web analytics
zondag, april 21

Vertellingen: 1897 – deel 3

Een verhaal van Terrence Lauerhohn in vier delen.

3.

‘Temper uw weerschijn, moeder maan,’ fluistert het dorstige wezen met schrale stem. Het heft een klauw, strekt benige vingers uit naar het verarmde zonnelicht. Nagels, zwartgerand, rijten de lucht. Naar beneden gaan ze, kervend in vel, spieren, pezen.
Hongerende lippen raken blanke huid. Een zachte zucht van dat wat voedsel wordt spoort de gulzigheid ongebreideld aan.
Een kreng, in de tint van was, rest na het stillen. Een slap, leeg omhulsel dat als afval in het zwarte water neergelaten wordt.

***

Giacomo wreef lusteloos de slaap uit zijn ogen. Stilletjes vervloekte hij zijn stommiteit van de dag ervoor. Hij had de nacht woelend doorgebracht, met het zinnenprikkelende beeld van de naakte signorina in zijn geest.
Hij keek door het raam dat het schijnsel van de volle maan binnenliet. Een smalle rand van de oostelijke horizon was donkerblauw, recht boven zijn hoofd kleurde de lucht nog pikzwart.
Hij friste zich op en trok zijn uniform aan.
Op het moment dat hij een voet op de onderste trede van de trap zette klopte er iemand in een staccato ritme op de voordeur.
Hij deed open en keek recht in het vertwijfelde gezicht van een agent uit zijn arrondissement. De man hield zijn diensthelm met beide handen vast. ‘Ispettore, het spijt me dat ik u zo vroeg…’
‘Vertel me liever wat je komt doen,’ viel hij de man in de rede, op een toon waarmee hij liet merken hoe zijn humeur was.
‘Ik moest u gaan halen.’ De diender boog zijn hoofd een beetje. ‘Er is vannacht weer een lijk uit de laguna opgedregd,’ meldde hij met een lichte hapering in zijn stem. ‘Ze… ze is verschrikkelijk verminkt.’

***

De zon rijst, ontlokt een gil aan bebloede lippen. De jager haast zich. Naast bleke beenderen legt geen schepsel van God noch dienaar van Lucifer zich te ruste.

***

‘Ze komt waarschijnlijk uit Gheto, ispettore.’
Giacomo prikte een potlood tussen twee lappen loshangend vlees. Het rubberachtige uiteinde van de halsslagader stak troosteloos uit de wonde. ‘Wanneer is ze gevonden?’
‘Een van ons heeft haar een uur of zes geleden aangetroffen,’ antwoordde de agent.
‘Waarom is ze niet direct afgevoerd? Moet iedereen dit zien, carabiniere?’
Dommig kijkend verontschuldigde de diender zich. ‘Ik dacht dat u wilde zien hoe ze erbij lag.’
‘Ik probeer paniek te voorkomen!’ haalde Giacomo fel uit, waarbij het door zijn hoofd raasde hoeveel trager zijn carrière zou verlopen als deze stuitende affaire te lang ging duren. En als hij die niet uit de kranten hield, dacht hij woedend, toen een bebrilde jongeman uit de kleine groep late en nieuwsgierige stamgasten naar voren stapte. ‘Stuur dat krantenventje weg!’ beval hij de carabiniere bits.
De agent benaderde de kerel met een vriendelijke begroeting.
Giacomo duwde hem opzij om zelf de journalist met een grove waarschuwing weg te sturen. Die haalde een potlood en papier tevoorschijn en waagde het een vraag aan hem te stellen.
Na een flinke lading vloeken, het dreigement dat hij wist voor welke krant de man werkte en de mededeling dat er een streng gesprek met diens baas zou volgen, droop de schrijver af.

© United in the Avalanche

De dode kreeg weer al Giacomo’s aandacht. Het water had het halfgeklede kadaver schoongespoeld. Diepe rimpels in de extreem bleke huid gaven de jonge vrouw aan zijn voeten het uiterlijk van een oud besje. Haar kleffe haardos hing in warrige strengen over het gezicht. Een donkere lok plakte vast aan haar lippen, waarin het rood amper nog kleur bracht. Een van de oogkassen was leeg. Het resterende oog lag vreemd verdraaid in de andere holte. Onder haar linkeroor miste de vrouw een groot deel van haar hals.
Een nieuwe tekening van de gerechtsdokter was niet nodig, de unieke handtekening van de waanzinnige dader tekende ook deze dode. ‘Breng dit lijk naar het mortuarium,’ beval Giacomo de agent en zijn zwijgende collega’s.
‘Haar kleding, ispettore? Wat wilt u dat we ermee doen?’ stotterde de aangesproken man.
‘Ze is misschien uit Gheto afkomstig, zeg je. Wie weet wat voor ziektes deze hoer met zich meedroeg. Verbranden, natuurlijk! En wel zo snel mogelijk.’ Hij slaakte een zucht vanwege de simpele gedachtegangen van de carabinieri. Hij deed het met opzet luid om de agenten te laten merken hoezeer hij hun trage reacties op prijs stelde.
Hoofdschuddend draaide hij zich om en liep naar zijn paard. Terwijl hij de plaats delict verliet, luisterde hij vergenoegd naar de dienders, die onder elkaar bekvechtten, probeerden te besluiten wie van hen als eerste het lijk moest aanraken.

Een uitbundig ochtendgloren kaatste van de rode daken af. Het zonlicht wierp lange slagschaduwen in de straatjes.
Daar waar muren en poortjes ontbraken om ze tegen te houden, slingerde de oranje schijf haar stralen onderlangs de rand van zijn bolhoed. Onregelmatige afwisselingen tussen ochtendschitteringen en plotselinge donkerte vermoeiden zijn ogen. Met een hand tegen de rand van zijn hoofddeksel zocht hij zijn weg door het labyrint Venetië.
Kooplui voerden met smalle handkarren de te verkopen goederen aan en zetten hier en daar reeds hun simpele stalletjes op. Langs de kades meerden steeds meer gondels aan, volgeladen met handelswaar.
Het tafereel zag er vredig uit, het verraadde niks van de groeiende vrees die in de hoofden van de kooplieden of handelaars woekerde. De gesprekken die de mensen echter tijdens de bedrijvigheid met elkaar voerden, gingen de laatste tijd steeds vaker over het monster dat in hun stad joeg. Volgens hen een demon die uit was op hun zielen, had een van zijn meer obscure contacten hem verteld. In deze stad hield niemand iets lang geheim.
De moordenaar waar hij naar zocht was inderdaad een soort van duivel, zij het een menselijke, zeer waanzinnige duivel. Zolang de dader het plegen van zijn misdaden beperkte tot de weinige nachten op en rond volle maan, bleven de roddels gelukkig geruchten.
Geen enkele moordenaar gaat eeuwig door. Het moorden stopte op een gegeven moment vanzelf, dan verwaterde deze affaire, werd die een van de vele griezelverhalen waar het volk tegenwoordig zo dol op was.

Een nieuwe zonneflits prikte in zijn ogen, verblindde hem. Giacomo stopte.
Toen hij weer details onderscheidde, trok een eenzaam geparkeerd koetsje met twee zenuwachtige paarden ervoor zijn belangstelling.
Hij onderzocht het zorgvuldig geblindeerde rijtuig beter, waarbij hij genoeg herkenningstekens ontdekte om te weten dat signorina Isidora zich in een van de omringende panden ophield. De buurt stond bekend om zijn voor één nacht te huren kamertjes, waarin geheime, amoureuze ontmoetingen plaatsvonden. Een vleug jaloezie joeg door zijn hoofd bij het besef waarom de signorina deze wijk heimelijk bezocht. Hij steeg af en bond zijn paard aan een houten paal. In het altijd aanwezige duister van een diep gelegen onderdoorgang wachtte hij af.
Na een kwartier verscheen de menner uit de richting van een van de talloze aanlegplaatsen. De man knikte in de richting van het koetsraam aan zijn kant. Een overschaduwde passagier trok de gordijnen dicht. De koetsier klom op de bok. Het span kwam na een zachte tik met zijn rijzweep in beweging.
Giacomo haalde zijn paard. Hij volgde het rijtuig op een ruime afstand, eerder afgunstig dan nieuwsgierig.

***

De koetsier knalde bij iedere vertraging zijn zweep door de lucht en joeg zo de beide paarden constant op. Giacomo liet zijn eigen rijzweep even vaak neerkomen op de bilpartij van zijn rijdier. Hij verwelkomde het stuifzand dat het gedaver van de koets en de paardenhoeven opwierpen, wat zijn achtervolging voor de koetsier ongezien hield, mocht de man onverhoeds omkijken.
Halverwege de route naar Dolo ging de tocht door een bebost landschap verder.
Plotsklaps klonk het geluid van knarsende wielen. De stofwolken in het zog van de landaulette waaiden op, om vervolgens naar de grond te zakken. De achterkant van het koetsje werd langzaam zichtbaar. De paarden steigerden en hinnikten. Het rijtuig stond op het midden van de weg stil, bij een kruising. De koetsier hield zijn armen in de lucht.
Giacomo steeg direct af. Hij hield de koets vanuit een ooghoek in de gaten terwijl hij zijn paard aan een boom vastlegde.
Verborgen in de dichtbegroeide berm sloop hij naar de kruising. De dienstrevolver hield hij naar de grond gericht, haan gespannen.
Bij het vervoermiddel stond een gezette man. Hij verborg het onderste deel van zijn gezicht achter een zakdoek die hij had omgebonden. De rand van zijn hoed hing over zijn voorhoofd. In zijn rechterhand glinsterde het donkere staal van een revolver.
De bandiet gebaarde met het wapen dat de koetsier moest afstijgen.
Giacomo richtte en haalde de trekker aan. De knal echode door het bos.
Het laaghartige sujet liet zijn armen zakken, bleef op trillende benen staan. De revolver viel uit zijn slappe vingers.
De man wankelde, knikte door zijn knieën en viel. Hij kwam met een doffe klap op de grond neer. Hij stond niet meer op.
Giacomo negeerde het lijk en liep op de koetsier af. ‘Is de signorina in orde?’ In stilte dankte hij de bandiet, wiens handelen hem een heldendaad had laten verrichten. Misschien wilde de signorina hem na de getoonde dapperheid zijn impertinentie vergeven en maakte ze het hooggelegen pad naar haar patriciërshart begaanbaar voor hem.
De koetsier klom op de bok. Giacomo herhaalde zijn vraag. Intussen tuurde hij door het raampje in het portier aan zijn kant. De signorina verschool zich in een schaduwrijke hoek van het rijtuig, waardoor slechts de helft van haar gezicht zichtbaar was.
De rijzweep knalde. Hij stapte haastig voor de wielen weg om zijn tenen te behouden. Al snel wierp de landaulette hogere wolken stof op dan voorheen.

Opgehouden door de dode bandiet, die hij wegens zijn functie niet op het midden van de weg kon laten liggen, keek Giacomo het in de verte verdwijnende voertuig na. Pas toen het niet meer was te zien haalde hij zijn paard.
Scheldend op het overgewicht van de struikrover tilde hij diens lijk over de rug van het rijdier. Hij bond de dode stevig vast aan het zadel, besteeg de paardenrug en sloeg de richting van Venetië in.

Volgende week verschijnt deel 4. Lees ook deel 1 en deel 2.

Over de auteur:
Terrence Lauerhohn is geboren op 31 mei 1960 in een Brabantse wieg te ’s Hertogenbosch. Pas op 51 jarige leeftijd schreef hij zijn eerste roman, ‘Noptula’ (science-fiction), die goede reviews ontving. Sindsdien zijn en worden een flink aantal kortverhalen van hem in genre-magazines en verhalenbundels gepubliceerd, waarvan verschillende zelfs in de USA. Terrence houdt zich het liefst niet aan een bepaald genre binnen de verbeeldingsliteratuur, zodat zijn grenzeloze fantasie alle richtingen van het onwerkelijke kan inslaan. Het auteurschap blijkt zijn passie te zijn, ontdekte hij. Zijn Dark-Fantasyroman, ‘De Negen Cirkels’ (2014-Zilverbron), was een van zes genomineerde titels voor de Hebban Awards 2015, categorie Fantasy. In 2015 publiceerde hij ‘Wegversperring’ (thriller-debuut), bij aquaZZ, i.s.m. Ambilicious. ‘Nirwana’ (2016/Ambilicious) is zijn derde boek en tweede thriller. ‘Nirwana’ is een kafkaësk verhaal met een dystopisch tintje. Op 5 november 2018 verscheen zijn vierde boek, ‘Zielenmenners’ (fantasy/spanning, met horrorelementen), bij Ambilicious. In het najaar van 2019 debuteerde hij met zijn misdaadroman ‘Blauwe bonen’ (Ambilicious).

Over de illustrator:
Meer over deze illustrator kun je vinden op zijn instagramaccount.

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Terrence Lauerhohn & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page