web analytics
zondag, mei 15

Vertellingen: Dodendanserslicht – deel 2

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zeven delen.

Bij de eerste wachter! Er is hier iets helemaal mis. De grote, soepele dieren met hun van kleur veranderende vacht horen hier al evenmin thuis als het ei. Ze komen van Bar-Marvoon, twee poorten verderop. Op dit moment is hun dikke pels even wit als de wereld die hen heeft ingepalmd, een teken dat ze behoorlijk uitgeput zijn.
In de met botten opgesierde ijsslee van de Aïshi staat een slanke, in sneeuwvossenbont gehulde gestalte. Ik ben te veraf om te zien of het een man of een vrouw is. Een grote kap hult het gezicht van de onbekende in diepe schaduwen. Wel zie ik de arm die wordt geheven, de hand die door de lucht priemt. Recht op Schim en mij af, vingers gestrekt, handpalm naar boven. Nee. Goden, nee. Dit kan niet waar zijn. Een bestjerka, een luchtwever, hier? De poorten van en naar Arminia zijn toch verzegeld sinds de opstand die me mijn pas geheelde beenwond opleverde?
Ik spoor mijn hengst aan, we zijn letterlijk een hoef van de doorgang af, maar het is te laat. Schim hapt naar adem en zwenkt weg, trappend tegen zijn onzichtbare vijand. Zijn rode ogen rollen in het rond. Om zijn mond verschijnt schuim. Ik slaag er niet in om hem te kalmeren.
We verliezen snel hoogte en zwalpen door de lucht. Boven ons sluit de poort zich. Heen en weer slingerend in het zadel grijp ik naar mijn kruisboog. Met meer geluk dan wijsheid slaag ik erin de grote boog te laden. Ik richt mijn pijl op de witte figuur in de slee.

De snel bewegende, haast dansende vingers gunnen Schim slechts af en toe wat lucht, die hij schor hinnikend naar binnen zuigt. Om het volgende moment weer te stikken. Woedend en wanhopig haal ik de trekker van mijn boog over. De kans dat ik de luchtwever weet te raken is zo goed als onbestaand. En dat ligt niet alleen aan het feit dat we door de lucht tollen. Het vergt talent om een poortwachtershengst tegen te houden. Wat ik vrees, gebeurt: mijn zware pijl botst halverwege tegen een verdedigingsweving aan. Hij buigt af en ploegt zich dwars door de geschubde nek van een eerste ratelaar, om trillend tot stilstand te komen in de flank van een tweede dier. Mooi, maar niet echt. Ik mik mijn kruisboog in zijn houder en probeer de luchtbinding rond Schim te doorbreken. Zo goed en zo kwaad als het gaat stuur ik mijn stikkende hengst van links naar rechts, maar niets helpt. We vallen. Steeds sneller. Het schuim rond Schims mond kleurt roze.
Als de vingers onder ons stilvallen en mijn hengst hortend een grote teug lucht naar binnen hapt, krijg ik weer wat hoop. Tot de gestalte onder ons zijn gestrekte hand abrupt omdraait.
Schim kantelt ondersteboven. Ik val uit het zadel. Heel even blijf ik nog in mijn stijgbeugels hangen, tot ook zij wegglijden. Mijn linkerhand schampt mijn zwaar doorhangende zadeltas, maar ik slaag er niet in ze vast te grijpen. Met vingers die in het niets klauwen, suis ik naar beneden, om met een harde klap in de sneeuw te smakken. Mijn poortwachtersuniform voorkomt dat het geheelde bot in mijn rechterbeen opnieuw breekt, maar de pijn die door de net genezen wond jaagt doet me naar adem snakken. Pijlen uit mijn eigen pijlenkoker regenen op me neer. Een ervan raakt me tussen mijn rijlaars en mijn versterkte broek en schampt zo mijn linkerbeen, een andere slaat tegen mijn gelukkig goed beschermde rechter elleboog aan.
Met opeengeklemde kaken krabbel ik recht. Mijn bonzende rechterbeen houdt mijn gewicht, maar het scheelt niet veel. De Aïshi draven in een kleine cirkel om me heen, speren in de aanslag. Ze schreeuwen hun overwinningslied, begeleid door hun fluitende ratelnekken. De sneeuw die de dieren met hun poten opwerpen, begraaft mijn gebroken boog.

Maar Schim, waar is Schim?
Zijn hysterische gehinnik weerkaatst over de vlakte, maar ik zie hem nergens. Tot ik omhoog kijk. Mijn hengst hangt nog steeds ondersteboven in de lucht, vastgepind als een vlieg in een spinnenweb. Zijn benen malen vergeefs in het rond, zijn zware vleugels hangen als nutteloze aanhangsels naast hem.
‘Laat hem gaan!’ roep ik boven het triomfantelijke geschreeuw en het hoge zingen uit. Ik zet mijn gewicht op mijn goede been en grijp naar mijn mes. Wanhopig draai ik in het rond, op zoek naar een uitweg. Die is er niet, tot de Aïshi stoppen met zingen en uiteenwijken. Een paar el verderop draait de gestalte in de slee, gestrekte linkerhand nog steeds ondersteboven, gezicht in de schaduw van de vossenbontkap, zich mijn kant op.
‘Geen zorgen, wachter.’ Een vrouw? Haar stem klinkt als het ijs dat ons omgeeft. ‘Je rijdier zal zo beneden zijn.’
Een groepje Aïshi splitst zich af. De nu zwijgende kring rond me sluit zich weer, maar niet zover dat ik niet kan zien wat de anderen doen. Ze drijven hun speren in de sneeuw. Met de schacht naar beneden.
‘Nee,’ gil ik. ‘Nee!’
De vrouw verplaatst haar ondersteboven gekeerde hand. Schim verschuift mee. Dan openen haar vingers zich en laat ze haar arm zakken.
Achteloos.
Alleen de wind is nu nog te horen. En Schim, die arme Schim. Met een laatste, wanhopige hinnik valt hij uit de hemel. Recht op de omhoog priemende speren. Misselijkmakend gekraak vult mijn oren en doorboort mijn hart. Er is simpelweg niets wat ik kan doen. Verdoofd kijk ik naar zijn hortende ademhaling, naar zijn sterke benen die steeds zwakker door de lucht malen, naar zijn vleugels die als geknakte zeilen onder zijn doorboorde rug uit steken. Ach Schim, lieve Schim.

Op een teken van de vrouw opent de kring zich. Ik ren naar mijn hengst toe, mijn mes verloren in mijn hand. Op mijn knieën val ik naast hem in de rood kleurende sneeuw. Dit is mijn fout. Mijn fout. Ik buig me over Schims hoofd, leg mijn bevende hand op zijn bloedbevlekte hals en fluister woorden van spijt in zijn oor. Traag knippert hij met zijn ene zichtbare oog. Een keer, twee keer. Dan is het afgelopen. Terwijl mijn tranen in ijs veranderen en het bloed om me heen stolt, fluister ik het gebed voor de doden. Het gebed voor hun zielenrust, maar ook het gebed voor hun wraak.

© Alex van Leeuwestijn

‘Ma rho nadur vo rhi,
ma rho nadur vo rhi ti akra.
Ik zal voor je halen,
ik zal voor je halen wat je zelf niet meer kan,
mijn liefste, mijn hart.
Dood zal ik je brengen.
Dood en bloed.
Als rivieren zullen ze naar je toestromen
in de zalen van eer
en je tooien met je wraak,
Mijn liefste, mijn hart.’

De Aïshi dansen juichend om ons heen.
Vanuit mijn ooghoek vang ik een glimp op van iets bruins. Het steekt half onder Schims geknakte lijf uit. Mijn zadeltas. Het ei! Ook al is het waarschijnlijk gebroken, de Aïshi en vooral die vreselijke vrouw achter me mogen het niet vinden. Maar nog voor ik ernaar kan reiken, boren ruwe Aïshi-klauwen zich in mijn arm. Ze rukken me weg bij mijn gevallen kameraad.

Deel 3 verschijnt volgende week. Lees ook deel 1.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969), ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster zo beleefd mogelijk uit dat ze het noorden kwijt was, dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten. In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. Haar verhaal vertellen. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik, tussen het werk op onze boerderij door. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten. De verhalen die jullie hier op Fantasize terugvinden, zijn de adempauzes die we beiden af en toe nodig hebben om het grote verhaal nog beter te maken. Veel leesplezier en laat ons vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com.

Over de illustrator:
Hi! Ik ben Alex van Leeuwestijn (1982, Den Haag), groot hobbytekenaar, maar nooit echt iets gepubliceerd, dus dit is allemaal best nieuw en misschien zelfs wat eng voor me. Inspiratie en voorbeelden haal ik overal vandaan. Vroeger was dat voornamelijk Mad Magazine, dat opgevolgd werd door een ruim spectrum van cartoongenres; denk daarbij aan Asterix en Haagse Harry (I know…), maar ook aan Streetfighter en Marvel. De laatste tijd wordt ik heftig geïnspireerd door Jamie Hewlett (Tank Girl en The Gorillaz).
Ik hoop samen met deze community te groeien en een hoop mooie dingen te maken.

 

© 2020-2022 Fantasize & Isabelle Plomteux & Alex van Leeuwestijn