web analytics
maandag, mei 16

Vertelling: Vleugellam – deel 6

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zes delen. Lees ook deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5.

Ik kijk naar de duikdraken, die nu allemaal rond me hangen. Ze lijken me te willen helpen, maar het op een of andere manier niet te kunnen. Ze blijven angstvallig van de ijzeren vleugelboeien weg. Met mijn voeten dan maar. Een paar harde trappen en het ding schiet eindelijk los. Rond me vlamt het goud verder op. Hele bussels zeewier maken zich van de drakenschubben los en drijven weg.
Iriserend blauw neemt hun plaats op de grote vleugels in. Net als het goud laat de heldere kleur de grote drakenschubben van binnenuit zwak gloeien. Mijn hart veert op. Nog vier klampen te gaan.
Dat red ik niet zonder een nieuwe voorraad lucht. En evenmin zonder gereedschap of hulp, als ze even lastig zijn als de laatste. Willen of niet, ik moet naar boven toe.
De hoopvolle maar tegelijkertijd bezorgde ogen van de grote draak vertellen me hetzelfde. Opnieuw geeft hij het water een klein duwtje.
Ik knik. Geholpen door dezelfde duikdraak schiet ik met schrijnende longen naar de oppervlakte. Als ik er opgelucht bijna ben, barst het wateroppervlak boven ons in een roodgouden gloed uit. Vuur! Raugüurs rotzakken hebben olie over het water gegooid en het in brand gestoken.
Net als de duikdraak wervel ik rond. Op zoek naar een uitweg die er niet is. De laatste luchtbellen verlaten mijn mond en verdoven mijn geest. Vaag registreer ik een flitsende, blauwgouden schaduw. Naast me. Onder me.
Het volgende moment katapulteert de draak zichzelf en mij het water uit, dwars door het vuur. Met een luide klap landen we op het brandende wateroppervlak. Verdwaasd lig ik tussen grote, met wier bedekte schouderbladen. Ik rol om en hoest mijn longen vol rokerige lucht.
‘Daar is hij! Schiet, schiet dan toch, dwazen!’
Ik duik weg. Tot mijn opluchting heeft de brandende pijlenregen geen vat op de harde drakenschubben. Evenmin als de knetterende vlammen rond ons. Een paar meter van ons af verslinden ze het lichaam dat Rob van de galg lossneed.
Maar we zitten nog steeds gevangen. Kuchend kruip ik in de smalle ruimte tussen de vastgezette vleugels. De stank van rottend zeewier is nauwelijks te harden, maar misschien krijg ik de resterende kluisters los als ik ze langs onderen benader. Helaas, ook op deze manier is er geen beweging in te krijgen.

Een ruisend geluid doet me opkijken. Dat is geen pijl. Nee, Robinion. Nee! Ik klauw de enge ruimte uit.
‘Haal die hoerenzoon uit de lucht!’ roept mijn stiefvader.
Twaalf zoevende gardepijlen verlichten de hemel. De draak verheft zijn grote hoofd. Zijn paarse ogen bliksemen, zijn druipende muil spert zich wijd open. Een schokgolf van natte zeelucht rammelt alle botten in mijn lijf door elkaar. Het dodelijke dozijn slaat neer in het brandende water.
Met een doffe plof stuikt Robinion naast me tussen de schouderbladen van de draak neer. De onderkant van zijn rechtervleugel staat in brand. Maar hij ademt. En vloekt alle klopgeesten van Varingswick bij elkaar.
‘Ben je nu helemaal gek geworden?’ Ik ruk mijn natte hemd uit en sla de vlammen van zijn veren af.
Robinion zegt niets. Liggend tussen het zeewier staart hij me aan, net zoals de draak hem aanstaart.
‘Gaat het wel?’
‘Ik dacht dat je verdronken was,’ zegt hij schor. ‘Je bleef zolang weg. Maar nu ik dit zie…’ Zijn geschroeide rechterhand wijst naar mijn borstkas.
Ik buig mijn hoofd. Een harnas van zwakgloeiende, blauwgouden schubben loopt van mijn schouders naar mijn middel.
Ik sta er nog verbijsterd naar te kijken als Rob zich overeind hijst.
‘Hij ook!?’ Met grote ogen volgt hij het gloeiende blauw met gouden licht dat over de halfbevrijde vleugels van de draak danst. Een voor een herstelt het de rafelige scheuren in de drakenhuid. ‘Timo, wat is dit?’
Ik haal mijn blik van mijn borst af. ‘Geen idee. Maar wedden dat zij daar het wel weten?’ Door de rook kijk ik naar Raugüur en zijn garde. ‘Bloed van de goden! Ze hebben een net! Help even, wil je?’
Mijn hart zwelt op als mijn broer zonder aarzelen ja knikt. Samen kruipen we de smalle ruimte in en gaan we de klampen te lijf. Robinion wringt zijn mes tussen de met zeewier begroeide weerhaken, ik ruk uit alle macht. De reusachtige vleugels vallen steeds verder open. Hun schubben zijn nu bijna volledig blauw met goud, maar achter ons op de wachtmuur verspreidt ook het net zich steeds verder. Na een helse worsteling met de voorlaatste klamp is er nog een te gaan, vlakbij de schouderbladen. Het zweet druipt van onze slapen, maar wat we ook proberen, het kreng wijkt geen duimbreed.
‘Vlieg weg, Rob. Nu het nog kan.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik laat je niet nog eens in de steek.’
Machteloos staar ik naar de net-niet-vrije vleugels. Het spijt me. Het spijt me echt.
‘Zonder hefboom lukt het nooit,’ zegt Rob somber.
Zo ver was ik ook al. Wacht eens. Dwaze hoop vlamt in me op. Ik draai me om naar het hoog boven ons uittorenende drakenhoofd. ‘Ontvouw!’
Het is nauwelijks te geloven, maar de draak doet het. Hij strekt zijn vleugels uit. Zo ver hij kan.
‘Aan de kant,’ zeg ik tegen Rob. We brengen ons in veiligheid aan de voet van de grote drakennek. ‘Omhoog!’ roep ik.
De spierbundels onder onze voeten trekken zich strak. Als reusachtige, blauwgouden zeilen reizen de drakenvleugels door de rook naar elkaar toe. Als ze weer naar beneden zoeven, kraakt de zware kluister. Maar hij breekt niet.
Op de wachtmuur stijgen de wachters luid roepend op. Het grote net hangt tussen hen in.
‘We moeten weg, Timo.’
Ik besluit nog een ding te proberen. Ik sleur een vloekende Rob mee naar de weerbarstige klamp. ‘Pak jij die kant.’ We laten ons op onze knieën vallen en slaan onze handen om het verroeste ding.
‘Nu!’ roep ik als Rob en ik het koude ijzer stevig vast hebben.
De vleugels razen in een vloeiende beweging omhoog en meteen weer naar beneden. Rob en ik trekken wat we kunnen. Met een harde slag spat de klamp uit elkaar. Langs ons heen suizen de ijzeren brokstukken het water in.
Triomfantelijk krabbel ik recht. Onder mijn blote voeten stroomt een fonkelende blauwgouden rivier van de drakenromp naar de lange, brede hals en het enorme hoofd. ‘Vrij! Je bent…’

© Marcel van der Sleen

Boven mijn hoofd grinnikt iemand. Ik kijk op, recht in de ijszilveren ogen van mijn stiefvader. ‘Hij zal nooit vrij zijn. En jij ook niet.’ Hij laat het net vallen.
‘Nee!’ Met grote vleugelslagen en getrokken zwaard stormt Robinion op het vallende net af. ‘Gaan, Timo, nu!’
De draak brult en brengt zijn vleugels naar omhoog. Ze haken in het net.
‘Dichtsnoeren!’ schreeuwt Raugüur.
Voor zijn zilveren wacht kan gehoorzamen, razen de drakenvleugels in een blauwgouden flits naar beneden. Ze sleuren het net en iedereen die het vast heeft met zich mee. Schreeuwend tuimelen mijn stiefvader en zijn gardewachters het met vuurpoelen bedekte water in. Meer hebben de duikdraken niet nodig.
De schuimende golven kleuren donker.
Alle heiligen, waar is Robinion? Ik speur de grommende, vuurverlichte waterhel voor me af maar zie hem nergens. ‘Rob! Rob!’
Als ik verdoofd een poging onderneem om wat er rest van het net van de draak en mij af te halen, duiken niet ver bij ons vandaan twee rode ogen op. Met bloedbevlekte tanden duwt een duikdraak een zwakjes bewegende Rob voor zich uit.
De goden zij dank! Op mijn buik glij ik de rechtervleugel van de draak op, die op het water rust. Ik sla mijn armen om Rob en zijn loodzware veren en sleur hem naar de brede, blauwgouden drakenrug. Onder vier waakzame paarse ogen hijst Rob zich even later kuchend en proestend overeind.
‘Waarom is hij nog niet weggevlogen?’ Als een natte eend schudt hij het zeewater uit zijn vleugels.
‘Niet zonder hen.’ Ik wijs naar de duikdraken die om ons heen cirkelen.
‘Dat regel ik wel even.’ Hij brengt zijn handen naar zijn mond. ‘Uit naam van de koning,’ roept hij naar de wachtmuur, waar torenwachters met fakkels ons argwanend opnemen, ‘open de hekken.’
Het heeft wat heen en weer geroep, een bezoek van een fladderende, halfdroge Rob en een maanverplaatsende brul van de draak nodig, maar uiteindelijk gaan de zware hekken knarsend omhoog.
‘Je gaat met hen mee, is het niet?’ vraagt Rob als hij bij me terug is.
Voor ik kan knikken, strekt de draak zijn vleugels en verheft hij zijn reusachtige, blauwgouden lijf. We kunnen ons nog net op tijd vastklampen. Even later zoeven we gedrieën over de in maanlicht en wolken gehulde zee. We gaan sneller dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Onder ons, in een formatie van schuimachtige golven, zwemmen de duikdraken. Moeiteloos houden ze hetzelfde, onmogelijke tempo aan. ‘Waar gaat hij toch naartoe?’ brult Robinion in mijn oor als de draak nog versnelt en er als een kanonskogel vandoor schiet. Zijn grote, paarse ogen schitteren.
Ik kijk naar de hoge, mistige schaduwen in de verte en glimlach. ‘De Holt,’ schreeuw ik boven de wind uit. ‘Hij gaat naar de Holt. Naar huis.’

‘Ik wist het.’ In mijn armen huilt en lacht mijn moeder tegelijkertijd. ‘Ik wist dat je de waarheid zou achterhalen.’ We staan in de hangende tuinen van de Holt, tussen een paar omgevallen bomen.
‘En die is?’ Robinion staat glimmend naast me.
Ze veegt haar tranen weg. ‘Je broer is net als je vader een wisselaar, half draak, half mens.’ Glimlachend raakt ze de blauwgouden schubben op mijn borst aan. ‘Een ware erfgenaam van de Eerste.’
Achter ons kijkt mijn vader haar vol liefde aan. Mij reikt hij met een knipoog zijn reusachtige klauw. Ik stap op hem af en leg mijn hand bovenop de zijne.
‘Komt Timo nog terug?’ hoor ik Rob nog vaag vragen.
Natuurlijk, zegt een zware stem in mijn hoofd.
Pap? Ik wil spreken, maar breng alleen een daverend gebrul voort. Op mijn rug, waar ooit mijn vleugels zaten, jeukt het. De stem in mijn hoofd lacht. Je leert het wel, jongen.

Dit was het laatste deel van dit verhaal. Lees ook deel 1, deel 2, deel 3, deel 4 en deel 5.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan, Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.
Laat me vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com of via mijn Facebookprofiel.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & Marcel van der Sleen