web analytics
dinsdag, mei 28

Vertelling: Niemandsland – Thomas Nolet

Door Thomas Nolet

Nobody, nobody told me,
What nobody, nobody knows
Uit: Under the rose, the song of the wanderer
Walter de la Mare

Dit is de plek waar je verdwenen bent. Op de grens tussen de heide en het bos. Het pad loopt een duistere tunnel in van overhangende boomtakken.
‘De werelden van de mensen en de elfen raken elkaar op grenspunten,’ zei je vaak. ‘Waar iets overgaat in iets anders: bij bosranden en kustlijnen, op bruggen en kruispunten, in de schemering, tijdens de equinoxen en de seizoenswisselingen.’
Ik herinner me niet veel van je verdwijning, iets wat de politie en onze ouders nog steeds niet geloven. Je wilde je sceptische grote stiefbroer laten zien dat je echt in contact stond met de Elfen. Ik speelde het spelletje mee, want ik had zin om te kamperen in de wildernis. We kwamen hier aan, dat weet ik nog.
‘Blijf hier, ik ga ze halen,’ zei je. En daarna moet ik in slaap gevallen zijn. Toen ik wakker werd, was je weg. Het is vast niet je bedoeling geweest om me in de problemen te brengen. Ik was de laatste die je had gezien en iedereen wilde weten wat er was gebeurd. Wat ik met je had gedaan. Ik heb uren in verhoorkamers doorgebracht. De blik van twijfel in de ogen van mijn moeder vond ik het ergste. Je vader kon niet eens meer bij me in een kamer zijn.
‘Je komt niet terug voordat je Mark gevonden hebt!’ is het laatste wat hij tegen me schreeuwde.

© Marcel van der Sleen

De zon staat oranje aan de hemel. Het is stil hier, buiten wat vogelgetjilp en het ruisen van de wind door de bomen. De natuur om me heen voelt weids, oneindig. Hoe moet ik je ooit terugvinden? Het enige wat ik kon bedenken, is terugkomen naar deze plek. Maar nu ik hier ben, heb ik geen idee wat ik moet doen. Ik ga zitten op een boomstronk, haal mijn gasbrander en een pannetje tevoorschijn. Ik doe het gas aan, en leeg een blik knakworstjes in de pan.
‘Dat ruikt lekker,’ zegt een stem. Achter me staat een vrouwtje. Net was ze er nog niet. Ik heb haar niet horen aankomen. Ze is kleiner dan ik, lijkt meer op een hoopje vodden dan op een mens. Grijs haar steekt piekerig van haar schedel. Haar ogen zijn kleine, zwarte kraaltjes. Haar gezicht vormt een web van rimpels. Ze ziet er ongewassen uit, maar haar geur is niet onaangenaam. De geur van modder en gras na een regenbui. Ik hoor je stem in mijn hoofd, die me vertelt over je ontmoetingen met het Verborgen Volk, en hoe je met ze om moet gaan: ‘Groet ze vriendelijk en toon geen angst. Bied ze iets te eten of te drinken aan. En boven alles: vertel ze nooit je echte naam.’
‘Natuurlijk,’ zeg ik. ‘Wees welkom in mijn haven, hoe tijdelijk die ook is.’
Het vrouwtje lacht een raspende lach. ‘Zo beleefd! Wat een zaligheid.’ Ze hurkt neer tegenover me en kijkt met haar kraalogen begerig naar het pannetje. Haar vingers, die uit haar lompen steken, maken voortdurend bewegingen, alsof ze aan het weven is op een onzichtbaar weefgetouw.
‘Waar kom je vandaan, jongen,’ vraagt ze. Ik maak een knikje richting de weg vanwaar ik kom. De geur van het gas en de knakworstjes doet mijn maag knorren.
‘En waarheen gaat je reis?’
Ik haal mijn schouders op. Het vrouwtje lacht weer. Haar ogen fonkelen helder en vriendelijk. ‘Jij bent ook een stille,’ zegt ze.
‘Het spijt me, mevrouw. Ik vrees dat ik niet zo’n vrolijk gezelschap ben.’
‘Dat geeft niet, jongen. Iedereen heeft recht op zijn eigen stilte.’
Ik vis de knakworstjes uit de pan op twee plastic borden. Ik geef er een aan de vrouw, haal een fles water uit mijn tas, neem een slok en bied hem de vrouw aan. Die heeft haar worstjes al op.
‘Hoe heet je?’ vraagt ze plotseling.
Ik aarzel.
‘Niemand,’ zeg ik dan. ‘Ik ben niemand.’
De wind gaat liggen. Even is het doodstil, alsof de wereld haar adem inhoudt. De oude vrouw kakelt.
‘Jij bent Niemand? Wat een bijzondere naam. En riskant ook. Op sommige plekken is het heel gevaarlijk om niet te weten wie je bent.’
Ik vraag me af of ik iets verkeerd heb gezegd. De naam komt uit een oud verhaal en ik vond het een slimme vondst van mezelf, maar nu begin ik te twijfelen. Ik voel de neiging mezelf te verdedigen.
‘Misschien,’ zeg ik. ‘Het kan ook in je voordeel werken. Kent u het verhaal van Odysseus en de cycloop?’
De vrouw schudt haar hoofd. Ze krabt aan haar kin.
‘Nee?’
Ik begin te vertellen, terwijl de vrouw me indringend aanstaart en af en toe slokjes van het water neemt.

‘Odysseus was een Griekse held. Hij voer terug naar huis over zee na een lange, ellendige oorlog. Op een dag landde hij op het eiland van de cyclopen, eenogige reuzen. Een van hen, ik weet zijn naam niet meer, Polynesos of zoiets, woonde helemaal alleen in een grot. Odysseus en zijn bemanning vonden deze grot en deden zich tegoed aan het lekkere eten en drinken van de reus. Toen die thuiskwam, vond hij hen en sloot hij de opening met een reusachtig rotsblok. Ze zaten gevangen. Iedere ochtend en avond pakte de reus een paar mannen en vrat ze op. Odysseus was een heel listig man. Op een dag lukte het hem om Polydinges dronken te voeren. De reus vroeg naar zijn naam en Odysseus antwoordde: “Ik heet Niemand.” Toen de kolos in slaap viel, dreven Odysseus en zijn mannen een grote staak dwars door zijn enige oog. Polydinges werd wakker en schreeuwde het uit. De andere cyclopen kwamen aanrennen en vroegen hem: “Wie heeft dat gedaan?” En de reus antwoordde: “Niemand! Niemand heeft dat gedaan.” De andere reuzen lachten hem uit. En zo konden Odysseus en zijn mannen ontkomen. Helaas beging Odysseus daarna een grote fout. Vanaf zijn schip riep hij vol trots zijn ware naam naar de reus. Die riep daarop zijn vader aan, de zeegod Poseidon. Hij vervloekte Odysseus, zodat die nooit thuis zou komen en al zijn manschappen zal verliezen. Als hij Niemand was gebleven, was dat niet gebeurd.’

Het vrouwtje schudt haar hoofd. Ze wiegt langzaam heen en weer. Een poos zitten we zwijgend tegenover elkaar. ‘Je hebt me een verhaal gegeven,’ zegt ze dan. ‘Zonder dat ik erom vroeg. Dank je wel. Als beloning zal ik je ook een verhaal schenken.’
Haar stem verandert van klank. Ze klinkt dieper, ouder, van verder weg. Ik huiver. In de schemering ben ik er niet meer zo zeker van dat haar gezicht er helemaal menselijk uitziet. De wind lijkt de echo mee te dragen van een klaaglijke koorzang.
‘Er was eens een jongen, die alles wist van het Verborgen Volk. Hij wilde zo graag een van hen zijn, dat hij de Elfenkoningin aanriep. Hij smeekte haar om hem mee te nemen. De Koningin besloot zijn wens te vervullen. Ze kaapte hem weg bij zijn familie, onder de ogen van zijn stiefbroer. Ze nam hem mee naar haar hof onder de grond, gaf hem de prachtigste kleren en het lekkerste eten. Eerst was de jongen natuurlijk verrukt. Hij had gekregen wat hij wilde. Maar hij kreeg heimwee. Hij verlangde naar zijn ouders en zijn broer. De koningin echter, was steeds meer op de jongen gesteld geraakt. Zij, kinderloze, zag hem als haar eigen zoon. Toen hij beleefd vroeg of hij terug naar huis mocht, weigerde ze pertinent. De jongen kwijnde langzaam weg. Zijn kleren schuurden aan zijn lijf en het eten smaakte hem niet meer. Uiteindelijk deed hij een poging om te ontsnappen. Die mislukte. De Elfenkoningin ontstak in woede. Ze bracht hem naar een donkere kerker en zei tegen hem: “Niemand weet dat je hier bent. Niemand zal je vinden. Niemand haalt jou ooit bij mij vandaan.” Met die woorden smeet ze de deur naar de kerker dicht. En voor zover ik weet, zit hij daar nu nog steeds.’
Met open mond staar ik haar aan. Vanuit mijn onderbuik groeit een gevoel van opwinding tot het heel mijn wezen vult.
‘Dank voor het verhaal,’ zeg ik ademloos.
‘Geen dank,’ zegt de vrouw. Haar stem klinkt weer warm en gemoedelijk.
De zon gaat onder, alleen een oranje band verraadt haar aanwezigheid achter de horizon. De vrouw staat op. Ik hoor haar knieën knakken. Ze buigt zich naar me toe en aait over mijn wang. Ik verwacht een ruwe, eeltige hand, maar het voelt zacht als een warme handdoek.
‘Het is te laat om nog verder te reizen. Als ik jou was, zou ik hier mijn kamp opslaan en morgen verder gaan. Er zal je niks overkomen. Bedankt voor je gezelschap, Niemand. Moge het land je koesteren en de weg je voeten strelen.’
Ze begint van me weg te lopen, de tunnel van het naaldbos in. Al gauw is ze niets meer dan een zwarte vlek. Ik ben weer alleen, maar voel geen vrees of onzekerheid. Ik zet mijn tent op in het licht van mijn telefoon, rol mijn matje uit, kruip in mijn slaapzak en wacht tot ik in slaap val. Morgen zal ik je vinden.

 

Over de auteur:
Thomas Nolet begon met schrijven toen hij acht was en bleef dat doen totdat hij ging studeren. Daarna werd hij lange tijd afgeleid door andere zaken, maar sinds kort heeft hij de draad weer opgepikt. Een grote inspiratiebron is de Discworld-serie van Terry Pratchett. De schijfwereld is een genadeloze spiegel voor de maatschappij. Pratchett toont aan dat fantasy niet alleen vermakelijk kan zijn, maar ook iets te vertellen kan hebben over ons als mensen in de ‘echte’ wereld.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.
© 2020 – 2024 Fantasize, Thomas Nolet & Marcel van der Sleen

You cannot copy content of this page