web analytics
zondag, mei 15

Vertellingen: Dodendanserslicht – deel 3

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zeven delen.

Als ik wakker word, lig ik met gespreide benen en armen vastgebonden op een ijskoude, stenen tafel. Ik ben zo goed als naakt. Mijn lange haar hangt los over mijn borstdoek en om mijn linkeronderbeen, daar waar het werd geschampt door mijn eigen pijl, zit een vuil verband. Mijn pas genezen rechterbeen hebben ze gelukkig met rust gelaten. Het grillige litteken steekt als een vuurslang af tegen mijn bleke huid, maar ziet er verder ongeschonden uit. Voor zover je natuurlijk van ongeschonden kan spreken in een situatie als deze.
Elke spier, elke vezel van mijn gehavende lijf schreeuwt het uit. Van de kou, van de pijn. Het kan me niet schelen. Ik verdien niet beter. In mijn hoofd krijst Schim nog steeds. Mijn fout, denk ik steeds maar weer. Maar hoe had ik moeten weten dat ons tochtje zou uitdraaien op dit?
Je had hulp moeten halen zodra je het griffioenenei zag, zegt een stem in mijn binnenste. Je bent een dwaas, Tanarien. Een dwaas die onverantwoorde risico’s neemt. Een gevaar voor jezelf en voor anderen.
Nee, denk ik. Nee. Als ik het ei had achtergelaten, hadden we het nooit meer teruggevonden, al kwam de hele poortwachtersorde deze kant op. Ik heb gedaan wat ik moest doen.
Stop dan met jezelf te beklagen en ga aan het werk. Voor die ene die altijd trouw aan je zijde bleef, hoe hard je het soms ook verknoeide. Voor Schim.

© Marcel van der Sleen

Ik duw de pijn die door mijn spieren raast naar de achtergrond en inspecteer de ruimte. Ik ben niet in een van de stinkende ijsgrotten van de Aïshi. De muren rond de tafel waar ik als een slachtdier op uitgestrekt lig, bestaan uit strak uitgehouwen, witdooraderde rotsblokken, het plafond uit grote stenen platen. De zware deur is van versterkt koper, een van de weinige metalen hier op Daruvia. Hier zit vele roodmanen werk in. Mijn hart zinkt in mijn poortwachterslaarzen. En wij maar denken dat we de opstand op Arminia in de kiem gesmoord hadden. Niets is blijkbaar minder waar. Goden, wat als het bittere gevecht om het bezit van de nu verzegelde poort niet meer was dan een afleidingsmanoeuvre? Wat als de bestjerka al die tijd al hier was, veilig op het zo goed als verlaten Daruvia? Samenspannend met de Aïshi? Timmerend aan wat het ook is dat ze samen van plan zijn? Een smokkelroute in zeldzame wezens hoogstwaarschijnlijk. En Schim en ik zijn er nietsvermoedend op gestoten.
Ook al is het ijskoud in mijn kleine cel, er hangt een vage geur van vuur en gebraden eten in de lucht. Degelijk eten, niet het bedorven aas waar de Aïshi de voorkeur aan geven. Vers vlees. Bij de Eerste, ze zullen me toch niet…
Voor ik verder over mijn mogelijke lot kan nadenken, zwaait de koperen deur open. De in vossenbont geklede vrouw stapt naar binnen. Haar gezicht is net als eerder in schaduwen gehuld.
‘Waar is het?’ vraagt ze met haar ijsstem.
‘Waar is wat?’ vraag ik, oprecht verward. Heeft ze het over het ei? Maar dat moeten ze toch gevonden hebben? De Aïshi zijn nu niet meteen de snuggerste, maar… Ze tilt een hand op. Een genadeloze greep sluit zich om mijn keel. ‘Waar is het?’
‘Ik…ik weet het…niet.’ Met het beetje lucht dat ze me nog gunt, probeer ik na te denken. Ik begrijp er niets van. Hoe kan het dat ze het niet hebben…
De vrouw brengt haar vingers nog dichter naar elkaar toe. Mijn gedachten vallen stil. Voor mijn ogen verschijnen zwarte vlekken.
‘WAAR IS HET!?’
Ik weet niet langer waar ik ben. Wie ik ben. Ik weet alleen wat ik mis. Lucht. Adem. Leven. De vlekken voor mijn ogen smelten samen tot een zwart gat. Genadig slokt het me op. Ik kom eraan, Schim. Ik kom eraan.
Koude vingers, tastbare dit keer, dwingen me weer in mijn beurse lichaam. ‘Kijk me aan. Ik weet dat je wakker bent.’
De druk op mijn keel is nauwelijks te verdragen.
‘Kijk me aan!’
Als ik weer dreig flauw te vallen, valt het verstikkende gevoel plotseling weg. Raspend haal ik adem. Ze staat vlak bij me, haar kap zoals altijd ver over haar hoofd getrokken. Haar ijskoude hand rust nog steeds op mijn keel, maar duwt niet langer. ‘Waar is het?’
Koortsachtig denk ik na. Als ik dan toch moet sterven, laat het dan naast mijn vriend zijn. Onder een van de weidse luchten die we samen zo vaak doorkruist hebben.
‘Verborgen,’ zeg ik schor. ‘Ik heb het verborgen.’
Ze haalt haar vingers weg. ‘Waar?’
‘Bij…bij mijn paard.’ Ik heb het zo koud. Zo koud.
De vingers komen terug. Ze nijpen harder dan ooit. ‘Je liegt. De aaseters hebben de hele omgeving afgezocht en niets gevonden.’
‘Dan heb…ben ze…niet goed…ge..noeg…gezocht.’
‘Dus je wil nog een laatste ritje maken? Al goed.’ Ze laat me abrupt los en draait zich met een ruk om. ‘Dan doen we dat toch?’

Gegeseld door een huilende wind die naalden van ijs in mijn gezicht jaagt, strompel ik hijgend en halfblind achter de slee aan. Af en toe begeeft mijn rechterbeen het en struikel ik, waarna de slee me meesleurt, de besneeuwde ondergrond over. Tot de stormpanters die het rijtuig trekken vertragen en ik kans zie om mezelf weer hinkend recht te hijsen. Waarna het hele geval met een zweepslag van de luchtwever van vooraf aan begint.
Ik heb geen idee hoe lang we al onderweg zijn. De Aïshi die op hun ratelnekken achter en naast me rijden, hebben me hardhandig in een van hun bontkostuums gehesen en mijn voeten in een paar van hun laarzen gewrongen. De dingen zitten vreselijk krap en het bont stinkt als de hel, maar ik ben er toch blij mee. Zonder was ik allang dood geweest. En dat wil ik niet. Nog niet. Ik kom eraan, Schim. Ik kom eraan. Eindelijk, na wat een eindeloze tijd lijkt, houden we halt. De storm is gaan liggen, maar de lucht is nog steeds grauw. Mijn rechterbeen is één gloeiende pook. Ik ben blij met de pijn. Hij houdt me wakker.
‘Breng haar hier.’
De dichtstbijzijnde Aïsho springt van zijn ratelnek. Door de vers gevallen sneeuw, die tot halverwege zijn knieën reikt, waadt hij grommend naar me toe. Hij maakt het touw waar ik mee vastgebonden ben los en sleurt me mee, naar de zijkant van de slee. De machtige stormpanters liggen uitgeteld neer, hun groene ogen gesloten. Bedekt met een comfortabele stapel bontvellen, kap zoals altijd diep over haar hoofd, draait de bestjerka zich naar me toe. ‘Waar?’
Een eindje verder doemt een lage, witte heuvel uit de lege uitgestrektheid op. Er steken even witte ribben uit.
‘Daar,’ zeg ik. ‘Bij hem.’
‘Maak haar los,’ zegt ze tegen de Aïsho naast me. Hij gromt afkeurend maar doet wat ze vraagt. Eens mijn handen los zijn, strompel ik voorbij de panters naar wat er rest van mijn hengst. Ondanks de pas bijgevallen laag is het duidelijk dat hier flink gezocht is. De bodem rond Schims karkas is helemaal omgewoeld. Wat nu? Achter me wacht de luchtwever. Op een onvindbaar ei.

Deel 4 verschijnt volgende week. Lees ook deel 1 en deel 2.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (1969, Leuven), ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster zo beleefd mogelijk uit dat ze het noorden kwijt was, dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.

In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. Haar verhaal vertellen. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik, tussen het werk op onze boerderij door. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten. J
De verhalen die jullie hier op Fantasize terugvinden, zijn de adempauzes die we beiden af en toe nodig hebben om het grote verhaal nog beter te maken. Veel leesplezier en laat ons vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020-2022 Fantasize & Isabelle Plomteux & Marcel van der Sleen