web analytics
dinsdag, mei 17

Vertelling: Vleugellam – deel 2

Een verhaal van Isabelle Plomteux in 6 delen. Lees ook deel 1.

Met een afkeurende blik komt Raugüur onder het zilvergrijze baldakijn uit. Net als ik legt hij de voorgeschreven stappen af, tot we recht tegenover elkaar staan. Het contrast tussen ons kan niet groter zijn: hij, een rots, breed, stevig en volstrekt onverschillig voor de wind die aan zijn kleren en vleugels rukt. Ik… een vogelverschrikker met veren is nog de beste omschrijving. Een schraal steltloperkuiken, dat worstelt om overeind te blijven.
Ook al voedert mijn moeder me nog zoveel lekkere hapjes, ik kom geen ons bij. Volgens haar was mijn vader net zo toen hij jong was. Ik heb geen idee of het de waarheid is, of dat ze maar wat vertelt om me te troosten. Mijn vader verdween toen ik twee was. Hij vertrok op een zonnige, wolkeloze zomerdag met zijn gevleugelde gardewachters en kwam nooit terug. Hoe er ook gezocht werd.
Mijn paarse ogen en pikzwarte haar heb ik van hem. Misschien is het dat, wat mijn stiefvader aan me tegenstaat. Volgens Rob is mam niet uit liefde met Raugüur getrouwd, maar was het ook voor haar duidelijk dat het rijk in afwachting van Robs troonbestijging een nieuwe leider nodig had.
En al is mijn stiefvader een harde man met weinig geduld en nog minder begrip voor mensen die niet aan zijn verwachting voldoen, besturen kan hij wel. Ik wilde alleen dat mam een andere keus had gemaakt. Zij ook, denk ik, al heeft ze het er nooit over.
Raugüurs grijze ogen boren zich in de mijne. Komt er nog wat van?
Verward zoek ik mijn moeders blik. Ze staat nog steeds naast Rob onder het baldakijn. Ik begrijp niet waarom ze niet naar me toe komt, tot ze zich naar mijn broer toedraait en hem met een glimlachje iets in het oor fluistert.
Verrast hap ik naar adem. Mijn moeder is een lid van het negende huis. Haar vleugels zijn normaal glanzend donkergroen. Het groen dat ook Robs vleugels kleurt. Maar niet vandaag. Vandaag zijn haar lange vleugels, die met dertien gouden kluisters worden samengehouden – een voor elk eiland van het rijk – diepblauw met glinsterend goud. De kleuren van mijn vader.
Als ik mijn ogen verbaasd opensper, draait mijn moeder zich naar me toe. De glimlach om haar mond verbreedt zich, maar ze blijft waar ze is. Het is de zoveelste manier van de man voor me om ons dwars te zitten, dat weet ik zeker.
Maar die paar stappen maken voor mij niets uit. Met mijn witte veren in een verwaaide massa om me heen, glimlach ik terug en maak ik de ceremoniële buiging. Voor haar. Ik buig voor haar. Voor de koningin. Voor mijn moeder, de erfgename van het rijk, die als eerbetoon aan haar verdwenen koning haar vleugels met zijn kleuren verft, ook al vindt haar huidige man dat duidelijk niets. Mijn buiging is stuntelig, zoals alles wat ik doe, maar daarom niet minder gemeend.
Even aarzelt mijn moeder. Dan tilt ze haar met gouddraad doorweven jurk op en buigt ze terug. Net als Rob. Het hele hof volgt. Triomf bruist door me heen, tot ik de kille blik van mijn stiefvader kruis. Tijd om te gaan.
De wind lijkt nog toe te nemen. Ik doe mijn best om mijn losse vleugels in bedwang te houden en steek het dak over. De ceremonie- en de vluchtmeester volgen als eerste, alle anderen sluiten aan. Ze begeleiden me naar vijf uitgesleten treden. Ontelbare voeten hebben ze al beklommen, zij het dan met een andere reden. Maar vandaag ben ik minstens even bang als zij.
Met mijn ogen op de ijskoude stenen zet ik haperend de ene gevoelloze voet voor de andere. Trede voor trede, tot ik boven ben, op het verweerde houten looppad tussen de dubbele rij stormkantelen. Nog een klein eindje en ik ben waar ik moet zijn. De laatste plaats waar ik wil zijn.

Was de wind op het dak al erg, hier is hij onmogelijk.
De meeuwen die op de rotsen rond de stormtoren huizen, zweven krijsend naar me toe. Wensend dat ik een flintertje van hun gevleugelde vertrouwen had, zet ik mijn laatste passen.
Voor mij ligt een zo goed mogelijk schoon geschrobd houten platform. Daarachter: een deinende, in de hemel overvloeiende uitgestrektheid. Zo dadelijk zal ik erover vliegen. Als ik tenminste veilig over die brullende rotzakken daar beneden raak.
Met mijn hand op het laatste kanteel gluur ik de diepte in. Op de brede, cirkelvormige wachtmuur die het drakenbassin van de zee-engte scheidt, lopen kleine figuurtjes. Paleiswachters. Tot mijn verrassing en trots dragen ook zij blauw met goud, in plaats van het zilvergrijs dat Raugüur een maand na zijn huwelijk met mijn moeder in het paleis introduceerde. Mam was woedend toen ze het ontdekte.
Ze stelde een compromis voor, blauw met zilvergrijs, maar mijn stiefvader weigerde. Het was de eerste aanpassing van velen, in de kleine twee jaar dat hij nu regent is. Raugüur lijkt vastbesloten om elke herinnering aan de vorige koning te laten verdwijnen. Hij wilde zelfs de rijksvlaggen laten aanpassen, maar daar stak de eilandenraad – het huis der huizen – een stokje voor. Dat ging ook hen te ver. Rob heeft gelijk, besef ik, ik kan maar beter geen blauw met gouden vleugels krijgen. Het zou mijn leven onmogelijk maken. Maar het is wel heel fijn dat mam dit voor me heeft gedaan.
Ik draai me naar haar om. Net als daarnet glimlacht ze naar me. Dat kan ik van mijn stiefvader niet zeggen. Zijn wenkbrauwen groeien steeds verder naar elkaar toe. Tijd om in actie te komen.
Al wat ik hoef te doen om het er levend van af te brengen, is uit het water blijven. Zodra ik over de draken heen ben gescheerd, zullen de paleiswachters de zware ijzeren hekken voor de onderwaterdoorgang omhoog takelen en de uitgehongerde dieren vrijlaten. Normaal is de achtervolging niet meer dan een formaliteit. Maar ik ben blijkbaar niet de enige die twijfelt aan mijn vliegkunsten.
Op de hoge golven van de zee-engte dobberen honderden kleurrijke bootjes, veel meer nog dan bij Robinions vlucht. In een lange sliert strekken ze zich uit, helemaal tot aan Varingsholt, dat niet meer dan een vage schaduwpiek aan de mistige horizon is.

© Zef Oudendorp

Zachtjes raak ik mijn door de wind gegeselde veren aan. Ik kan dit. Ik moet dit kunnen. Er is geen andere weg. Achter me hebben de edelen en hun dames zich verspreid over de kantelen. Ik kijk of ik Rob ergens zie, maar kan hem nergens vinden. Mijn moeder en stiefvader staan naast elkaar, maar konden niet verder van elkaar verwijderd zijn. Haar blik drukt hoop en bemoediging uit, de zijne is een zilvergrijze bliksem van spot, afwijzing en nog iets, iets wat ik niet helemaal kan benoemen.
Vastberaden zet ik hem uit mijn hoofd. Met mijn vaders kleuren in mijn hart laat ik het kanteel los en zet ik een pas vooruit, het platform op. Zodra mijn voeten het krakende hout van het bouwsel raken, ontvoert de razende wind echter mijn moed. Gevangen tussen de voortstuwende stormwolken en de deinende golven blijf ik verstijfd staan. Mijn vleugels flapperen als twee nutteloze aanhangsels achter me. Achter me klinkt een spottend lachje. Raugüur.
In het drakenbassin spat het zeewater steeds hoger op. Het ene na het andere drakenhoofd verschijnt, klaar om elk hapje dat er zo dadelijk naar beneden valt, lekker of niet, prins of niet, te grazen te nemen. Rode ogen blikken woest omhoog, vlijmscherpe tanden snijden brullend door het schuimende water. Al heb ik hier meer lucht dan ik ooit zal nodig hebben, ik krijg nog nauwelijks adem.
‘Negeer ze, Timo!’
Verrast draai ik me om. Mijn broer zweeft boven de stormkantelen aan de overkant van de toren en heeft zijn handen als een toeter rond zijn mond. Op zijn paarsgroene vleugels deint hij net als de meeuwen moeiteloos mee met de harde wind Hij zal hier ongenadig voor op zijn donder krijgen. Vandaag vliegt er geen enkel huis. Zelfs mijn moeder en mijn stiefvader zullen de overtocht per schip maken. Het Varinese luchtruim is voor mij en mijn gestuntel voorbehouden.
‘Kijk naar de Holt’, roept Rob. ‘Kijk naar je thuis. Je kan dit.’
Met ogen die de wind vol tranen blaast, zoek ik de mistige rotspieken op het einde van de deinende rij scheepjes. Naar huis. Ik ga naar huis. Voor het eerst zal ik er binnenvliegen. Ik knik naar mijn broer en zet een pas vooruit. En nog een, tot ik samen met de dansende meeuwen op de rand van de wereld sta. Robinion heeft gelijk, een Varingprins vliegt. Ik kan dit, ik heb de stappen eindeloos herhaald met de vluchtmeester. Een, verankeren. Twee, ontvouwen. Drie, afzetten.

Met de brullende draken onder me en de krijsende meeuwen naast me spreid ik mijn voeten en ontvouw ik mijn vleugels. En nu… Nog voor ik aan de derde stap kan beginnen, slingert de razende wind me naar voren, het ijle in. Even gaat alles ondanks de valse start goed, tot een onverwachte zijwind mijn rechtervleugel dichtklapt. Nee, nee. Boven het woest schuimende bassin begin ik te tollen. Wanhopig probeer ik mijn vleugel weer te openen, maar wat ik ook probeer, het lukt me niet. Als ook mijn linkervleugel het begeeft onder de druk, is er geen houden meer aan. In een misselijkmakende spiraal suis ik naar beneden. Mijn vleugels hangen in een nutteloze wirwar van verwaaid flapperende veren naast me.
Ontvouw, dreunt het in mijn hoofd. Ontvouw! Wat ik ook probeer, het lukt me niet. Met een mond vol gierende wind en een hart vol verlammende angst raas ik op de brullende duikdraken af. Ver boven me schreeuwt mijn moeder.
De torenmuur maakt plaats voor steile, afbrokkelende rotsen. Een flitsende, paarsgroene vlek probeert me nog bij het water weg te houden. Maar de wind toont vandaag geen genade. Ik plons het ijskoude water in. En zink. Robijnrode ogen en blikkerende tanden zijn het laatste wat ik zie.

Volgende week verschijnt deel 3. Lees ook deel 1.

 

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan,
Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.
Laat me vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com of via mijn Facebookprofiel.

Over de illustrator:
Zef Oudendorp is geboren op 18 februari 1982 in Leiderdorp en opgegroeid in Voorschoten. Sinds Zef een potlood kan vasthouden is hij bezig met het tekenen van gekke poppetjes. Na de ontdekking van de Ninja Turtles op de basisschool, namen de poppetjes andere vormen aan. Ook was Jim Henson’s The Story Teller een inspiratiebron. Vervolgens werd Zef geïnspireerd door de Germaanse mythologie, vampiers & weerwolven (hij groeide op naast een begraafplaats) en de nodige sci-fi films en comics. Zo heeft Zef Terminator 2: Judgement Day, Highlander en Mad Max: The Road Warrior zalig verklaard en laat hij zich verder inspireren door heavy metal.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & Zef Oudendorp