web analytics
dinsdag, mei 17

Halloween: Vertellingen – Steenmannetjes – Johan Klein Haneveld

Ik draaide de stevige plastic dop op mijn veldfles en genoot van de nog voelbare verfrissing in mijn mond en mijn keel. Een kriebelende druppel zocht zich een weg langs mijn kin en kronkelde over mijn hals naar mijn kraag. Ik ademde diep uit en zoog vervolgens mijn longen vol. Niet langer voelde mijn borst als een blaasbalg die het vuur maar nauwelijks gaande wist te houden. Het zweet op mijn voorhoofd begon ondertussen onaangenaam koud te voelen.
Ik stond in de schaduw van een steile rotswand met links van mij een helling van grijze blokken. Pas een heel eind beneden scheen de zon erop en de donkerte kroop zienderogen verder omlaag. De dag was over zijn hoogtepunt heen. De lucht boven me was niet langer fel blauw. Het leek nu of het zwart van tussen de sterren er alvast doorschemerde. Alsof er nauwelijks meer iets bevond tussen mij en de dodelijke leegte van het heelal in. Het gaf de hemel een benauwend, onderdrukkend aspect, alsof ik niet meer was dan een insect onder een neerdalende schoenzool.
Ik had een stap opzij gedaan om een groep wandelaars die van boven kwam te laten passeren. Nu hees ik de banden van mijn rugtas op mijn schouders. De opgerolde slaapmat bovenop duwde als vanouds in mijn nek. Ik haalde adem en nam de eerste stap. Veel oefening met bergwandelingen en -beklimmingen had ik de laatste jaren helaas niet gehad. Ik werkte als journalist, met een column in een landelijke krant waarin ik schijnbaar bovennatuurlijke fenomenen en andere onverklaarbare mysteries probeerde te ontkrachten. Meestal lukte dat gewoon vanachter mijn bureau en was de grootste afstand die ik aflegde die naar het koffieapparaat en terug. Dit keer was het anders. Mijn voetzolen gloeiden en mijn bovenbenen leken te branden. Een bonzende plek in mij linkerzij waarschuwde me dat ik niets moest forceren. Daarnaast voelde ik ook nog eens bij elke stap iets schuren bij mijn grote teen rechts. Het zou wel een blaar worden en een flinke ook.

© Alex van Leeuwestijn

Het uitzicht dat zich aan mij openbaarde toen ik naar rechts de bocht om ging, deed me echter mijn lichamelijke ongemakken vergeten. Ik keek omhoog in een breed dal, dat naar boven toe smaller werd. In het midden zigzagde een wit stroompje van rots naar rots, met aan beide zijden frisgroen gras. De hellingen waren bezaaid met blokken waaruit bloeiende alpenrozen piepten. Hoger rezen rotswanden op bekroond met witte pieken. De hoogste top bevond zich recht voor mij, een donkere vorm uitgesneden uit de hemel, een en al ongenaakbaar gesteente. Hij werd omgeven door witte wolken, alsof er plukken watten aan waren blijven hangen. Een zigzaggend wandelpad liep langs de linkerkant van het dal omhoog en verdween onder de berg uit het zicht. Het weggetje passeerde een indrukwekkend houten gebouw van twee verdiepingen dat als een fort de toegang tot dit desolate gebied moest bewaken. Uit een schoorsteen bovenop kwam een beetje grijze rook. Het dak was bedekt met zonnepanelen en ik zag een windmolen, die nu echter stilstond. Ook berghutten gingen met hun tijd mee.
Voor de hut bevond zich een stenen trog met daarboven een lopende kraan. Uit gewoonte pakte ik mijn veldfles van de lus aan de zijkant van mijn bepakking en hield die eronder. Ik had vandaag echter niet meer water nodig, want ik hoefde hier niet meer vandaan. Voor vannacht had ik een slaapplek geregeld in de berghut. Via het internet. Een satellietschotel op het dak vlak naast de schoorsteen zorgde waarschijnlijk voor de verbinding. Zelfs midden in de Franse Alpen kon een wandelaar niet aan het moderne leven ontsnappen. Op het gras naast de berghut lagen twee vrouwen op hun handdoeken, hun wangen rustend op hun voor zich uitgespreide armen. Terwijl ik toekeek, zag ik hoe vanuit het dal de schaduw naar ze toe kroop. Nog even en de zon zou achter de hoge berg verdwijnen. Ik had het nog niet koud, maar toch huiverde ik. De felle kleuren zouden plaats maken voor een grauwe eenvormigheid.
Aan mijn kant van de het gebouw was de schaduw zelfs al gearriveerd. Op een plat rotsblok zag ik een toren van stenen. Onderaan grote brokken en bovenaan kleinere, zorgvuldig opgestapeld. Een cairn zoals je die overal in de bergen kon tegenkomen. Het was traditie dat elke wandelaar er een steen bijlegde, maar ik had er geen meegenomen. Ik was niet van plan het steenmannetje nog groter te maken, integendeel.

Snel wendde ik mijn blik af van de stapel stenen en liep naar de hut. Ik duwde de ongeverfde houten deur open en stapte naar binnen. Geroezemoes bereikte me vanuit de eetkamer rechts van me. Achter een smalle balie zat een oudere man met witte plukken haar boven het leerachtige donkere gezicht van iemand die altijd in de zon is. Hij grijnsde witte tanden bloot terwijl hij mij aankeek en knikte naar mijn tas. ‘Iemand met ervaring.’
Ik antwoordde met een scheve glimlach. ‘Ja, maar helaas al weer even geleden. Mijn voeten waren het alweer vergeten.’
‘Dat geneest wel weer,’ zei de man. ‘Maar je spieren hebben een langer geheugen. Die ontdekken snel weer wat ze moeten doen.’
‘Dat hoop ik.’ Ik knikte in de richting van het dal. ‘Ik heb nog een eind te gaan.’
De man keek omlaag naar een kleine laptop. ‘U had gereserveerd?’
Ik noemde mijn naam.
‘Er is een bed voor je boven op kamer C. We hebben vanavond soep en morgen staat er vanaf vijf uur brood klaar. Je hebt geluk. Het is vandaag direct van de bakker hierheen gebracht.’
‘En koffie, hoop ik?’
‘Oploskoffie,’ antwoordde de man. ‘Maar om vijf uur ’s ochtends is dat net zo goed als het origineel.’
Hij moest lachen toen hij mijn teleurgestelde uitdrukking zag. ‘We moeten nog wel de illusie in stand houden dat hier verblijven een avontuur is. Als we een vijf sterren service aanboden zouden we ons niet meer onderscheiden.’
‘Oploskoffie om vijf uur koffie zal ik me ten minste de komende jaren blijven herinneren.’
‘U snapt het,’ zei mijn gastheer. Hij duwde me een formulier toe. ‘Als u hier wilt tekenen?’
Ik zette een krabbel, griste een papiertje mee met het wifi-wachtwoord en beklom de krakende trap naar de bovenste verdieping. Daar mikte ik mijn spullen op het onderste matras van een stapelbed – een van de vele die nog leeg waren, heel druk was het hier vandaag niet. Daarna kon ik eindelijk mijn schoenen en mijn sokken uittrekken.

© Alex van Leeuwestijn

Ik had me niet vergist. Ik zag inderdaad een blaar, opgezwollen tot het formaat van een druif. Ik pakte mijn eerste hulpdoosje uit het vakje voorop mijn rugtas, stak de strakgespannen huid door met een schone naald en sloeg een pleister om mijn grote teen. Op kousenvoeten ging ik vervolgens naar beneden. Na een eenvoudige maaltijd ging ik zitten op een van de houten banken, mijn benen uitgestrekt voor me. Ik was blij dat ik niet werkelijk van plan was de volgende dag verder te klimmen, want de spierpijn zou ongenadig zijn. Op een tafeltje naast mij stond een koel biertje. Die was drie keer duurder dan het beneden gekost zou hebben, maar ik gunde het mezelf na zo’n lange wandeling.
De andere gasten maakten het zich ondertussen ook makkelijk. De twee zonnende dames van zo-even speelden nu een kaartspelletje bij een van de tafels en een jonge man met lang blond haar had een oude krant voor zich uitgevouwen. Ikzelf had mijn telefoon meegenomen en opende mijn mailprogramma.

Ik moest even teruggaan tot ik het bericht vond dat me ertoe had aangezet deze beklimming te maken. Het behoorde tot de categorie die ik meestal voor de elektronische prullenmand bestemde, vooral omdat ik niet zo snel bevestiging vond in andere bronnen. Als ik elke fantasie van elke krantenlezer serieus moest nemen kon ik elke dag wel een column schrijven. De afzender van deze e-mail was echter geen typische aanhanger van samenzweringstheorieën. Die zou net als ik het grootste deel van zijn tijd thuis hebben doorgebracht, onafscheidelijk van zijn computerscherm. Nee, dit bericht kwam van een vrouw van achter in de twintig met een passie voor vakanties in de bergen. Twee jaar geleden op een vakantie in Zuid-Frankrijk had ze overnacht in een berghut. Deze berghut om precies te zijn. Het was er die nacht druk geweest, want een gezelschap van dertien man had ook de tocht omhoog gemaakt. Toen ze ’s avonds niet kon slapen, hoorde ze van buiten iets dat leek op eentonig gezang, als van Gregoriaanse monniken. Volgens haar was het echter geen Latijn dat ze hoorde, alleen iets wat erop leek. Ze was naar beneden geslopen en had door een kier in de deur naar buiten gekeken. De wandelaars bevonden zich achter de berghut, bij het rotsplateau. Ze zag er maar een paar, maar ze twijfelde er niet aan of alle dertien waren aanwezig. Ze gingen gekleed in zwarte mantels, met puntkappen. Voor zover ze kon zien, stonden ze in een cirkel om de toren van opgestapelde stenen. Ze had plotseling een koude druk gevoeld tussen haar schouderbladen en zich snel weer teruggetrokken. Die nacht had ze verder niet kunnen slapen, maar ze had het gezelschap niet weer naar binnen horen komen. De volgende morgen waren ze ook niet bij het ontbijt. Ze was naar het steenmannetje gelopen, maar kon er niets bijzonders aan zien. Het gebeuren was haar echter blijven achtervolgen en uiteindelijk had ze met mij contact op genomen, in de hoop dat ik haar kon geruststellen.

In mijn navorsingen door de jaren heen had ik nooit gehoord van spiritualistische bijeenkomsten hoog in de bergen. Beoefenaars van het occulte behoorden gewoonlijk tot dezelfde categorie mensen als aanhangers van samenzweringstheorieën en ik zag de meesten niet als in staat de klim naar een berghut te volbrengen. Geïntrigeerd door haar verhaal had ik geprobeerd de reserveringen te achterhalen van de berghut en van andere accommodaties in de Alpen. Met de nieuwe privacywetgeving was het niet heel makkelijk, maar in combinatie met vakantiefoto’s van wandelaars wist ik uiteindelijk te bevestigen dat er inderdaad die bewuste dag een gezelschap van dertien in de hut had overnacht. En groepen van dezelfde grootte hadden zich bevonden op vier andere plekken, verspreid over Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en Italië. Het prikkelde mijn verbeelding genoeg om er een stuk in de krant aan te wijden. Daarvoor moest ik de locatie echter eerst met eigen ogen zien.
Ik wilde liever geen tijd besteden aan vragen van nieuwsgierige wandelaars, dus zette ik mijn wekker om drie uur ’s nachts en legde ik mijn telefoon vlak bij mijn hoofdkussen.
De achterdeur van de hut zat niet op slot. Zo ver van de bewoonde wereld was dat ook niet nodig. Eenmaal buiten vormde mijn adem dampwolkjes voor me. Ik ritste mijn jas dicht. De zon had het overdag warm doen schijnen, maar nu pas was het duidelijk te merken hoe hoog ik me bevond. Boven mij was de hemel helder als een paneel van zwart glas, waarin duizenden kristallen schitterden. Wat ik eerst door de blauwe lucht had zien schemeren was nu in volle glorie gearriveerd, ontegenzeggelijk mooi, maar leeg en koud. Ik hoorde hier niet thuis, was de boodschap die tot me doordrong. Ik wendde mijn blik af en zag een hap uit de sterrenhemel genomen, het zwarte silhouet van de hoge berg aan het einde van het dal. Het sterrenlicht deed de eeuwige sneeuw glanzen. De piek leek naar mij over te hangen, alsof hij steeds dichterbij kwam, alsof hij steeds groter werd. Ik was sneller gaan ademen. Mijn keel was droog geworden en ik slikte. Koude zweetdruppels kriebelden op mijn voorhoofd. Mijn verbeelding was met me aan de haal gegaan. Het was juist mijn bedoeling aan mijn lezers te laten zien dat er niets was om bang voor te zijn.

Terwijl ik mijn bonkende hart zo goed en zo kwaad als het kon negeerde, liep ik naar achteren waar het steenmannetje zich bevond. De toren van platte stenen stond in een poel van zilver licht en leek te trillen alsof hij zich op de grens bevond van onze wereld en een andere realiteit. Dit soort steentorens werd al sinds de bronstijd overal op de wereld door reizigers achtergelaten. Ze maakten het mogelijk in moeilijk begaanbare gebieden de weg te vinden door van steenmannetje naar steenmannetje te lopen. Dat huidige wandelaars nog steeds stenen meenamen om op elkaar te stapelen was een verrassende verbinding met de prehistorie. Ondanks mijn scepsis was ik voorzichtig en sloop ik voetje voor voetje dichterbij.
Vlak voor het steenmannetje zakte ik op mijn hurken. Ik strekte mijn hand uit en raakte een van de platte keien met mijn vinger aan. Had ik iets verwacht? Een overspringende vonk? Een plotseling beklemmend gevoel dat me overviel? Het was gewoon een steen. Ik blies mijn ingehouden adem uit.

Op het eerste gezicht was er niets bijzonders aan deze stapel. Ik bracht mijn gezicht dichterbij. Een steen ongeveer halverwege zag er anders uit dan de andere. Waar die met cirkels korstmos waren beschilderd als teken dat ze er al tientallen jaren lagen, was deze nog kaal. Ik fronste. Hoe had het gezelschap met de kappen de oorspronkelijke steen weggehaald en deze ervoor in de plaats gesteld zonder de hele cairn te laten instorten?
Ik was nooit goed geweest in Jenga. Zonder iets te verwachten, pakte ik de opvallend schone kei tussen duim en wijsvinger en trok eraan. Hij schoof naar buiten. Ik hoorde wel iets kraken, maar het steenmannetje bleef staan. Kennelijk droeg deze steen geen gewicht. Ik draaide hem om. Op de vlakke onderkant stond met zwarte verf een symbool geschilderd. Het leek een rune, maar niet een die ik zo snel herkende uit de occulte werken in mijn bibliotheek. Mijn blik leek zich niet te willen scherpstellen op de donkere vegen. Ik werd door een onbehaaglijke sensatie overvallen. Dat de groep had bestaan uit amateurs en dat hun bizarre ritueel niet als grap was bedoeld, leek me nu onwaarschijnlijk.
Mijn benen waren pijn gaan doen en ik richtte me op. Ik dacht aan de vijf andere berghutten waar twee jaar geleden groepen van dertien waren bijeengekomen. Ik had ze op een kaart gezet en er lijnen tussen getrokken. Er was een vijfpuntige ster ontstaan, met de ene punt omlaag. Hij omvatte het grootste deel van de Alpen. Volgens de oude boeken werd deze vorm gebruikt voor het oproepen van demonen. Was dat hier ook het geval? Dan was het een heel grote demon. Welk monster uit de mythologie was zo groot dat een pentagram zo groot als een bergketen nodig was om hem naar onze dimensie te lokken? Was het een van de oude goden waar occultisten het zo vaak over hadden? Ik keek nog eens over mijn schouder. De berg leek een groter deel van de hemel af te schermen dan eerder. Het was alsof hij naar voren kwam, als een duim die op het punt stond me plat te drukken.
Misschien was mijn verbeelding zo midden in de nacht wat te levendig, maar ik wilde niet naar binnen terugkeren terwijl de tovercirkel nog intact was. Ik liet de steen vallen en op de rand van het rotsplateau brak hij in drie stukken uiteen. Was dat voldoende? Ik nam liever het zekere voor het onzekere. Dus zette ik mijn handen tegen het steenmannetje en begon te duwen. De stapel was opvallend stabiel, maar uiteindelijk gingen er stenen schuiven. De bovenste stukken vielen als eerste. Toen schoof een heel deel van de zijkant weg. Het kabaal was oorverdovend. Ik hoorde stemmen uit de berghut, maar ik zette mijn sloopwerkzaamheden door. Al snel was de berg de helft kleiner. Tevreden deed ik een stap naar achteren en klopte het stof van mijn handen. Ik slaakte een diepe zucht.
‘Wat doe je?’ riep de oude man met de leren huid en de witte plukken haar. Hij liep op blote voeten en had een oude kamerjas met te korte mouwen omgeslagen. Hij staarde met van angst wijd open gesperde ogen naar wat er van de cairn was

© Alex van Leeuwestijn

overgebleven.
‘Maakt u zich maar geen zorgen,’ zei ik. In mijn gedachten was ik mijn volgende column al aan het opstellen. ‘We kunnen morgen een nieuwe stapel maken.’
‘Je begrijpt er niets van,’ zei de man zonder zijn blik van het steenmannetje los te trekken. ‘Nu houdt niets hem nog tegen.’
‘Wat?’ vroeg ik verbaasd.
Hij keerde zich naar me toe. ‘Dit was het enige dat we konden doen.’
‘Het enige?’ herhaalde ik. ‘Waarvoor?’
In het scherpe sterrenlicht leken de lijnen op zijn gezicht dieper. Zijn ogen glommen. ’De symbolen kunnen niet alleen dienen om iets op te roepen, maar ook om iets uit onze werkelijkheid buiten te sluiten.’
Een plotselinge kou tussen mijn schouderbladen maakte dat ik me omdraaide. Mijn bloed stolde in mijn aderen. De piek die ik zo bedrukkend had gevonden liet lawines van sneeuw en stenen van zich afrollen. Vervolgens strekte hij zich uit. Daarna kwam de punt naar voren, vergezeld van een krakend geluid, zo luid dat ik naar mijn oren moest grijpen. De berg was tot leven gekomen. In de verte begonnen ook andere toppen te bewegen. Het waren de ledematen van een wezen zo groot de Alpen. En ik had het losgelaten op de wereld. Het was een schrale troost dat ik als eerste zou worden weggevaagd.

 

© 2020-2022 Fantasize & Johan Klein Haneveld & Alex van Leeuwestijn