web analytics
donderdag, mei 19

Vertellingen: Dodendanserslicht – deel 7

Een verhaal van Isabelle Plomteux in zeven delen.

Moeizaam kom ik bij, plat op mijn rug. Ik verstrak, tot mijn handen verse lakens en strakke verbanden met een helende geur vinden. Thuis, ik ben thuis. Op Wachterseiland, in de grote ordeburcht. Buiten, in de tarikbomen op het binnenplein, houden mintavogels hun kwetterende theekransjes.
Nu ja, thuis. Dat zal het vast niet lang meer zijn. Welke wachtershengst zal er nog met me willen vliegen nu ik Schim zo roekeloos… Met tegenzin sla ik mijn ogen op. Ik ben er niet klaar voor om de toekomst het hoofd te bieden. Ze hebben me helemaal aan het eind van de ziekenzaal gelegd, onder het grote, in ruitjes verdeelde boograam dat op het binnenplein uitkijkt. Uit de weg. Een stap verwijderd van mijn definitieve vertrek. Aan de andere kant van de rechthoekige zaal draait de houten toegangsdeur piepend open. De grootmeester komt binnen. Met besliste voetstappen, zijn donkergroene ordemantel als een vlag achter hem aan, beent hij over de stenen vloer naar me toe.
‘Tanarien,’ zegt hij met een ernstige stem.
Ik wil de eer aan mezelf houden en hem zeggen dat ik de orde niet langer tot last zal zijn maar mijn tong ligt als een droge leren lap in mijn mond. Water, gebaar ik. De grootmeester reikt naar de kruik op het tafeltje naast mijn bed en vult een aardewerken mok voor me.
‘Daruvia,’ zeg ik zodra ik ertoe in staat ben. ‘Er is een dodendanseres op Daruvia. Schim…’ Ik krijg de woorden niet over mijn lippen. Hij legt een hand op mijn schouder en knikt. ‘We weten het. Ze zal niet langer voor problemen zorgen. En Schims resten zijn hierheen gehaald. Zijn botten zijn bijgezet in de crypte. Geen dodendanser of bestjerka zal hem ooit nog kwaad kunnen doen.’
‘Bedankt.’ Ik wil de watermok weer op het tafeltje zetten, maar slaag er niet in. Ik ben zo zwak als een pasgeboren puppy. De grootmeester neemt het aardewerk van me over en helpt me om te gaan liggen.
‘De griffioen?’ vraag ik als mijn zware hoofd weer op mijn kussen rust.
‘Ze stelt het prima.’
‘Ze?’
Hij knikt. ‘Had je dat niet gemerkt?’
Ik vertrek mijn mond. ‘Ik had wel even wat anders aan mijn hoofd.’
Hij zakt neer op de kruk die naast mijn bed staat. ‘Je hebt het goed gedaan, Tanarien.’
‘Het is mijn fout dat Schim dood is,’ zeg ik, mijn ogen strak op de hoge, stenen muur van de ziekenzaal.
Hij fronst. ‘Had de dodendanseres er niets mee te maken?’
‘Natuurlijk wel, maar ik heb hem daar gebracht.’
‘En een koningsgriffioen gered,’ zegt de grootmeester. ‘En vier stormpanters.’
Ik haal diep adem. ‘Ik geef mijn ontslag.’
Hij schudt het hoofd. ‘Dat kan ik helaas niet toestaan.’
Ik frons. ‘Waarom niet?’ O… Goden, ik moet toch niet voor het wachterstribunaal komen?
‘Omdat…’ Kabaal in de gang doet hem stilvallen.
‘Houd haar tegen,’ roept een stem. ‘Houd haar tegen!’
De zware deur knalt open. Krassend valt het griffioenvrouwtje de ziekenzaal binnen. Om haar nek heeft ze een dikke, gouden ketting, waaraan ze rinkelend twee gegeneerd kijkende ordeknechten meesleept.

© Hedwig Oudendorp-Damen

‘Daarom,’ zegt de grootmeester met een zucht. ‘We hebben je al bij de ramen neergelegd, in de hoop dat ze er tevreden mee zou zijn om van buiten naar je te kijken, maar je ziet, het heeft niet veel geholpen.’
Ik gaap de griffioen aan. Ze is twee keer groter dan de laatste keer dat ik haar zag en aan de afgepeigerde knechten te zien minstens vier keer zo sterk. Als ze merkt dat ik wakker ben, spreid ze haar vleugels en slaakt ze een kreet waar de hoge vensters naast me van rammelen.
‘Hoe lang ben ik buiten bewustzijn geweest?’ Mijn ogen glijden over de onmogelijke omvang van de griffioen.
‘Een geelmaan.’
‘Een geelmaan?! Heeft ze dat gedaan op een reis van de gele?’
Hij knikt. ‘Haar eten valt niet aan te slepen. Wacht tot we een hele rode verder zijn.’
Aan het andere eind van de zaal wil de griffioen naar me toe zeilen.
‘Nee,’ roepen de knechten paniekerig. ‘Blijf. Zit.’
Verstoord kijkt de griffioen naar de mannen aan het eind van de ketting. Als ze haar zware achterlijf verheft, gaan de knechten mee de lucht in, vloekend als de arbeiders in de haven van Wachterslot.De heelmeester, die de commotie in zijn ziekenzaal tot nu toe verontwaardigd heeft gadegeslagen, schiet hen haastig te hulp. Gedrieën slagen ze erin om de griffioen weer aan de grond te krijgen.
‘Het is hopeloos.’ De grootmeester schudt zijn hoofd. ‘Laat haar los,’ roept hij, ‘voor jullie alle drie in de lucht hangen.’
Het volgende moment staat het griffioenvrouwtje naast mijn bed. Met schuin gehouden hoofd bestudeert ze me. De knechten en de heelmeester kijken verbouwereerd toe.
‘Hoi.’ Ik steek een zwakke hand naar haar uit. Ze snuffelt er even aan en ploft dan aan het voeteinde van mijn bed neer.
‘Zodra ik ertoe in staat ben, zal ik haar naar Karnimoer brengen,’ zeg ik geeuwend tegen de grootmeester. ‘Laat haar in de tussentijd maar hier. Dat zal nog de minste problemen geven.’
‘Tanarien,’ zegt hij met een frons. Zijn blik glijdt heen en weer tussen de griffioen en mijn gehavende lijf. ‘Je begrijpt het niet. Ze is al thuis. Hier, bij jou.’
Ik pluk aan de deken. ‘Je vind vast wel iemand die haar van me wil overnemen.’
‘O, daar twijfel ik niet aan, maar zo werkt het niet.’ Hij buigt zich naar me toe. ‘Ze heeft jou als haar berijder uitgekozen, Tanarien.’
Wat?
Hij geeft me een klopje op de arm. ‘Als je dan toch per se iets wil doen, train haar dan. En jezelf. Het ziet er naar uit dat we binnenkort voor het eerst een griffioenrijder in ons midden zullen hebben.’
Goden.
‘Hoe ga je haar noemen?’ vraagt hij. Mijn blik dwaalt naar het magische wezen bij mijn bed, dat rustig de brede banen zonlicht op de vloer bestudeerd.
‘Schaduw,’ zeg ik schor. ‘Ze heet Schaduw.’
Met een krijs valt het koningsvrouwtje me bij.
Einde.

Dit is het laatste deel van deze vertelling. Lees ook deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5 en deel 6.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969), ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster zo beleefd mogelijk uit dat ze het noorden kwijt was, dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten. In mijn hoofd woonde ze, mijn hersens en handen moesten aan de slag. Haar verhaal vertellen. En wel nu meteen. Ik zou dat er wel even bijnemen, dacht ik, tussen het werk op onze boerderij door. How hard could it be? Nou, dat heb ik geweten. De verhalen die jullie hier op Fantasize terugvinden, zijn de adempauzes die we beiden af en toe nodig hebben om het grote verhaal nog beter te maken. Veel leesplezier en laat ons vooral weten wat je ervan vindt. Dat kan via isabelleplomteux@outlook.com.

Dank aan Sigrid voor de zoals steeds geweldige redactie en de illustratoren voor de fantastische illustraties. Jullie maken het helemaal af!

Over de illustrator:
Hedwig Oudendorp-Damen (1982) is geboren en getogen in Leidschendam. Zij is altijd gefascineerd geweest door sprookjes, mythen en legenden. Het (voor)lezen hiervan en wandeltochten door de duinen en bossen, prikkelden haar fantasie. Assepoester (de Disney-variant) werd grijs gespeeld en later kwamen daar films als Legend, The Dark Crystal, Willow, Labyrinth, Magical Legend of the Leprechauns en The Lord of The Rings bij. Op de middelbare school werd tekenen aan het vakkenpakket toegevoegd en heeft zij kunnen experimenteren met verschillende teken- en schildertechnieken. De boekenkast staat vol met collecties sprookjesboeken, mythen en andere fantasieachtige boeken als De Bezeten Dunschiller, Harry Potter, Earthsea, etc.

 

© 2020-2022 Fantasize, Isabelle Plompteux & Hedwig Oudendorp-Damen