donderdag, april 30

Vertelling: Verliefd op het avondrood

Door Mike van Dooyeweert

‘Bugün, Alles of Niets Internet! Verbinding of niet, wij blijven dichtbij.’
Tom luistert hoofdschuddend naar de reclame die zijn autoradio gevonden heeft en glimlacht spottend. Hij kijkt naar buiten. Aan weerszijden van de brug waar hij zojuist overheen is gereden, zijn winkels te zien. Gaur, zo heet de plaats volgens het naambord. Het is een pittoreske plaats met boomgaarden net buiten de stad, een centrum met puntgevelhuizen en een brede gracht die zich als een ader lijkt uit te strekken door de stad. Het licht van de constante zon schittert op het water. Een knal. Tom voelt een schok door zijn auto gaan.
Verdomme!
Vanuit zijn motorkap klinkt een aanhoudend geratel. Verschillende dashboardlampjes lichten rood op. Tom stuurt zijn voertuig naar de kant van de straat. Zijn motor komt met een luide klap tot stilstand. Zijn spectaculaire binnenkomst in het stadje heeft bekijks getrokken van mensen op het trottoir: toeschouwers blijven stilstaan en werpen even een blik opzij of wijzen. Een winkelier blijft in de portiek van zijn zaak staan met zijn armen over elkaar. Er klinkt geroezemoes. Tom klemt zijn handen om het stuur. Hij slaakt een zucht. Op deze manier komt hij er nooit achter of het Avondrood bestaat. Het enige rood dat hij op dit moment ziet, is afkomstig van zijn dashboard. Hij opent de portier en loopt naar de voorkant van zijn auto. Tom opent de motorkap. Geïrriteerd wuift hij een grijze rookpluim weg.
Een man komt naast hem staan en kijkt naar de motor van zijn auto. ‘Dat ziet er niet best uit.’
Tom schudt zijn hoofd.
‘Geen nood. De garage is in de buurt. We helpen je wel.’
De man trommelt een groepje inwoners op. Met z’n allen duwen ze de auto naar de garage, terwijl Tom bijstuurt.
In de garage aangekomen (“Zandberg Auto’s”, zo staat op de gevel te lezen) staat de garagehouder meteen op van achter zijn bureau. Hij groet Tom met een brede glimlach op zijn gezicht en stelt zich voor als Gerard Zandberg. Tom draait zich om naar de behulpzame inwoners van Gaur.
‘Dank jullie wel.’ Hij knikt vriendelijk, waarna de groep de garage verlaat.
De garagehouder loopt om Toms rode auto heen. ‘Een Heddiw met pech, dat zie je niet vaak.’ Hij opent de motorkap en bestudeert de motor. ‘Meestal zijn dat wel betrouwbare wagentjes.’
Gerard steekt een gepassioneerd verhaal af over Heddiws, maar Toms gedachten dwalen af. Zijn indruk van dit stadje is dezelfde als die van zoveel steden en dorpen in de wereld: iedereen is rustig, vriendelijk, behulpzaam. Het is utopisch, bijna. Maar dat maakt het leven ook saai en voorspelbaar. Er moet toch meer zijn dan alleen vandaag? Is niemand dan benieuwd naar het bestaan van een gisteren, of een morgen? Toms blik wordt getrokken door een andere garagemedewerker, die onder een auto vandaan geschoven komt. Het is een vrouw. Ze komt overeind en trekt haar overall recht. Haar rode krullen zijn in een staart samengebonden en op haar wangen zitten zwarte vegen. Wat onmiddellijk Toms aandacht vasthoudt, zijn haar ogen, zo helderblauw als de oceaan. Hij merkt dat hij naar haar staart. Ze kijkt terug en houdt zijn blik vast. Voor hij weg kan kijken, trekt ze in een vlugge beweging haar wenkbrauwen op. Tom weet hoe het kan lopen in deze rare alles-of-niets-wereld: hij zou verliefd kunnen worden en binnen de kortste keren met haar samen kunnen zijn. En dan… En dan… Nee, ik moet mijn focus op het Avondrood houden. Heel slim van de hogere machten om deze vrouw op zijn pad te brengen. Ze is niet eens een obstakel te noemen, laat staan dat hij haar kan scharen onder ‘onheil’. Vooralsnog niet in ieder geval.
‘Nou, het lijkt allemaal erger dan het is,’ hoort hij Gerard zeggen. ‘Die is vandaag wel klaar.’
Tom knippert met zijn ogen en kijkt opzij. Gerard loopt naar zijn bureau. Hij veegt met een doek zijn handen af en legt een briefje en pen voor Tom neer.
Tom noteert zijn telefoonnummer.
‘Mijn berichtje vindt jou wel zodra de auto klaar is,’ zegt Gerard met een knik.
De jonge vrouw komt naast haar collega staan en gooit haar haren los. ‘Dat wordt wachten, vreemdeling.’ Ze knipoogt. ‘Wat ga je doen?’
Hij haalt zijn schouders op. Hij heeft daar eigenlijk nog niet echt over nagedacht. ‘De stad verkennen, denk ik.’
‘We kunnen samen gaan.’
Hij voelt zijn wangen rood worden. ‘Ja … waarom niet?’
De vrouw kijkt Gerard even aan, zoekend naar goedkeuring. ‘Is dat goed, pa?’
Pa? De garagehouder is haar vader!
Gerard neemt Tom even in zich op en knikt dan goedkeurend. ‘Als jij hem vertrouwt, dan vertrouw ik hem ook.’
Tom steekt zijn hand uit naar de vrouw en stelt zich voor. Ze schudt hem glimlachend de hand. ‘Nova,’ zegt ze. Haar hand voelt zacht aan.
‘Veel plezier jullie twee,’ zegt Gerard. Hij glimlacht. ‘Ik zie jullie wel verschijnen.’
Tom en Nova verlaten samen de garage. Ze lopen naar de gracht, steken de brug over en komen uiteindelijk in de winkelstraat waar Tom al kennis mee heeft gemaakt.
Nova wijst verder de straat in.
‘Daar aan het einde zit een leuk tentje, een Italiaans restaurant en koffiebar. Misschien een leuk idee om daar iets te gaan drinken? Ik zou ook wel iets meer over jou willen weten, vreemdeling.’ Ze knipoogt. Tom knikt en volgt Nova naar het restaurant. Binnen staat een tiental tafels, waarvan de helft bezet is. Tom en Nova nemen plaats aan een tafel tegen de muur. De ober zet een kaars tussen hen in en steekt deze aan. Het kaarslicht reflecteert in Nova’s ogen. Ze drinken hun koffie op en bestellen meteen iets te eten; zij gaat voor een paddenstoelenrisotto en hij voor een bord spaghetti. Terwijl ze op hun eten wachten, vertelt Nova dat de garage een familiebedrijf is. ‘Als ik zin heb neem ik de zaak over, maar ik twijfel nog.’
Tom knikt. Hij snapt haar helemaal. Tom doet niet anders dan twijfelen of er niet meer is dan zijn voorspelbare leventje.
‘En nu jij,’ zegt Nova. ‘Vertel jij eens iets over jezelf.’
Tom kijkt er enorm naar uit dat hij eindelijk een beetje mag omkijken. Normaal gesproken brengt dat ongeluk – al is het naar eerder vandaag – maar een kennismakingsgesprek is een van de uitzonderingen op die ‘regel’. Dit type gesprek geeft Tom een glimp van een wereld waarin iemands geschiedenis er wél toe doet.
‘Nou, ik kom uit Hjoed, zo’n tweehonderd kilometer hiervandaan. En ik werk bij een helpdesk.’
Nova buigt zich geïnteresseerd naar hem toe. Hij meent een glinstering in haar ogen te bespeuren.
‘Wat maakt dan dat je weg bent gegaan?’
‘Ik wil de wereld verkennen. Op avontuur.’ Dat is in ieder geval een deel van de waarheid.
Nova knikt goedkeurend. ‘En dan kom je opeens in Gaur en dan zit je in een restaurant met de dochter van een garagehouder.’ Ze lacht. ‘Maar ik herken die zucht naar avontuur wel. Ik heb ook al wel veel gereisd. Hjoed ken ik dan weer niet.’
Tom knikt goedkeurend. Nova komt tot nu toe avontuurlijker op hem over dan veel mensen in deze wereld. De ober zet het eten voor hen neer. Er blijft een stilte in de lucht hangen, terwijl ze aan hun maaltijd beginnen. Ze kijken elkaar aan en glimlachen. Tom voelt zijn voorhoofd klam worden en het bloed naar zijn wangen stromen. Hij wordt licht in zijn hoofd. Oh nee, ik ben toch niet daadwerkelijk verliefd aan het worden? Hij slikt. Tom besluit dat hij het erop moet wagen. Nova lijkt hem een intelligente vrouw en een levensgenieter. Misschien denkt zij wel hetzelfde als ik. Tom kijkt even goed om zich heen en buigt zich naar haar toe.
‘Denk jij dat er een morgen is?’
Hij laat de woorden in de lucht hangen. Haar ogen worden groot, haar mond valt open. Vanuit zijn ooghoek ziet Tom een ober voorbijkomen met twee soepkommen op zijn dienblad. Oh nee! Nog voordat Nova hem antwoord kan geven, laat de ober naast hun tafel het dienblad met de kommen soep vallen. Een luid gekletter klinkt. De ober slaakt een vloek. Het zal ook eens niet! Onder tafel knijpt Tom zijn hand samen tot een vuist. De woede die hij voelt is vooral gericht op de hogere machten. Op de bruine tegels liggen de twee kommen aan stukken, met daartussen plassen tomatensoep. De ober kijkt even omlaag, alsof hij niet weet wat hem overkomen is. Nova barst in lachen uit. Ze brengt haar hand naar haar mond en haar gezicht wordt rood. Ze heeft een diepe, gulle lach; een prachtig geluid. Het werkt aanstekelijk, want zijn woede slaat om in plezier. Ook Tom schiet in de lach. De ober kan er dan ook de humor van inzien. Lachend schudt hij zijn hoofd terwijl hij wegloopt, waarschijnlijk om schoonmaakspullen te halen. Tom hoort hoe de chef in de verte de ober uitkaffert, waardoor Tom en Nova opnieuw in de lach schieten. Als de rust is wedergekeerd, hervatten de twee hun maaltijd.
‘Een morgendenker,’ zegt Nova, waarna ze even op haar onderlip bijt. ‘Rebels, hoor.’ Ze pakt zijn hand vast. ‘Ik ben benieuwd welke andere gekke fantasieën je hebt.’
Gekke fantasieën? Nou ja!
‘Wees gerust, ik ben geen morgendenker, ik stel alleen maar vragen.’ Hij haalt zijn schouders op. Het liefst zou hij haar vertellen over alle theorieën waarover hij heeft gelezen op de internetfora – dat wil zeggen: als er data beschikbaar zijn en als hij niet het blauwe scherm des doods te zien krijgt. Hij wil haar vertellen over het mogelijke bestaan van een wereld met een gisteren en een morgen, de stilstaande-planeettheorie, over de mythische plek genaamd het Avondrood of over de simulatietheorie, al vindt hij die zelf de minst romantische. Tot zijn grote frustratie kan hij het echter nooit normaal met iemand over deze onderwerpen hebben zonder dat de hogere machten ingrijpen.
Nova buigt zich naar hem toe. ‘Toch kun je dit soort vragen beter voor je houden.’ Ze knipoogt. Hij zou teleurgesteld in haar moeten zijn, maar dat lukt hem niet. In plaats daarvan voelt hij zich warm van binnen worden. Al zijn frustraties verdwijnen als sneeuw voor de constante zon. Misschien moet ik gewoon genieten van dit moment, dit gezelschap. Hij glimlacht ondeugend naar haar. De twee eten hun eten op en Nova laat alles bij de bar op de komt-wel-rekening zetten. Zodra ze op het trottoir voor het restaurant staan, slaat Nova haar armen om hem heen. Ze brengen hun hoofden naar elkaar, tot hun neuzen elkaar raken. Daarna vinden hun lippen elkaar voor een gepassioneerde zoen.
Tom voelt een tinteling door heel zijn lichaam gaan. Ze komen los en blijven elkaar nog even dromerig aankijken.
Nova pakt zijn hand vast. ‘Luister, ik heb het gewoon heel gezellig met jou en … ik weet niet hoe jij erover denkt, maar laten we de volgende stap dan ook zetten.’
Er gaat een schok door Tom heen. Trouwen, ze wil trouwen!
‘Weet je dat zeker? Ik bedoel: ik heb geen ring.’ Tom krabt op zijn hoofd. Hij moet toegeven dat hij zich tot haar aangetrokken voelt, maar het idee van een huwelijk is hem te overweldigend. Hoewel, als ze dan samen op huwelijksreis kunnen richting het Avondrood …
Nova schiet in de lach en geeft hem een por in zijn zij. ‘Nee gekkie, je loopt iets te hard van stapel. Ik heb het over samenwonen.’
Tom brengt een hand naar zijn borst en slaakt een diepe zucht. ‘Ah, gelukkig.’ Waarom ook niet? Misschien moet dit het zijn. Misschien is een leven met haar zijn eindbestemming. En hoe concreet is zijn eigenlijke reisdoel nu werkelijk? Hij krijgt zin om zijn leven met haar te delen en pakt dan ook haar hand. ‘Natuurlijk. Wachten moet ik toch.’
Ze lacht om die opmerking en speelt met zijn hand. Haar blik wordt nu serieus. ‘Je moet wel iets weten nu we deze stap zetten: ik ben … weduwe.’
Toms mond valt open van verbazing. Nova reageert op zijn fysieke reactie door er snel achteraan te zeggen: ‘Maar daar merk je niks van, hoor!’
Pardon? Hij ziet in haar ogen zelfs geen hint van verdriet. Tom vreest dat ze de waarheid spreekt: ze is er overheen. Deze wereld kennende heeft ze ook niet echt kunnen rouwen om haar echtgenoot.
‘Als je erover wilt praten, ik bedoel … ik ben nu je vriend.’
Nova schudt verwoed haar hoofd. ‘Nee, dat is omkijken. Soms mag het, maar dit is niet een van die momenten.’ Ze glimlacht schalks naar hem. ‘Ik ben nu met jou.’
Hand in hand lopen de twee naar de winkelstraat, waar Tom inkopen doet voor zijn nieuwe leven met Nova. Hij koopt onder andere nieuwe kleding en een tandenborstel. Ze laten alles op de komt-wel-rekening zetten. Ze lopen naar de garage, waar Nova haar eigen Heddiw nog geparkeerd heeft staan. Gerard is druk bezig met het sleutelen aan Toms auto. Nova legt een hand op de arm van haar vader, die verbaasd opkijkt.
‘Pa, we gaan samenwonen, Tom en ik.’
Gerard krijgt een twinkeling in zijn ogen. ‘Echt waar?’ Hij kijkt even van de een naar de ander. ‘Veel geluk, samen. Jullie zijn vast een prachtig koppel.’
Zijn schoonvader knikt goedkeurend en sleutelt daarna verder aan Toms auto. Nova rijdt haar eigen auto voor en Tom stapt in. Onderweg naar zijn nieuwe huis neemt Tom de omgeving goed in zich op. Deze route hoort ook bij zijn nieuwe leven, hij kan er maar beter aan wennen. Het huis van Nova is gelegen in een buitenwijk van Gaur. De straat bestaat uit rijen twee-onder-een-kapwoningen. Als ze de oprit oprijden, kijkt de buurman hen nieuwsgierig aan vanaf zijn eigen oprit, de armen over elkaar geslagen.
Tom en Nova zwaaien even. De buurman zwaait terug en blijft hen met zijn ogen volgen. Het paar loopt naar binnen. Er komt hen een pikzwarte hond tegemoet. Nova bukt zich en wrijft het dier stevig door zijn vacht. ‘Hallo Oggi. Heb je het vrouwtje gemist?’ Oggi antwoordt door vrolijk kwispelend te blaffen en loopt dan naar Tom. De hond blijft even aan Toms benen snuffelen en komt dan blijkbaar tot de conclusie dat hij goed volk is. Maar je zou me juist moeten wantrouwen. Ik ben iemand die vervelende vragen stelt. Ondanks zijn liefde voor Nova slaat de twijfel hem om het hart. Hij zou op weg moeten zijn naar het Avondrood, maar in plaats daarvan staat hij hier, in een huis, met een hond en een vriendin. Tom weet ook wel dat het leven zo kan lopen, maar hij kan het nog moeilijk geloven. Ze begeven zich naar de woonkamer. Er staan twee lederen bankstellen in een hoekopstelling. Aan de muur hangen schilderijtjes met landschappen. Nova zet de tv aan. Een aflevering van ‘Oogsten en Zaaien’ heeft de weg naar het tv-toestel gevonden. Tom ziet op het tv-scherm hoe de blonde presentatrice nu een brief zit voor te lezen aan een boer in een blauwe overall. Deze aflevering staat in het teken van Sam – een fruitteler – en zijn zoektocht naar de liefde van zijn leven. Nova geeft Tom een vluchtige rondleiding door haar huis – nee, ons huis, het is nog even wennen – waarbij ze hem alle kamers laat zien: de slaapkamer met het tweepersoonsbed, de badkamer –waar Tom zijn nieuwe tandenborstel naast die van Nova zet – en de werkkamer. Ze eindigen weer in de woonkamer. De bel gaat. Nova draait zich om en loopt naar de gang. Nieuwsgierig loopt Tom achter haar aan. Het is de buurman. De man wacht niet op een reactie van Nova, maar wandelt het huis binnen alsof het van hem is. Meteen werpt hij een blik op Tom. De man heeft een brede kaaklijn, brede schouders en zijn haar is in een zwarte kuif gekamd. Hij draagt een overall waarop de naam “Zonneveld Verhuizers” te lezen is. De buurman loopt naar Tom en geeft hem een veel te amicale klap op zijn schouder. Tom hapt naar adem en hoest.
‘Nova heeft visite, zie ik.’ De buurman steekt zijn hand uit. ‘Hallo, ik ben Herman.’
Nog na hoestend schudt Tom hem de hand. ‘Tom,’ weet hij eruit te persen. Zijn nieuwe buurman ziet het geamuseerd aan.
‘Tom is niet zomaar visite.’ Nova pakt Toms hand vast. ‘Hij is mijn nieuwe vriend.’
Tom knikt. Hij voelt zich ongemakkelijk worden.
‘Oh?’ Hermans ogen worden groot. Als Tom iets in zijn blik moet lezen, dan is het een mix van nieuwsgierigheid en jaloezie. Herman loopt naar hen toe, gaat naast Nova staan en slaat een arm om haar heen. ‘Wees wel een beetje lief voor d’r, hè?’ Hij drukt Nova steviger tegen zich aan en knipoogt. ‘Anders krijg je met mij te maken. In deze buurt letten we op elkaar.’
‘Tuurlijk.’ Tom laat de hand van Nova los. Herman maakt van die gelegenheid gebruik om zijn arm van Nova’s schouder te halen en haar vervolgens heel even bij de hand te pakken. ‘Dan is het goed. Je mag jezelf gelukkig prijzen met zo’n leukerd als Nova.’ Opnieuw meent Tom jaloezie in zijn blik te herkennen. ‘Hoe dan ook, ik moet weer verder. De meubels verhuizen zichzelf niet.’ Herman lacht hard om zijn eigen grap. ‘Maar kom een keer koffiedrinken!’ Hij wijst naar hen allebei.
Herman draait zich om en verlaat hun huis.
Tom en Nova blijven elkaar aankijken.
Het blijft stil.
Dan vraagt Nova: ‘En, wat vind je van je nieuwe buurman?’
Tom fronst. ‘Heel eerlijk? Ik vind hem nogal een gladjakker.’ Hij probeert enige emotie in haar ogen te bespeuren, maar vindt niets. ‘Vind je het niet erg dat hij aan je zit?’
Nova haalt haar schouders op. ‘Nee, zo gaan we met elkaar om.’
‘Hm.’
Ze legt geruststellend een hand op zijn arm en knijpt er even in. ‘Hij is gewoon een buurman. Niks aan de hand.’
Haar hand glijdt naar beneden, lager, nog lager, tot ze met haar hand bij de zijne is aangekomen. Ze trekt hem mee in de richting van de trap.
‘Wij horen bij elkaar. En je weet wat mensen die bij elkaar horen doen.’ Ze steekt haar tong uit.
Toms hoofd is een kookpan van emoties. Hij voelt opwinding, maar ook scepsis. Alles voelt te mooi om waar te zijn, zoals alles in deze wereld. In de slaapkamer aangekomen zet Nova hem neer op de rand van het bed. Langzaam en sensueel kleedt Nova zich uit. Tom volgt haar voorbeeld. De seks met Nova is geweldig. Hun lichamen lijken elkaar perfect aan te voelen. Na de seks blijft hij staren naar zijn vriendin, haar naakte lichaam deels bedekt door het blauwe dekbed. Een straal zonlicht komt tussen de gordijnen door en verspreidt zich over het bed. Hij steekt een hand uit naar haar arm en streelt deze. Ik bén verliefd. En ik wil bij haar blijven.
Hij weet precies wat hij moet doen. Tom staat op uit bed en knielt naakt naast het bed neer. Hij vraagt om haar hand. Nova kruipt verbaasd naar hem toe en vouwt haar hand in de zijne.
‘Luister, ik heb nog steeds geen ring, maar het voelt alsof ik dit moet doen. Nova Zandberg, wil je met me trouwen?’
Haar ogen worden groot, haar glimlach nog breder. Voor ze hem antwoord geeft, plant ze hem een kus op zijn lippen. ‘Die ring komt wel.’ Ze geeft hem een speelse por. ‘En het antwoord is já! Natuurlijk!’
Een golf van ultieme gelukzaligheid gaat door hem heen. Ze zoenen elkaar en daarna komt Tom overeind. ‘Mooi, dan ga ik het regelen. En ik ga ook solliciteren.’
Ze trekt haar wenkbrauwen hoog op. ‘Echt?’
‘Ja, bij een nieuw leven hoort een nieuwe baan.’
Nova strekt haar beide armen uit. Daarna kijkt ze hem met een opengesperd oog aan. ‘Veel succes, dan.’
Tom frist zich op in de badkamer en kleedt zich dan aan. Hij kiest een nieuw overhemd uit dat er net genoeg uitziet voor een sollicitatie. In de werkkamer stelt hij een cv op. Hij kijkt naar het A4’tje dat uit de printer rolt. Er is vast genoeg vraag naar helpdeskmedewerkers, hier. Hij weet ook al precies waar hij gaat solliciteren. Voor hij weggaat bespreken hij en Nova hun bruiloftsplannen. Ze komen onder andere op het idee om Oggi tijdens de ceremonie de ringen te laten brengen. Die moet ik dan nog wel even kopen. Hij glimlacht bij het idee. Onderweg naar de voordeur hoort hij het geluid van de tv. Boer Sam is aan het daten met een vrouw genaamd Michèle. Hij hoort het geritsel van bladeren. Zo te horen hebben de twee veel lol samen.
Met de blauwe Heddiw van Nova rijdt Tom naar de juwelier om een paar trouwringen te kopen. Het geld laat hij ter plekke op de komt-wel-rekening zetten. Hij rijdt dan naar het gemeentehuis om de ceremonie te regelen, waar een dolenthousiaste trouwambtenaar hem helpt. Tom laat zijn telefoonnummer en dat van Nova achter. Hij rijdt verder en parkeert de auto op het parkeerterrein van internet- en telefoonprovider Bugün. Het is een gebouw met een vijftal verdiepingen. Aan de buitenkant zit veel spiegelglas. Tom loopt naar binnen en meldt zich bij de receptioniste. ‘Ik kom solliciteren.’
De receptioniste glimlacht breed. ‘Natuurlijk, wees welkom.’ De vrouw belt even. ‘Ik heb hier een sollicitant,’ zegt ze in de hoorn, Tom opnieuw vriendelijk aankijkend. Ze hangt op en gebaart dat Tom door kan lopen. Tom gaat het kantoor binnen van de leidinggevende; een Turkse vrouw met lang zwart haar. Ze stelt zich voor als Emine Bugün. Tom gaat zitten en overhandigt haar zijn cv.
‘Zo, heeft u het kunnen vinden?’
‘Jawel, hoor,’ zegt Tom. ‘Het is te doen. Het is even wennen, want ik heb nu de auto van mijn verloofde. Maar vanaf vandaag heb ik er zelf weer een.’
Vermoeiend, hoor, dit soort nietszeggende conversaties. Maar ja, Tom probeert zich alleen maar aan te passen.
Bugün glimlacht breed. ‘Wat fijn!’ zegt ze.
Ze biedt hem koffie aan. Zodra de mokken op het bureau staan, begint ze aan haar verhaal. ‘Hier bij Bugün zoeken we mensen die overal op voorbereid zijn. De data zijn er óf niet, óf in-eens wel en dan is er ook van alles tegelijk. Dat is overweldigend en dat roept vragen op. Het is de bedoeling dat u die vragen afhandelt over de telefoon, die het soms wel en soms niet doet. Maar ik zie op uw cv dat u al ervaring heeft als helpdeskmedewerker.’
Tom knikt. ‘Ja, dat klopt, ik heb …’
Bugün steekt een hand op. ‘Nee, nee, niet nodig. Dat is omkijken en dat doen wij hier niet. Waar het om gaat is dat u een fijne klik heeft met uw collega’s en als ik het zo inschat, zit dat wel goed. U kunt vandaag beginnen.’
Toms mond valt open. ‘Ik ben aangenomen?’
‘Natuurlijk! Zolang u maar geen morgendenker bent, komt het vast wel goed.’
Tom voelt zich niet aangesproken, want hij stelt alleen maar vragen. Bovendien zal hij zich gedragen als hij hier werkt. Deze baan zal onderdeel uitmaken van zijn nieuwe leven. Tom krijgt een korte rondleiding op zijn werkplek en ziet onder andere de computer waarachter hij moet werken. Ook schudt hij de hand van een man die al achter een van de andere computers in de werkruimte zit. De man stelt zich voor als Jan. ‘Welkom bij het team!’
Jan helpt hem op weg met het computersysteem. Er komen twee andere collega’s binnen. De twee vrouwen – beiden van middelbare leeftijd – zijn druk met elkaar in gesprek.
‘Ik denk dat Sam voor Michèle kiest, ze hebben zo’n goede klik!’
‘Nou, zeg dat!’ antwoordt de ander. ‘Heb je die blikken gezien tijdens het appels plukken? Dat moet wel een match zijn!’
Ze merken Tom op en begroeten hem hartelijk. Ze stellen zich voor als Els en Hilde.
Tom zet zijn headset op en opent het communicatieprogramma. Hij hoort alleen maar ruis op de lijn. Zijn collega’s kijken gespannen toe.
‘Ik hoor ruis.’ Tom fronst. ‘Dan werkt het systeem in ieder geval, toch?’
Jan knikt. ‘Zo eenvoudig is het.’
Tom voelt zijn telefoon trillen. Het bericht van de trouwambtenaar heeft zijn telefoon gevonden. De bruiloft kan beginnen.
Hij glimlacht, zijn blik wordt dromerig.
‘Oh, leuk bericht?’ vraagt Els.
Tom knikt. ‘Dat zou ik denken. Ik ga trouwen.’
Ze reageren verheugd op het nieuws, maar gaan snel daarna weer verder met hun werk. Tom excuseert zich. Hij rijdt vanaf Bugün door naar een trouwwinkel, waar hij voor zichzelf een pak koopt. Hij trekt het meteen aan. Omgekleed en wel rijdt hij met de blauwe Heddiw naar het gemeentehuis. Herman en Oggi zijn er al. Vermoedelijk is Nova zich elders aan het voorbereiden op de bruiloft. Er verschijnt een diepe frons op het gezicht van Herman zodra hij Tom alleen aan ziet komen. ‘Heb je geen getuige?’
Oh, ik ben helemaal vergeten om iemand te vragen.
Tom bijt op zijn lip en schudt zijn hoofd. Herman slaakt een diepe zucht.
‘Dan zal ik voor je moeten getuigen,’ weet zijn buurman er met een lichte grom uit te persen. Tom snapt zijn reactie, want hij denkt er hetzelfde over. Herman is de laatste die hij uit vrije wil als getuige zou kiezen. Tom bukt zich en hangt de twee ringen om de halsband van Oggi. Daarna loopt hij samen met Herman en de hond de trouwkamer binnen. De ambtenaar staat hen bij de katheder op te wachten. De ruimte is feestelijk aangekleed, met slingers en tafellakens. Overal staan witte boeketten. In een hoek van de ruimte staan dranken koud voor de receptie. De katheder zelf wordt verlicht door een felle zonnestraal die door een strategisch geplaatst raam de ruimte binnenkomt. Tom en Herman wachten zwijgend.
Er klinkt een trouwmars uit de luidsprekers. De ogen van Tom en Herman zijn gericht op de dubbele deur van de trouwkamer, die nu langzaam opengaat.
‘Daar is ze,’ hoort Tom zijn buurman fluisteren. Met haar vader aan haar arm komt Nova tevoorschijn. Met statige passen komen ze naar binnen gelopen. Ze ziet er prachtig uit in haar witte trouwjurk. Gerard brengt zijn dochter tot aan de katheder en zet haar dan bij Tom neer. Tom pakt haar handen vast. Ze slaat een hand voor haar mond. ‘Ik kan het niet geloven.’ Haar stem trilt. ‘En je ziet er zo mooi uit!’
‘Anders jij wel.’
De trouwambtenaar neemt het woord: ‘Nova Zandberg, neem jij Tom Spring-in-’t-Veld tot je wettige echtgenoot?’
‘Ja.’
‘Tom Spring-in-’t-Veld, neem jij Nova Zandberg tot je wettige echtgenoot?’
‘Ja’. Tom kijkt intussen naar Herman, die met zijn armen over elkaar staat toe te kijken hoe zijn buren in het huwelijk treden; zijn lippen samengeperst.
‘Dan verklaar ik jullie, in het licht van de zon en met de zegening van de hogere machten, tot man en vrouw.’
Gerard wenkt Oggi, die braaf in een hoek van de kamer heeft zitten wachten. De hond komt naar voren gelopen, met de trouwringen aan zijn halsband. Oggi loopt naar het bruidspaar en Tom en Nova bukken zich. Ze pakken hun ringen, die ze vervolgens bij elkaar om de ringvinger schuiven.
Als ze allebei de ring om hebben, geven ze elkaar een zoen. Dan is het de beurt aan Herman en Gerard om als getuigen de trouwakte te tekenen.
Ze blijven nog even in de trouwkamer en drinken een drankje. Terwijl Nova met haar vader kletst, komt Herman naast Tom staan. ‘Proficiat, jongen,’ zegt zijn buurman met dubbele tong. Een alcoholwalm komt Tom tegemoet. Tom ziet zijn buurman meewarig naar Nova kijken. ‘Ik hoop maar dat jullie het geluk vinden.’ Herman neemt een slok van zijn bier.
Er valt een stilte.

© Marcel van der Sleen

Nova neemt uiteindelijk met een knuffel en een kus op de wang afscheid van haar vader, waarna Tom en Nova huiswaarts gaan in de blauwe Heddiw. Tom kan het nog steeds niet geloven. Hij is getrouwd. Thuis aangekomen begeven Tom en Nova zich naar de slaapkamer voor een vurige, huwelijkse vrijpartij. De seks is geweldig. Hij weet het nu zeker: Nova en hij zijn voor elkaar gemaakt. Als Tom na de seks nog nadruipend van de douche terug de slaapkamer binnenkomt, ligt Nova nog op het bed. Ze staart wat voor zich uit en werkt zichzelf daarna op haar zij. ‘Zeg schat, de seks is prima en zo, maar, misschien mag het wel wat spannender, denk je ook niet?’
Spannender? Het is niet spannend genoeg?
‘Hoe bedoel je?’
Hij krabt zichzelf op zijn hoofd.
‘Nou,’ zegt Nova, ze werpt even een blik op het matras onder haar en kijkt Tom daarna weer aan. ‘Ik zit te denken om er misschien iemand bij te vragen. Al is het maar voor vandaag.’
Toms ogen worden groot. ‘Je bedoelt … bij ons in bed?’
Nova knikt. ‘Misschien een van je nieuwe collega’s.’
In zijn hoofd gaat hij zijn nieuwe collega’s allemaal af en stelt hij ze zich naakt voor. Hij schiet in de lach. ‘Nou ja, dat denk ik niet, maar het idee is interessant.’
‘Het is maar een voorstel, hè.’ Nova steekt haar hand op. ‘Ik bedoel: we kunnen natuurlijk ook Herman vragen.’
Tom fronst. Nova steekt dan haar tong uit en lacht hem toe.
‘Nee, niet Herman. Iedereen behalve Herman!’ Tom zet spontaan een stap achteruit. Zijn maag draait zich om bij het idee dat hij het bed moet delen met die gladjakker.
‘Het is maar een grapje, hoor.’ De glimlach verdwijnt van Nova’s gezicht en maakt plaats voor irritatie. Tom trekt een nieuwe boxershort aan, terwijl de frons op zijn gezicht alleen maar dieper wordt. Ze doet dit expres. Ze weet toch hoe ik over hem denk?
‘Ik weet niet wát je tegen Herman hebt. Je kent hem niet eens echt goed. Hij is echt een goede buur.’
Volgens mij wil hij wel meer zijn dan dat. In plaats van dat hij het zegt, knijpt hij zijn lippen stijf op elkaar. Hij trekt de rest van zijn kleding aan. Zijn trouwpak kan nog prima dienst doen als werkkleding, zo besluit hij.
Er valt een stilte.
Dan zegt hij: ‘Ik zal erover nadenken.’
‘Oké.’ Ze gaat op haar rug liggen en trekt het dekbed over zich heen. Tom loopt naar haar toe en geeft haar een kus. ‘Veel plezier in de garage, schat.’
‘Hm,’ kreunt Nova.
‘Ik ga eens kijken op kantoor.’
Nova wuift zwijgend. Het lood zakt hem in de schoenen bij het zien van haar gebaar, maar goed, hij kan er weinig aan veranderen. ‘Met een “dag” neemt hij afscheid.’
Onderweg naar de voordeur hoort hij hoe boer Sam op tv een intiem etentje heeft met een andere date. Tom rijdt bij het huis vandaan. Boven hem beginnen de wolken grijs te worden. Hij denkt aan het gesprek van zojuist. Hij snapt het zo goed, de wil om het leven spannender te maken. In die zin passen hij en Nova perfect bij elkaar. Toch steekt het hem. Doet hij iets verkeerd?
Bij Bugün aangekomen loopt hij door naar zijn werkplek. Jan zit te slapen achter zijn bureau, maar schrikt wakker zodra Tom binnenkomt. Versuft van zijn slaapje groet Jan hem.
Tom gaat achter zijn computer zitten. Hij zet zijn headset op.
Ruis.
Tom trommelt met zijn vingers op het bureau.
Els en Hilde komen binnen, opnieuw vrolijk pratend.
‘Hallo?’ hoort Tom opeens in zijn oor. Hij schiet overeind en drukt op de toetsencombinatie waarmee hij de microfoon aanzet.
‘Goedendag, met de helpdesk van Bugün, mijn naam is Tom. Hoe kan ik u van dienst zijn?’
‘Oh ja, nou, ik heb dus momenteel geen data en ik wil dolgraag iets opzoeken, weet u wat ik moet doen? Gewoon wachten? Want …’
De persoon aan de andere kant begint aan een heel verhaal, maar de vrouw die Hilde heet legt opeens een hand op zijn arm. ‘We gaan koffiedrinken. Kom!’
Tom wijst naar zijn headset. ‘Ik heb een klant.’
Jan staat op en doorbreekt zijn zwijgen. ‘Hang maar in de wacht.’
Weifelend kijkt Tom van het scherm van zijn computer naar de twee dames, die al bij de deur staan. Jan voegt zich bij hen. Tom haalt zijn schouders op. ‘Momentje,’ zegt Tom. ‘Ik hang u in de wacht. We hebben zin in koffie.’
‘Ach natuurlijk,’ zegt de man kalmpjes, ‘dat is begrijpelijk. Wees gerust, ik heb hier genoeg te doen.’
Tom hangt de klant in de wacht. Hij staat op en loopt met zijn nieuwe collega’s naar de pauze-ruimte. Het is een ruim kantoor met aan de ene kant een lange tafel met stoelen en aan de andere kant een koffieautomaat met daarnaast twee kopieerapparaten. Omdat hij nieuw is, mag Tom de koffie halen. Als hij iedereen heeft voorzien van koffie, kijkt Tom aan tafel om zich heen. Hij ziet de lege blikken van zijn collega’s en moet weer denken aan Nova’s voorstel. Het idee! Tot nu toe krijgt hij het nog niet bepaald warm van een van hen.
Els buigt zich naar Hilde toe. ‘Wat heb jij vandaag gedaan?’
Dit is zo’n ander moment waarop er omgekeken mag worden: het gesprek aan de koffietafel.
‘Niet zo heel veel eigenlijk,’ antwoordt Hilde. ‘Een beetje luieren, tv kijken. Ik denk dat Sam dan toch voor Sarah kiest.’
‘Dat denk ik ook,’ zegt Els. ‘Ik heb zelf een wandeling gemaakt. Is lekker, zo in het zonnetje.’
‘Ja lekker, dat zonnetje,’ zegt Jan. Hij neemt een slok van zijn koffie. ‘Ik ben er zelf met de auto op uitgegaan, beetje rondrijden. Is ook best leuk.’
De dames knikken. Er valt een stilte in het gesprek. Iedereen neemt een slok van zijn of haar koffie.
Tom voelt irritatie opkomen. Is dit het dan? Zelfs als mensen mogen terugblikken komen ze met dit soort nietszeggende onzin. Hij staart naar het zwarte vocht in zijn bekertje. Zijn enige reden om zich over te geven aan het leven hier, is Nova, maar zelfs zijn huwelijk is scheurtjes aan het vertonen.
‘En jij?’ vraagt Els, zijn gedachten doorbrekend. Ze kijkt Tom aan. ‘Wat heb jij gedaan?’
‘Ik heb een reis gemaakt. Met mijn auto. Ontzettend leuk.’
Zijn collega’s knikken, zichtbaar onder de indruk van zijn nietszeggende bijdrage. Maar ik wil meer. Ik wil een beetje pit. Ik ben deze wereld helemaal zat! Misschien moeten hij en Nova alles achter zich laten en samen op zoek gaan naar het Avondrood. Misschien is dat de spanning waar ze naar op zoek moeten. Tom voegt toe: ‘Ik was op zoek naar het Avondrood.’
De ogen van zijn collega’s worden groot. Hilde kijkt hem met open mond aan. ‘Je gebruikt … o-onvoltooid v-verleden tijd.’ Ze zoekt oogcontact met Els, die ook alleen maar geschokt kan kijken.
‘Dat je überhaupt aan tijd durft te denken, zeg!’ Els deinst achteruit. ‘Dat brengt ongeluk!’
Aan de andere kant van de ruimte beginnen de printers een zacht zoemend geluid te produceren. De koffieautomaat start al gorgelend een reinigingsprogramma. Tom staat op en kijkt zijn collega’s een voor een aan.
‘Geloven jullie dat er een morgen is?’
Op dat moment beginnen de printers spontaan inkt te spuiten en tegelijkertijd bladen papier door de ruimte te werpen. De koffiemachine slaat op hol en begint spontaan in een constante straal met veel water verdunde koffie te geven.
‘Wie?!’ hoort hij de stem van Emine Bugün door de pauzeruimte galmen. Met een rood aangelopen gezicht komt ze naast de tafel staan, haar wenkbrauwen in een diepe, woedende frons. ‘Wie is hier de onruststoker? Vertel op!’
Zijn collega’s kijken zwijgend voor zich uit. Tom gaat zitten en laat zuchtend zijn hoofd zakken.
‘Vertel op,’ herhaalt Bugün,’ of meer dan een persoon verliest vandaag zijn of haar baan!’ Ze zet haar handen in haar zij.
Tom steekt een hand op. ‘Ik.’
Met een woedend gebaar wijst Bugün hem de deur. ‘Eruit! Nu! Ik wil je niet meer zien! Dat soort vragen stellen we hier niet.’
Net goed, ik begin me toch te vervelen. Tom staat op en kijkt zijn collega’s aan. Hij steekt een hand op ter afscheid, maar het enige wat hij terugkrijgt, zijn vernietigende blikken.
Wat verwacht ik anders? Lopend over de gang vraagt hij zich af hoe hij dit gaat uitleggen aan Nova. Tom rijdt naar huis. De druppels van een spaarzame regenbui tikken op zijn voorruit. Hij peinst. Nova zal het wel snappen, toch? Ze is avontuurlijk genoeg.
Thuis aangekomen loopt hij direct naar de woonkamer. Nova zit in haar blauwe werkoverall op de bank. Onderuitgezakt staart ze naar de tv. Ze kijkt even op en zegt hem gedag. Daarna houdt ze haar ogen weer op het tv-scherm gericht. Tom gaat naast haar op de bank zitten. Op tv zit boer Sam tegenover zijn vijf dates, de blonde presentatrice naast hem. Hij moet kiezen met wie hij zijn leven wil delen. Tom schraapt zijn keel. Zelfs in een wereld waarin emoties niet zoveel waard zijn, blijft het gesprek dat hij moet voeren moeilijk.
‘Schat?’
‘Hm-hm.’
‘Ik … ik ben ontslagen.’
Ze kijkt hem aan en trekt even haar wenkbrauwen op. ‘Ontslagen? Waarom?’
Hij slikt. ‘Nou … dat kan ik beter niet zeggen.’
‘Dan zeg je het niet.’ Ze houdt haar ogen weer op het tv-scherm gericht.
Hij legt een hand op haar knie. Ze lijkt zijn hand te accepteren, maar oogt ook niet bijzonder in de stemming voor genegenheid.
‘Is alles in orde?’ vraagt Tom.
Ze haalt haar schouders op. ‘Gewoon … beetje moe.’
‘Er is niks aan de hand?’
Ze schudt haar hoofd.
Ze zwijgen.
Dan is het Nova die het woord neemt. ‘Je auto is trouwens bijna klaar.’ Haar stem klinkt vlak. Ze neemt een slok van haar thee, slaakt een diepe zucht en kijkt dan weer verder.
‘Mooi,’ zegt Tom.
‘Hm,’ zegt Nova. Tom slaakt een zucht. Hij is zo zelfverzekerd geweest over wat hij haar wil voorstellen, maar nu, in deze situatie, vindt hij het moeilijk om erover te beginnen.
Toch moet het.
‘Nova …’ Tom gaat verzitten. ‘Wat zou je ervan zeggen om alles hier achter te laten en op reis te gaan? Met jouw auto, of met de mijne, of met beide auto’s. We zien wel. Ik heb er genoeg van, hier.’
Ze draait langzaam haar hoofd naar hem toe. Er verschijnt een twinkeling in haar ogen. ‘Waar zou je me mee naartoe nemen, dan?’
Tom kijkt goed om zich heen en kijkt Nova dan strak aan. ‘Laten we naar het Avondrood gaan, jij en ik.’
De mond van Nova valt open. Haar wenkbrauwen vormen zich in een kwade frons. Vanuit zijn mand begint Oggi te grommen, het is een diepe keelgrom die luider en luider wordt. De hond komt naast zijn mand staan, zijn snuit op Tom gericht. Oggi blaft naar hem.
‘Oggi, af! In je mand!’ Nova werpt Tom een vernietigende blik toe. De hond blijft blaffen. Nova loopt naar Oggi toe en wijst hun hond op de mand. ‘Vooruit, af!’
Tom staat op. ‘Moet ik … helpen?’
‘Nee! Je veroorzaakt al genoeg ellende!’ De woorden komen er snauwend uit.
Nova weet Oggi tot bedaren te brengen en blijft staan, haar armen in haar zij. ‘Moet je daarover beginnen?’
‘Je bent toch op zoek naar spanning? Is het dan niet spannend om …’
‘Niet dat soort spanning. Het begint nu echt een obsessie voor je te worden.’
Ze staart hem fronsend aan. ‘Wacht even, die autopech. Dat is waarom je hier bent gestrand, is het niet? Je bent op zoek naar je fantasieplekje.’
Tom voelt het bloed naar zijn wangen stromen. Hij knikt. ‘Nou ja, het is misschien geen fanta-sie…’
‘Én waarom je bent ontslagen.’
Tom slaakt een diepe zucht. Hij knikt zwakjes.
‘Ongelooflijk! Je bent dus echt een ordinaire morgendenker!’
Opnieuw gromt Oggi, maar Nova snauwt naar de hond dat het dier zich koest moet houden. Met succes, want de hond stopt met grommen.
‘Ik ben geen morgendenker, ik stel alleen maar vragen.’
Er gaat een korte maar hevige schok door de woonkamer. Nova weet al staande haar evenwicht te bewaren. Tom grijpt zich vast aan de rand van de bank. Als de schok voorbij is, ziet Tom dat de schilderijen aan de muren scheef hangen.
‘Hou op! Zie wat je allemaal aanricht.’
Tom steekt zijn hand op. ‘Het spijt me. Het is allemaal niet … mijn bedoeling. Ik zal me koest houden.’
Nova slaakt opnieuw een zucht en gaat weer zitten op de bank.
‘Het … het is echt niet mijn bedoeling, maar het is … de hogere machten willen … ’ Toms hoofd is vol. Hij kijkt Nova uiteindelijk aan en zegt sorry. ‘En ik meen het: ik zal me nu gedeisd houden.’
Even blijven ze zo zitten, tot ze een arm om hem heen slaat. ‘Gekkie.’ Ze geeft hem een verontschuldigend glimlachje. Tom staart voor zich uit. Hij moet zich koest houden, maar wordt hij daar echt gelukkig van? Hij haalt Nova’s arm van zijn schouder en staat op. ‘Ik ga een ommetje maken en dan loop ik ook langs de supermarkt, wil jij nog wat?’
Nova schudt haar hoofd. ‘Nee, maar ga gerust je gang. Ik wil alleen zijn.’ Ze staart voor zich uit. Terwijl Tom de woonkamer verlaat, hoort hij boer Sam op tv zeggen: ‘Daar moet ik even over nadenken.’
We zitten in hetzelfde schuitje, Sam.
Vanaf zijn huis loopt hij naar de gracht in de binnenstad. Hij blijft staan op de brug en kijkt naar beneden, naar de schittering van de zon op het water. Die constante zon. Tom snapt niet waarom iedereen die stomme vuurbal toch zo vereert. Hij weet niet of het nog goed gaat komen tussen hem en Nova en of dat überhaupt de bedoeling is. Misschien is dit alles –de ruzies, het onheil– een teken dat hij hier niet past en dat hij weer zijn eigen weg moet gaan. Tegelijkertijd voelt het alsof hij dan een heel nieuw leven achter zich laat. En hij is gelukkig geweest met Nova, toch? Dat kan hij toch opnieuw worden? Hij kijkt even opzij, in de richting van de winkels. Hij heeft eigenlijk niet eens honger, want hij zit nog vol van zijn etentje met Nova. Tom voelt een knoop in zijn maag. Hij weet al wat hij aan zal treffen zodra hij thuiskomt, of liever gezegd: wie. En het is allemaal zijn eigen schuld. Hij draait zich weer om richting huis en versnelt zijn pas. Thuis aangekomen opent hij meteen zijn voordeur. Hij loopt meteen door naar de woonkamer.
Niemand. Dacht ik het niet! Hij voelt de zenuwen door zijn lichaam gieren als hij de trap naar boven neemt en vervolgens doorloopt naar de slaapkamer.
Zeg dat het niet waar is!
Maar het is wel waar. Daar in bed liggen Nova en Herman. Herman is al hevig kreunend de liefde aan het bedrijven met zijn vrouw. Ze slaakt kreuntjes van genot. Ja, van genot. Tom blijft in de deuropening staan, zijn mond wijd open. Het is Herman die opzij kijkt en schrikt. Hij klimt al vloekend van Nova af en trekt een deel van het dekbed over zich heen. Toms blik is echter gericht op Nova.
‘Tom, ik …’ begint ze.
Hij laat zijn schouders zakken en schudt zijn hoofd. ‘Het is goed. Ik hoor hier toch niet.’
‘Dat heb je inderdaad goed, morgendenker,’ zegt Herman, de woorden bijna uitspuwend. ‘Jij hoort hier niet!’ Herman staat op uit bed en kleedt zich aan. ‘Ik wil een hartig woordje met je spreken, buurman,’ zegt hij terwijl hij als laatste zijn riem vastmaakt. ‘Buiten.’
Tom slikt en geeft dan een knikje. Herman kijkt fronsend van de een naar de ander en verlaat de slaapkamer dan. Tom gaat op de rand van het bed zitten en legt zijn hand op het door het dekbed bedekte been van Nova. Nova pakt zijn hand.
‘Tom, ik … ik… ik moet je iets vertellen.’
Tom opent zijn mond om te reageren, maar zijn buurman laat van zich horen.
‘Buurman! Naar buiten komen!’
Tom staat op en loopt naar de deur. Hij legt zijn hand op de deurklink, maar kijkt Nova nog eenmaal aan. ‘Ik denk dat we beter uit elkaar kunnen gaan.’
Nova knikt zwijgend.
‘Bedankt voor de fijne momenten.’ Hij slikt. Nova knikt en glimlacht. Er rolt een traan over haar wang. Het liefst wil Tom haar troosten, maar hij wil niet weten wat Herman met hem gaat doen als deze zijn geduld verliest.
‘Ik spreek je nog wel,’ zegt Tom. Hij draait zich om en loopt zonder nog iets te zeggen de slaapkamer uit.
‘Ik vind iedereen even leuk,’ zegt boer Sam op de tv, ‘maar aan Sarah heb ik de meest recente herinneringen, dus ik kies voor haar!’ Er klinkt een applaus en een gilletje van de uitverkoren vrouw.
Op de drempel van de voordeur voelt Tom zijn telefoon trillen. Hij kijkt op zijn scherm terwijl hij een stap naar buiten zet.
‘Je auto is klaar?’ klinkt de stem van Herman naast hem. Tom kijkt opzij. Hij ziet Herman staan op de oprit, zijn armen over elkaar geslagen. Tom knikt.
‘Mooi, ga ‘m halen en rot op hier. Je veroorzaakt al genoeg ellende. Ga maar lekker terug naar waar je vandaan …’ De mond van Herman blijft openstaan, midden in de zin. Dan breekt er een lach door op zijn gezicht. Hij produceert er een krakerig lachgeluid bij. ‘Wacht even. Je bent daar ook al uitgekotst, is het niet? Je hebt daar ook al onheil veroorzaakt.’
De woorden komen aan als een stomp in zijn maag. Het is niet wat Tom wil horen, maar het is wel de waarheid. Tom slaakt een zucht en knikt. Hij draait zich om. ‘Alleen even afscheid nemen en dan…’
Herman blokkeert de deuropening en duwt Tom erbij vandaan.
‘Nee. Ze is zwanger,’ zegt Herman. ‘En ik wil je niet in de buurt hebben.’
Zwanger? Dus dat is wat me ze wil vertellen. Maar wacht … ik word vader? Of Herman? Als het van mij is kan ik toch onmogelijk weggaan?
‘Is … is het van mij?’ perst Tom eruit.
‘Laten we hopen van niet! Wat moet er terechtkomen van het nageslacht van zo’n morgenden-ker. Ik zal het kind met liefde opvoeden alsof het van mij is. Wat dus misschien ook zo is.’
‘Ik ben geen morgendenker. Ik stel alleen maar vragen!’
‘Lul niet!
De grond schudt onder hun voeten. Er klinkt een diep scheurend geluid terwijl er een geul ont-staat over de lengte van de gehele oprit. Tom en Herman wankelen op hun benen, maar weten zich net staande te houden. Zijn buurman kijkt geïrriteerd naar beneden, het ontstane gat in. ‘Kijk nou wat je doet!’
Tom slikt. ‘Het … het spijt me. Maar ik heb al besloten dat ik verder ga. Je zult geen last meer van me hebben.’
Herman knikt. ‘Mooi. En laat me je een ding zeggen, ex-buurman: ik ken die theorieën van jullie: “Er bestaat een parallel universum waar wel een gisteren en morgen bestaan.” “We leven in een simulatie.” Om nog maar te zwijgen van het belachelijke idee dat deze planeet opeens zal gaan draaien én rondjes gaat maken om de zon. Wie verzint dat soort onzin?!’
Tom doet zijn mond open om te antwoorden, maar zijn buurman is nog niet klaar.
‘En weet je wat? Het kan me allemaal niet schelen wat waar is en wat niet. Wij leven hier rustig en vredig. En stel dat dit een simulatie is, hè? Nou, laat ons hier dan maar lekker zitten.’
Tom vindt het nogal wat dat Herman spreekt namens ‘ons’, maar besluit er verder niet op in te gaan. Hij kijkt naar de verbeten gezichtsuitdrukking van Herman. Tom zwaait gedag en loopt dan weg, zonder om te kijken. Misschien kan hij nog langs het huis van Nova rijden zodra hij de auto heeft. Tom merkt dat hij door het gesprek van zojuist toch enig respect heeft gekregen voor Herman. Beste vrienden zullen ze nooit worden, maar Tom gelooft ook niet dat zijn voormalige buurman een slechte vader zal zijn. Hij loopt langs het gemeentehuis, waar hij de scheidingspapieren regelt. Alles via een notaris regelen hoeft niet, want Tom laat het allemaal achter zich. Ergens is het een prettig gevoel.
Hij loopt door naar de garage. Als hij daar aankomt, zijn z’n voeten pijnlijk door het vele lopen. Hij prijst zich gelukkig dat hij hier weg kan rijden met een auto. Zijn eigen auto. Hoe heerlijk! Tom loopt naar binnen en begroet zijn voormalige schoonvader. Gerard schudt meewarig zijn hoofd als Tom hem vertelt over de scheiding. ‘Soms loopt het zo, helaas.’
Tom laat het complete bedrag van de reparatie op de komt-wel-rekening van de garage zetten. Als hij zich omdraait staat Nova plots bij de balie. Ze heeft een kind in haar armen. Het is een meisje met rode krullen, een exacte kopie van haar moeder.
‘Hoi.’ Nova glimlacht en laat ook het kindje naar hem zwaaien. ‘Dit is Tom. Misschien wel jouw echte papa.’
Tom krabt zich op zijn hoofd. Het zweet breekt hem uit. Hij zwaait uiteindelijk naar het kind.
‘Hoe heet ze?’
‘Lucy.’
‘Hoi Lucy!’ Hij zwaait nogmaals naar het kind. Het meisje moet lachen om zijn handbeweging. Hij kijkt dan Nova aan. ‘Mooie naam.’
Hij kijkt even naar Lucy. Pas nu hij haar daadwerkelijk ziet, doet het hem iets dat het misschien wel zijn eigen dochter is die hij hier achterlaat. Maar het is echter beter dat hij verdergaat.
‘Ik kom de garage op mijn naam zetten,’ zegt Nova. Bij het horen van die woorden grijpt haar vader haar met beide handen vast. ‘Echt? Ga je het doen?’ Gelukzalig glimlachend kijkt hij Tom even aan, dan richt hij zijn blik weer op zijn dochter.
‘Wat leuk voor je,’ zegt Tom. Hij voelt tranen opwellen. Tranen van geluk. Eindelijk toont iemand in deze hele wereld iets van ambitie. Het kind ziet de gezichten om haar heen verbaasd aan, met open mond. Terwijl Nova haar handtekening zet, werpt ze een blik op Tom. ‘Hij was ongeneeslijk ziek.’
Ze gebruikt onvoltooid verleden tijd! Hij kijkt om zich heen. Er gebeurt niets. Interessant. Laten de hogere machten de teugels vieren? Hebben ze toch een beetje gevoel?
‘Wie?’
‘Mijn vorige echtgenoot. Het is allemaal snel gegaan. Te snel. Maar anders dan je misschien denkt heeft zijn overlijden wel mijn ogen geopend, me bewust gemaakt van mijn sterfelijkheid. We doen wel alsof we onsterfelijk zijn, maar ik heb gemerkt hoe hard het kan gaan als iemand wél ziek wordt. En rouwen is er helaas niet bij, want we moeten altijd in het nu leven.’
Ze snikt. Tom loopt naar haar toe en troost haar door een hand op haar schouder te leggen.
‘We verschillen niet zoveel, jij en ik,’ zegt Nova. ‘We willen beiden meer uit het leven halen, de sleur doorbreken. Maar … tja, die missie van jou gaat me echt te ver. Je weet niet eens of die plek bestaat.’
Tom knikt. ‘Dat is waar.’
Haar ogen worden vochtig terwijl er een glimlach doorbreekt op haar gezicht. ‘Het ga je goed, Tom. Dat meen ik, uit de grond van mijn hart.’
Tom spreidt zijn armen en geeft haar – zo goed als dat gaat met een baby tussen hen in – een knuffel. Hij stapt in zijn auto. Voor hij wegrijdt toetert hij nog eenmaal naar Gerard, Lucy en Nova. Ze zwaaien hem na.

Tom is weer op weg. Waarnaartoe, dat weet hij niet. Misschien zoekt hij ergens anders een plek waar hij een nieuw leven kan opbouwen. Hij passeert de stadsgrens en daarna de buitenwijken. Er gebeurt iets bijzonders zodra hij op een landweg even buiten de stad aangekomen is. Voor zijn auto verschijnt een vage witte glans. Tom rijdt erdoorheen. De haartjes in zijn nek gaan overeind staan. Hij kijkt naar boven en ziet dat de glans hoog boven hem in een gigantische koepelvorm om hem en de wijde omtrek van zijn auto heen hangt. Hij schrikt als de radio begint te ruisen. Er klinkt een diepe basstem uit zijn radiospeakers.
‘Tom, zet de auto stil.’
Praat de radio nu tegen me?
‘Tom, laten we praten.’
Verbaasd trapt hij op de rem. De auto komt met een schok tot stilstand.
‘H-hallo?’ zegt Tom.
‘Hallo Tom.’
Hij fronst. ‘Wie ben jij?’
‘Ik ben iemand die jou een glimp kan laten opvangen van het Avondrood.’
Tom veert op.
‘Een hogere macht, zogezegd.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Dat kan niet.’
‘Toch wel. Kijk om je heen. Je bevindt je nu in een zakuniversum. Alles wat je hier ziet, is alleen voor jouw ogen bestemd.’
Tom houdt zijn handen om het stuur geklemd, niet wetend wat hij met deze conversatie aan moet.
‘Je hebt inmiddels genoeg onheil veroorzaakt en ik wil je tegemoetkomen, in de hoop dat het je nieuwsgierigheid een beetje bevredigt. Ik kan je een wereld laten zien waar het Avondrood bestaat. Wil je die zien, Tom?’
Hij krabt zich op zijn hoofd. ‘Euh ja … natuurlijk.’
Sceptisch gaat hij achterover zitten, zijn armen over elkaar geslagen. Zo makkelijk kan het toch allemaal niet zijn? Dan verspreidt een oranjerode kleur zich vanuit het centrum van de koepel boven hem, tot hij om zich heen alleen maar rode lucht ziet. Niet enkel rode lucht. Hij ziet ook een oceaan, voor zich. En een ondergaande zon. Zo … mooi! Tom kijkt naar het tafereel voor hem en snuift de geur van zilte zeelucht in zich op.
‘Ik hoop dat ik je hiermee tevreden heb gesteld,’ zegt de stem uit de radio. ‘Wat er nu gaat gebeuren laat ik aan je geweten over. Blijf je het onheil over jou en je omgeving afroepen, dan zullen wij als hogere machten niets anders kunnen doen dan je wakker te laten worden in een wereld met een morgen.’
Tom veert overeind. ‘Echt?’
‘Ja, maar niet alleen jou, iedereen in de wereld. En iedereen zal ook weten wie dit alles in gang heeft gezet. Weet ook wat je wenst, Tom, want emoties zijn dan misschien meer waard, maar je krijgt er ook stress, deadlines en oorlogen voor terug. Om nog te zwijgen over schulden; denk aan al die bedragen die zich hebben opgestapeld op de komt-wel-rekeningen.’
Een aantal van die woorden kent hij van de fora, maar er zitten ook begrippen tussen die hij nog niet kent. Uit de mond van de hogere macht klinken ze stuk voor stuk onheilspellend.
‘De andere optie is dat je het laat zitten en gewoon vredig verder leeft in de wereld die je kent.’
Tom knikt. Hij denkt terug aan zijn gesprek met Herman en aan zijn afscheid van Nova. Misschien is het beter als hij het erbij laat. Hij heeft nu het Avondrood gezien en kan ergens anders een ander leven opbouwen, zonder gisteren, zonder morgen. Hij zal zich gelukkig kunnen prijzen met het idee dat Nova, Herman en Lucy ergens anders nog steeds gelukkig zijn op hun eigen plekje. Hij slikt even en kijkt voor zich. De haartjes op zijn armen gaan recht overeind staan bij het zien van de prachtige tinten rood in de lucht voor hem.
Zo mooi. Zo adembenemend mooi.
Iedereen zou dit tafereel moeten kunnen aanschouwen.
Misschien morgen.

 

Over de auteur:
Mike van Dooyeweert (1982) is geboren in Tiel, maar woont inmiddels ruim 10 jaar in Utrecht. Hij schrijft veelal verhalen in de genres fantasy, sciencefiction en horror, vaak ook met een vleug humor. Behalve dat hij korte verhalen schrijft, is hij scenarioschrijver, staat hij zo nu en dan op het podium als stand-up comedian en werkt hij intussen aan een humoristische fantasyroman.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020 – 2026 Fantasize, Mike van Dooyeweert & Marcel van der Sleen

You cannot copy content of this page