eeuwenoude begraafplaats. Schuin ingezakte grafstenen lagen verspreid, alsof ze moe waren van het rechtop staan. Klimplanten en onkruid hadden het terrein langzaam overgenomen. Om de begraafplaats stond een ijzeren hek, dat ‘s nachts gesloten werd. In het midden van de begraafplaats stond een stenen bankje. Ze liet zich zakken en gaf zich over aan haar gedachten.
Ze stelde zich een vrachtwagen voor. Een ongelukkige val. Een schemerig steegje met de verkeerde persoon. Niet dat ze er een voorkeur voor had.
Wat als de dood pijn deed? Wat als haar bestaan er niet toe deed? Wat als niemand haar zou herinneren? Wat als niemand voor Oblomov en Estragon zou zorgen als ze dood was? Wat als…
Ergens tussen het onkruid, de scheve stenen en de gedachte aan Oblomov en Estragon die zonder haar zouden verhongeren, begon er iets te verschuiven. Een vage richting. Misschien zelfs zin.
Annie dacht aan de periode voorafgaand aan de dood. Wat ze wilde doen. Wat ze wilde bereiken. Wat ze de moeite waard vond om te ondernemen voordat het allemaal voorbij was. Langzaam keerden de contouren terug van wat ze had verloren. Ze kreeg weer richting. Een idee van betekenis. Iets om naar toe te leven.
Even voelde ze zich zoals vroeger — toen tijd nog vanzelfsprekend was, voordat alles betekenis verloor. Maar nu had ze het teruggevonden: het besef van vergankelijkheid en eindigheid. Dankzij de dood kreeg ze het gevoel van tijd terug. Dankzij de dood kreeg ze het leven terug.
Een man verscheen achter Annie. ‘Je bent gekomen,’ zei hij. Zijn stem was zwaar, maar niet onvriendelijk. Annie draaide zich om en zag Thanatos glimlachen — warm, uitnodigend. Hij was jong, met het bleke gezicht van iemand die alles al gezien had. Twee smalle vleugels rustten op zijn rug, zwart als schaduw. Zijn mantel bewoog als rook in de wind. Annie voelde zich betoverd, woorden lieten haar in de steek.
‘Mensen vergeten vaak dat de dood juist licht brengt,’ zei Thanatos. ‘Tijd was vroeger iemand anders probleem. Chronos, weet je wel? Grote jongen met een zandloper? Tot hij er vandoor ging en ik zijn puinhoop mocht opruimen.’ Thanatos haalde zijn schouders op. ‘Maar mijn werk-privébalans is nu wel helemaal overhoop.’ Hij knipoogde naar haar. ‘Dus het gaat allemaal wat langzamer dan ik had gehoopt.’
‘Maar… wat? Chronos is gewoon weg? Ik bedoel, ik wist wel dat de tijd verdween, dat voelde ik aan alles… Maar Chronos? Waar is hij dan gebleven?’
‘Tja, wij weten het eigenlijk ook niet zo goed. Het lijkt erop dat hij is opgelost in de eeuwigheid. Kom, ik laat je wel wat zien.’
Thanatos bracht Annie naar de andere kant van de begraafplaats. Daar stond een stenen beeld, bijna net zo groot als Annie. Het beeld was verweerd en uitgesleten, zijn gezicht bijna glad als een gewiste herinnering. Alleen de zandloper in zijn hand bleef herkenbaar.
‘Hier, dit is hem. Of eigenlijk, dit wás hem. Chronos. De enige echte,’ zei Thanatos.
Annie stak haar hand uit en raakte het beeld eerbiedig aan, alsof een aanraking genoeg was om hem te laten ontwaken.
‘We hebben lang naar hem gezocht. Ik bedoel: vóórdat ik zijn werk overnam. Misschien komt hij nog terug, wie weet. Maar zolang hij wegblijft, moet íemand de verlossing brengen, toch? Enfin. Ik moet weer verder. Druk, druk, druk. Maar we zien elkaar wel weer. Niet haasten, hé? Ik ben er toch.’
Thanatos stak zijn hand uit. Zonder aarzeling nam Annie hem aan. Zijn hand was koud en krachtig — als steen in winterlicht. Maar ook verrassend geruststellend, alsof hij haar al kende.
‘Dank je wel,’ zei Annie. Ditmaal meende ze het.
Annie bleef nog een tijdje op het stenen bankje zitten nadat Thanatos was verdwenen. Ze dacht na over het eerste wat ze zou doen. Het antwoord liet niet lang op zich wachten: Aaltje. Ze zou niet langer afwachten, maar nu in actie komen. Ze zou Aaltje redden.
Toen ze terug naar huis liep, zette ze haar koptelefoon weer op. Ze koos Like the Earth Orbits Sun van There’s A Light. Het nummer was ijl, maar verbindend. Het bouwde langzaam op.

A sigh of relieve / A moment of peace / When he set the sail / Well known places faded away / Like the earth orbits sun / It was time to move on

Het klonk precies zoals ze zich voelde: zwevend, zoekend, in beweging. Zoals de aarde om de zon draait, zo moest ook zij verder.

Gewapend met een koekenpan
De volgende ochtend begon Annie aan haar ritueel — maar ze hield in. Wat als ze het vandaag een beetje anders deed? Ze maakte eerst ontbijt voor twee, wiegde daarna met Elodie en stapte toen pas onder de douche. Voordat ze naar haar werk ging, aaide ze Oblomov over zijn hoofd. Oblomov keek haar nijdig aan. Estragon moest ze eerst zoeken. Hij stond op de gang en keek naar de deur. Toen ze hem aaide, reageerde hij niet. Hij bleef naar de deur kijken, alsof er elk moment iets uit tevoorschijn zou komen.
Samen met Elodie ging Annie naar haar werk. Ze nam plaats in de grote zaal. Bij elke bezoeker vroeg ze zich af: is Thanatos al bij hem geweest? Ze keek hoe ze liepen, of hun gezichten iets verraadden — doel, verlies, hoop. Aan het einde van de dag moest Annie concluderen dat zij als één van de eerste de hand van Thanatos had mogen schudden. Hij had het inderdaad nog steeds erg druk.
Thuisgekomen na haar werk trok ze haar trainingspak aan. Ze at een stevige avondmaaltijd met Again van Archive op de achtergrond. Het begon traag en slepend, maar zwol aan tot iets overweldigends — een nummer dat opbouwde in intensiteit. Van stille zelfreflectie naar een onvermijdelijke climax.

If I was to walk away / From you, my love, could I laugh again? / If I walk away from you / And leave, my love, could I laugh again?

Annie was er klaar voor. Klaar om de confrontatie aan te gaan met Wilbert. Klaar om Aaltje te redden. Er zou iets breken vanavond. In Wilbert, of in haar. Maar ze nam het risico. Ze wilde weer lachen. Ze moest weer lachen.
Bij de voordeur bleef ze even staan. Weifelend. Had ze een wapen nodig?
Ze liep terug naar de keuken. Ze pakte een koekenpan uit het kastje. Ze koos de pan met de beste grip. Als het misliep, wilde ze in elk geval vasthouden aan haar waardigheid. Gewapend liep ze terug naar de deur en vervolgde haar weg naar Wilberts huis. Ze voelde zich een karikatuur van zichzelf: een vrouw in trainingspak, op oorlogspad met een koekenpan. Maar ze bleef doorgaan. Niet voor zichzelf, maar voor Aaltje.
Toen Wilbert de deur opendeed, stormde Annie naar binnen. Aaltje zat in de huiskamer aan tafel. Voor haar stond een laptop. Ze staarde naar het lege scherm. Annie greep haar bij de bovenarm en trok haar van de stoel. Ze ging half voor Aaltje staan, hield de koekenpan paraat en draaide zich naar Wilbert.
‘Aaltje gaat met mij mee! En o wee, als je haar nogmaals komt halen!’ schreeuwde Annie.
‘Ze mag gaan als ze die verdomde brief eindelijk af heeft!’ reageerde Wilbert woest. Iedereen had blijkbaar een ding om zich aan vast te klampen. Annie had Elodie. Wilbert had een leeg Word-document. Wilbert gromde en liep stampend op Annie en Aaltje af. Annie twijfelde een fractie van een seconde. Misschien had Wilbert gelijk, misschien moest Aaltje eerst… Maar toen keek ze in Aaltjes gezicht. Leeg, uitgeput, grijs. Ze haalde uit. De pan raakte zijn slaap met een doffe klap, alsof een blikken deksel viel op een volle vuilnisbak. Wilbert wankelde, greep naar zijn hoofd, en viel op één knie. Bloed trok een kronkelend spoor over de parketvloer.
Annie trok Aaltje mee naar huis. Ze sloot de deur achter zich en bleef hijgend met haar rug tegen de deur staan. Voor het eerst in lange tijd voelde Annie iets dat op trots leek.
Toen ze naar binnenkwamen, gebeurde er iets unieks. Oblomov sprong geeuwend uit zijn mandje en streek met zijn lichaam langs het been van Aaltje. Zijn staart stond omhoog. Zoveel enthousiasme liet de zwarte kater zelden zien. Estragon trippelde ook naar Aaltje. Misschien had hij daarom eerder zo naar de deur gekeken — hij had op haar gewacht. De lapjeskat mauwde en sprong tegen haar aan, op zoek naar een geruststellende aai. Het leek alsof ze met hun staarten het stof van de dagen zonder Aaltje uit de lucht veegden.
Aaltje zette muziek op. Ze koos voor een nummer uit IJsland: Kominn Heim van A Tergo Lupi. Het klonk als een warme, mystieke thuiskomst. De muziek gaf een gevoel van contact, van oerkracht uit de natuur.

Núna er ég loftið / Núna moka ég jörðina / Núna get ég flogið / Núna er ég loftið / Og ég er trjábörkurinn / Og ég er ræturnar / Og ég er mykja / Og nú er ég kominn heim
Nu ben ik de lucht / Nu schep ik in de grond / Nu kan ik vliegen / Nu ben ik de lucht / En ik ben de boomschors / En ik ben de wortels / En ik ben mest / En nu ben ik thuis

Nu Aaltje weer thuis was, voelde het voor Annie alsof de wereld weer klopte. Alsof de lucht, de bomen en het leven weer in balans waren. Het nummer dat Aaltje had gekozen, vatte dat gevoel perfect samen.
‘Welkom thuis,’ fluisterde Annie.
‘Dank je wel, het is goed om hier weer te zijn,’ reageerde Aaltje voorzichtig.
Even stonden ze twijfelend tegenover elkaar. De afstand tot hun emoties was zo groot geworden, dat ze niet goed wisten hoe ze zich moesten voelen. Laat staan hoe ze dat gevoel onder woorden moesten brengen. Maar ze waren het met elkaar eens: dit was hoe het hóórde te zijn. Zoals yin en yang. Zoals de nacht langzaam overgaat in dag. Zo hoorden zij bij elkaar.

Het waanzinduet
Dagen werden weken, weken maanden. Annie en Aaltje vielen terug in hun oude ritme — maar er was iets veranderd. Ze praatten meer, speelden vaker een spelletje. Hoe vaker Annie aan de dood dacht, hoe zinvoller de dingen om haar heen leken. Ze deed dat met aandacht en precisie. Ze probeerde zich exact voor te stellen op welke mogelijke manieren ze dood kon gaan: elektrocutie door een bliksemschicht, struikelen over de steel van een hark — met haar oog op de tanden. Soms dacht ze aan hoe George Lass doodging in de tv-serie Dead Like Me. Verpletterd door een wc-pot die uit het ruimtestation MIR viel. Door de dood concreet te maken, voelde het dichterbij en realistischer.
Thanatos had ook Aaltje bezocht. En hoewel het haar zichtbaar opbeurde — haar ogen glansden, ze deed meer in het huishouden en neuriede soms een liedje — bleef ze werken aan dat verrekte boek. Al kwamen er geen woorden. Op een dag hield Annie het niet meer. Haar emoties zaten nog te los onder de huid. Met minder tact dan ze hoopte, begon ze het gesprek.
‘Denk je niet dat het tijd is om je boek even te laten rusten? Je weet wat ze zeggen hè: waanzin is telkens hetzelfde doen en een ander resultaat verwachten.’
‘Waanzin? Kom op zeg. Als iemand het zou moeten begrijpen, ben jij het. Jij loopt toch ook de hele tijd met die nep-baby rond?’ reageerde Aaltje gepikeerd.
‘Nep-baby? Heb je dan niets gemerkt aan haar? Ze leeft misschien anders dan anderen, maar dat maakt haar nog niet nep. Ik voel haar. Haar energie. Haar rust.’
‘Nou, ik voel dat er een boek aankomt. Nou goed? Waar bemoei je je eigenlijk mee?’
Op de radio begon The Cigarette Duet van Princess Chelsea en Jonathan Bree te spelen. Een duet over de vraag of je mag roken ─ of moet stoppen.

It’s just a cigarette and it cannot be that bad / Honey, don’t you love me? And you know it makes me sad / It’s just a cigarette like you always used to do / I was different then, I don’t need them to be cool

Het lied klonk ironisch — bijna alsof het hun ruzie op de hak nam. Even waren ze stil. Annie haalde adem. ‘Misschien klampen we ons gewoon te hard vast… aan iets. Jij aan je boek. Ik aan Elodie. En Wilbert… aan die brief.’
Ze spraken de rest van de dag niet meer. Geen ongemakkelijke stilte, maar een van bezinning. Alsof ze allebei hun gedachten moesten herschikken.
De woorden van de ruzie hingen nog in de lucht toen Wilbert op bezoek kwam. Ditmaal klopte hij netjes aan. Hij stormde niet naar binnen. Hij schreeuwde niet. Annie opende de deur op een kier. Net ver genoeg om hem te kunnen aankijken. ‘Wat kom je hier doen, Wilbert? Aaltje blijft hier, hoor.’
‘Ik weet het. Ik weet het. Ik voel me gewoon… ik weet het niet. Ik had dat niet moeten doen. Soms verlies ik mezelf. Door mezelf. De wens voor controle, weet je wel? Dat kwam ik zeggen. Is Aaltje er? Ik wil haar graag even spreken.’
Annie aarzelde. Kon ze hem vertrouwen? Na alles? ‘Ik haal haar wel. Blijf hier.’
Annie hoorde de zachte stemmen van Aaltje en Wilbert bij de deur. Aaltje lachte ergens om. Even later ging de deur verder open en zette Aaltje het koffieapparaat aan.
‘Ik begrijp het,’ zei Aaltje meelevend tegen Wilbert. ‘Die brief, hè… We hebben allemaal wel iets.’ Ze keek even naar Annie met vergeving in haar ogen, of iets dat erop leek. Daarna schonk ze drie kopjes koffie in.
Wilbert bleef de hele middag. Aan het eind van de middag wilde hij Elodie optillen. Maar toen hij zijn hand in de kinderwagen stak, verstijfde hij.
‘Maar… Er is niets. De lucht is hier alleen kouder. Niet qua temperatuur, maar iets anders. Iets… vreemds.’
Hij keek verward. Eerst naar de kinderwagen. Toen naar Annie. En zei niets meer.
Zoals elke avond had Estragon zijn gekke kwartiertje. Hij rende door het huis alsof hij bezeten was door een demonische mot. De bank op, de trap af, de bank weer op — en weer af. Oblomov werd wakker, rekende even uit of het de moeite was om mee te doen, en waggelde er uiteindelijk toch maar achteraan. Na drie seconden duizelden de capriolen van Estragon hem al. Uitgeput zakte hij als een zak nat wasgoed op de grond. Zijn waardigheid verloor hij onderweg. Toen Estragon eindelijk landde, plofte hij neer in Oblomovs mandje. Natuurlijk. Oblomov keek hem de rest van de avond aan met een blik die moeiteloos drie levens verbrandde. Maar hij deed niets. Passieve agressie was zijn ware kracht.

Elodie, altijd weer Elodie
‘Ik denk dat het tijd is,’ zei Annie met een trilling in haar stem. ‘Ik denk dat ik zover ben.’
Aaltje, Wilbert en Annie stonden bij het grafje in de tuin. Aan de zijkant lag een hoop zand en een schop. Met trillende handen haalde Annie Elodie uit de kinderwagen. Ze slikte haar tranen weg, hield even stil en ging toen verder. Voorzichtig legde Annie het bundeltje in het gat, alsof het zou breken bij één verkeerde beweging. Ze ademde een paar keer diep in en weer uit.
‘Hier gaan we,’ zei ze zacht.
Annie pakte de schop en begon eerbiedig zand over Elodie te gooien. Met elke beweging voelde ze iets in zichzelf terugkeren. Tussen de scheurende pijn van het afscheid groeide iets. Misschien hoop. Of vooruitgang.
Wilbert zette In Death (Carry Me Home) op van Osi and the Jupiter. De zware aardse stem van de zanger weefde zich tussen snelle gitaarriffs en slepende vioolstrijken. Het nummer gaf woorden aan wat Annie niet kon zeggen: aan mystiek, aan ritueel.

Howling of the night / A calling of the old / Whispers in the trees / Hymn of ancient song / Conjuring the skies / Fire of the soul / Wyrd of life and death / Staved into the bone / … / I am the night’s Moon of old / In death, carry me home

Nadat Annie het gat had gedicht, zwol de wind aan. Ze hoorde de bladeren van de bomen ritselen en de vogels kwetteren. Van ver weg hoorde ze het geluid van een saxofoon. De vrouw in de rode jas, dacht Annie. Ze kon weer spelen. In de huiskamer begon de grote houten klok weer te tikken.
Toen begreep Annie het. Wat ze al die tijd had vastgehouden na het overlijden van haar ouders en zusje. Hoe intens haar verdriet en wanhoop toen waren. Wat ze nu pas durfde los te laten, omdat ze weer verbonden was. Met Aaltje, Wilbert, Thanathos.
Elodie was geen kind. Elodie had geen zorg nodig. Het was haar gevangene. Verstopt, maar gekoesterd. Ze had zich er wanhopig aan vastgeklampt omdat ze niet wist hoe ze verder moest. Omdat ze niet verder kón. Het verdriet was te groot.
Ze had de tijd zélf stilgezet — en niemand had het gemerkt. Chronos had al die tijd in Elodie gezeten, veilig opgesloten. Tot nu.

Liefde is een zandloper
Na het afscheid van Elodie kwam Wilbert vaker langs. Een paar weken later zaten ze samen in de tuin. Het zonlicht scheen op hun gezichten, alsof de spotlight van het toneelstuk opnieuw op hen was gericht. Estragon en Oblomov vonden het te warm; zij lagen onder een boom in de schaduw. Wilbert had een brief van zijn tante gekregen. Het ging goed met haar, schreef ze; ze vroeg hoe het met hém was. Aaltje had haar eerste verhaal geschreven: dat zou gepubliceerd worden in een bundel bij Luitingh-Sijthoff.
En Annie leefde weer. Niet groots, maar wel echt. Ze had de lugubere doodsgedachten achter zich gelaten en kon zich weer richten op het nu en straks — zonder die heftige beelden. Ze bewoog haar vingers over haar arm en voelde haar eigen aanraking. Geen vreemde meer. Niet los van haar lijf, gevangen in een tussenruimte. Ze was hier — en het was goed.
Wilbert zette muziek op: Mirage van Oh Hiroshima. Het nummer begon traag en groeide uit tot iets groots. Iets weids, mysterieus. Met de muziek werd ook de hoop weer opgebouwd. Op betekenis. Op een toekomst. Op elkaar.

Hold on, there’s a light / … / When storms are raging just hold on / When cloaked in shadows our blood’s still warm / … / The breaking dawn behind the hills

In de verte keek de Thanatos toe. Ooit was hij een beeld van afschuw, van vrees. Maar niemand zag wat hij werkelijk bracht: hoop, betekenis, een reden voor een zinvol bestaan.
Thanatos vond het bijna jammer dat Chronos was teruggekeerd. Geëerd worden in plaats van gevreesd — daar kon hij best aan wennen. En dat Annie Chronos had vastgehouden in haar rouw om haar ouders en zusje — dat ze de tijd zélf had tegengehouden… Nou, dát was liefde.
Misschien moest hij zijn baas eens vragen of hij en Chronos van taken konden ruilen. Wie weet… Hij draaide zich om. Zijn zwarte mantel zwierde achter hem aan, licht trillend rond zijn schouders waar twee donkere vleugels als vouwen van de nacht uitstaken. Zelfs Thanatos wist: stijl is alles. Maar betekenis… betekenis bleef altijd een beetje een raadsel.
De klok tikte. De katten snurkten. En het leven — het leven ging weer door.

 

Over de auteur:
Jentl de Waal (37 jaar) deed mee als debutant aan de Waterloper wedstrijd. Zij voelde zich uitgedaagd door het thema “Hoe zou het leven zonder tijd eruit zien”, want volgens de grote wetenschappers is de lineaire tijd toch een perceptie en bestaat het niet echt? Het stilstaan van de tijd zou daarom ook een perceptie moeten zijn. Door kunst, muziek en symboliek te combineren besloot ze een verhaal te vertellen over trauma, verlies, depressie en heling. Dit experimentele verhaal behaalde de 10e plaats.

Over de illustrator:
Sjoerd de Boer:
‘“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Voor mij is dit een van de meest iconische zinnen ooit, vaak gekoppeld aan het even iconische kinderboekkarakter Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Het is een basis voor zelfvertrouwen, een positieve instelling en het aangaan van uitdagingen. En als je er dan voor gaat, dan moet je in mijn ogen ook doorzetten! Maar wie ben ik? Ik heb door de jaren heen een rugzak vol kennis en ervaringen opgedaan als onder andere auteursbegeleider, vormgever, schrijver en projectredacteur en nu ook als illustrator. Meer weten? Bezoek mijn website.’

 

© – 2026 Fantasize, Tessa de Waal & Sjoerd de Boer

You cannot copy content of this page