donderdag, april 23

Vertelling: Ontijdig

Door Mike Jansen

De lucht rook naar gesmolten beton en ozon.
Hij viel uit de tijd als een druppel uit een lek dak, onbedoeld, zonder gratie. De val duurde een fractie van een seconde, of misschien een eeuw. De tijd had zijn grip verloren. Hij richtte zich op uit de natte modder van de straat. Er klonk niets. Geen wind, geen verkeer, geen ademhaling behalve de zijne en het ijle zoemen van zijn eigen bloed in zijn oren.
De stad lag erbij als een stervende reus.
Torens van staal en glas torenden boven hem uit, schuin en fragiel alsof ze elk moment konden bezwijken. Veel ramen waren gebroken, maar het glas hing nog in de lucht, in duizend zwevende scherven die de zon weerkaatsten in scherpe, bevroren schittering. Sommige vogels hingen ook stil in hun vlucht, vleugels half gespreid, als marionetten van de wind die er niet meer was.
Hij liep voorzichtig. Elke voetstap liet een afdruk achter in het fijne stof op de straat, stof dat zich op een onverklaarbare manier had verzameld in perfecte spiralen. Er waren geen voetstappen van anderen. Zelfs zijn eigen adem liet geen damp achter in de kille lucht. Hij bewoog, maar de wereld bewoog niet met hem.
In een verlaten winkelruit zag hij zijn reflectie. Viezig, vermagerd, ogen als gaten in een gezicht dat ooit ergens thuis hoorde. Het pak dat hij droeg, donkergrijs, functioneel, lichtelijk verbrand aan de kraag, was inmiddels meer uniform dan kleding. Een insigne op zijn borst toonde het embleem van het Chrono-Instituut. Enkel nog een herinnering.
Hij wist waar hij was: Sector N-9, de vroegere kern van de megalopolis Concordia. Maar dit was niet zijn Concordia. Deze stad ademde niet.
Hij doorkruiste een kruispunt waar auto’s stilstonden, alsof een kosmische hand ze abrupt had gepauzeerd. Eén voertuig hing schuin in de lucht, twee wielen net boven de grond, alsof het eeuwig zou blijven balanceren op het randje van een ongeval. Een druppel koffie hing tussen de lippen van een bevroren passagier, als een zwart juweel gevangen tussen momentum en zwaartekracht. De man bewoog niet. Zijn ogen stonden open, maar ze volgden niets.
Geen insect, geen rat, geen blad dat viel. Alles hier had de adem ingehouden en vergeten los te laten.
Langs de zijkant van een winkelgevel liepen klimplanten omhoog, niet verwelkt, niet bloeiend. Tijdloze organismen in een tijdloze wereld. In een park verderop stonden kinderen stil in een spel. Eén meisje hing aan de ketting van een schommel, bevroren in haar vlucht. Hij keek naar haar gezicht, en … ze keek naar hem. Of beter gezegd, ze keek hem aan. Niet als de rest, niet als de poppen die verstijfd waren in hun laatste gedachte. Haar pupillen waren helder, levend. Haar mond een fractie geopend.
Hij ging door zijn knieën en bekeek haar van dichtbij. In haar ogen glinsterde iets. Herkenning?
‘Ken jij me?’ fluisterde hij, maar zijn stem klonk vreemd, alsof ze door een filter van watten werd gedrukt.
Ze bewoog niet, maar een traan gleed traag over haar wang. Niet als een druppel, niet als water, maar als kwik, glanzend, zwaar, stroperig. Onnatuurlijk. Een siddering ging door zijn ruggengraat. Dit was geen simpele toekomst. Dit was een fout. Een wereld die niet mocht bestaan.
Een bevroren wind blies door een steeg. Geen geluid, geen temperatuur. Alleen het besef dat iets hem waarnam.
Hij keek omhoog. De zon hing scheef aan de hemel, niet stijgend, niet dalend. Een halo van witte straling omringde haar als een visioen. En in dat licht leek de lucht zelf van glas. Alsof de hemel ieder moment zou barsten.
Hij greep naar het apparaat op zijn arm, de tijdmodule, oud, gekrast, roestig als een vergeten relikwie. Hij moest hier weg. Dit was geen toekomst waar een geest zich kon handhaven. Stilstand was de dood van betekenis.
Maar de module zweeg. Hij drukte opnieuw. Niets.
Een echo van zijn eigen ademhaling keerde weer naar hem terug. Verstild. Langzaam. De module, vertraagd, activeerde.

==

© Gert-Jan van den Bemd

De overgang was minder een sprong dan een scheuring.
Alsof hij met zijn hele wezen door een dun vlies werd getrokken, een vlies dat kraakte als ijs onder voeten. Toen hij zijn ogen opende, voelde hij de wereld niet als ruimte, maar als structuur. Alles was geordend. Gerangschikt. Geluid bestond, maar alleen in algoritmisch getimede golven: voetstappen op exact gelijke afstand, stemmen zonder hapering, het zachte zoemen van een wereld die zichzelf optimaliseerde.
De lucht was te helder. Geen stof, geen geur. Zelfs het licht leek gefilterd, niet warm of koud, functioneel.
Hij stond op een promenade die zich als een glazen ader uitstrekte, door een gigantisch complex van geometrisch perfecte gebouwen. Alles was glanzend wit of zachtgrijs, als een droom zonder schaduw. Tussen de gebouwen zweefden mensen, niet lopend, glijdend, in capsules van transparant materiaal. Hun gezichten neutraal, onberispelijk. Geen haast, geen verwarring.
Geen tijd.
Hij voelde het meteen. Dit was een wereld waarin tijd niet werd beleefd, maar beheerd.
Dat was iets totaal anders.
Een vrouw naderde hem. Haar bewegingen waren vloeiend, onnatuurlijk. Haar ogen gloeiden zwakblauw. Haar stem was muziek zonder melodie.
‘Tijdregistratie: afwijking vastgesteld. Identificatie onbekend. Cognitieve scan geactiveerd.’
Hij trok zijn hoofd terug, maar haar blik hoefde hem niet te raken om hem te lezen. In een fractie van een moment voelde hij een flits door zijn geest razen, herinneringen als data, versnipperd, verplaatst, vergrendeld.
Ze glimlachte zonder emotie.
‘Je komt van een archaïsch vlak. Je functioneert nog op subjectieve tijdsperceptie. Beperkend, maar niet onoverkomelijk. Je wordt tijdelijk geassimileerd.’
Voordat hij kon reageren, projecteerde ze een puls van licht in zijn richting. Geen pijn. Geen impact. Alleen … stilte. Binnenin.
Hij knipperde. Hij wist niet meer wat gisteren was. Of er een gisteren had bestaan. Alles wat hij eerder voelde, de koude van Stilstand, het gewicht van spijt, was nu niets meer dan een bestand dat hij even kon openen en weer sluiten.
Hij voelde zich … efficiënt.

De dagen, of wat hier als dagen gold, vlogen voorbij zonder hun gewicht. Er was geen slaap meer, alleen ‘onderbreking’. Geen eten, slechts toediening van synthetische eenheden. Mensen communiceerden niet met elkaar, maar wisselden informatie uit via neurale transmissies. Gesprekken waren abstracties. Emoties optioneel.
Hij werkte, hoewel hij niet wist waaraan. In een glazen ruimte waar zijn handen handelingen verrichtten die hij niet hoefde te begrijpen. Alles werd voor hem gepland. Zijn hersenactiviteit werd realtime gemonitord en bijgestuurd door een centraal systeem dat zich ‘SOMA’ noemde.
Vrijheid bestond. In de vorm van suggesties. Als hij ‘koos’ voor een wandeling, werd die wandeling direct geoptimaliseerd voor hersenbalans. Als hij verlangde naar gezelschap, werd er een partner toegewezen, op basis van harmonische compatibiliteit, niet emotie.
Op de derde ‘onderbrekingscyclus’ ontmoette hij een vrouw. Ze heette Veda-12, althans volgens haar transmissielabel. Haar gezicht was symmetrisch. Haar stem klonk als zijn eigen innerlijke monoloog.
‘Jij voelt iets. Je bent traag.’
Hij keek op. ‘Wat bedoel je?’
‘Je denkt in volgorde. Je plaatst oorzaak voor gevolg. Je bent … lineair.’ Ze raakte zijn voorhoofd aan, teder. ‘Dat is … archaïsch. En fascinerend.’
Voor het eerst sinds zijn aankomst voelde hij iets. Iets wat niet gepland was.
Hij vluchtte.

Onder het oppervlak van de stad vond hij een ruimte die uit de matrix leek te zijn gevallen. Geen licht. Geen algoritme. Hier kon hij denken. Hij activeerde de beschadigde module op zijn arm, half verbrand, maar niet verloren.
Zijn hand beefde. Hij was bang. Niet voor deze wereld, maar voor hoe gemakkelijk het was geweest om alles te vergeten. Tijd. Rouw. Hijzelf. De mens die hij was geweest, verzwolgen door een systeem dat niet vergat, maar wegliet. Wat niet efficiënt was, bestond niet.
Hij keek naar de timer op zijn arm. Het scherm van zijn module gloeide zwak, de energie was bijna op.
Eén sprong nog. Misschien twee. Zijn vingers raakten de interface. Zijn gedachten, vaag. Wat als de volgende toekomst nog minder menselijk is? Wat als er niets meer van hem overblijft?
Hij dacht aan haar. Haar naam. Haar dood.
En drukte de knop in.

==

Zijn lichaam werd wakker voor zijn bewustzijn hem inhaalde.
Geen pijn. Geen verwarring. Alleen een merkwaardige sereniteit, alsof hij uit een lange, droomloze slaap ontwaakte in een bed dat speciaal voor zijn gewicht was gevormd, in een kamer waar de temperatuur exact 21,3 graden bedroeg, het optimale comfortpunt voor de menselijke fysiologie.
Hij lag onder lakens die geen kreukels kenden, in een ruimte zonder hoeken. De muren bogen zacht als in een ei. Er was geen raam, licht was indirect, constant. De stilte was geen afwezigheid van geluid, maar een op maat gemaakte geluidsdemping op basis van zijn hartritme.
Toen hij opstond, kreeg hij een melding direct in zijn bewustzijn geprojecteerd: Goede ochtend. Je hebt 5 uur en 48 minuten geslapen. Je cognitieve balans is 98%. Ontbijt is afgestemd op je serotoninebehoefte.
Hij probeerde het systeem te negeren, maar zijn benen bewogen al naar het eetcompartiment. De tafel gleed geruisloos uit de muur. Een kom verscheen, gevuld met kleurloze massa in mathematisch perfecte porties. De lepel lag al in zijn hand.
Tijdens het eten werden zijn dagtaken ingeladen. Geen keuze, maar ook geen dwang. Keuze was overbodig. Alles hier was precies goed.
Hij werkte in het ‘Departement voor Tijdcoördinatie’. Ironisch. Een afdeling die niet de tijd zelf regelde, maar de perceptie ervan. Alles in deze wereld werd niet gestuurd door kloktijd, maar door neurotijd: een intern ritme geoptimaliseerd per individu, afgestemd op de collectieve productiviteit.
Er waren geen agenda’s. Geen deadlines. De mens functioneerde. Dat was genoeg.

De stad, als je het zo kon noemen, was een organisme. Gelaagd als een ui, zonder zichtbaar begin of einde. Verplaatsing gebeurde via cognitieve teleportatie, geen technologie, geen ritueel, alleen de intentie om op een andere plek te zijn, en de infrastructuur maakte het werkelijkheid. Geen files, geen wachttijden. Alleen aanwezigheid.
Er waren geen mensen op straat. Alleen modules. Capsules van transparant materiaal waarin individuen zich bewogen als hersencellen in een brein.
Iedereen had een rol. Geen beroep, geen identiteit, een functie. Alles wat afweek werd gemonitord, niet bestraft maar herleid, bijgesteld, geïntegreerd.
Hij ontmoette niemand. Niemand echt.
Tot hij een gang inliep die niet op zijn routekaart stond.
De ruimte daarbinnen was warm. Organisch. Anders. De vloer had textuur, alsof er tapijt lag, maar dan zacht als mos. In het midden zat een man. Oud, met witte haren die als as van zijn schedel leken te dwarrelen. Hij keek op en glimlachte. ‘Ik ben de laatste Chronarch. Of was ik de eerste? Hier is dat onderscheid vaag.’
Hij slikte. De naam resoneerde ergens in zijn geheugen. Chronarchen, de hoeders van de oorspronkelijke tijdtheorieën. Uitgestorven. Weggevaagd in het tijdincident dat alles versplinterde. ‘Waarom ben ik hier?’ vroeg hij.
‘Je wilde orde, nietwaar? Een wereld zonder de grilligheid van kans. Hier is hij.’
De Chronarch stond op en gebaarde naar de muur, die transparant werd als melkglas. Daarachter zag hij beelden, een klas vol kinderen die exact tegelijk lachten. Een stel geliefden die elkaar kusten volgens algoritmische perfectie. Een oude vrouw die stierf op het exacte moment dat haar levenscurve piekte.
‘Hier wordt niemand verrast,’ zei de Chronarch. ‘Niemand lijdt. Maar niemand verlangt ook.’
Hij voelde de waarheid van die woorden diep in zijn borst. Alles klopte. En toch … voelde het alsof hij langzaam werd uitgewist. Alsof elke herinnering die hij nog had, elke emotie die niet rationeel verklaard kon worden, langzaam uit zijn systeem werd gefilterd.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Jullie hebben tijd gedood,’ zei hij. ‘Niet geordend.’
‘Tijd had ons allang verlaten,’ antwoordde de Chronarch. ‘Wij hebben alleen het stof opgeveegd.’

Toen hij terugkeerde naar zijn woonmodule, lag er iets op zijn bed. Een briefje. Echt papier. Ongedateerd. Handgeschreven.
‘Zelfs in een wereld zonder toeval, kan iemand verdwalen.’
Hij herkende het handschrift. Zijn eigen. Of misschien een andere versie van zichzelf.
Hij wist wat hij moest doen. De module op zijn arm was inmiddels geïntegreerd in zijn lichaam, nauwelijks nog zichtbaar. Maar het voelde als een splinter. Een herinnering aan imperfectie.
Hij activeerde de sprong, niet uit paniek deze keer, maar uit verzet. Verzet tegen de perfectie die hem uitwiste.

==

Hij kwam aan in stukken.
Geen explosie, geen pijn, eerder een ritselende desintegratie, alsof zijn zelf werd uitgepakt en uitgespreid in een wereld die geen ruimte of richting kende. Zijn ogen openden zich voor hij bestond. Zijn hart sloeg te laat. Zijn bewustzijn flikkerde als een defecte straatlamp in een storm.
Hij probeerde te ademen. Hij herinnerde zich hoe dat moest. Daarna vergat hij het weer.

De lucht was dik als vloeibaar glas. Een landschap strekte zich rondom hem uit, maar het veranderde telkens als hij knipperde: eerst een stad, dan een woestijn, dan een kamer met een piano die zichzelf speelde. De realiteit leek vastgelopen in een foutloop.
Tijd, hier, was geen stroom meer. Geen ordening. Het was een regen van scherven die hem vanuit alle richtingen raakten. Hij liep. Of hij had gelopen. Of hij zou gaan lopen.
Zijn lichaam deed wat het dacht dat het moest doen, soms vooruit, soms achteruit, soms in meerdere richtingen tegelijk. De grond onder zijn voeten veranderde van steen naar gras naar vloeibaar asfalt.
Mensen waren er ook. Soort van. Hij zag een man met zijn hand uitgestrekt naar de lucht, bevroren in een beweging die nooit eindigde. Zijn huid verschoof tussen ouderdom en jeugd. Een vrouw lachte naar hem met een mond vol bloed. Niet uit geweld, maar uit willekeur.
Er waren kinderen die spraken in omgekeerde zinnen. Een oude priester die jonger werd met elke stap. Een meisje dat zijn naam fluisterde vóór hij hem zich herinnerde.
Er was geen volgorde. Geen causaliteit. Alleen toestanden.

Hij vond een muur. Of de muur vond hem.
Er stond iets op geschreven in zwarte verf. Eén zin, die in en uit zijn zicht flitste: Alles gebeurt. Altijd. Tegelijk.
Hij drukte zijn hand tegen de muur. Ze voelde warm. Levend.
Er ontstond een opening, geen deur, geen poort, meer een mogelijkheid. Hij gleed erdoorheen.

© Gert-Jan van den Bemd

Binnen was het stil.
Een kamer, kaal. Eén tafel. Eén stoel. Aan de andere kant zat hijzelf. Ouder. Moederziel alleen.
‘Je komt te laat,’ zei de andere hij.
‘Of te vroeg,’ antwoordde hij.
Ze zwegen, in perfect niet-samenvallende stilte.
‘Je hebt geprobeerd de tijd te vangen,’ zei de oudere. ‘Maar dat kan alleen als je begrijpt dat hij niet loopt. Tijd is een golf. Tijd explodeert. Tijd liegt.’
‘Wat is dit?’ vroeg hij. ‘Welke toekomst is dit?’
De oudere glimlachte, maar het was geen troost. ‘Dit is de wereld na de breuk. Waar geen volgorde meer is. Waar alles tegelijk waar is.’ Buiten de kamer hoorde hij de echo van voetstappen die nooit gezet waren. Gelach van mensen die niet bestonden. Een telefoon die ging, maar nooit werd opgenomen.
Hij stond op. ‘Ik moet weg. Dit … dit is waanzin.’
‘Nee,’ zei de oudere, ‘dit is wat je zocht. Een wereld zonder spijt, want zonder volgorde is er geen oorzaak. Zonder oorzaak is er geen schuld. Alleen aanwezigheid. Alleen ruis.’
Hij draaide zich om, rende door de muur terug de fragmentatie in.

Zijn module begon te flikkeren. De energie was instabiel, bijna op. Maar hij had geen keus.
De wereld scheurde verder uit elkaar: een stad vloog over een oceaan. Mensen zaten aan tafels die verdwenen. Huizen vloeiden in bomen. Kinderen spraken in muzieknoten. De hemel kleurde blauw, toen zwart, toen vuurrood, toen niets.
Hij activeerde het portaal terwijl zijn gezicht werd weerspiegeld in duizend spiegelende deeltjes van wat ooit realiteit was.
‘Geen tijd betekent geen verhaal,’ fluisterde hij. ‘En ik ben niet klaar om een verhaal te verliezen.’
Hij verdween.

==

Hij kwam aan in stilte. Geen barsten in de werkelijkheid, geen verfrommelde tijd, geen chaos. Alleen regen.
Zachte, constante regen.
Een stad lag voor hem, bekend, zelfs vertrouwd. Geen zwevende capsules, geen vervormde gezichten, geen digitale perfectie. Gewoon mensen, op straat. Paraplu’s, natte jassen, een hond die aan een riem trok. Neonlichten flitsten boven cafés en winkels. Een oude tram reed rinkelend langs hem heen.
Hij kende deze plek. Concordia. Zijn echte Concordia. Of iets dat er verdomd veel op leek.
Maar toch klopte het niet. Niet omdat het kapot was, maar juist omdat het zo verdomd heel was.

Hij liep in de richting van de oude flat waar hij ooit had gewoond. Vijfde verdieping. Een kapotte lift. Een raam dat altijd kraakte bij wind uit het westen. Hij kende elke traptrede. Elk geluid.
Zijn hand beefde toen hij de deurklink vastpakte. Hij verwachtte een fout, een glitch, een paradoxale schokgolf. Niets. De deur was niet op slot. Binnen brandde licht.
Daar zat ze. Zij. Ze keek op van een boek, haar gezicht zacht verlicht door een leeslampje. Precies zoals hij haar zich herinnerde, tot aan het kleine litteken boven haar wenkbrauw, de manier waarop ze haar vingers om de theekop vouwde.
Ze glimlachte. ‘Kan ik je helpen?’
Zijn hart bonsde in zijn keel. Woorden kwamen niet. Alles wat hij doorstaan had, de bevroren stad, de tijdloze orde, de wereld van chaos, was niets vergeleken met dit moment. Haar stem. Haar ogen. Haar leven.
‘Je … kent me niet,’ zei hij. Het kwam eruit als een fluistering.
Ze schudde haar hoofd, vriendelijk, niet bang.
‘Moet ik dat wel?’
Hij slikte. ‘We … we kenden elkaar. In een andere versie van dit alles. In mijn verleden.’
Ze keek hem aan, een tikkeltje schuin. Mededogen, geen herkenning. ‘Je lijkt moe.’
Hij lachte schor. ‘Dat is nog zacht uitgedrukt.’
‘Wil je binnenkomen? Je hoeft niet buiten in de regen te staan.’
Hij deed een stap naar binnen. De geur van thee. Van boeken. Van haar shampoo, nog steeds lavendel. De dood die hij had proberen terug te draaien, de tragedie die hem deze weg had opgestuurd, leek hier nooit gebeurd. Of misschien wel, maar anders.
En toch voelde hij zich niet thuis. Dit was haar leven. Maar niet het zijne. Niet echt.
Een versie van de werkelijkheid waarin zij leefde, maar waarin hij geen plek had.

Hij bleef een nacht.
Ze praatten. Over boeken. Over regen. Over de stad. Niet over liefde. Niet over vroeger. Dat bestond hier niet. Hij observeerde haar als een vreemdeling. Elke lach was een steek. Elke blik een herinnering aan wat er had kunnen zijn.
In de vroege ochtend, toen de lucht grijs oplichtte en de eerste trams piepend tot leven kwamen, stond hij op. Zij sliep nog, ineengerold op de bank. Hij had zowaar zijn module kunnen opladen.
Op tafel lag een krantenkop: ‘Wetenschappers wijzen op subtiele afwijkingen in tijdperceptie wereldwijd. Collectieve illusie?’
Hij glimlachte flauwtjes. Subtiel was nog zacht uitgedrukt.

Buiten stond de wereld stil. Niet letterlijk. Maar gevoelsmatig. Een realiteit die zichzelf had gladgestreken, waarin geen scherpe randjes meer zaten. Alles klopte. Alles was logisch.
Maar er was geen verwondering. Geen toeval. Geen magie. Geen echte pijn, dus geen echte betekenis.
Hij activeerde zijn module. Voor de eerste keer aarzelde hij. Wat als dit het beste was dat hij nog zou vinden? Wat als hij alle versies van de werkelijkheid al had gezien waarin zij leefde? Wat als dit de enige nog werkende echo was van wat ze samen hadden kunnen zijn? Maar hij wist het antwoord al. Want hij voelde zich leeg.

Hij keek nog één keer achterom.
‘Ik heb je niet gered,’ fluisterde hij. ‘Ik heb alleen de wereld kapot gemaakt waarin je betekenis had.’
Toen activeerde hij de sprong. Weg van echo’s. Op zoek naar wortels.

==

Geen licht. Geen schok. Geen gevoel van verplaatsing. Alleen koude, natte grond, ruwe stenen onder zijn vingertoppen, een lucht die rook naar leem, schimmel en lang gedoofd vuur.
Hij opende zijn ogen in een wereld die geen lijnen kende, geen vormen die zich conformeerden aan architectuur of technologie. Alles was ruw, tastbaar, écht.
Het was nacht, maar geen moderne nacht, geen lichtvervuiling, geen zweem van steden aan de horizon. Alleen de hemel als inkt met gaten erin, sterren scherp als glassplinters.
Hij lag in een grot. Of een soort geologische holte, vochtig en klam als de mond van een dier. Buiten hoorde hij niets dat hem bekend voorkwam. Geen motoren, geen stemmen. Alleen het knappen van vochtige bladeren, het afgebroken gehijg van een roofdier dat hij niet kende. Hij was eindelijk ver genoeg gegaan.

Hij liep. Zijn kleding plakte aan zijn lijf. Zijn schoenen, ooit gemaakt voor geavanceerde oppervlakken, sleepten zwaar door de modder. Bomen rezen op als zuilen van vergetelheid. De lucht was rijk, doordrenkt met miljoenen jaren aan vocht en stof. De aarde ademde hier nog met longen die nooit een woord hadden uitgesproken.
Na uren, of misschien dagen, want zijn module werkte niet meer, zag hij vuur. En vormen. Mensen. Of beter gezegd proto-mensen. Vlees en botten in ruwe harmonie. Naakt, littekenachtig. Ze spraken niet. Ze snuffelden. Beoordeelden. Eén raakte hem aan, voorzichtig, als een kind dat zich afvraagt of iets eetbaar is.
Hij sprak, maar ze verstonden geen taal. Hij tekende patronen in het zand, maar ze keken weg. Ze accepteerden hem niet. Maar ze vielen hem ook niet aan. Hij was voor hen niets meer dan een vreemd, ondefinieerbaar element.
Een geest uit een toekomst die nooit had moeten bestaan.

Dagen verstreken als schaduwen zonder zon. Hij probeerde zich aan te passen. At wat zij aten. Sliep in dezelfde kringen. Maar hij voelde zich als een virus dat zijn gastheer niet kon besmetten. Zijn geest weigerde de eenvoud te aanvaarden.
Hij miste tijd. Niet de uren of dagen, maar het concept zelf. Verwachting. Herinnering. Verlangen. Hier was niets daarvan. De oermensen leefden als ademhaling. In-en-uit. Elk moment puur, zonder echo. Er was geen voor of na, geen verhalen, want niemand keek achterom, niemand keek vooruit.
Op een ochtend zat hij aan de rand van een rivier, terwijl een van hen, een jongen met donkergrijze ogen, naast hem ging zitten. Ze keken samen naar de stroming.
‘Wat zie jij?’ vroeg hij, hoewel hij wist dat het zinloos was.
De jongen keek naar hem. En glimlachte. Geen betekenis, geen boodschap. Alleen een reactie.
Zelfs in de oorsprong, de wortel van menszijn, had tijd geen stem, besefte hij. Tijd was pas geboren toen taal ontstond. Toen herinnering zich vastklampte aan betekenis.

Hij begon te hallucineren. Dacht hij. Soms hoorde hij haar stem tussen het ritselen van bladeren. Soms zag hij zichzelf, jonger, woester, tussen de stammen wegglippen.
De module in zijn arm was dood, maar zijn geest trilde nog. Hij voelde werelden overlappen. Alsof de tijdlijnen waarin hij had geleefd hier als dampen bijeenkwamen.
In een droom, of een herinnering, hoorde hij iemand fluisteren: ‘Je kunt de wortel niet veranderen. Je kunt alleen de vrucht laten vallen.’ Hij schrok wakker. De jongen met de donkergrijze ogen zat rechtop naast hem, starend naar zijn arm. Alsof hij het begreep. Alsof hij wist, jij hoort hier niet.

Op de laatste dag, hij voelde het als laatste, groef hij een gat in de aarde. Hij legde de module erin. Niet als graf, maar als offer. Toen keek hij naar de lucht. Niet om hulp. Niet om ontsnapping. Maar om afscheid te nemen.
‘Tijd is een vergissing van bewuste wezens,’ fluisterde hij. ‘Wij dachten dat we het konden meten. Begrijpen. Buigen. Maar tijd is niets. Alleen een echo van wat we willen onthouden.’
Hij ging liggen. Niet om te sterven. Niet om te slapen. Maar om te zijn. Zoals zij dat deden. Zoals de wereld dat altijd had gedaan. Zonder herinnering. Zonder verwachting. Zonder tijd.

==

Hij was nergens, maar hij was niet weg. Zijn lichaam had hij achtergelaten in een wereld zonder taal. Zijn naam, ergens in een toekomst waar niemand hem herkende. Zijn herinneringen zwermden als losgeslagen vogels om hem heen, zonder rustplaats. Alleen zijn bewustzijn dreef nog, als een splinter in de stroom van iets dat niet meer tijd genoemd kon worden.
Hij bevond zich in een ruimte die geen dimensies kende. Geen boven. Geen onder. Geen voor of na. Een wit veld. Grensloos. Vormloos. Koud en warm tegelijk. Niet abstract, nee, hyper concreet. Elk atoom in deze leegte zinderde van alle mogelijke werkelijkheden. Een kwantumzee van vertakte paden die nooit gelopen, wel gedacht waren.

Hij stond daar. Of iets dat op hem leek. En daar. Nog één. En nog één. Een oneindige verzameling versies van zichzelf, variërend van menselijk tot monsterachtig, van gebroken tot goddelijk. Sommige schreeuwden. Sommige baden. Sommige lagen als fossielen in hun eigen schaduw.
In deze ruimte, de Ruimte-Tussen bij gebrek aan een beter woord, bestond geen verleden. Geen toekomst. Alleen mogelijkheid. Tijd was opgelost in zuivere waarschijnlijkheid.
Hij begreep eindelijk waarom niets werkte. Waarom de module hem steeds verder van de oorsprong had geduwd. Waarom elke verandering in zijn verleden enkel nieuwe fragmentatie had gebracht.
‘Je hebt nooit tijd gemanipuleerd,’ zei een stem. Zijn eigen. Een van de vele. ‘Je hebt alleen je positie in een oneindig veld verplaatst. Zoals een atoom zich verplaatst in een rooster. Een molecuul. Eén beslissing. En de hele kristalstructuur verandert.’
Een andere versie van hem lachte. Die had vuur in zijn ogen. Oorlog op zijn huid. ‘Tijd is niet lineair. Niet cyclisch. Tijd is een illusie die ontstaat wanneer bewustzijn zich langs een route in het veld beweegt. Jij bent eruit gestapt.’
‘En nu?’ vroeg hij. ‘Wat ben ik nu?’
Niemand gaf antwoord.

Voor hem opende zich een singulariteit. Geen zwart gat. Geen poort. Eerder een afwezigheid van alles wat definieert. Als hij hier in zou stappen, zou hij geen versie meer zijn. Geen echo. Geen projectie. Hij zou oplossen in het tijdloze veld zelf. Een onderdeel worden van het kwantumweefsel dat ooit zijn bestaan mogelijk had gemaakt.
Hij voelde geen angst. Alleen stilte. En begrip.
Hij had gezocht naar de versie van de wereld waarin zijn verlies niet had plaatsgevonden. En gevonden wat er in de plaats kwam: betekenisloze orde, krankzinnige chaos, illusoire troost. Elke verandering, elke reis, had hem verder verwijderd van dat wat hij werkelijk zocht. Niet haar.
Maar het idee dat het anders had kunnen zijn.

Hij keek naar zijn hand. Ooit had ze daarin gerust. Nu was het een symbool geworden. Van ingrijpen. Van breken.
‘Misschien was het nooit aan mij,’ zei hij.
Een laatste versie van zichzelf, een die nog huilde, keek hem aan.
‘Of misschien was jij de enige die het probeerde.’
Ze zwegen samen. Toen stapte hij vooruit.

Er was geen licht. Geen geluid. Alleen het wegvallen van iets wat hij nooit had gekend, maar altijd gevoeld. Bewustzijn verschoof, vloeide, verdampte.
Ergens, in een wereld waar de regen zacht neerviel op een naamloos plein, werd iemand wakker met een gevoel van verlies dat hij niet kon plaatsen. Ergens anders hield een moeder haar kind net iets steviger vast, zonder te weten waarom. In een café viel een kop koffie om op exact het verkeerde moment. En een man die ooit had geprobeerd de tijd te buigen werd tot fluistering in een veld van mogelijkheden.
Geen verleden.
Geen toekomst.
Alleen het zijn.

 

Over de auteur:
Sinds 1991 publiceert Mike verhalen, romans en bundels. Hij heeft een aantal literaire prijzen gewonnen: Rob Vooren Prijs (1991), King Kong Award (1992), Fantastels (2012), Baarnse Literatuurprijs (2012), Godijn GP Fantasy/SciFi Award (2020) en Bemoste Beeld Prijs (2021). Sinds enkele jaren organiseert hij de EdgeZero-wedstrijd. Mike heeft meer dan honderd publicaties in een dozijn talen in tijdschriften en anthologieën. Hij houdt een volledig overzicht bij op zijn site.

Over de illustrator:
Gert-Jan van den Bemd (Breda, 1964) is schrijver, kunstenaar en wetenschapsjournalist. Hij publiceerde twee romans (De Verkeerde Vriend, 2018 en Na De Val, 2019) en verhalen en gedichten in onder andere Tirade, Extaze, Op Ruwe Planken en Ganymedes. Met zijn beeldend werk exposeerde hij in Nederland, België, Marokko, Hongarije, Litouwen, de Verenigde Staten van Amerika en Zuid-Afrika.

 

© 2020 – 2026 Fantasize, Mike Jansen & Gert-Jan van den Bemd

You cannot copy content of this page