web analytics
zondag, april 21

Vertellingen: 1897 – deel 2

Een verhaal van Terrence Lauerhohn in vier delen.

2

Onder een laken van duisternis overziet de jager het aardse, dorstig naar bloed. Later zal het stromen. Niets zal worden verspild.

***

Hij arriveerde laat, veel te laat, de zon was net ondergegaan. Giacomo trok hard aan de deurbel, een koperen leeuwenkop met uitgestoken tong. Hij vloekte zacht, omdat hij de lengte van de reis en het woelige water van de Brenta had onderschat, en omdat hij de ijver van de gondelier die hem had gebracht, had overschat.
Een minuut later kwam een bediende aanlopen, onder een zwakke lichtvlek uit de lantaarn die hij omhooghield. Toen hij dichterbij kwam herkende Giacomo de kleinste van de twee mannen die de signorina naar het politiebureau hadden begeleid.
Het kereltje haalde het in sierlijke lussen gesmede hek van het slot, murmelde nauwelijks verstaanbaar een goedenavond, terwijl hij een paraplu openvouwde en zijn arm strekte. Hij bekommerde zich niet over de regen die zijn eigen weinige haren doorweekte.
De bediende gidste hem zwijgend naar de voordeur. Nieuwerwetse beelden van Griekse goden bakenden het pad naar het palazzo af. Verderop strooiden manshoge lantaarns een warm licht over de pui van het praalzuchtige gebouw.
De edele jongedame wachtte hem bij de voordeur op. ‘Ispettore!’ zei ze zichtbaar verrast. Ze gebaarde haar bediende zijn mantel en hoed aan te nemen.
‘U hebt mijn boodschap niet ontvangen?’ vroeg ze, nadat het mannetje zich met zijn kleding in een andere hal had teruggetrokken. Gaslampen wierpen sprankelend licht door het vertrek. De signorina’s blonde haren vingen de stralen, omhulden haar hoofd met een aura van gouden zuiverheid. Een gezonde blos op haar wangen accentueerde de volheid van haar lippen. In haar ogen schitterde de tint van een onbewolkte hemel tijdens het laatste daglicht.
Het veroorzaakte een extatische pijn, daar waar Amors pijlen hem meedogenloos abrupt raakten. Giacomo schudde zijn hoofd en hakkelde zijn antwoord.
Ze glimlachte, wat verraadde dat ze dit soort reacties op haar uiterlijk gewoon was. ‘Kom, laat mij u eerst een verwarmend glas wijn inschenken. De salon is deze kant op.’ Ze stak een hand uit en ging hem voor.
Twaalf kaarsen in drie antieke kandelaars verlichtten de salon met hun grillige schijnsel. Het vertrek was luxueus gemeubileerd en opgesierd met reuzenvarens en bloemstukken. Voor de ramen hingen gordijnen van zwaar, bordeauxrood fluweel. Een ontzagwekkend aantal portretten van voorouders van de Ottoboni’s bedekte een van de wanden.

© United in the Avalanche

Boven de haard hing slechts een enkel schilderij, van een jonge vrouw. Ze was gekleed in een ouderwetse japon en leek als twee druppels water op de signorina. De vrouw op het schilderij bezat een bleke teint en neerslachtige trekken. De meesterlijke portretteur had haar gezichtsuitdrukking zo treffend afgebeeld dat die weemoedige emoties losmaakte.
‘U bewondert het laatste schilderij dat van mijn moeder is gemaakt, ispettore.’ De signorina keerde hem de rug toe om zelf een blik op het kunstwerk te richten.
‘De gelijkenis met u is opmerkelijk, signorina.’
Ze zweeg, met onverminderde aandacht voor haar moeders portret. Haar schouders zakten, een zuchtje klonk.
Giacomo gaf haar de tijd voor haar herinneringen, wat een flinke minuut duurde.
‘De zitplaats bij de haard is voor u,’ zei ze toen ze zich omdraaide.
Hij knikte en nam plaats op de zetel die ze hem aanwees. Ze vulde een glas met rode wijn voor hem.
Bij de overhandiging gleden zijn vingers over die van haar. Zijn hart bonsde sneller tijdens het contact met haar huid. Hij keek haar aan, en zij hem, waarmee ze zijn blik gevangennam.
‘Sinds vanmorgen is er een positieve overgang in mijn gemoed, ispettore,’ zei ze met een glimlach op haar gezicht. ‘Ik moet me bij u verontschuldigen. Uw komst blijkt namelijk overbodig te zijn. Het is de reden waarom die mij verheugt.’
Giacomo trok een frons in zijn voorhoofd en nipte aan de wijn.
‘Het toeval wil dat we van mijn zus hebben vernomen. Het gaat haar goed,’ legde de signorina uit.
‘Ik ben zeer opgelucht dat te horen, signorina.’ Hij zette zijn glas op een mahoniehouten bijzettafeltje dat naast zijn fauteuil stond. ‘Vergeef me mijn onnadenkendheid… Uw vader? Gaat het al iets beter met hem?’
‘Ik stel uw interesse in zijn gezondheid zeer op prijs, ispettore.’ Haar wimpers en wenkbrauwen zakten. ‘Alhoewel het goede nieuws hem oplucht, heeft het een averechtse invloed op zijn fysieke gezondheid. Mijn vader is sterk verzwakt door woelende emoties. Hij rust, boven in zijn bed.’
‘Ik wens hem een voorspoedig herstel, signorina. Ik leef met u mee.’
Ze bedankte hem met zachte stem, ook voor de zinloze reis die hij had gemaakt.
‘Ik neem u niks kwalijk. Integendeel,’ antwoordde hij haar meteen. ‘Mijn reis hiernaartoe en mijn bezoek aan u ervaar ik allerminst als vervelend.’ Hij dronk een laatste slok en stond op. ‘Dank u voor dit voortreffelijke glas wijn. Ik zal uw tijd niet langer in beslag nemen.’
Ze kwam omhoog uit haar zetel.
‘Doet u geen moeite. Ik laat mijzelf wel uit. Blijft u alstublieft zitten, signorina.’
Ze stond toch op. Hij beloofde haar: ‘Indien u mijn hulp nodig mocht hebben… u weet me te vinden. Ik offreer uw familie graag mijn diensten.’
Ze wierp hem een kort knikje toe.

In de hal wachtte het oude mannetje op hem. Giacomo wees naar het vertrek waarin zijn mantel hing.
De bediende haalde het kledingstuk niet. ‘Ispettore, mijn meester zou graag met u willen spreken,’ fluisterde hij. ‘Ik wil u vragen, alstublieft, neem enkele minuten tijd om hem aan te horen.’
Gedwongen door wat hij de signorina zojuist beloofd had stemde Giacomo toe.
Op zijn weg naar de trap kwam zij net uit de salon gelopen. ‘Ispettore?’
‘Uw vader wenst een gesprek met mij. Ik dacht… Signorina, indien u het er niet mee eens bent zal ik vertrekken.’ Hij keek de oude bediende aan, hopend op zijn steun.
Het breekbare kereltje tuurde nederig naar de grond.
De signorina ademde hoorbaar uit. ‘Het is niet aan mij om u toestemming te geven of u te verbieden een gesprek met mijn vader aan te gaan.’ Met een vlakke blik in haar ogen draaide ze zich om. Ze trok zich terug in een ander vertrek.
Het oude mannetje was ondertussen op de derde tree van de trap gaan staan en wees uitnodigend met zijn rechterhand naar boven.
Giacomo twijfelde een seconde. Uit een kamer op de eerste verdieping riep iemand hem echter aan, met een stem die amper genoeg kracht had om verstaanbaar te zijn, maar waarin het smeken overtuigend klonk. Hij volgde de bediende naar een verduisterde kamer.
‘Ispettore,’ klonk er wanhopig vanuit het bed dat tegen een van de muren stond opgesteld. Twee dekens bedekten een lichaam dat deze nauwelijks liet opbollen. De oude man wenkte hem met slappe hand naderbij. Zijn gezicht getuigde van een diep verlangen naar het gehoorzamen aan de lokroep van de dood. Zijn ogen hield hij half toegeknepen.
‘Uw dochter heeft mij reeds ingelicht over het goede nieuws, signore,’ begon Giacomo op zachte toon.
De oude Ottoboni gebood zijn bediende de deur te sluiten.
‘Ispettore,’ fluisterde hij nadat het opnieuw schemerde in de kamer. ‘Wat heeft mijn dochter u verteld?’
Giacomo gaf een kort verslag van zijn gesprek met de signorina.
Haar vader zuchtte. ‘Isidora vertelt niet de gehele waarheid. Ik neem het haar niet kwalijk. Zij is een goede dochter, ze maakt zich zorgen over het lot van haar zuster.’
Een muffe stank vond een weg tussen de verdorde lippen, naar Giacomo’s neus.
Rochelend vervolgde de bejaarde: ‘Ze zal naar haar op zoek gaan. Help haar, vraag ik u. Wat u ook ontdekt. Bescherm haar, help Isidora het tegen te houden.’ Het volume in het woord “het” was nadrukkelijker aanwezig dan in de andere woorden. Tijdens het uitspreken ervan slaagde de zieke man er zelfs in iets overeind te komen. Hij viel terug in zijn kussens en verzachtte zijn stem noodgedwongen weer: ‘Ik vrees voor mijn andere dochter, ze…’ Een hoestbui overviel hem. Zijn bediende hield een zakdoek tegen de mond van zijn meester, veegde een klodder geel slijm van de onderlip.
‘Ik heb gedaan wat ik kon,’ vervolgde de bejaarde patriciër, terwijl een traan uit een van zijn ooghoeken viel. ‘Nu is het nodig dat ik niets langer verhul, voor Isidora, voor Venetië… God staat machteloos. Net zomin als dat hij mijn daden goedkeurt en me zal vergeven, kan hij ingrijpen.’
Giacomo huichelde oprechte interesse, legde zijn rechterhand op de deken, naast het wegterende lijf, en hoorde het gewauwel van de bedlegerige man lusteloos aan.
‘Pas op voor de nacht, ispettore. Behoed Isidora voor de wreedheid die de duisternis herbergt.’ Hij klemde zijn lippen op elkaar, hoewel hij de laatste zinnen met hervonden kracht articuleerde.
Het schijnsel van de kandelaars in de gang viel plots over de vloer van de slaapkamer. Signorina Isidora’s schaduw verduisterde een gedeelte van de lichtvlek. ‘U vermoeit mijn vader te zeer, ispettore. Het is laat, u hebt nog een flinke terugreis naar Venetië voor de boeg,’ meldde ze op hardvochtige toon.
Geschrokken kwam Giacomo overeind uit zijn stoel. De edelman greep met knokige vingers zijn rechterhand vast. De wijze waarop de bejaarde hem aankeek verraadde de gekte die in de gedachten van de zieke rondspookte.
‘Help haar, ispettore.’ De man vormde de woorden met zijn lippen, geluidloos.
Giacomo trok zijn hand los. Hij stamelde een verontschuldiging en verliet de slaapkamer. De ijzige koelte waarmee signorina Isidora hem aanstaarde wekte een diepe schaamte in zijn geest. Op zijn weg naar beneden bekeek hij alleen de vloer.

Pas toen hij buiten stond, mantel en hoofddeksel in zijn handen, durfde hij weer op te kijken. Dikke regendruppels spetterden in zijn ogen. Hij zette zijn hoed op, sloeg de mantel om zijn schouders. Zonder op de oude bediende te wachten liep hij naar de poort. Hij lette niet op het koude hemelwater dat via zijn boord onder zijn kleding sijpelde.
Voorzichtig, om het niet nat te laten worden, haalde hij zijn zakhorloge tevoorschijn. Het tijdstip stelde hem teleur, de schipper kwam hem pas over een dik uur ophalen.
Aan de rand van het water spreidde een olijfboom dik bebladerde takken uit, ver genoeg om er een droge schuilplaats te vinden. Met zijn rug tegen de stam hield hij het palazzo in het oog. Eén kamer was vaal verlicht. Signorina Isidora keek naar buiten, ze trok een vitrage dicht. Vervolgens verdween ze naar een plek naast het raam.
Enkele minuten later kwam ze weer in beeld, met haar rug naar hem toegekeerd. Ze leek naakt, zij het mistig door het gordijn.
De signorina draaide een kwartslag.
Giacomo hield een hand tegen zijn borst in een futiele poging het zware kloppen achter zijn ribben naar een gematigder tempo te dwingen.
Jammer genoeg duurde het naar extase leidende schouwspel slechts kort, de signorina trok kleding aan en doofde het licht.
Bevangen door een melancholische eenzaamheid overdacht hij de gênante afloop van zijn bezoek aan de Ottoboni’s en betreurde gedesillusioneerd zijn warme gevoelens voor de signorina. Hij keek van de grond naar de hemel. De zware wolken trokken spaarzamer voorbij en gunden de sterren steeds meer ruimte. Op de andere oever van de Brenta vielen al geen druppels meer. Een warme zuidenwind verjaagde wat er nog aan bewolking door de lucht dreef.
Het piepen van ijzer en het knarsen van grint haalde hem uit zijn opwellende hartenleed. De oude bediende van de Ottoboni’s opende het hek, terwijl de signorina aan kwam lopen.
Uit een pikdonkere laan klonken de gemengde geluiden van ratelende koetswielen, klepperende hoeven.
Een landaulette stopte voor het hek. De signorina stapte snel in. De koetsier gaf met een lange zweep het duo paarden een tikje op hun billen. Een kort gehinnik klonk, waarna het tweespan in een versnelde draf de hoofdweg naar Venetië opdraaide.
Giacomo keek het voertuig met open mond na.

Volgende week verschijnt deel 3. Lees ook deel 1.

Over de auteur:
Terrence Lauerhohn is geboren op 31 mei 1960 in een Brabantse wieg te ’s Hertogenbosch. Pas op 51 jarige leeftijd schreef hij zijn eerste roman, ‘Noptula’ (science-fiction), die goede reviews ontving. Sindsdien zijn en worden een flink aantal kortverhalen van hem in genre-magazines en verhalenbundels gepubliceerd, waarvan verschillende zelfs in de USA. Terrence houdt zich het liefst niet aan een bepaald genre binnen de verbeeldingsliteratuur, zodat zijn grenzeloze fantasie alle richtingen van het onwerkelijke kan inslaan. Het auteurschap blijkt zijn passie te zijn, ontdekte hij. Zijn Dark-Fantasyroman, ‘De Negen Cirkels’ (2014-Zilverbron), was een van zes genomineerde titels voor de Hebban Awards 2015, categorie Fantasy. In 2015 publiceerde hij ‘Wegversperring’ (thriller-debuut), bij aquaZZ, i.s.m. Ambilicious. ‘Nirwana’ (2016/Ambilicious) is zijn derde boek en tweede thriller. ‘Nirwana’ is een kafkaësk verhaal met een dystopisch tintje. Op 5 november 2018 verscheen zijn vierde boek, ‘Zielenmenners’ (fantasy/spanning, met horrorelementen), bij Ambilicious. In het najaar van 2019 debuteerde hij met zijn misdaadroman ‘Blauwe bonen’ (Ambilicious).

Over de illustrator:
Meer over deze illustrator kun je vinden op zijn instagramaccount.

 

© 2020-2024 Fantasize & Terrence Lauerhohn & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page