web analytics
donderdag, mei 19

Vertelling: Vleugellam – deel 5

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zes delen. Lees ook deel 1, deel 2, deel 3 en deel 4.

Ze zijn overdekt met zeewier en oesterschelpen en zitten onnatuurlijk hoog tegen zijn galeigrote lijf aan, maar ze zijn er wel. Botten als scheepsmasten en spieren als meertouwen houden de gehavende drakenhuid samen. In gestrekte toestand moet hun spanwijdte fabelachtig zijn. Boven op zijn rug, daar waar beide, hoogopstaande vleugels elkaar net niet raken, zit een kale rij hoge, roestkleurige stekels. Rugvinnen, denk ik, tot de maan me de waarheid onthult.
Woede vlamt in me op. Geen wonder dat zijn vleugels er zo aan toe zijn. In tegenstelling tot de leden van de huizen en hun angst voor verwaaide veren, heeft hij dit zichzelf niet aangedaan. Iemand heeft zijn machtige wieken met massieve ijzeren klampen hoog boven zijn rug samengebracht en ze daar tot stilstand gedwongen. Ik weet niet wat erger is, je vleugels kwijtraken of dit.
Aarzelend steek ik mijn hand naar hem uit. Zijn grote hoofd zakt voorzichtig naar me toe.
Voor we elkaar kunnen aanraken, raast er iets zwaars uit de hemel naar beneden. Het kegelt me omver.
Ik vang nog net een glimp op van vleugels, een kortzwaard en een borstschild voor ik verbouwereerd tegen de grond knal. Een wachter van Raugüurs regentsgarde!
Met een reusachtige klap verdwijnt de draak onder water. Zeewater hoost over mijn aanvaller en mij heen.
Voor ik doornat recht kan krabbelen, stort de gardewachter zich op me. Ik probeer me los te worstelen, maar hij is sterk en weet wat hij doet. Zelfs zijn vleugels gooit hij mee in de strijd. Vechtend rollen we door de zoute plassen op de wachtmuur. Een wapen, ik moet een wapen hebben. Met een hand en twee knieën probeer ik de woesteling van me af te houden, met mijn andere hand tast ik naar de zak en zijn rottende inhoud. Hebbes. Net als ik mijn duistere, gevleugelde aanvaller een ferme mep wil verkopen, slingert de maan een flits van paarsgroene veren en een blauwgouden borstschild op mijn netvlies. Een kleur die de zilveren regentsgarde nooit zou dragen. ‘Robinion!? Rob, ben jij dat?’
Hij sleurt me overeind en kwakt me tegen de muur. ‘Wie wil dat weten?’
Au, mijn broertje is nog altijd even sterk. Maar ik heb ondertussen ook een en ander geleerd. Een paar snelle arm- en beenbewegingen en ik ben vrij. ‘Ik,’ zeg ik, uitzinnig blij.
Voor zo’n grote kerel valt hij best sierlijk om. Haastig laat ik hem tegen de muur aanzakken. Al snel slaat hij zijn ogen weer op.
‘Hoi.’ Ik kniel naast hem neer.
‘Timo?’ Aarzelend steekt hij zijn hand naar me uit.
Ik trek zijn hele, onmogelijk gespierde arm naar me toe en omhels hem.
‘Wat? Wat?!…Hoe?’ Hij duwt me van zich af. Op armlengte staart hij me aan. ‘Jij bent dood.’
Zijn beschuldigende toontje doet mijn hart zingen. Nu pas besef ik hoe erg ik hem de afgelopen jaren gemist heb.

© Alex van Leeuwestijn

Al snel is het alsof we maar een paar dagen gescheiden zijn geweest. Hij wil alles van mij weten en ik van hem.
‘Wat doe je hier?’ vraag ik. ‘Midden in de nacht?’ Schouder aan schouder zitten we met onze rug tegen de wachtmuur.
Hij draait zijn hoofd naar me toe. ‘Ik kom hier wel vaker, sinds…  nu ja, sinds je weet wel.’
Ik glimlach. Ik weet het inderdaad.
‘Het is beter dan in het paleis zitten, waar ik voortdurend over mijn schouder moet kijken.’
Mijn blik verhardt zich. ‘Raugüur.’
Hij knikt. ‘En jij? Wat doe je hier eigenlijk, broertje uit de dood?’ Net als vroeger grijpt hij me vast en rammelt hij me speels door elkaar. Voor ik hem kan antwoorden, duikt de patrouillewachter gealarmeerd op de wachtmuur op.
Een blik van Robinion overtuigt hem ervan dat alles in orde is. Buigend als een knipmes haast de man zich weg.
‘Hij houdt je voor de zoveelste zelfmoordenaar.’ Robinion kijkt de man met een flauwe glimlach na. ‘Dat dacht ik eerlijk gezegd ook. Wat was je eigenlijk met die draak van plan?’
Ik vertel hem over mam en haar onverwachte bezoek.
‘Dus daar is ze naar toe gegaan!’
‘De draak die hier net was, hij heeft er iets mee te maken,’ zeg ik, ‘met wat er mij is overkomen, zeker weten.’
‘Waar wachten we nog op dan?’
We hijsen ons overeind. Samen zoeken we het donkere water af. Maar hoe we ook speuren, de dieren zijn nergens meer te bekennen. Ook niet als Robinion naar het platform vliegt en met zijn kortzwaard een van de galgkoorden overhaalt.
‘En hij had vleugels?’ vraagt hij als hij weer bij me landt. ‘Dat weet je zeker?’
Ik knik. Mijn blik rust op het opgezwollen lichaam dat in het midden van het bassin drijft. Moederziel alleen.
Rob geeft een klopje op mijn schouder. ‘We vinden hem w…’
‘Sst. Hoor jij dat ook?’
Geruis, in de wolken boven zee. Het komt recht op ons af. Tegelijkertijd herkennen we de zware vleugelslagen van de regentsgarde.
‘Je moet hier weg,’ zegt Robinion. ‘Nu.’
‘Niet voor ik weet wat ze hier komen doen. Kom mee.’ We verstoppen ons in de schaduwen aan het einde van de wachtmuur, vlak bij de plek waar ik vier jaar geleden in het water viel.
‘Snel, snel.’ Een stem die ik maar al te goed ken, zweeft naar ons toe. ‘Hij is nog steeds hier. Dat weet ik zeker.’ Twaalf tot de tanden gewapende gardisten landen dreunend op de wachtmuur. ‘Zorg ervoor dat hij niet ontsnapt!’ Eén moment denk ik dat Raugüur het over mij heeft, tot de gevleugelde gardewachters naar de zeedoorgang rennen. Ratelend ploffen de zware, ijzeren hekken in het water.
‘Je moet echt weg, Timo,’ fluistert Rob.
In het midden van de wachtmuur vlammen fakkels op. Raugüurs wachters speuren het water af.
Ik schud mijn hoofd. ‘Die draak weet wie ik ben. Wat ik ben. Dat laat ik me niet afpakken. En al zeker niet door hem.’ Ik gooi mijn mantel en sjaal van mijn schouders en trek mijn ordelaarzen uit.
Robinion grijpt mijn arm vast. ‘Ben je gek geworden?’
Ik grijns in het duister. ‘Nee.’ Meesterspoorzoeker, dat ben ik. ‘Leidt ze af, Rob. Dan kijk ik of ik hem kan vinden.’ En de waarheid. Ik maak me van Rob los en duik het donkere water in. Rode duikdraakogen wijzen me de weg.

Als een donker koraalrif ligt de gevleugelde draak op de bodem van het bassin. Zijn grote ogen zijn gesloten. Hij heeft zijn hoofd en hals rond zijn brede lichaam gevouwen. De duikdraken zweven in een stille cirkel om hem heen. Voorzichtig zwem ik tussen hun magere lijven door, vlak langs de grillige littekens op hun schouderbladen.
Is dat wat mijn stiefvader ook met deze draak van plan is? Niet als het aan mij ligt. Met gespannen spieren land ik op de hoge drakenrug, klaar om meteen weer weg te zwemmen moest het nodig zijn.
De draak reageert niet eens.
Ik reik naar de eerste, verweerde klamp, vlakbij zijn staart en trek. Onverwacht makkelijk ruk ik hem uit elkaar. Ook de tweede komt makkelijk los, net als de derde en de vierde. Het machtige wezen laat me roerloos mijn werk doen.
De vijfde, hoger op zijn rug, maakt het me lastiger, misschien omdat de grote, met zeewier begroeide vleugels steeds verder open vallen. Hoe ik er ook aan ruk en trek, hij blijft stevig zitten.
De draak tilt zijn hoofd op. Er ligt een doffe berusting in zijn grote ogen.
Nu hij weer onder water is, hebben ze dezelfde kleur als die van de duikdraken rond me: helrood.
Mijn zwarte haar waaiert om me heen als ik nee schud. Zo snel geef ik het niet op. Verbeten werk ik verder. Het ding geeft nog steeds niet mee. Hoe ik er ook aan sleur, de klamp blijft zitten. Mijn luchtvoorraad zakt angstwekkend snel.
Met zijn grote kin geeft de draak een duw in mijn richting. Niet hard, maar hard genoeg om me duidelijk te maken dat ik wegwezen moet. De onderwatergolf slingert me naar achteren. Ik tuimel van zijn hoge rug af en bots tegen een duikdraak aan.
Een dubbele rij vlijmscherpe tanden ontbloot zich. Even denk ik dat het met me gedaan is, maar het dier grijpt me slechts bij mijn hemd en zwemt met me weg. Als ik met spijt een laatste maal naar de eenzame schaduw op de bodem kijk, verstijf ik. Onder me fonkelt goud.
Even wijt ik het aan mijn steeds nijpendere zuurstoftekort, maar nee. Dof maar duidelijk gloeit het door het wuivende zeewier op de half bevrijde drakenvleugels heen. Spartelend ruk ik me los. Een verbouwereerde duikdraak wil me woest weer vastgrijpen, tot hij ziet waar ik naar kijk. Met ogen die voor het eerst sinds lang weer durven hopen, tilt de grote draak op de bodem van het bassin zijn hoofd naar me op.
Met de duikdraak naast me haast ik me naar hem terug. Opnieuw stort ik me op de vijfde klamp. Hel en demonen, er moet toch een manier zijn waarop ik die ellende loskrijg?

Volgende week verschijnt het slotdeel 6. Lees ook deel 1, deel 2, deel 3 en deel 4.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan, Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.
Laat me vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com of via mijn Facebookprofiel.

Over de illustator:
Hi! Ik ben Alex van Leeuwestijn (1982, Den Haag), groot hobbytekenaar. Inspiratie en voorbeelden haal ik overal vandaan. Vroeger was dat voornamelijk Mad Magazine, dat opgevolgd werd door een ruim spectrum van cartoongenres; denk daarbij aan Asterix en Haagse Harry (I know…), maar ook aan Streetfighter en Marvel. De laatste tijd wordt ik heftig geïnspireerd door Jamie Hewlett (Tank Girl en The Gorillaz). Ik hoop samen met deze community te groeien en een hoop mooie dingen te maken.

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & Alex van Leeuwestijn