web analytics
donderdag, mei 19

Vertelling: Vleugellam – deel 4

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zes delen. Lees ook deel 1, deel 2 en deel 3.

De prefect trekt de wijnkruik naar zich toe en schenkt voor ons allebei een flinke portie uit.
‘Je hebt gelijk,’ zegt hij rustig. Hij schuift een mok naar me toe. ‘Je moeder en ik kennen elkaar al heel lang. Heb je je nooit afgevraagd hoe je hier terecht bent gekomen?’
‘Na de am…’ Ik krijg het woord nog steeds niet over mijn lippen. ‘Nadat ik geopereerd was? IJlend van de koorts? Nee, dat heb ik me niet afgevraagd, nee. In het begin was ik er te ziek voor en later…’ Ik haal mijn blik van mijn moeders onaangeroerde roemer en richt hem op de man die niet alleen mijn leven redde, maar het ook weer de moeite waard maakte. ‘U leerde me vooruit te kijken, niet achterom.’
‘En dat heb je gedaan, jongen.’ Hij neemt een slok van zijn wijn. ‘Ik ben je oom, Jocelyns oudere broer.’
Het is zo’n apart idee dat ik buiten mijn moeder en mijn broer nog familie heb, dat ik verbaasd rechtop ga zitten.
‘U was een lid van het negende huis?’ Ongelovig gluur ik naar zijn brede rug. Ik ken de strenge regels van de orde beter dan ik zou willen. ‘Uw vleugels, bent u ze net als ik in een ongeluk verloren?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik heb ze opgegeven. Ik zou liegen als ik zeg dat ik er nooit spijt van heb gehad, maar ik sta nog steeds achter mijn keuze. Mijn familie begreep helaas iets minder goed waarom ik een rijkelijk leven wilde opgeven voor dit.’ Hij gebaart naar de kale muren rond ons. ‘Ik had al vijftien jaar niemand van hen gesproken, tot mijn kleine zusje plots midden in de nacht op de poort van het klooster bonkte en eiste, ja eiste, dat ze meteen binnen gelaten werd.’ Zijn brede gezicht vertrekt in een scheve glimlach. ‘Ze heeft je hiernaartoe gebracht toen je tussen leven en dood zweefde, jongen. Op de enige plek waarvan ze wist dat je stiefvader je niet zou komen zoeken. Waarom zou hij ook? Net als voor zovelen ongelovigen zijn we niet meer dan een mythe voor hem.’
‘Denkt hij dat ik…?’
‘Dat je dood bent? Ja.’
‘En Robinion?’ De vraag ontglipt me voor ik ze kan tegenhouden.
Een tweede zucht. ‘Het was veiliger zo. Zowel voor jou als voor hem.’
‘Was het dan zo erg?’ vraag ik. ‘Dat ik geen vleugels meer had?’
Hij neemt me scherp op. ‘Wat weet je nog van het ongeval?’
‘Rode ogen.’ Ik staar naar de houtnerven in het tafelblad. ‘Overal rode ogen. Tanden als zwaarden die me vastgrepen. Dan, niets meer.’ Ik glimlach flauwtjes. ‘Misschien is dat maar goed ook.’
‘De duikdraken hebben je inderdaad vastgegrepen. Maar niet om je te verslinden.’
Ik til mijn hoofd op. ‘Waar heeft u het over?’
‘Ze hebben je gered. Je op de rotsen aan de voet van de toren geduwd. Je was bewusteloos maar had geen schrammetje.’
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. ‘Dat liegt u.’
Zijn gezicht verstrakt. ‘Heb ik dat al ooit gedaan?’
‘Nee,’ zeg ik met tegenzin. ‘Maar waarom ben ik mijn vleugels dan kwijt?’ Plots mis ik ze. Heviger dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
‘Omdat…’ Hij haalt diep adem. ‘Omdat ze veranderd waren.’
Ik frons. ‘Veranderd?’
‘Ze waren goud met blauw.’
Een warme golf van trots omhelst me. ‘Net zoals die van mijn vader?’ Dat zal mijn stiefvader niet leuk gevonden hebben. Maar dan nog. Dat is toch geen reden om…’
De prefect tilt zijn hand op. ‘Er is nog meer: je veren waren weg.’
‘Weg?’ Aan de rand van mijn bewustzijn duikt een vage herinnering op. Een flits van iets. Een glad, kil gevoel onder mijn gekneusde vingers. Sterk, maar ook soepel. ‘Schubben. Ik had schubben.’ Drakenschubben.
Mijn oom knikt. ‘De paleiswachters leidden de duikdraken af met een paar stakkers uit de gevangeniscellen en haalden je van de rotsen. Robinion wilde met je naar de Holt vliegen, maar Raugüur weigerde. Hij was bang dat wat er ook met je was, op de kroonprins zou overgaan. Je werd met een schip naar de Holt gebracht. De paleisdokters onderzochten je, maar stonden voor een raadsel. Ze hadden nog nooit zoiets gezien. Je moeder was hysterisch, je broer doodongerust. En de regent…’
‘Liet mijn vleugels eraf halen,’ zeg ik bitter.
Mijn oom schudt zijn hoofd. ‘Hij beval dat je ter dood moest gebracht worden. Hij zei dat de duikdraken je besmet hadden. Je zou steeds verder veranderen, tot je…’
‘Een draak zou zijn,’ maak ik fluisterend zijn zin af. ‘Nee.’ Voor het eerst sinds lang schrijnen de littekens op mijn rug. ‘Nee.’
‘Je moeder was vanzelfsprekend niet akkoord, maar toen wist Raugüur de eilandenraad aan zijn kant te krijgen. Jocelyn was radeloos en smeekte hen om je leven. Uiteindelijk werd er een compromis bereikt: je mocht in leven blijven, op voorwaarde dat je vleugels werden verwijderd.’
‘In het begin leek de operatie geslaagd, maar toen kreeg je hoge koorts. Ten einde raad bracht mijn zus je in het midden van de nacht hierheen. Zonder medeweten van de regent, uiteraard. Drink eens,’ zegt hij als ik niet meteen iets zeg.
‘Denkt u dat, dat hij gelijk had? Zou ik een draak geworden zijn? Zou… zou het nog steeds kunnen?’ Ik klem mijn vingers om mijn mok bergwijn. ‘Had mijn moeder het daarover toen ze zei dat er niet veel tijd meer was?’
De prefect zucht. ‘Ik weet het niet, jongen. Maar dat is de vraag niet, is het wel?’
Ik knik. Les een van mijn opleiding: stel de juiste vragen. Voor het eerst moet ik ze niet aan iemand anders stellen, maar aan mezelf. Wat ga ik doen? Wat wil ik doen? Het antwoord is verrassend eenvoudig: de waarheid achterhalen. Volgende vraag: waar kan ik die vinden? Les twee: begin bij het begin. ‘Ik moet naar de toren, naar de duikdraken.’
De prefect knikt. ‘Dat denk ik ook.’

© Marcel Ozymantra

Alhoewel ik als zoeker de afgelopen jaren bijna alle eilanden heb bezocht, is het de eerste keer sinds mijn val dat ik weer op Varingstorm ben. Hoog boven mijn hoofd brandt het wachtvuur, maar hier beneden, in de grimmige schaduw van de stormtoren, heerst de duisternis. Al is het volle maan, de altijd aanwezige wind geeft haar geen kans. Voortjagende zomerwolken bevolken de hemel.
Ik wacht tot de eenzame torenwachter die vannacht patrouille loopt om de hoek verdwenen is en haast me dan in mijn spoorzoekersmantel het ruige gras voor de toren over. De zware, leren zak op mijn rug bonkt tegen mijn schouderbladen.
Ik hoop maar dat de duikdraken in de buurt zijn. De ijzeren hekken die het bassin afsluiten zijn omhooggehaald. Dat zag ik van op zee. Maar wat er aan de galgen op het platform bungelt, zag en rook ik ook. Als ik een duikdraak was, zou ik wel weten waar ik vannacht moest zijn.
Met mijn ordesjaal voor de onderste helft van mijn gezicht sluip ik de brede wachtmuur op. Het donkere water van het bassin golft onder de wind, maar ligt er voor de rest kalmpjes bij. Dat wil niets zeggen. Ik weet hoe snel het wateroppervlak in een brullende hel kan veranderen.
Ik hurk neer achter de heuphoge keermuur die me van het bassin scheidt en laat de leren zak zachtjes van mijn rug glijden. Met ingehouden adem maak ik de rijgkoord los. Wat ik bij me heb stinkt. Niet zo hard als de opgezwollen schaduwen die in het flakkerende licht van het wachtvuur boven me heen en weer wiegen in de wind, maar het scheelt niet veel.
Ik kies een groot, glibberig varkensribstuk uit en slinger het over de muur. Met een doffe plons landt het in het bassin. Ineengedoken wacht ik af.
Ook na een volle minuut blijft het stil. Geen wilde, over de muur slaande golven, geen oorverdovend gegrom en gegrauw. Ik vervloek de maan die net nu door de wolken breekt en trek de kap van mijn ordemantel over mijn hoofd. Aandachtig speur ik de omgeving af. Als ik zeker weet dat er geen wachter aankomt, kom ik voorzichtig half overeind en gluur ik over de muur naar het duistere water. Goden. De duikdraken zijn er wel.
Zes paar rode ogen zweven als stille dwaallichten in het kabbelende water, exact rond de plaats waar ik sta. ‘Wat willen jullie van me?’ fluister ik.
Het antwoord is een hoge, maanverlichte golf. Vanuit de dunne nevelslierten boven de brede zee-doorgang rolt ze witschuimend naar me toe. Andere volgen. Net als de eerste spatten ze uit elkaar tegen de wachtmuur onder me.
In het woelige water wijken de duikdraken uiteen. Een donkere onderwaterschaduw met ogen als vuurpoelen glijdt tussen hen in.
Ik nagel mijn voeten aan de wachtmuur vast en breng mijn bonkend hart tot bedaren. Ik moet erop vertrouwen dat me net als de vorige keer niets zal gebeuren. Nu ja, niets.
Het volgende moment spat een kolossaal, hongerig drakenhoofd in een fontein van zoutdruppels uit het water.
Misschien was dit toch niet zo’n goed idee? Mijn angst wint het van mijn moed. Ik zet het op een lopen, tot ik vanuit mijn ooghoek een glimp opvang van het met zeewier bedekte monster dat me achtervolgt. Struikelend dwing ik mezelf tot staan.
De ogen van de hoog boven me uittorenende draak zijn niet langer rood nu hij uit het water is. Ze zijn dofpaars. Als versluierd zuiderlicht. Of mijn eigen ogen op een slechte dag. Voor mijn angst me een tweede keer van idee doet veranderen, draai ik me naar het reusachtige beest toe. Met bonkend hart ruk ik mijn kap en sjaal af.
Het drakenhoofd verstilt, de druipende, wijd opengesperde muil sluit zich. Behoedzaam brengt het enorme dier zijn lange nek en enorme ogen dichter naar me toe. Als daarbij zijn rug door het ruwe wateroppervlak van het bassin breekt, slaat mijn hart pas echt op hol.
Vleugels. Hij heeft vleugels.

Volgende week verschijnt deel 5. Lees ook deel 1, deel 2 en deel 3.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan, Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.
Laat me vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com of via mijn Facebookprofiel.

Over de illustrator:
Marcel Ozymantra (Moz, 1970) is illustrator & vormgever. Doet de vormgeving van cultureel tijdschrift Sintel. Illustreert voor Fantastische Vertellingen, Parmentier, Fantasize e.a. Doet ook de vormgeving en webdesign voor buurt-tv IBTV. In andere hoedanigheid ook schilder & schrijver.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux en Marcel Ozymantra