web analytics
zondag, mei 22

Vertellingen: 1897 – deel 4

Een verhaal van Terrence Lauerhohn in vier delen.

4.

Omgeven door hout en steen ontwaakt de verschrikking weer. De helse jager kijkt op, kreunt, de zonnespiegel is voorbij haar volheid. Eén nacht blijft. Eén nacht slechts, om te jagen, om te voeden. Een maand volgt, een martelend leven als een sterveling.

***

Giacomo lag onder wat bosjes die de kruising afbakenden waar hij de struikrover had gedood. Het was een wilde gok.
Zijn voorgevoel bleek juist. Het rijtuig van de signorina kwam in zicht. Hij wachtte tot het gepasseerd was en zette een nieuwe achtervolging in.
Tot zijn verwondering ging de reis niet via Chioggia. De menner week van de hoofdweg af en koos voor de route die iets noordelijk van Venetië, bij de kust uitkwam.
Aangekomen bij de oever van de laguna sloeg de koets af naar een achterafgelegen, vervallen haventje. Daar stapte de signorina uit. Een man kwam haar tegemoet.
Giacomo beet op zijn onderlip, na het bewijs dat ook zijn andere veronderstelling klopte. Haar verwelkomer, een knappe jongeling, begroette haar op een amoureuze wijze. Hij nam haar bij de hand en begeleidde haar naar een wachtende gondel.
De onrust in Giacomo’s hoofd en hart nam geestverwarrende vormen aan. In een opwelling zocht hij de kade af. Hij vond een wrakkig roeibootje. Zorgeloos over de staat van het vaartuig kieperde hij het in het water van de lagune. Hij strafte de riemen en het water voor de nijd die hem motiveerde, met hevige slagen. Maar zelfs de zilte spetters tegen zijn wangen verkoelden zijn woede niet.
De gondel, ijl, spookachtig in de deinende mist, dreef verder weg. Op de achtersteven stond de gondelier. Onverstoorbaar peddelde hij in de richting van het eiland dat het centrum van Venetië was. De contour van de twee geliefden in een innige omhelzing prikkelde het denkbeeld dat Giacomo’s geest verwarde.
Na een uur varen verloor hij het zicht op het scheepje en vervloekte hij de aandikkende mistlaag.
De boot kwam weer tevoorschijn, de gondelier boog af en voer naar San Michele.

Sinister, met kruisen en grafstenen gestekeld, doemde het dodeneiland boven de sluier van fijne waterdruppels op. De gondelier meerde zijn boot aan bij een korte steiger. Het drietal stapte uit, ze respecteerden de voor eeuwig rustende inwoners met zwijgzaamheid.
De mysterieuze reden van de signorina en haar minnaar om deze aanlegplaats te kiezen maakte dat Giacomo eindelijk voorzichtiger werd. Liggend op de bodem van zijn vaartuigje liet hij het op de golven dobberen. Toen hij de afstand tussen hem en de gondel groot genoeg vond ging hij aan land.
Het schijnsel van de volle maan verlichtte het drietal. De signorina en haar minnaar lieten de schipper achter bij zijn vaartuig en wandelden in de richting van de grotere mausoleums. Traag gingen beiden op in het donker, de wirwar van zerken, waartussen een grauwere nevel slingerde. Het perverse karakter van de gekozen plek voor hun liefdesspel wakkerde even perverse fantasieën aan, met de smaak van gal. In de verhulling van de asgrijze mist sloop Giacomo achter het verliefde stel aan.

Plotseling draaide de schipper zich naar hem om. Hij dook achter een van de meer imposante tombes op het veld weg. De gondelier bleek echter door iets anders te zijn gealarmeerd. In de nachtelijke hemel ruiste het. Harder, dan weer zwak, in vlagen.
De man zakte tot hij op zijn hurken zat. Hij tuurde wild om zich heen en naar boven. Met de roeispaan in zijn handen kwam hij overeind. In een enkele neergaande beweging brak hij de steel tegen een boord van de gondel in twee stukken. De helft in zijn handen stak hij in een verdedigende houding voor zich uit. Zijn ogen stonden wijd open.
Een schaduw overviel hem. Gewikkeld in een strakke omhelzing verdween de schipper met de schim achter de romp van zijn vaartuig. Duivels gesnauw verdreef wat van de stilte restte.
Een ondenkbaar silhouet trok de gondelier aan zijn armen omhoog, drukte de door angst verlamde kerel tegen de borst. Bleke vlerken klapten open. Flarden duisternis wikkelden zich om het lichaam. De man begon te stuiptrekken. Twee rijen spierwitte tanden omsloten zijn keel.
De gondelier rochelde, zijn bloed stroomde langs zijn keel. Hij staarde passief, zwijgend, naar de hemel. Het monsterlijke gedrocht dronk hem langzaam leeg.
Giacomo greep naar zijn revolver. Zijn vingers wilden niet ver genoeg buigen. Het wapen gleed uit zijn verlamde hand.

Een oeroud instinct dwong hem te gaan liggen. In het vuil trok hij in overgave zijn knieën op, prevelend om de bijstand van God en Diens hele schare van heiligen. Zij verhoorden zijn smeekbede, de kracht in zijn hand keerde terug. Met de wanhoop van een stervende die het tijdstip van zijn heengaan bestrijdt, omklemde hij de kolf van het wapen.
Hij richtte de loop op het monster. Het beven van zijn arm nam zijn bedrieglijke moed weg. Een tweede gebed om zijn pols stram te houden hielp niet.
Het creatuur draaide de kop, traag, zijn richting op. Een verblindende schittering in een van de satanische ogen doorbrak het duister. Het licht bescheen een profiel dat in nachtmerries thuishoorde.
Giacomo slikte braaksel door, perste zijn ongewapende hand tegen zijn buik. Hij verstarde zijn andere, voor het eerste schot, dat meteen doel moest treffen als hij zichzelf wilde redden.
De knal pijnigde zijn oren. Hij raakte de demon vol in de borst. Het wezen wankelde niet eens na de inslag. Het gaf hem zelfs de tijd om een volgende schot af te vuren. Een derde, vierde.
Na de vijfde kogel keek het een oogwenk naar de wonden. De kogelgaten sloten, huid groeide bleek terug. Het gedrocht wreef kalm over de geraakte plekken, waarna het zijn plezier uitte met een wijd opengetrokken muil en een lach die versteende. ‘Niemand verslaat een onsterfelijke!’ grauwde de abominatie. De grond trilde.

Giacomo trok wanhopig voor de zesde keer aan de trekker. Een droge klik herinnerde hem aan de kogel die hij door het hoofd van de struikrover had gejaagd.
Het wanschepsel sprong, waarmee het de afstand tussen hen beiden tot slechts decimeters verkleinde. Een geur van rot vlees en opgedroogd bloed hing rond het helse lichaam. De duivel bukte, opende zijn muil. Een druppel kwijl droop van elk van de puntige snijtanden. De ogen straalden, roofden alle wilskracht. Giacomo bood met achterovergeheven hoofd zijn hals aan.
‘Lucretia!’ De signorina verscheen uit een van de paadjes. De jongeman liep aan haar zijde. Beiden keken onaangedaan naar hetgeen zich voor hun ogen afspeelde.
Het hellebeest spreidde zijn vlerken, maakte zich los van de grond. De vleesgeworden nachtmerrie sprong op Isidora af. Zij bewoog geen spier. Haar blik rustte zonder angst op haar aanvaller.
‘Waar heb ik je bezoek aan te danken, Isidora?’ fluisterde het wezen haar toe met een stem die door merg en been ging.
Giacomo concludeerde en kwam tot een onvoorstelbaar resultaat. Vanaf dat moment streed zijn angst met de huiveringwekkende waarheid. Hij wilde het niet bevatten, maar het ondenkbare stond pal voor zijn neus en bedreigde haar zus.
De signorina duwde haar vrijer naar voren. ‘Ik kom om je voedsel te brengen, en om je een verzoek te doen.’
De jongeman keek glazig uit zijn ogen. Verdwaasd gaf hij zich over aan het monster. Dat ritste met bloedige nagels zijn keel van oor tot oor open.
Giacomo profiteerde van de afgeweken aandacht en rende weg van de plek waar het gedrocht zijn prooi omhelsde. De signorina wenkte hem. Hij bleef staan.
‘Ispettore, voor uw eigen veiligheid, kom achter me staan.’ Ze smeekte het welhaast.
Hij overwoog chaotisch of hij het volgende door haar aangeboden maal werd voor de demon, en of hij in leven bleef op de plek waar hij zich bevond. Omdat hij bij het laatste op de minst positieve voorspelling uitkwam bewoog hij zich traag, twijfelend, naar de signorina.
Intussen had het beest haar buik opnieuw vol gedronken. Ze richtte haar vuige gelaat op hen beiden. Het lijk in haar klauwen wierp ze achteloos weg. ‘Mijn honger is niet gestild, zuslief,’ grauwde ze. ‘Ik hunker naar de derde sterveling. Geef hem aan mij.’ Het gedrocht strekte haar armen voor zich uit, kromde haar vingers.

© Zef Oudendorp

Isidora stapte naar achteren. Ze hief beide handen op voor een afwerend gebaar. ‘De jongeling was om je tevreden te stellen. Een gift. Ik kom je halen, Lucretia. Eerbiedig de wil van vader. Reis met mij mee terug naar huis.’
De bloed en speeksel kwijlende bek van het monstrum raakte op een haarbreedte na de neus van de signorina. Met opgetrokken bovenlip likte de duivelse zuster haar hoektanden. ‘Zeg vader dat ik me hier thuis voel. Venetië biedt betere maaltijden dan hij me kan geven. Zijn bloed is zuur door ouderdom.’
Voor Giacomo dreven de woorden die de twee wisselden langzaam naar een verte af, tot ze fluisteringen waren. Hij luisterde, vanaf een veilig en diep weggedrukt plekje in zichzelf.
Isidora bleef kalm. ‘Met de door bloed gegeven kracht zal ook de honger gestaag groeien, Lucretia, en uiteindelijk blijven. Alleen door je drang te matigen is de metamorfose in te tomen. Vaders lichaam is te zwak om in voedsel te voorzien, maar hij wil je blijven beschermen. Daarom, wanneer de maan het toestaat, mag je jagen. Eén prooi in iedere nacht. Niet meer. Het is voldoende om je in leven te houden.’
Als reactie vloog het gruwelwezen weer op, met Isidora in haar armen. ‘Eén prooi per nacht? Mijn macht inruilen en mezelf laf verschuilen voor de stervelingen? Nooit, Isidora. Onoverwinnelijkheid smaakt te goed. Ik neem geen genoegen met wat vader aanbiedt!’ Het hellegedrocht wierp de signorina hardhandig weg.

Ze kwam op de gondel terecht. Haar gekreun bij het neerkomen en het geluid van brekend hout bereikte Giacomo’s verdoofde brein. Hij herstelde van zijn lethargische staat en sprong naar voren. In een reflex greep hij naar een deel van de in tweeën gebroken roeiriem, hij ramde ermee op het hoofd van de gevleugelde duivel. De spaan brak nog eens doormidden.
Verstikkende duisternis viel over hem heen. Een kille huid, pulserend van razernij, stinkend naar het graf, plakte tegen zijn lijf. Een van de dodelijk scherpe klauwen scheurde zijn jas open. Signorina Isidora schreeuwde, de vlerken die hem omwikkelden dempten haar stem.
Windvlagen en klapwieken volgden op haar gillen. Het tastbare en bijtende donker liet hem gaan. Hij zag de maan, de sterren.
Voor hem op de grond lag het monster, happend naar lucht, grijpend naar een gat in haar maag. Donker bloed golfde naar de grond en doorweekte die.

De signorina stond bij de poten van het gedrocht. In haar handen hield ze een splinter van de roeispaan, waar het duistere lichaamsvocht van de abominatie van afdroop. Ze slaakte opnieuw een schelle kreet. Een tweede keer stak ze het monster, ditmaal daar waar het hart klopte.
Het groen in de duivelse ogen kleurde fel lichtgevend op. Doelloos flapperden de vlerken door de lucht. Ranzig genagelde handen rukten verkrampt aan de staak.
De knokige vingers braken, huid liet los van het stuiptrekkende lichaam. Bleek gebeente werd zichtbaar. De oogbollen zonken weg in week geworden vlees.
‘Jouw keuze brengt de familie in gevaar,’ mompelde de signorina terwijl het kronkelende lijf van haar zuster een vlot rottingsproces onderging. ‘Voor jou is de kwelling voorbij, Lucretia.’ Ze plengde slechts enkele tranen.
Giacomo waagde het een hand zacht op een schouder te leggen. Ze keek hem met koele ogen aan. ‘Vergeef me, alstublieft, ispettore, dat ik u hierin betrokken heb.’ In haar stem school weinig meer van haar verdriet.
Even graag als zijn bonkende hart het hem opdroeg, vergaf hij haar. Hij nam zich zelfs voor haar medeplichtigheid en de misdaden van haar zuster te verzwijgen tegenover zijn superieuren. Het moorden zou stoppen na de dood van de demon, wat zijn bazen al meer dan tevreden zou stellen. Alles wat hij de signorina vroeg, om zijn persoonlijke nieuwsgierigheid te bevredigen, was door welke oorzaak Lucretia die verwerpelijke gedaanteverwisseling had ondergaan. Hij eindigde zijn vraag met de belofte die hij de signorina wilde doen: ‘Uw geheim is bij mij in goede handen en zal een geheim blijven.’
‘Ik dank u voor uw discretie,’ zei ze weemoedig. ‘U krijgt uw zin.’ Ze keek hem met half neergeslagen ogen aan. ‘Onze moeder is achttien jaar geleden tijdens de laatste maand van haar zwangerschap ontvoerd en verkracht door eenzelfde duivels beest als mijn zuster nu is. Na deze verschrikkelijke ervaring dorstte ze naar mensenbloed, wat weerzin voor zichzelf teweegbracht. Ze weigerde op jacht te gaan, ze verzwakte. Haar zwangerschap liep gevaar in een miskraam uit te monden. Mijn vader dwong haar daarom zijn bloed drinken.’ Ze schudde haar hoofd. ‘De ziekte bleek erfelijk te zijn. Die schok dreef haar tot een waanzin die in zelfmoord uitmondde.’

Plots keek ze hem recht in de ogen. ‘Lucretia heeft tot haar achttiende jaar de hunkering weten te weerstaan, ispettore. De dorst naar bloed is bij haar helaas te sterk. Ze ging op jacht om die dorst te lessen. Ik moest haar tegenhouden. Niemand mocht weten wat onze familie trof.’
Ze wees naar het wegterende lijk van haar zuster. ‘Een geneesmethode of medicijn is nooit gevonden. De dood is de enige, ware verlossing.’ Haar mondhoeken zakten.
Giacomo nam haar in zijn armen. ‘Ik treur omdat u treurt, signorina. Echter, zijzelf, Venetië en de hele wereld zijn beter af met haar dood. Haar verschijning brengt geen ellende meer en zij lijdt niet meer.’ Hij probeerde zijn toon zo troostend mogelijk te laten klinken.
Zij legde haar hoofd tegen zijn schouder. Isidora’s huid had de kilte van de nacht opgenomen, haar tepels drukten verhard tegen zijn borstkas. Hij trok zijn mantel uit, drapeerde die om haar lieftallige lichaam.
De signorina keerde haar gezicht naar hem toe. Haar lippen, vol, rood, klommen zoenend naar zijn hals. Teder likte ze zijn huid met het puntje van haar tong. ‘Het is waar, Lucretia is bevrijd van de gruwelijke ziekte die haar teisterde. Ik hoef niet om haar te treuren,’ zei ze. ‘Maar u hebt slechts gedeeltelijk gelijk.’
Hij keek haar aan, verlegen om woorden.
‘Venetië zal blijven lijden,’ fluisterde ze. ‘Zij en ik, we zijn tweelingzussen.’

Dit was het laatste deel. Lees ook deel 1, deel 2 en deel 3.

Over de auteur:
Terrence Lauerhohn is geboren op 31 mei 1960 in een Brabantse wieg te ’s Hertogenbosch. Pas op 51 jarige leeftijd schreef hij zijn eerste roman, ‘Noptula’ (science-fiction), die goede reviews ontving. Sindsdien zijn en worden een flink aantal kortverhalen van hem in genre-magazines en verhalenbundels gepubliceerd, waarvan verschillende zelfs in de USA. Terrence houdt zich het liefst niet aan een bepaald genre binnen de verbeeldingsliteratuur, zodat zijn grenzeloze fantasie alle richtingen van het onwerkelijke kan inslaan. Het auteurschap blijkt zijn passie te zijn, ontdekte hij. Zijn Dark-Fantasyroman, ‘De Negen Cirkels’ (2014-Zilverbron), was een van zes genomineerde titels voor de Hebban Awards 2015, categorie Fantasy. In 2015 publiceerde hij ‘Wegversperring’ (thriller-debuut), bij aquaZZ, i.s.m. Ambilicious. ‘Nirwana’ (2016/Ambilicious) is zijn derde boek en tweede thriller. ‘Nirwana’ is een kafkaësk verhaal met een dystopisch tintje. Op 5 november 2018 verscheen zijn vierde boek, ‘Zielenmenners’ (fantasy/spanning, met horrorelementen), bij Ambilicious. In het najaar van 2019 debuteerde hij met zijn misdaadroman ‘Blauwe bonen’ (Ambilicious).

Over de illustrator:
Zef Oudendorp is geboren op 18 februari 1982 in Leiderdorp en opgegroeid in Voorschoten. Sinds Zef een potlood kan vasthouden is hij bezig met het tekenen van gekke poppetjes. Na de ontdekking van de Ninja Turtles op de basisschool, namen de poppetjes andere vormen aan. Ook was Jim Henson’s The Story Teller een inspiratiebron. Vervolgens werd Zef geïnspireerd door de Germaanse mythologie, vampiers & weerwolven (hij groeide op naast een begraafplaats) en de nodige sci-fi films en comics. Zo heeft Zef Terminator 2: Judgement Day, Highlander en Mad Max: The Road Warrior zalig verklaard en laat hij zich verder inspireren door heavy metal.