web analytics
maandag, november 28

Vertelling: Vleugellam – deel 1

Een verhaal in 6 delen van Isabelle Plomteux.

Met mijn knieën hoog opgetrokken en mijn handen voor mijn oren lig ik in het muffe, kille bed dat vannacht het mijne is. Vurig wens ik dat alles om me heen weg zou gaan, dat ik niet meer zou voelen, zou zien, zou horen.
Maar hoe ik ook mijn best doe, de klamme kou in de kleine voorbereidingskamer hoog in de toren blijft. Mijn blote huid verandert langzaamaan in ijs, zelfs al lig ik onder twee bontvellen. Nu het vuur dat de ceremoniemeester in de haard aanlegde zo goed als uit is, sluipt ook de duisternis steeds verder naar me toe.

Maar het is wat ik in die duisternis hoor, dat me de adem beneemt: het woedende gegrom van de opgesloten duikdraken. Ook al lig ik helemaal boven in de stormtoren van Varingseiland, vlak onder het platte dak waar morgen de ceremonie zal doorgaan, het daveren van de wachtmuur is tot hier te voelen. Iedere keer dat de dieren hun reusachtige lijven er met een smak tegenaan gooien, trillen de dikke torenmuren. Zwakjes, maar toch. Onrustig schuifel ik heen en weer over mijn stromatras.
‘Doe je wel stil, Timo? We willen niet dat er iemand binnenkomt.’ Mijn broer Robinion, een kop groter dan ik en twee keer zo stoer, hijst zich overeind van zijn plek bij het uitdovende vuur. De nagloeiende sintels onthullen zijn brede schaduw. Raugüur, onze stiefvader, zou hem aan zijn blonde haren de torentrappen afsleuren als hij wist dat Rob hier was. Maar dat schrikt mijn stoere broer niet af. Hij heeft beloofd om bij me te blijven tot ik slaap.
‘Sorry. Ik… ik draaide me even om.’
Hij snuift. ‘Vast.’
Het gegrom buiten zwelt nog aan.
Ik krimp in elkaar. ‘Het lukt me nooit, morgen.’
‘Tuurlijk wel.’
Een nieuwe slag, harder dan alle vorige, trekt door de kille kamer. Mijn muffe bed trilt ervan. Niet hard, maar toch. Haperend haal ik adem.
‘Je bent veilig,’ zegt Rob. ‘Ze kunnen niet naar binnen, dat weet je toch? De wachtmuur en de rotsen beschermen ons.’
‘Ja… jawel.’ Ik zak op het ritselende stro neer. ‘Dat weet ik.’ Maar ik geloof er niks van. Als Rob zich met een zucht opnieuw voor de zwakke gloed in de haard nestelt, duw ik de bontvellen zachtjes van me af en sla ik mijn vleugels om me heen.
Mijn hoofd zakt weg tussen warme veren. Ik doezel weg, tot het zachte dons mijn neus kriebelt. ‘Hatsjoe!’
Rob veert overeind. ‘Niet je vleugels, idioot! Doe die verdraaide dingen dicht, je zult ze morgen hard nodig hebben.’
Met tegenzin vouw ik de dikke laag maagdelijk witte veren op mijn rug samen. ‘Ik haat het hier! Ik haat het! Ik wil…’ De rest van mijn zin kan ik net op tijd inslikken. Het zou Rob alleen maar kwader maken en het heeft toch geen zin.
Ik kan niet terug naar de Holt, niet voordat ik erheen gevlogen ben. Een bijna onmogelijk iets. Voor mij toch. Hoe ik de voorbije twee jaar ook met de koninklijke vluchtmeester geoefend heb, ik blijf stuntelen. Maar morgen moet ik over de woelige zee-engte tussen Varingsstorm en Varingsholt vliegen. Mijn eerste solovlucht boven het overal aanwezige water dat de dertien eilanden van ons rijk met elkaar verbindt. En alsof dat nog niet erg genoeg is, zullen de duikdraken, die klinken alsof ze in geen maand te eten hebben gekregen, vrijgelaten worden en me de hele reis lang op de hielen zitten. ‘Ik wil niet over zeeën vliegen. Nu niet, nooit niet!’ Ik haal de zware bontvellen naar me toe en begraaf me eronder.
‘Vertel geen onzin, Timoreion,’ klinkt Robs stem gesmoord. ‘Iedere Varingprins vliegt, zelfs als de zeeën er niet moesten zijn. Hoe wil je anders de Holt binnen raken? Je kan niet eeuwig als een lading vis of brandhout het paleis in- en uit getakeld worden.’ Hij grinnikt. ‘Dat zou nogal beschamend zijn.’
Waarom? denk ik opstandig. De dienstmeisjes en koks gebruiken de laadplatformen toch ook? Niet dat ze veel keus hebben, als nietvleugelgeborenen. Wie bouwt er nu ook een paleis op een plek die alleen vliegend toegankelijk is?
Mensen voor wie vliegen even vanzelfsprekend is als ademhalen. Niet voor de eerste keer vraag ik me af of ik bij de geboorte niet verwisseld ben, ook al bevestigen mijn witte vleugels mijn koninklijke afkomst. Alleen prinsen hebben het voorrecht – of de pech, in mijn geval – om hun vleugelkleuren te mogen verdienen. Buiten gaat het gebrul van de woedende duikdraken onverminderd verder.
‘Je zal zien, Timo, morgenavond vlieg je als de beste.’ Met zachte voetstappen loopt Rob naar me toe. De stromatras ritselt als hij op het voeteneind van het bed gaat zitten. ‘Welke kleuren zal je eraan overhouden, denk je?’
Ik steek mijn hoofd boven de bontvellen uit. ‘Weet niet,’ mompel ik. Robs eerste vlucht vond twee jaar geleden plaats. Hij hield er prachtige, groenpaarse vleugels aan over, maar hij is dan ook een natuurtalent als het op vliegen aankomt.
‘Je moet toch een idee hebben,’ dringt hij aan. ‘Wat zou je leuk vinden?’
‘Blauw,’ zeg ik in een opwelling, ‘blauw met goud.’ De kleuren van het Varingese rijk, de kleuren van de vorige koning, onze vader.
Hij is even stil. ‘Beter van niet, Timo,’ zegt hij dan. ‘Mam zou het geweldig vinden en apetrots op je zijn, maar Raugüur…’
Ik knik in het donker. Rob heeft gelijk. Onze stiefvader wordt niet graag herinnerd aan het feit dat hij slechts tijdelijk regent is.
De toekomstige koning geeft een onhandig klopje op mijn arm en komt overeind. ‘Ga slapen nu. Ik zie je morgen.’ Geruisloos loopt Robs brede schaduw op de deur af. Zijn grote vleugels zijn moeiteloos samengevouwen op zijn rug. Ik vang een glimp op van diep, glanzend groen voor hij de gang in glipt.

© United in the Avalanche

Bij zonsopgang is het zover. In hun beste kleren brengen de vlucht- en de ceremoniemeester me naar het platte torendak. Hun vaalbruine vleugels – de kleur van het laagste vleugelhuis – zijn gepoetst tot glimmende perfectie.
Zelf draag ik niet meer dan een eenvoudig hemd en een broek waar de ijskoude oceaanwind dwars doorheen blaast. Ik voel me slap en rillerig. De ceremoniemeester heeft me ontbijt gebracht, maar meer dan een paar happen heb ik er niet van binnen gekregen. De duikdraken hebben me de hele nacht wakker gehouden.
Ook nu is hun woedende, hongerige gebrul te horen. Het komt vanuit het cirkelvormige wachtbassin aan de andere kant van de toren, ver onder me. Het daverende geluid bestormt de steile torenmuren en slingert zich langs de hoge stormkantelen die het platte dak beschermen, voor het zich samen met de wind over me uitstort. Gretig, ongedurig.
De uitgehongerde draken zijn niet de enigen die op me wachten. Het grote vuur dat hier normaal dag en nacht zijn flakkerende sein over de zee-engte uitstuurt, is gedoofd. De diepe vuurkuil in het midden van het dak is dichtgelegd. Een klapperend baldakijn heeft de plaats ingenomen. Het is niet blauw met goud, zoals de feestelijke, in de wind wapperende vlaggen op de vier hoeken van de stormkantelen, maar zilvergrijs. De kleur van het tiende en hoogste huis, het huis van Raugüur, de regent.
Samen met mijn moeder, mijn broer en de hele gevleugelde hofhouding wacht mijn stiefvader me onder zijn baldakijn op. Zijn brede gestalte lijkt immuun voor de wind. De dames en zelfs de meeste heren in het gezelschap hebben hun vleugels vandaag met kluisters vastgezet om ze tegen de geselende windvlagen te beschermen.
Raugüur vindt zoiets natuurlijk onzin. Zijn zilvergrijze vleugels staan zelfs lichtjes open. Achter me kucht de ceremoniemeester beleefd. Willen of niet, het is tijd om in actie te komen.
Aarzelend zet ik een stap naar mijn stiefvader en mijn moeder toe. Kon ik maar drie jaar teruggaan in de tijd.
Toen was er van Raugüur nog geen sprake en stond ik en niet Rob naast mijn moeder. Onder een blauw met gouden baldakijn keken we samen naar het kleuren van mijn broers vleugels.
Ik heb nog nooit iemand zo’n perfecte eerste vlucht zien uitvoeren. Robinion dook als een visarend van het platform af. Tot verrukking van de edelen en afgrijzen van mijn moeder scheerde hij met doodsverachting over de happende duikdraken om daarna pijlsnel op te trekken. Met een spectaculaire luchtsalto gaf hij de dieren het nakijken.
Alsof hij nooit iets anders had gedaan, zette hij koers naar de hoge rotspieken van de Holt. Een recordtijd later werd hij met dieppaarsgroene vleugels en een daverend feest in het paleis onthaald. Daar zal vandaag geen sprake van zijn.
Ik mag al blij zijn als ik de overkant haal. Een opvallende kleur veren zal ik er evenmin aan overhouden. Hoezeer ik ook naar blauw en goud verlang, ik weet wel beter. Een stuifmeeldronken honingbij vliegt nog beter dan ik.
De kans is groot dat ik met het nietszeggende bruin van het eerste huis wordt opgezadeld. Dat zou dan meteen een primeur zijn voor een Varingprins: een uniforme vleugelkleur. Zelfs prins Naryihimon, de klaploper uit de vierde dynastie, had er twee. Bruin en mosterdgeel, maar toch.

Volgende week verschijnt deel 2.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan,
Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.
Laat me vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com of via mijn Facebookprofiel.
Dank aan de redacteurs van Fantasize voor de zoals steeds geweldige redactie en de illustratoren voor de fantastische illustraties. Jullie maken het helemaal af!

Over de illustrator:
Meer over de illustrator kun je vinden op zijn Instagramaccount.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page