web analytics
dinsdag, mei 28

Vertelling: Tijd is een harde meesteres – Charles van Wettum

Door Charles van Wettum

‘U moet hem helpen. Dat moet!’ Sofia legt in paniek haar hand op haar buik. Haar nu nog platte buik, waarin Hermans kind groeit. ‘Hij is de vader. Hij weet nog niet eens dat hij vader wordt.’
De stem die haar een half uur geleden telefonisch informeerde over de opname van Herman op de spoedeisende hulp was vriendelijk, maar de boodschap was afschuwelijk: hij vertelde dat Herman een motorongeluk had gehad. Sofia moest onmiddellijk naar het ziekenhuis komen. De telefoon viel uit haar hand. Een golf van paniek verlamde haar en als ze zich niet direct op een stoel had kunnen laten zakken, zou ze lelijk zijn gevallen. Gelukkig was haar moeder thuis – haar intuïtie moest haar gewaarschuwd hebben dat het noodlot toesloeg, want ze kwam precies op dat moment hun huiskamer binnen. Doortastend als een moeder in zulke situaties kan zijn, heeft ze Sofia meteen bij de hand genomen, in de auto gezet en naar het ziekenhuis gereden.
Nu staat Sofia op de IC naast Hermans bed. Hij ligt roerloos onder de dunne ziekenhuisdekens, zijn hoofd is omwikkeld met verband. Het weinige van zijn gezicht dat onbedekt is gebleven, is spierwit, net als de handen die naast hem op de dekens liggen. Naast het bed flikkeren lampjes. Er lopen vloeistoffen door buisjes. Apparaten piepen.
‘Hij ligt in diepe coma, mevrouw. Zijn hersenschade is heel zwaar.’ De arts praat zacht. ‘We hebben de druk door de bloedingen in zijn hoofd wat kunnen verlagen, maar dat is niet voldoende. Hij is hersendood.’
‘Maar hij ademt! Ik zie het, dan leeft hij toch nog?’ smeekt Sofia. Ze ziet haar moeder vol medelijden kijken. Gisterenavond heeft ze haar moeder verteld over de uitslag van de zwangerschapstest. Vanavond zou ze Herman verrassen, ze was met de voorbereidingen daarvan bezig op het moment dat de telefoon overging.
‘Het spijt me, mevrouw. Onze apparaten verzorgen de basisfuncties, maar dat betekent niet dat hij leeft. Wij kunnen niets meer voor hem doen.’ De arts kijkt professioneel meelevend. ‘U kunt het best nu afscheid nemen, daarna zetten we de apparatuur uit.’
Sofia kijkt naar het stille lichaam op het IC-bed. Hersendood. Hij is de liefde van haar leven. De vader van haar ongeboren kind. Met hem zou ze oud worden, hun plannen waren misschien niet groots, maar wel… De tranen lopen over haar wangen. Afscheid nemen? Dan kan niet. Dat mag niet!
‘Maar dokter, een wachtkamer. Kan dat niet?’ hoort ze haar moeder vragen. ‘Daar heb ik over gelezen. Zo’n plek waar hij kan wachten tot er betere behandelingen zijn gevonden.’
‘Een wachtkamer,’ antwoordt de arts nadenkend, ‘daar zijn wij geen voorstander van. Het wekt onrealistische verwachtingen en mensen hebben…’
‘Maar het kan dus wel?’ hoort Sofia haar moeder aandringen. Mama is duidelijk niet geïnteresseerd in de mening van de dokter.
‘Hier naast het ziekenhuis verhuurt Mormon inderdaad wachtkamers,’ geeft de dokter toe. ‘Het is duur, en met zijn hersenschade verwacht ik niet dat er ooit…’ Hij valt even stil. ‘Maar als jullie het heel belangrijk vinden, misschien…’
Sofia kijkt hem aan. Is er hoop?
Dan sluit hij af met: ‘Ja, dat kan. Maar het moet snel.’
‘Dan gaan we daar nu heen, Sofia.’ Haar moeder legt een arm over haar schouders en kijkt de arts vastberaden aan: ‘Ik doe er alles aan om mijn kleinkind een vader te geven.’ Ze trekt Sofia mee, uit de IC en naar de liften.
Vanuit de hoofdingang van het ziekenhuis slaan ze linksaf. Het gebouw naast het ziekenhuis is een golfstalen loods. Hoog tegen de gevel hangt het rode logo van Mormon. ‘Daar moeten we heen.’ Sofia zegt niets, ze laat de gebeurtenissen gelaten over zich komen. Het is maar goed dat ze mama bij zich heeft, alleen zou ze niet weten wat ze moest doen.
Voor de dubbele toegangsdeur van de karakterloze opslagbunker staan een groep demonstranten. Sofia ziet ze borden ronddragen. ROTZOOI NIET MET DE NATUUR, zegt het eerste. Daarnaast: TIJD IS HEILIG en NIET VERTRAGEN MAAR VERDRAGEN.
‘Mogen we er even langs, mensen?’ vraagt moeder. Ze vraagt het vriendelijk, maar loopt tegelijk stevig door.
‘Die mensen daarbinnen veranderen natuurwetten!’ roept een oude vrouw met lang grijs haar en een bloemetjesjurk. Ze gaat pal voor Sofia staan. ‘Jan mag niet zomaar alles doen wat kan!’
‘Blijf met je vingers van de tijd af!’ roepen een paar anderen in koor. ‘Tijd is te heilig om mee te spelen.’
‘Kom, Sofia. Genoeg van die onzin.’ Haar moeder duwt de vrouw met kracht opzij. ‘We gaan naar binnen.’
‘Je kunt de tijd niet veranderen zonder de wereld te beschadigen,’ roept de vrouw hen na, terwijl ze door de deur naar binnen glippen. ‘Denk toch na!’
Als de deur achter hen dichtvalt, dringen de geluiden van buiten gelukkig niet meer door. ‘Goedenavond, hoe kan ik jullie helpen?’
Sofia negeert de jongeman die hen in de prachtige toonzaal snel naar hen toe snelt. Ze heeft de containers tegen de achterwand zien staan. Dat zijn ze: de wachtkamers. Hiermee kan ze Herman helpen!
‘Inderdaad, mevrouw, dat zijn ze,’ zegt de verkoper als hij haar ziet kijken. ‘Luxe wachtkamers. Bekleed met de hoogste kwaliteit tijdfolie. Binnenin is de tijd vertraagd, voor elke dag buiten verstrijkt er binnen één seconde. Tien jaar buiten in één uur. Uw geliefden kunnen veilig wachten op de ontwikkeling van een medische behandeling, zodat ze na ontwaken geholpen kunnen worden. Komt u rustig eens naar het interieur kijken.’
Hij loopt naast Sofia naar de eerste container en klapt de grote deur open. ‘U ziet, wij leveren een IC-bed en alle ondersteunende apparatuur. Er zijn ingebouwde accu’s met een garantie voor vijftig jaar externe tijd. Kan ik u koffie aanbieden?’ Hij wijst op het salontafeltje waarop de folders en prijslijsten liggen. ‘Gaat u daar maar zitten, ik kom er zo aan.’
Terwijl de espressomachine luidruchtig maalt, wijst Sofia op de documentatie: ‘Moet je die prijzen zien, mama! Dat kan ik echt niet betalen…’
‘Stil, meisje,’ sist haar moeder. ‘Daar praten we nu nog niet over.’ De verkoper komt met de koffie. ‘Meneer,’ spreekt haar moeder hem aan. ‘We willen weten hoe het werkt. Die mensen buiten zeiden dat jullie natuurwetten veranderen.’

Folder tijdcapsules Mormon, © Charles van Wettum

De verkoper zet de koffie neer. Hij kijkt vermaakt: ‘Nee, mevrouw, wij veranderen geen natuurwetten, dat kan niemand. Wij gebruiken ze. Het is de missie van ons bedrijf om de allernieuwste technologie in te zetten om mensen te helpen.’ Hij wijst op de wachtkamers die langs de achterwand staan. ‘Onze tijdfolie is een zuiver natuurproduct. We maken gebruik van slim opgevouwen ruimtetijd, waardoor de eigenschappen binnen de wachtkamer anders zijn dan buiten. De technologie komt uit de ruimtevaart, mevrouw, maar is door Mormon beschikbaar gemaakt voor consumenten.’
Sofia krijgt hoop. Als dit toch zou kunnen … Als Herman kan wachten tot er een behandeling komt, dan zal ze hem terug zien. Dan zal hun kind een vader krijgen. Dan zullen ze een gelukkig gezin kunnen zijn. Daar wil ze alles voor doen!
‘Maar u zegt dat het experimenteel is,’ vraagt Sofia wanneer ze het woord ‘ruimtevaart’ valt. ‘Het is toch niet gevaarlijk? Ik wil niet dat Herman risico’s loopt terwijl hij wacht op een behandeling.’
Haar moeder legt een hand op Sofia’s arm. ‘Ze gaan heus Herman niet in gevaar brengen, liefje.’ Ze richt zich naar de verkoper. ‘Wij zijn toch niet de eersten die hier komen? Ik hoorde dat er heel veel mensen zijn die wachtkamers gebruiken.’
De verkoper wijst op de monitor achter hem waarop rijen reacties met vijf sterren scrollen. ‘Onze klanten zijn heel tevreden. Er zijn er honderden die maar een paar maanden hoefden te wachten, bijvoorbeeld omdat ze nieuwe medicijnen nodig hadden. Zij zijn inmiddels genezen. Anderen wachten nog steeds, van hen hebben we natuurlijk nog geen reactie.’
‘Die anderen liggen hier?’ vraagt Sofia’s moeder. ‘Mogen we eens zien waar u die wachtkamers bewaart?’
‘Ja, natuurlijk, loopt u maar mee.’ De verkoper gaat hen voor naar een deur achter in de toonzaal. ‘Hierachter wachten onze slapende klanten op de vorderingen in de medische wetenschap.’
‘Niet zo snel, mama. Ik kan nu niet denken …’ fluistert Sofia, terwijl ze proberen de verkoper bij te houden.
Moeder legt beschermend een arm om haar schouder. ‘Ik begrijp je, Sofia, maar we hebben geen keus. Het moet snel, Herman kan elk moment overlijden,’ fluistert ze terug. ‘We moeten straks meteen beslissen.’
Achter de deur begint een breed pad. Links en rechts staan containers, ze zijn gehuld in een zachte groene gloed. Ze staan gestapeld, meestal drie, maar soms zelfs vijf verdiepingen hoog. Rij na rij, het zijn er honderden. Het is duidelijk dat heel veel mensen al hebben gekozen voor deze mogelijkheid. ‘Onze wachtkamers,’ wijst de verkoper trots. ‘In elke kamer ligt één van onze klanten.’
‘Dat groene licht, meneer, wat is dat?’ vraagt Sofia’s moeder.
‘Ah, dat heet Tsjerenkov-straling, mevrouw,’ antwoordt de man direct – die vraag heeft hij natuurlijk vaker gekregen. ‘Uit de vouwen in het tijdfolie lekken ongevaarlijke deeltjes, de zogenaamde tachyonen. Die zenden wat licht uit, daardoor versnellen ze en dan verdwijnen weer in hun eigen werkelijkheid. Aan de binnenkant is die gloed er trouwens niet, daar is het volledig donker.’
‘Maar het is wel veilig?’
De verkoper glimlacht, terwijl hij langzaam begint terug te wandelen naar de toonzaal. ‘Absoluut, mevrouw. De technologie is zo ontzettend veilig, dat we er zelfs huishoudelijke apparatuur mee gaan uitrusten. Goedgekeurd door alle instanties.’ Hij knipoogt. ‘En ik kan u zeggen: dat zijn er heel veel.’
‘Zulke apparaten in de keuken?’ In de stem van moeder klinkt ongeloof door.
‘Ja, mevrouw. Mormon komt binnenkort met houdkasten, dat wordt een vervanger voor de ouderwetse koelkast. Het is een gewone wandkast met een dunne laag van ons gepatenteerde tijdfolie in de wanden, waardoor binnen de tijd een factor duizend vertraagd is. Speciaal voor levensmiddelen.’ Hij lacht een brede lach met volmaakt witte tanden. ‘Eten bederft niet, warme maaltijden koelen ontzettend langzaam af en bevroren eten ontdooit nauwelijks. De perfecte koelkast maar zonder te koelen!’ De verkoper glimt van zelfvertrouwen. ‘Er is geen stopcontact nodig, want de houdkast gebruikt geen energie. Beter voor het milieu kan helemaal niet.’ Hij wuift even met zijn hand naar de muur, naar de betogers daarachter. ‘Ik verwacht de houdkasten over een maand in de winkel.’
Galant houdt hij de deur naar de toonzaal open.
‘Maar deze wachtkamers …’ vraagt Sofia. Ze wil het niet hebben over keukenapparatuur. ‘Kan Herman daarin wachten op een operatie?’
‘Dankzij onze dikste folie, mevrouw. De beste kwaliteit met de hoogste vertragingsfactor. Vijftig jaar garantie en de prijs is inclusief opslag van de wachtkamer in deze locatie, pal naast het ziekenhuis. Kan ik u nog een kopje koffie inschenken?’
‘Nee, geen koffie meer,’ beslist haar moeder, terwijl ze naast Sofia in haar stoel gaat zitten. ‘Voor mij is het duidelijk. Sofia, wat denk jij?’
‘Herman gaat dood. Als hij zo kan blijven leven …’ Sofia kijkt haar moeder wanhopig aan. ‘Dat wil ik natuurlijk, maar ik kan dit niet betalen. Echt niet.’
‘Ik betaal, meisje. Mijn geld is er om jou te helpen en als dit daarvoor het moment is, dan neem ik een hypotheek en gaan we dit doen.’ Ze legt haar arm om Sofia’s schouder. ‘Ik doe alles voor je, dat weet je.’
De verkoper schuift een stapeltje papieren naar hen toe. ‘Een goede beslissing, mevrouw. Als u deze formulieren invult en ondertekent, dan regel ik met het ziekenhuis dat uw vriend onmiddellijk hierheen wordt gebracht.’
Terwijl Sofia en haar moeder beginnen met de informatie die ze moeten aanleveren, pakt de verkoper zijn telefoon. Sofia’s moeder zet net de laatste handtekening, wanneer twee verplegers door een zijingang Hermans IC-bed de toonzaal binnenrijden. Sofie springt op, ze wil bij hem zijn. Dit zijn hun laatste minuten samen voordat die container hen heel erg lang zal scheiden.
‘De meest rechtse,’ wijst de verkoper. Het is de wachtkamer met het bordje 12D. De verplegers tillen Herman voorzichtig in het wachtkamerbed en sluiten de apparatuur aan. Meteen beginnen de bliepjes en piepjes. Aan de arm van haar moeder loopt Sofia naar de container. In het IC-bed ligt Herman. Grauwe dekens bedekken hem, het verband rond zijn hoofd is vervangen. Twee zakken infuusvloeistof hangen aan de standaard, de vloeistof druppelt in de slangetjes die onder de dekens verdwijnen. ‘Hij hoeft maar voor twee uren medicatie mee te nemen,’ legt de verkoper uit. ‘In zijn referentiekader zal er niet meer tijd verlopen.’
‘Even stil, meneer,’ sist Sofies moeder over haar schouder. ‘Wacht maar even in de toonzaal.’ De verkoper doet een paar stappen terug.
Sofia zou heel lang willen blijven staan, maar haar moeder knijpt in haar arm. ‘We gaan Herman hier achterlaten, meisje. Hier is hij veilig – hoe langer we hier blijven staan, hoe groter de kans dat hij straks overlijdt voordat de container weer open gaat.’ Met moeite scheurt Sofia zich los. Voor hem twee spannende uren, voor haar twintig spannende jaren. Er zijn niet meer dan een paar minuten verstreken, wanneer Sofia en haar moeder weer aan het tafeltje gaan zitten. ‘Goed, meneer. Nu zijn we zover.’
De verkoper sluit de deur van wachtkamer 12D achter hen. Wanneer hij het laatste tikje geeft, springt een rij groene lampjes aan. ‘Nu de deur is gesloten, is de wachtkamer een effectieve tijdkooi.’ Hij klopt zachtjes tegen de deur. ‘Over twintig jaar doen we deze deuren weer open. Wij regelen dat het ziekenhuis hem dan komt ophalen en hem behandelt met hun allernieuwste wetenschappelijk methoden. En ik geef u de garantie: mocht er tegen die tijd nog geen oplossing zijn gevonden, dan is het mogelijk om het contract te verlengen. Tot maximaal vijftig jaar.’
Hij kijkt Sofia vol empathie aan. ‘Mevrouw, u geeft hem het allerbeste wat in deze omstandigheden beschikbaar is. Wij zullen de komende decennia goed voor hem zorgen.’

***

Vijf maanden is Sofia nu zwanger. Haar buik begint zichtbaar te bollen. Ondanks de voortdurende zorg van haar moeder is ze eenzaam – mama’s optimisme maakt het verdriet niet kleiner. Ze voelde haar maag samentrekken, toen ze bij de echo het jongetje zag en het tot haar doordrong dat ze dat diepe gevoel van geluk nooit met Herman zou kunnen delen. Ze zal de komende maanden alleen zijn, ze zal bevallen zonder vader die mee zucht op het ritme van de weeën. Er komt geen kus van hem op haar bezwete voorhoofd als het kindje er eindelijk is. Ze zullen niet samen huilen als het baby’tje voor het eerst op haar buik ligt. Natuurlijk, haar moeder zal er bij zijn; maar dat is toch echt iets anders.
En dan, ná de geboorte… Sofia heeft de afgelopen weken voortdurend over die toekomst nagedacht. Ze zal de ongetrouwde moeder zal zijn van een leuk jongetje. Ze zal hem alleen zal opvoeden en hem vertellen over de afwezige vader die in de wachtkamer ligt te wachten. Hij zal naar school gaan, misschien studeren en waarschijnlijk het huis uit zijn op de dag dat zij naar het ziekenhuis gaat. Misschien wil hij niet met haar meegaan – hij heeft immers zijn vader nog nooit gezien.
Ze denkt. Ze zou soms liever stoppen met denken, maar dat kan ze niet.
Overmorgen viert ze haar verjaardag. Zonder Herman. Haar moeder heeft geregeld dat er een paar vriendinnen langskomen voor een avondje bordspellen. Toen ze gisteren daarvoor de boodschappen deed, werd ze in de supermarkt aangesproken door een man. Hij was jong, hoogstens dertig en had net zo’n woeste baard als Herman. Hij zocht de vegetarische kaas – tenminste: dat zei hij, misschien was hij wel op zoek naar een praatje. Het was een mooie man, in andere omstandigheden zou ze zeker even met hem hebben gekletst. Maar nu niet. Ze moet twintig jaar wachten. Twintig jaar alleen maar wachten op de dag dat Herman wakker wordt. Toen ze thuiskwam, had ze de knoop doorgehakt: ‘Mama, ik weet wat ik voor mijn verjaardag wil.’
‘Vertel, meisje. Wat heb je bedacht?’
‘Als Herman over twintig jaar uit die wachtkamer komt, zal ik vijfenveertig jaar zijn, mama. Als ze hem dan hebben genezen, dan is hij een gezonde man van vijfentwintig en ik ben stokoud!’ Ze zitten aan tafel en Sofia kijkt haar moeder aan. ‘Stokoud!’ herhaalt ze met nadruk. Haar moeder is op dit moment een paar jaar ouder.
‘En onze zoon…’ Het kindje groeit keurig, de verloskundige is heel tevreden. ‘Hij zal negentien zijn als zijn vader uit de wachtkamer komt. Hij is dan zijn hele jeugd zonder vader geweest en dan wordt Herman wakker en dan is zijn vader maar een paar jaar ouder dan hij.’
Haar moeder zwijgt. Ze wacht op wat Sofia heeft bedacht.
‘Ik heb gedacht, mama. Stel je eens voor: als ik zo’n nieuwe houdkast van Mormon zou hebben. Die vertraagt de tijd ook. Wel veel minder dan een wachtkamer, maar toch…’ Sofia is trots op wat ze heeft bedacht. ‘Ik sloop al het binnenwerk eruit en ik ga erin zitten. Dan wacht ik gewoon tot er buiten twintig jaar voorbij zijn. Ik heb het precies uitgerekend. Voor Herman in die wachtkamer duurt dat binnen twee uur. In zo’n houdkast is het meer, maar toch niet meer dan drie dagen.’
Haar moeder begrijpt het. ‘En als jullie uit jullie kasten komen, ben ik bijna zeventig.’
‘Dan ben je er dus gewoon nog, mama. En dan wordt Herman beter en ons kindje wordt geboren en dan zijn we een gewoon gezinnetje en jij woont bij ons.’
Haar moeder lacht door haar tranen heen. Het is duidelijk dat Sofia haar optimisme heeft geërfd. ‘Ik zal twintig jaar alleen zijn …’ Sofia ziet dat ze de rest van haar woorden inslikt. Mama heeft altijd de belangen van anderen vooropgesteld. Ze cijfert ook nu zichzelf weg.
‘Dit is jouw keuze.’ Mama gaat tegenover Sofia op een poef zitten en pakt haar handen. ‘Als jij dit werkelijk wilt, dan blijf ik hier wonen zolang jij in de houdkast zit. Ik wacht. Als de wachtkamer open gaat, zal ik er weer voor jullie zijn.’ Haar tranen verraden dat ze zich realiseert wat ze belooft. ‘Ik zorg op deze manier voor jou en Herman. En voor mijn kleinzoon.’ Liefde vraagt offers. Ze vermant zich hoorbaar, als ze zegt: ‘Het is goed, je krijgt van mij een houdkast voor de verjaardag.’
Op de dag na haar verjaardag wordt de houdkast bezorgd. Het is een groot model, duidelijk groter dan hun koelkast.
‘Zet hem maar in de kelder. Helemaal achterin, hij moet twintig jaar blijven staan,’ vraagt Sofia aan de bezorgers. ‘En zorg dat je hem goed installeert!’ Er is inderdaad geen stopcontact nodig. Ze zijn in een half uurtje klaar.
‘Heb je alles bij je?’ vraagt haar moeder, wanneer ze een paar uur later afscheid nemen.
‘Ik heb eten en drinken voor drie dagen.’ Ze laat de tas aan haar moeder zien. ‘Een paar boeken en mijn zaklantaarn met reservebatterijen.’
‘En je horloge?’
Sofia kijkt op haar pols. ‘Mijn horloge staat zo goed mogelijk afgesteld, ik moet rekening houden met een beetje onnauwkeurigheid, maar als mijn alarm afgaat heb ik nog een paar dagen om naar Herman te gaan.’ Ze knikt. ‘Dat moet voldoende zijn.’
‘Als je eruit komt, ben ik bijna zeventig.’ Sofia ziet de tranen in de ogen van haar moeder.
‘Ik moet het doen, mama. Ik doe het voor Herman. Voor mijn kind.’
‘Ik weet het, meisje. En jij weet dat je op me kunt rekenen.’
‘Ik doe aan de binnenkant het haakje erop. Niemand mag de deur openmaken.’ Haar moeder knikt alleen, Sofia weet dat haar moeder begrijpt dat haar kindje het belangrijkst is. Onhandig geeft ze haar moeder een knuffel, het is raar om afscheid te nemen zonder weg te gaan. Moeder knijpt erg hard, maar Sofia kan zich toch losmaken. ‘Dan ga ik nu maar.’ Ze stapt in de kast, trekt de deur achter zich dicht en doet het haakje erop.
Binnen is het stil en donker. Ze luistert goed: hoort ze zoemen of is dat haar verbeelding? Ziet ze een heel zachte, lichtgroene gloed of houden haar ogen haar voor de gek? Resoluut knipt ze haar zaklantaarn aan en pakt haar boek.
Ze moet dit een paar dagen volhouden. Elke seconde voor haar is buiten een half uur. Elke minuut is buiten ruim een dag. Over drie dagen zal ze uitstappen. Dan zijn er buiten twintig jaar voorbijgegaan, dan zal ze naar de wachtkamer van Herman gaan en zorgen dat hij geholpen wordt.
Haar plan kan niet mislukken!

***

© Sjoerd de Boer

Alles doet pijn. De houdkast is het grootste formaat dat Mormon maakt voor consumenten, maar zo lang opgevouwen zitten is een heel pijnlijke ervaring. Sofia slaakt een diepe zucht van opluchting als eindelijk het alarm van haar horloge overgaat. Dit is het moment waarop ze bijna drie dagen heeft gewacht…
Ze tilt het haakje van de deur open en duwt zachtjes. Piepend gaat de houdkast open – de scharnieren zitten aan de buitenkant. De pijn trekt door haar spieren als ze haar benen strekt. Haar rug steekt als ze voor het eerst weer rechtop staat. Ze heeft er veel voor over gehad, beseft ze, maar straks zal ze Herman weer zien!
In de kelder is het donker. Er is niemand, dat valt toch tegen. Ze had gehoopt…
‘Mama?’
Er komt geen antwoord. Met haar zaklantaarn kan ze de vier treden omhoog probleemloos vinden. Het hout van de treden lijkt wel vergaan, dat was haar nooit eerder opgevallen – voor de veiligheid blijft ze dicht langs de muur. Er springt geen licht aan. Lamp gesprongen, denkt ze, twintig jaar is een lange tijd.
Ze moet hard duwen om de deur van de kelder te openen, er ligt blijkbaar op de gang troep die het openen belemmert. Door de kier schijnt licht. Daglicht in de gang – dat is vreemd. Als ze hard tegen de deur duwt, wordt de kier langzaam wijder. De opening is nu breed genoeg. Terwijl Sofia zich uit de kelderkast wurmt, ziet ze boven zich de blauwe lucht met lichte, witte wolken. De zon staat hoog in de hemel, het is midden op de dag. Rondom haar …
Het huis is een ruïne! Rondom ziet Sofia verbrokkeld metselwerk, verkruimeld beton, half vergaan hout. Het dak is ingestort, de puinhopen zijn bedekt met de restanten van leistenen dakpannen.
‘Mama!’ roept ze. “Mam, waar ben je?’ Er reageert niemand. Ze klimt voorzichtig over de berg stenen van de vroegere voorgevel naar de tuin. De voordeur ligt half verweerd op de grond, planten woekeren overal. ‘Hallo, is er iemand?’
Het huis van de buren ziet er net zo uit als dat van haarzelf: half ingestort, het lijkt alsof er niet twintig jaar voorbij zijn gegaan maar honderd. Bij de overburen lijkt er niets aan de hand, het huis staat er net zo fris bij als een paar dagen geleden. Voor haar een paar dagen, verbetert ze zichzelf, voor de buurt twintig jaar. Alleen het gazon: de overbuurman was er altijd zo zorgvuldig mee, maar nu is het gras duidelijk al heel lang niet gemaaid.
De harde realiteit overvalt haar: ze is lang weggeweest. De overbuurman was net met pensioen toen zij de houdkast in ging, waarschijnlijk wonen er inmiddels andere mensen. En haar moeder? Leeft haar moeder nog? Is ze verhuisd en hoe lang geleden dan?
De straat is uitgestorven. Er loopt niemand, er rijden geen auto’s. Waar is iedereen? ‘Mama!’ roept ze nog eens, zo hard als ze kan. Het is natuurlijk zinloos en er komt inderdaad geen reactie. Waar is haar moeder? Ze moet …
Niet in paniek raken, Sofia, zegt ze streng tegen zichzelf: dit heb ik uitgedacht! Ik wist dat er twintig jaar voorbij zou gaan en dat er in die tijd veel kon gebeuren. Ik moet nu éérst naar Herman toe! Misschien wacht mama daar … Als ze nog leeft. Misschien moet ik later naar haar zoeken. Maar eerst naar Herman!
Door het hoog wuivende gras van de voortuin loopt ze naar de restanten van de carport. De auto is weg, maar haar fiets kan ze onder de ingestorte houten constructie tevoorschijn trekken. ‘Wat een roestbak.’ In het voorwiel zijn spaken weggeroest en de ketting zit volledig vast. Dan maar lopen. Het ziekenhuis is vlakbij, het is niet meer dan een half uur.
Aan het eind van de straat passeert ze een half aan de kant geschoven dranghek. ‘Onze straat afgesloten? Wat is dit voor …’ Tegen het hek is een bord geschroefd: PAS OP, staat er op de bovenste regel in felrode letters op de gele ondergrond. Daaronder in kleinere letters: TACHYON-LEKKAGE. Sofia heeft geen idee wat het betekent.
Ze slaat linksaf. Hier in de straat is wel verkeer. Een paar elektrische auto’s passeren haar. Ze hebben nog steeds wielen en ruiten, ziet Sofia vermaakt. Die geluidloze driewielers zijn wel nieuw, net als de transparante cabine die een paar voetgangers dragen. Tweehonderd meter verderop moet ze rechtsaf naar het ziekenhuis.
Bij de afslag staat een wegafsluiting, de waarschuwing is dezelfde als bij haar eigen straat. Tachyon-lekkage? Heeft dat iets met de wachtkamers te maken? Ze moet verder, ze moet naar Herman toe.
‘Sorry, mevrouw. Hier verder gaan is niet verstandig.’ Het is geen agent, ziet Sofia, maar een vrouw in een felgeel jasje met opschrift ‘buurtbeveiliging’. Ze wijst naar het bord: ‘Daar is tachyon-straling. Je kunt er beter ver vandaan blijven.’
‘Maar ik moet daar zijn,’ zegt ze, terwijl ze de straat in tuurt. Ze ziet niets bijzonders. Zou ze nu niet naar Herman kunnen? Dat kan ze niet accepteren! ‘Waarom kan dat niet?’
‘Heb u daar niets over gelezen? Het is al jaren bezig.’ De vrouw van de beveiliging kijkt haar verbaasd aan, maar ze geeft toch antwoord: ‘Door die tachyon-lekkage wordt alles in de omgeving extra snel oud. Hoe dichterbij, hoe sneller. Het komt uit de containers die ze naast het ziekenhuis hebben opgeslagen. De straling daar is enorm, je veroudert waar je bij staat.’
Sofia luistert maar half. ‘Ik moet erheen. Mijn vriend is daar.’
‘In het ziekenhuis? Dat kan niet, mevrouw. Het ziekenhuis is een paar jaar geleden gesloten toen de instortingen begonnen. Alles is verhuisd naar het nieuwe gebouw.’ Ze wijst naar de weg rechtsdoor.
‘En die loods van Mormon naast het ziekenhuis?’
De vrouw slaat een kruisje, de schrik staat op haar gezicht. ‘Dat was de bron van het kwaad, mevrouw. Daar komt nooit iemand. Ze kunnen zelfs niemand vinden die ernaar toe wil gaan om het op te ruimen.’
‘Is het dan verboden om er te komen?’
De vrouw schudt haar hoofd. ‘Niet verboden, mevrouw, maar niemand is zo stom. Ik waarschuw alleen maar.’ Ze wijst op Sofia’s zichtbaar bollende buik. ‘Het is gegarandeerd ook slecht voor uw kindje.’
‘Ik ga toch.’ Sofia passeert resoluut de afzetting. Ze moet ten koste van alles Herman vinden. De beveiligster kijkt haar hoofdschuddend na terwijl ze naar het ziekenhuis loopt.
De eerste tientallen meters zien de muren er normaal uit, maar verderop wordt de staat van het gebouw snel slechter. Het begint met bladderende verf, dan komen de gebroken ramen en verschijnen barsten in het beton. Dichter bij de opslagloods van Mormon wordt de schade steeds groter. De vleugel die aan het Mormon-gebouw grensde, is ingestort.
De loods zelf is een puinhoop van roestige balken en schroot. De roestende resten van stalen pilaren steken als knokige vingers in de lucht. De stellingen waarop de wachtkamers stonden zijn ingestort. De wachtkamers liggen schots en scheef verspreid. Over de ruïne hangt een groene gloed.
Herman!
Rij 10, rij 11. Omringd door het vage licht rent ze tussen de rommelige stapels wachtkamers door. Sommigen zijn door de val opengebroken. Anderen … Daar, achteraan! Hermans wachtkamer was de bovenste van een stapel. 12D. De stapel is omgevallen, de container waar zij bij moet zijn, ligt half op zijn zij. Terwijl Sofia naar boven klimt, ziet ze dat de lichtjes op de gesloten deur nog steeds groen zijn. Alles is in orde! Herman leeft!
De container is niet op slot, wanneer Sofia een ruk aan de deur geeft gaat hij met een klap open. Precies op dat moment tuimelen het bed en alle medische apparatuur naar beneden. Het lawaai van de kapot vallende inventaris is hels.
‘Shit’, roept Sofia verschrikt. Natuurlijk! Het bed was door de vertraging pas halverwege met de val. Het IC-bed met Herman erin is in de hoek getuimeld, zijn lichaam is met geweld tegen de wand van de container geklapt, in de val zijn de infusen losgetrokken. Infuuspompen en beademingsapparatuur zijn op het bed gevallen en via de matras ook bovenop zijn lichaam. De waarschuwingslampen op de deur springen op rood en beginnen te knipperen wanneer verbindingen worden verbroken. De monitor van zijn hartslag werkt nog – Sofia hoort een paar keer de bekende piep, dan valt het signaal kort stil en gaat over op een monotoon hoog alarmsignaal.
‘Herman!’
Hij is dood. Ze twijfelt geen moment. Hij was al kritisch en nu heeft ze zelf het laatste duwtje gegeven en daardoor is het onherroepelijk. Zelfs de beloofde behandeling kan hem nu niet meer helpen. Het is allemaal voor niets geweest. Voorbij.
Er wordt hard aan haar mouw getrokken, Sofia valt bijna achterover. ‘Mevrouw, u moet meekomen!’ Naast haar verschijnt een gele jas, de beveiligster is haar gevolgd. ‘U wordt versneld oud, mevrouw. Denk toch aan uw kindje!’ De vrouw trekt nog harder, Sofia laat zich verdoofd meetrekken en klimt van de berg containers af. Nu sleurt de vrouw haar mee: naar buiten, half hollend over de weg langs de ruïnes van het ziekenhuis naar de veiligheid. Het lopen wordt moeilijker. Haar armen en benen doen pijn, ze krijgt steken in haar kuiten.
‘Doorlopen, mevrouw. Sneller!’ De beveiligster trekt hard aan haar arm. Het doet pijn. ‘Uw lichaam geeft voorrang aan uw kindje. Alles wat in uw buik groeit, verliest u ergens anders. Al uw spieren worden afgebroken.’
Sofia ziet haar onderarm, hij lijkt magerder geworden. Het doet pijn. Het brandt! Wat is er met haar aan de hand? Haar buik. Ze voelt met haar magere hand. Haar buik is duidelijk gezwollen.
De sirene dringt tot haar door voordat ze de ambulance ziet die haar tegemoet rijdt. De naar buiten springende verplegers grijpen haar bij haar ellebogen, net voordat haar benen het begeven. ‘Leg haar op de brancard. De bevalling begint,’ hoort ze door de mist roepen. ‘Zorg dat we ondersteuning krijgen, die stommiteit heeft haar …’ Wanneer ze haar hoofd een stukje optilt, zwijgt de verpleger. ‘Ze is nog bij kennis. Ga rustig liggen, mevrouw. We helpen u.’
‘Hij heet Herman,’ fluistert Sofia door de mist van de pijn. Ze hoopt dat ze haar kunnen horen. ‘Herman.’

 

Over de auteur:
Charles van Wettum (1957) studeerde sterrenkunde en economie. Na ruim 40 jaar in het onderwijs begon hij in 2021 als schrijver van korte sf-verhalen en novellen: ‘harde’ sf met een menselijke kant. Hij publiceerde in oa Fantastische Vertellingen, HSF en verzamelbundels. In 2023 verschenen enkele (e)boeken.

Over de illustrator:
Sjoerd de Boer:
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Voor mij is dit een van de meest iconische zinnen ooit, vaak gekoppeld aan het even iconische kinderboekkarakter Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Het is een basis voor zelfvertrouwen, een positieve instelling en het aangaan van uitdagingen. En als je er dan voor gaat, dan moet je in mijn ogen ook doorzetten! Maar wie ben ik? Ik heb door de jaren heen een rugzak vol kennis en ervaringen opgedaan als onder andere auteursbegeleider, vormgever, schrijver en projectredacteur en nu ook als illustrator. Meer weten? Bezoek mijn website: www.vanverhaaltotboek.nl

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Charles van Wettum & Sjoerd de Boer

You cannot copy content of this page