web analytics
zondag, mei 22

Vertellingen: Dodendanserslicht – deel 1

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zeven delen.

Schims donderende hoeven werpen glinsterende banen de lucht in. De stuivende sneeuwkristallen raken ons niet, daarvoor gaan we te snel. De Daruviaanse ijsvlakte flitst onder ons voorbij. De manen van mijn hengst wapperen als aanvalsbanieren. Net als mijn eigen haar. Goden, wat heb ik dit gemist. Ik slinger een triomfantelijke kreet de messcherpe lucht in. Nu de wereld een witte waas is, er niets anders is dan snelheid en mijn hartslag één is met die van het voortrazende paard onder me, voel ik me voor het eerst sinds lange tijd weer leven. De zwaardwond aan mijn rechterbeen, de wond die me maar liefst twee roodmaancycli aan mijn bed in de ziekenzaal van de poortwachtersorde gekluisterd hield, steekt niet of nauwelijks. De ordeheelmeester verdient een standbeeld. Ik had nooit gedacht dat ik dit ooit nog zou kunnen. Met een brede grijns knipper ik de tranen weg die de wind in mijn ogen jaagt. Ik ben weer terug. Wij zijn weer terug, en hoe. We stormen verder, één met elkaar en met de ijswereld rond ons. Tot achter ons verbolgen kreten weerklinken.
De Aïshi!
Dat was niet helemaal de bedoeling. Maar het geeft niet. We zijn klaar voor een confrontatie, Schim en ik. Die dieven verdienen niet beter dan dat we ze een kopje kleiner maken. Ik haal Schim uit zijn galop en reik naar mijn kruisboog. Ik heb de boog al in mijn gehandschoende handen, dronken van de mogelijkheid om eindelijk weer een verschil te maken, als het tot me doordringt: het ei in mijn zadeltas, het ei dat ik van die smerige, dwergachtige aaseters teruggestolen heb. Het jonge leven binnenin is niet gebaat bij een uitgebreide vergeldingsactie. Het moet zo snel mogelijk de warmte in wil het een kans maken om te overleven.  Dat betekent: weg uit deze wereld, die je borsten van je lijf vriest. Ik schuif mijn boog met een spijtige zucht terug en buig me over Schims brede, zwarte hals.
‘Naar de poort,’ roep ik boven zijn harde ademhaling uit. ‘Naar de poort, maatje. Naar huis. Rahka. Snel.’
Mijn hengst gehoorzaamt meteen en versnelt weer. Hij stormt op de horizon af. Op de poort die alleen hij kan zien. Voor mij is het niet meer dan een rimpeling in de blauwe vrieslucht, hoog boven ons. Maar het reusachtige paard onder me raast er recht op af. Mijn enige deken zit rond het grote ei in mijn zadeltas. Hopelijk is het voldoende om het toch enigszins warm te houden. Normaal is mijn uitrusting veel uitgebreider, maar wie had nu kunnen denken dat onze eerste, voorzichtige missie na mijn ontslag uit de ziekenboeg, een korte routine-inspectie van een poort in niemandsland, zou uitdraaien op dit?

© Zef Oudendorp

De schelle kreten achter ons zijn er nog steeds. Ik frons. Naderen ze nu? Sinds wanneer zijn de ratelnekken, de tweehalzige rijdieren van de Aïshi zo snel? Wel, als ze dan toch binnen het bereik van mijn boog komen, kan ik er evengoed een paar neerhalen. Ik schouder mijn geladen kruisboog voor de tweede keer, draai me om en schiet. Achter het gordijn van stuifsneeuw dat door Schims hoeven wordt opgeworpen, stuikt een ratelnek in elkaar.
De in bontvellen gehulde Aïshi op de hoge rug van het dier tuimelt tussen de halzen van zijn rijdier door en rolt in de sneeuw. Eén minder, maar de anderen blijven komen. Met een onmogelijk snelheid. Een ijl gefluit vermengt zich met hun gebrul. Het komt uit de geschubde bekken van hun rijdieren.
Dit gaat niet echt zoals gepland. Ik buig me over Schims zwarte hals en controleer zijn ogen. Zijn irissen worden roder en roder, een signaal dat we bijna bij de poort zijn. Maar bijna is niet goed genoeg. Elk ogenblik nu kunnen de Aïshi hun korte, maar dodelijke speren lanceren. Haastig werp ik een deel van mijn schamele uitrusting af. Mijn zo goed als bevroren waterzak, mijn zadeltas met proviand en mijn wapperende wachtersmantel ploffen in de sneeuw. Ik behoud alleen mijn kruisboog, mijn pijlen en mijn zadeltas met het kostbare ei. Ik ben een idiote dat ik enkel het mes aan mijn riem heb omgegespt en mijn luchtzwaarden achter heb gelaten, maar daar is nu niets meer aan te doen.

Eigenlijk heb ik geen flauw idee wat de Aïshi hier doen, aan deze kant van de Daruviaanse ijsvlakte. Zo dicht in de buurt van hun wereldpoort komen ze normaal nooit. Maar ook het ei in mijn zadeltas, het ei waar Schims neus me feilloos heenleidde zodra we door de poort kwamen, had hier niet moeten zijn. Hoe de Aïshi de stoutmoedige, eigenlijk onmogelijke diefstal voor elkaar hebben gekregen is een nog groter raadsel dan de snelheid waarmee ze nu achter me aan zitten. De hoge, jankende tonen nemen nog toe. Nu Schim gewicht kwijt is, lopen we gelukkig steeds verder uit. Ik strijk een losgeraakte pluk haar uit mijn als steen aanvoelende gezicht en heradem. Hoe dichter we de luchtpoort naderen, hoe harder het rood in Schims ogen opflakkert. Tot niet alleen zijn iris, maar ook zijn oogwit verandert in een roodpulserende robijn. Met een laatste hoefslag zet hij zich af, om in een en dezelfde beweging zijn vleugels te strekken. In een waas van opgeworpen wit schieten we de weidse hemel in. Achter ons klinkt een zoevend geluid. Ik duik weg en geef een ruk aan de teugels. Het prachtdier onder me zwenkt meteen naar links. De weerhaken van de speer missen ons op een haar na.

Schim steigert en hinnikt luid, alsof ook hij verontwaardigd is over het lef van onze achtervolgers. De Aïshi zijn nu recht onder ons. Het hoge gehuil van hun rondstuivende rijdieren gaat door merg en been. Tijd om weg te wezen. Ik draai mijn hengst in de richting waarin ik de poort vermoed en geef hem de sporen. Met grote, zware vleugelslagen wiekt hij ervandoor. Nadat ik me ervan vergewist heb dat mijn zadeltas veilig dicht zit, buig ik me met een grijns naar onze achtervolgers. Het is een grimmige belofte dat we terugkomen, Schim en ik. Met versterking.
De Aïshi zullen zwaar gestraft worden voor hun vergrijp. Hun onmogelijke vergrijp. Het is me een raadsel hoe ze de luchtpoort hebben weten te bereiken en nog een groter raadsel hoe ze er doorheen geraakt zijn. En weer terug, met een buit die ze nooit in handen hadden mogen krijgen. Maar ze hebben het wel gedaan. Daar is het ei in mijn zadeltas, dat uit de immergroene hangwouden van Karnimoer afkomstig is, het bewijs van. Waar halen ze het lef vandaan? Iedereen weet dat ze een stelletje grafrovers en bandieten zijn. Maar stelen uit een van de andere werelden, dat gaat zelfs voor hen heel ver. Ze moeten hulp gehad hebben, maar van wie? Wie is zo dwaas om  het verbond te schenden dat de dertien schepselwerelden lang geleden met elkaar sloten? Wie durft de poortverdragen te negeren waar wij, poortwachters, de bewakers van zijn?
We zijn nu vlak bij de Daruviaanse poort. Ze ligt schuin onder ons, zoals het hoort voor een veilige oversteek. Ik schuif mijn boog op zijn plaats en maak hem stevig vast. Net op tijd. Bij de volgende vleugelslag stralen Schims robijnogen een helderrood licht uit. Een antwoord op de wervelende lichtcirkel die zich een paar ellen van ons af in de lucht manifesteert. De weg naar huis. Een laatste, stevige vleugelslag en Schim sluit zijn vleugels. Als een zwartrode kanonskogel zoeft hij op de cirkelvormige rimpeling af. Ik trek mijn zadeltas en haar kostbare inhoud dicht tegen me aan en werp een laatste blik op de brullende Aïshi onder ons. Tot mijn verrassing zijn ze niet langer alleen. Hun ratelnekken cirkelen rond een lange, open slee, getrokken door vier… Zijn dat nu stormpanters?

Deel 2 verschijnt volgende week.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969), ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster zo beleefd mogelijk uit dat ze het noorden kwijt was, dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten. In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. Haar verhaal vertellen. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik, tussen het werk op onze boerderij door. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten. De verhalen die jullie hier op Fantasize terugvinden, zijn de adempauzes die we beiden af en toe nodig hebben om het grote verhaal nog beter te maken. Veel leesplezier en laat ons vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com.

Dank aan Sigrid voor de zoals steeds geweldige redactie en de illustratoren voor de fantastische illustraties. Jullie maken het helemaal af!

Over de illustrator:
Zef Oudendorp is geboren op 18 februari 1982 in Leiderdorp en opgegroeid in Voorschoten. Sinds Zef een potlood kan vasthouden is hij bezig met het tekenen van gekke poppetjes. Na de ontdekking van de Ninja Turtles op de basisschool, namen de poppetjes andere vormen aan. Ook was Jim Henson’s The Story Teller een inspiratiebron. Vervolgens werd Zef geïnspireerd door de Germaanse mythologie, vampiers & weerwolven (hij groeide op naast een begraafplaats) en de nodige sci-fi films en comics. Zo heeft Zef Terminator 2: Judgement Day, Highlander en Mad Max: The Road Warrior zalig verklaard en laat hij zich verder inspireren door heavy metal.

 

© 2020-2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & Zef Oudendorp