web analytics
zondag, mei 15

Vertelling: Vleugellam – deel 3

Een verhaal van Isabelle Plomteux in 6 delen. Lees ook deel 1 en deel 2.

Vier jaar later.

Ik heb net het eerste zomerhooi bijeen geharkt als ik in de verte een ruiter zie. In een wolk van stof en hitte rijdt hij in volle vaart de steile bergweg af die naar ons ordeklooster leidt. Zijn grijze mantel wappert als een banier achter hem aan. Ik laat hem jakkeren en ga verder met mijn werk. Slechts zelden nemen we een opdracht aan. Er is niets dat de leden van de spoorzoekersorde niet kunnen vinden als we onze zinnen erop hebben gezet, maar we zeggen zelden ja. Om te beginnen zijn er simpelweg te veel verzoeken en dan zijn er nog de dingen die beter verborgen kunnen blijven. Deze bezoeker valt ongetwijfeld onder een van beide categorieën, hoe wanhopig hij zo te zien ook is. De prefect zal hem wel afwimpelen. Tot mijn verwondering komt junioradept Dorn me niet veel later met een slungelige grijns roepen.
‘Er wordt naar je gevraagd, broeder.’
Aan de waterput op het binnenplein spoel ik haastig het zweet van me af, waarna ik met grote passen de koele kloostergang doorbeen. Van de schrale jongen die ik vier jaar geleden was, valt niet veel meer te zien. Het harde werk en de opleiding tot meesterspoorzoeker van het Varingese Rijk hebben mijn spieren en brein gestaald. Het heeft even geduurd, maar nu ben ik oprecht blij dat de duikdraken me niet helemaal te pakken hebben gekregen, die noodlottige dag waarop ik mijn kleuren zou krijgen.
Het ordeklooster op Varingswelde, het meest afgelegen en onherbergzaamste van de Varingeilanden, is nu mijn thuis. Ik heb zelfs leren zwemmen in het bergmeer verderop. Nu ik niet langer vleugels heb, kon dat perfect. En in tegenstelling tot vliegen vind ik het nog leuk ook. Ik grinnik. Als Robinion dat moest… Abrupt kap ik mezelf af. Niks Robinion. Mijn broer is me nog nooit komen bezoeken. Natuurlijk zal Raugüur het hem verboden hebben, maar sinds wanneer houdt dat Rob tegen? Of denkt hij dat ik hem zijn mislukte reddingspoging kwalijk neem? Misschien komt hij volgend jaar, na zijn troonsbestijging? Weet hij eigenlijk wel dat ik de amputatie overleefd heb? Ik heb geen flauw idee. Ik weet alleen dat ik hier ijlend naartoe gebracht ben, een week na mijn val, en dat ik het zonder de ordeprefect inderdaad niet zou overleefd hebben. Toen ik genoeg bij zinnen was, legde hij me uit dat er maar één regel was waar ik me altijd aan moest houden.
‘Je vertelt aan niemand wie je bent, en je praat nooit meer over je verleden. Vanaf nu ben je broeder Sigu. Duidelijk?’
‘Dat zijn twee regels,’ zei ik moeizaam. ‘En een andere naam.’
‘Wijsneus.’ Hij glimlachte. ‘Je zal een prima spoorzoeker worden.’
Daar heeft hij gelijk in gekregen. Al de rest ligt ver achter me. Ik zet Robinion resoluut uit mijn hoofd. Zoals de zoekerscode het voorschrijft schuif ik mijn okerrode ordesjaal voor de onderste helft van mijn gezicht. Na een harde roffel op de zware deur van de ontvangstruimte loop ik zonder antwoord af te wachten naar binnen. Abrupt blijf ik staan.

Tegenover de ernstig kijkende prefect zit geen man, maar een adellijke dame in het zwart. Het zou onmogelijk moeten zijn, het klooster is enkel toegankelijk voor mannelijke verzoekers, maar toch is het zo. Haar asgrijze vleugels laten geen ruimte voor twijfel. De enige kleur aan haar smalle, donkere gestalte komt van de zes eenvoudige, maar sierlijke, mosgroene vrouwenkluisters die haar vleugels bij elkaar houden. Waar komt ze vandaan? Wie is ze? Geen enkele van de dames uit het tweede huis die ik me kan herinneren, vertoont overeenkomsten met haar. Als ik nu haar haarkleur zou kunnen zien, maar net als bij alle andere verzoekers gaat haar gebogen hoofd schuil onder een grote kap. Ze moet in elk geval een belangrijk iemand zijn. Niet alleen heeft de prefect haar binnen gelaten, voor haar op de grote, logge kloostertafel staat een roemer bergwijn. De prefect vangt mijn blik en geeft me een klein knikje.
Terwijl mijn geest probeert te verwerken wat ik voor me zie, hervindt mijn lichaam zijn evenwicht en zet het een paar passen vooruit. Met mijn benen lichtjes gespreid en mijn handen op mijn rug stel ik de vraag die we aan elke kandidaat stellen: ‘U wenst?’ Uren, dagen, weken hebben mijn mede-adepten en ik op de toon van die twee woorden geoefend. Tot mijn verbijstering begaat de vrouw een onvergefelijke zonde: ze draait haar verborgen gezicht mijn kant op. De prefect zegt er niets van. Sterker nog, hij glimlacht.

© Stephanie Maeve

En plots is het verleden niet langer het verleden. Vanuit de schaduwen onder de grote verzoekerskap kijken twee groene ogen me aan. Ogen die ik overal zou herkennen.
‘Mam?’ Vreugde, verdriet, woede en ongeloof strijden om een plek in mijn veel te kleine borstkas. Ik wil… Ik weet niet wat ik wil, alleen dat… wat komt ze hier doen? Wist ze al die tijd waar ik was? Ze heeft in geen vier jaar naar me omgekeken. Achter mijn rug ballen mijn handen zich.
De donkere ogen van de prefect boren zich in de mijne. ‘Luister naar je kandidaat, broeder.’
Aarzelend komt mijn moeder overeind. Ze brengt haar handen naar haar verzoekerskap en slaat het zware ding terug. ‘Timoreion.’ Ze glimlacht naar me. Diepe rimpels lopen over haar eens zo gladde gezicht. Het randje strakgetrokken haar dat onder haar zwarte hoofddoek uitsteekt, is meer wit dan blond.
‘Wat ben je…’ Mijn moeder strekt haar hand uit en zet een paar passen naar me toe. In haar grijze vleugels schemert hier en daar het groen door van haar echte vleugelkleuren.
Wat ben ik, moeder? Groot geworden, zo zonder vleugels? Vast. Ik klem mijn lippen op elkaar en zet mijn zoekersmasker op. Beheerst, koel, afstandelijk.
‘U wilt, kandidaat?’
‘Ik… ik heb je hulp nodig, Timoreion.’ Haar stem is schor en oud, veel ouder dan ik me herinner.
‘Dacht het niet.’
‘Zoeker!’ Het woord klinkt als de zweepslag die me ongetwijfeld te wachten staat. Het kan me niet schelen.
‘U wilt?’ herhaal ik, blij met de ruwe ordestof die mijn gezicht bedekt.
Mijn moeder deinst achteruit alsof ik haar heb geslagen. Haar gekluisterde vleugels ruisen over de vloer als ze op haar stoel neerzakt. ‘Ik… ik…’ Haar stem breekt. ‘Het spijt me, Timo, wat jou… wat er…’
‘Bent u daarom gekomen?’ Verward kijk ik de prefect aan. ‘En u hebt dit goedgekeurd?’
‘Nee,’ zegt hij. ‘Vrouwe Jocelyn, al bent u dan de koningin van het rijk, u dient zich net als elke andere kandidaat aan de regels te houden. Persoonlijke zaken spelen hier geen rol. Vertel de zoeker wat u van hem verlangt en vertrek. Zijn beslissing zal u zoals onze code voorschrijft binnen het etmaal worden meegedeeld.’
Mijn moeder haalt diep adem en recht haar rug. Met een vastberadenheid die een steek van heimwee door mijn hart boort, spreekt ze de zin uit die ik de afgelopen jaren uit zoveel monden heb gehoord: ‘Het is mijn wens, zoeker, dat je uitzoekt wat er met je… met je vleugels gebeurd is.’
Ik stoot een honend lachje uit. Dat kan ze toch niet menen!
‘Broeder Sigu!’
Zweepslag twee. Al waren het er tien! Waar heeft ze het trouwens over? Iedereen weet toch wat er gebeurd is? De draken hebben mijn vleugels in rafels van mijn rug gescheurd en verslonden. Het liefst zou ik haar hier gewoon laten staan. Maar een formele vraag vereist een formeel antwoord. Met een hoofd dat bonst van de onmogelijkheden, buig ik voor haar. ‘Uw wens zal in overweging genomen worden.’
Wankel komt mijn moeder overeind. De prefect wil haar te hulp komen, maar ze weert hem af. ‘Ik moet terug. Voor Raugüur me mist.’ Ze haalt haar kap naar beneden en neemt haar grijze mantel van de stoel naast de hare. Stram loopt ze bij ons weg. Bij de deur draait ze zich naar me om. ‘Zoek het uit, Timoreion.’ Ze spreekt mijn naam uit zoals alleen zij dat kan. ‘Alsjeblieft. Er is niet veel tijd meer.’
Een deel van me wil haar achterna rennen, haar broze gestalte tegen me aandrukken en haar vragen waar ze het over heeft, een ander deel… weet niet wat het wil. Voor ik eruit ben, valt de deur achter haar dicht. Verward en verloren tuur ik naar de grond.
‘Blijf je daar zo staan?’
Ik ruk mijn sjaal af. ‘Jullie kennen elkaar al veel langer dan vandaag!’
De prefect zucht en komt overeind. Moeizaam – hij is nog steeds niet helemaal hersteld van de zwaardhouw die hij bij onze laatste speurtocht opliep, stapt hij op de ruwe kast tegen de zijmuur af. ‘Ik heb je goed getraind, jongen. Soms te goed naar mijn zin.’
Met twee aardewerken mokken keert hij naar de tafel terug. ‘Ga zitten, kom.’ Hij wijst naar de stoel waar mijn moeder net op zat. Zelf neemt hij zijn plaats aan de overkant weer in. Ik been naar de tafel en trek de stoel achteruit waar mijn moeders mantel op hing. Zodra ik op het harde hout neerplof, heb ik spijt van mijn beslissing. Een zweem van haar parfum sliert mijn neus binnen en roept een spoor van herinneringen op, herinneringen die ik niet wil hebben.
Mijn moeder die met mij in haar armen door de hangende tuinen van de Holt vliegt en zo de nachtmerrie verjaagt waar ik net uit wakker schrok, Rob en ik die samen met haar bij de reling van een schip staan en ons gierend van de pret laten natspatten door opspringende dolfijnen.

Volgende week verschijnt deel 4. Lees ook deel 1 en deel 2.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan, 
Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.
Laat me vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com of via mijn Facebookprofiel.

Over de illustrator:
Mijn naam is Stephanie Maeve, 32 jaar jong, en ik woon in Tilburg. Zodra ik een potlood kon optillen kan ik mezelf herinneren dat ik getekend heb. Als mensen aan mij vragen wat mijn beste kwaliteit is, dan is dat ‘chronisch creatief’ zijn. Ik heb gestudeerd aan de Hoge school voor de Kunsten te Utrecht (HKU) richting Theaterdesign & Ruimtelijke vormgeving en daarnaast ben ik afgestudeerd fotografe. Op dit moment ben ik beeldend kunstenares en werkzaam onder de naam Stephanie Maeve Art. Ik ben gespecialiseerd in muurschilderingen, canvassen, illustraties e.a. designs.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & Stephanie Maeve