web analytics
maandag, februari 6

Vertelling: Naya

Door Hay van den Munckhof

Naya zwaait de bronzen hak hoog boven haar hoofd en haalt uit naar de gebarsten aarde voor haar voeten. Bij elke klap stelt ze zich voor dat ze niet op een stenige akker staat, maar op Hilas’ blote rug en dat de punt van haar hak niet de grond, maar zijn warme vlees doorboort. Zo gauw die vurige haat uitgeblust raakt, is ze verloren. Dan dooft haar geest uit en zal ze in niets meer te onderscheiden zijn van Hilas’ menselijke slaven en slavinnen. Als het ooit zo ver met haar komt, is de weg naar haar oude leven voor eeuwig afgesloten. Die gedachte beneemt Naya bijna de adem.
Een moment staat ze stil en wist het zweet van haar voorhoofd. Voor de allereerste keer komt Borus niet meteen grauwend op haar af om haar tot werken aan te zetten. Hilas’ hellehond verandert van het ene ogenblik op het andere in een standbeeld. Zijn gloeiende ogen zijn niet langer op haar gericht, maar op iets of iemand in het woud achter de akkers. Alleen zijn slangachtige staart blijft in beweging. Die ranselt zijn gepantserde rug met zo veel kracht dat de vonken in het rond springen.
Borus huilt hoog en klaaglijk, alsof daar ergens tussen de oude eiken iets huist wat hem de baas is. De bomen in de verte zingen een zacht lied, een lied waarvan Naya weet dat het voor haar oren is bestemd. Nee, zo is het niet helemaal. Ze voelt dat eigenlijk alleen maar. Alles wat ze was en alles wat ze ooit wist heeft Hilas haar afgenomen om haar tot de zijne te maken. En zelfs dat weet ze niet zeker. Maar waarom anders probeert Hilas haar elke nacht te verleiden en veroordeelt hij haar na elke weigering tot een nieuwe dag zwoegen onder de brandende zon?
Er is een nóg groter raadsel, waarover Naya zich elke dag en vaak ook ’s nachts het hoofd breekt. Waarom neemt Hilas haar niet met geweld, terwijl hij dat zo makkelijk zou kunnen? Ze is klein en zwak en al voelt ze met heel haar wezen dat er iets bijzonders in haar schuilt, ze denkt niet dat ze zo ver van huis over enig vermogen beschikt dat Hilas zou kunnen tegenhouden.
Vragen, vragen. Nu weer de vraag waarom Borus zich plotseling zo anders gedraagt? Vragen, maar geen spoor van een antwoord. Naya staart naar het plotseling zo verlokkende woud. Dan komt vanuit het niets een idee bij haar op. Ze móét weten of die verandering in Borus toeval is of blijvend. Er is slechts één manier om daar achter te komen. Ook al staat de zon nog hoog aan de hemel, Naya stopt met haar werk, legt de hak over haar schouder en keert terug naar Hilas’ woning.
Normaal zou Borus haar onmiddellijk de weg versperren en haar met ontblote tanden dwingen om haar werk te hervatten. Maar deze keer blijft hij rustig naast haar lopen. In een opwelling legt Naya een hand op de hondenkop en krabt de schubben achter Borus’ oren. De hellehond staat dat toe. Sterker, hij likt haar hand met zijn gevorkte tong.
Naya haalt een keer diep adem en versnelt haar pas. Zou het woud echt tot leven zijn gekomen? Heeft het de macht om Borus te temmen of gaf het haar de kracht om dat zelf te doen?

Naya… klinken die nacht stemmen vanuit een onbestemde verte. Keer terug naar ons. Herinner je wat je bent en hoeveel we van je houden…
Met een schok wordt Naya wakker. Ze gaat rechtop zitten en pijnigt haar hersenen. Wie roept haar in haar slaap? En waarom denkt ze aan water en aan een door de lentezon beschenen oever met frisgroen gras en geurende bloemen? Hoorde zij daar ooit thuis?
Zoals alle dagen hiervoor komt Hilas midden in de nacht naar haar bed. Hij kleedt zich uit en gaat naakt naast haar liggen. Hoezeer Naya hem ook haat om wat hij haar laat doen en om al de vragen die hij weigert te beantwoorden, elke keer als ze wakker wordt bij zijn komst, voelt ze de hitte van Hilas’ lichaam heel dichtbij het hare en kan ze nauwelijks de drang weerstaan om aan haar verlangen toe te geven. Dan staart ze trillend, beide vuisten gebald, met open ogen in het duister. Iets zegt haar dat als ze Hilas ook maar één keer aanraakt, dat verlangen het zal winnen; dat ze dan de zijne zal worden en haar eigen ik voor eeuwig zal verliezen. Nooit ziet ze dan het koele meer uit haar dromen terug.

De volgende morgen is Naya nog maar net aan het werk als het lied uit het woud verder gaat waar het gisteren ophield. Eerst lijkt het op het ruisen van bladeren of op een zachte windvlaag. Dan pas volgen de woorden. Keer terug, zuster… keer terug…
Naya aarzelt geen moment en laat de hak uit haar handen vallen. ‘Kom, Borus,’ zegt ze. ‘We worden geroepen. Leid mij.’
Borus jankt, schudt zijn kop en krabt met zijn vlijmscherpe klauwen de bodem stuk. Heet kwijl druipt sissend langs zijn hoektanden en vormt een borrelende plas op de aarde onder zijn muil. Heel zijn geschubde lijf trilt en siddert. Dan ineens komt hij tot rust. Hij laat zijn kop hangen en loopt heel rustig in de richting van het woud. Naya volgt hem op de voet. Ze kijkt niet meer om.

© Taïs Teng

Bij haar eerste stap in het woud stopt het lied, maar helemaal zwijgen doen de bomen niet. Ze fluisteren in Naya’s geest en voeren haar van de ene oeroude eik naar de andere. Kom zuster, we wijzen je de weg. Heb vertrouwen in ons.
Vanaf dit punt is het Naya die voorop gaat en Borus die haar volgt. Als de avond valt, maakt ze een nest van dorre bladeren tussen de wortels van een boom. Ze stelt zich voor dat ze een vos of egel is en kruipt er helemaal in weg. Borus gaat naast haar liggen en houdt haar warm.

Die nacht droomt Naya zachte, rustgevende dromen. Die brengen een deel van haar herinneringen terug, het deel dat te maken heeft met dit woud en met de wezens die erover waken.
Ze wordt wakker als de eerste zonnestralen in het woud doordringen. Al zwijgen de stemmen nog, Naya weet wie op haar neerkijken. Het zijn dryaden, haar verre nichten waarmee ze ooit speelde en lachte op de bloemenweide naast hun meer. Ook andere herinneringen komen een voor een bovendrijven, als de bladeren van de waterlelies waartussen ze in haar jeugd verstoppertje speelde met haar zussen. Naya begrijpt nu ook waarom de kleren die ze draagt zo vervelend langs haar zachte huid schuren en waarom ze haar een verstikkend gevoel bezorgen, ook al zijn ze geweven van de fijnste en zachtste draden die mensen kunnen spinnen. Ze is gewoonweg niet geschapen om kleren te dragen.
Naya staat stil, maakt de lus van haar hemd los en trekt het over haar hoofd uit. Halverwege die beweging stopt ze en laat het hemd weer over haar naakte lichaam vallen. Nee, spreekt ze zichzelf in gedachten vermanend toe, daarvoor is het te vroeg, Naya. Je kunt op je weg naar huis nog altijd mannen zoals Hilas tegenkomen, die eerst je geest stelen en daarna je lichaam willen bezitten. Breng ze niet in de verleiding. Niet hier.
‘Kom Borus,’ zegt ze, ‘we gaan verder.’
Bij de eerste stap zijn er meteen weer de stemmen van de dryaden die haar de weg wijzen. ‘Laat jullie eindelijk eens zien,’ roept Naya verlangend. ‘Ik weet wie jullie zijn.’
Vanachter een boomstam klinkt een zucht. ‘Nee,’ antwoordt een ijle stem. ‘Niet zolang je de kleding van een mensenkind draagt en dat schepsel uit de onderwereld je vergezelt. Vraag niet nog eens om ons aan jullie te vertonen, Naya, anders verdwijnen we voorgoed.’
Naya schrikt en vervolgt haar weg in stilte. Als de dryaden nog altijd zo’n angst voor Borus koesteren, zullen zij hem zeker niet getemd hebben. Ook nu ze een deel van haar herinneringen terug heeft, gelooft ze nog altijd niet dat ze zelf dat soort macht bezit. Maar wie of wat dan wel?

Na nog eens twee dagen en nachten bereikt Naya de rand van het woud. Daarachter strekt zich een tot de horizon reikende grasvlakte uit, waardoor een glinsterende rivier zich al meanderend een weg zoekt.
Naya aarzelt. De herinneringen aan haar thuis en vooral die aan haar zusters zijn terug, maar zal deze rivier haar daarheen leiden? Na een paar stappen op de vlakte keert ze zich om en kijkt vragend naar het woud. Maar buiten de verdwaalde kreet van een vogel blijft het stil. De dryaden zwijgen.
Borus echter aarzelt geen moment. Hij volgt de rivieroever. Naya heeft geen keus en doet hetzelfde, al heeft ze geen idee of Borus net zo’n betrouwbare gids is als de dryaden waren.

Als de zon het hoogste punt bereikt, komen ze bij een eenzame wilg, waarvan de takken tot in het water hangen. In de schaduw van de boom zit een vrouw in een eenvoudig linnen gewaad.
‘Weet u waar de naiaden leven?’ vraagt Naya haar.
De vrouw kijkt haar aan met ogen die glanzen als zilver. ‘Je bent ver van huis, Naya, maar wel op de goede weg. Ik wachtte hier op jou.’
‘Hoe wist u dat ik zou komen?’
‘Hoe zou ik het niet kunnen weten? Je komt langs de rivier. Ik ben die rivier. Haar water is het bloed dat door mijn aderen stroomt. Het staat in verbinding met al het water in deze wereld, ook met het meer waarin je zusters zwemmen. Die wenen nog altijd om jou.’
‘Weet u ook waarom Borus mij de weg wijst?’
‘Nee, Naya, maar ik ken een man die het wel weet. Je vindt hem bij de rivier die mijn naam draagt,’ antwoordt de vrouw.
‘Is dat dan niet deze rivier?’
‘Ja en nee. De Styx is mijn slagader waarin alle andere rivieren uitmonden. Je staat nu aan de oever van de Lethe, een van mijn aders. Verdwalen kun je niet langer.’
Naya fronst en kijkt Styx nu recht aan. ‘Maar de Styx eindigt in de krochten van de Hades. Wordt dat dan mijn eindbestemming?’
Styx lacht klaterend. ‘Uiteindelijk wel, maar in jouw geval pas als de wolken sterven en de bron van al het water in deze wereld opdroogt. Een naiade zou dat moeten weten.’
‘Heb ik de man waarover u spreekt dan wel nodig?’ vraagt Naya.
‘Een verstandige vraag,’ antwoordt Styx. ‘Jazeker heb je Charon nodig. Om naar je zusters terug te keren zul je de Styx over moeten steken. Zelfs een naiade mag dat niet zwemmend doen.’
‘Maar ik heb geen obeel bij me. Charon zal me niet toelaten op zijn boot.’
Styx glimlacht. ‘Hilas heeft dus bijna een mens van je gemaakt,’ zegt ze hoofdschuddend. ‘Alleen sterfelijke schepsels hebben een obeel nodig en dan nog alleen bij hun laatste reis.’
Naya knikt alleen maar. ‘Heb ik Borus nog nodig?’ vraagt ze.
‘Nee,’ antwoordt Styx, ‘maar tot aan de oever van de Styx zal hij bij je blijven.’
Verder zwijgt ze. Haar zilveren ogen vallen dicht. Ze slaapt.
Naya loopt verder. Borus volgt haar op de voet.

Als Naya de eeuwige mist langs de Styx is gepasseerd en de oever bereikt, is er recht voor haar een zwarte schaduw, die langzaam in beweging komt. Charon boomt zijn boot in haar richting.
Naya vindt het moment gekomen om weer te worden wie ze was. Ze trekt het rare omhulsel uit dat ze van Hilas moest dragen, stapt naakt in het water en hijst zich aan boord. Styx had gelijk. Charon vraagt niet om een obeel. Hij lijkt haar niet eens op te merken.
Borus volgt haar voorbeeld en springt in de Styx. Het water sist en stoomt waar zijn vurige huid het raakt. Bij zijn eerste stap in de mist is hij weer de hellehond geworden die haar zo lang bewaakte.
‘Zal hij me blijven volgen?’ vraagt Naya angstig, als ook Borus zich aan boord werkt, wat de boot een moment vervaarlijk doet schommelen.
Charon blijft zwijgen. Als een duistere schim boomt hij zijn boot naar de overzijde.
Naya laat zich opnieuw in het water zakken en bereikt even later de tegenoverliggende oever. Tot haar opluchting volgt Borus haar niet, maar zijn gloeiende ogen blijven wel op haar gericht. Zelfs als Charon en zijn boot zijn opgelost in de mist, boren ze zich nog in haar ziel, dwars door de nevels die als levende wezens over het loodgrijze water van de Styx kronkelen.
Als verlamd blijft Naya staan. Pas als ze voelt dat ze buiten het bereik van de hellehond is, durft ze zich om te draaien en op weg te gaan naar haar zusters. Hun stemmen klinken als een welkomstmelodie in haar geest. We missen je, Naya… Maak voort, Naya…

Elke volgende dag wordt de afstand tot haar zusters kleiner en Naya’s verlangen groter. Alleen omdat de rivier stroomopwaarts voert en ze nog de kracht mist om al die tijd tegen de stroom in te zwemmen, gaat ze te voet verder, ook al weet ze weer dat de goden haar schiepen als een waterwezen. Als ze honger heeft, duikt ze in de rivier, vangt vissen zoals een otter dat pleegt te doen en verslindt ze rauw. Elk van die maaltijden herschept een stukje van haar oude ik. Langzaam maar zeker wordt ze weer de naiade die ze ooit was.

Eindelijk staat Naya aan de oever van haar thuismeer. Ze trilt over heel haar lichaam. Als ze haar blik over het spiegelende oppervlak laat dwalen, vullen haar ogen zich met tranen.
Naya… Naya… zingen haar zusters in haar geest, waar ben je al die tijd geweest?
Limna, Lilae, Syrinx, Nomia, Melita en Castalia duiken precies tegelijk op tussen de waterlelies en staren haar met hun zeegroene ogen aan.
‘Wacht,’ zegt Naya, ‘geef me even de tijd.’
Met een sierlijke duik verdwijnt ze in het water en zwemt pijlsnel rond het hele meer om niet enkel een naiade te zijn, maar zich ook weer zo te voelen. Daarna pas zoekt ze haar zes zussen op, die snel een kring om haar heen vormen om geen enkel woord te missen. Naya vertelt hoe Hilas haar vond toen zij in de schaduw van een boom lag te slapen, hoe hij haar met de hulp van een gruwelijke hellehond wist te overmeesteren en hoe ze er door de hulp van de dryaden in slaagde om Hilas’ macht over Borus te breken. Haar zusters slaken luide kreten van afgrijzen als Naya Borus’ uiterlijk in geuren en kleuren beschrijft.
‘Wat wilde Hilas eigenlijk van je?’ vraagt Castalia, haar oudste zus.
‘Wat dacht je?’ antwoordt Naya. ‘Hij wilde mij en dacht dat ik wel voor hem zou bezwijken als hij mijn verleden en herinneringen stal. Maar één ding vergat ik nooit, dat de goden ons schiepen om mannen te verleiden en niet andersom. Als ik had toegegeven, was ik niet langer een naiade geweest.’
‘Je was in zijn macht. Waarom nam hij je niet gewoon?’ wil Castalia weten.
Naya schudt haar hoofd. ‘Over die vraag heb ik onderweg lang nagedacht. Ik weet het niet.’
‘Is Hilas erg mooi?’ vraagt Lilae, Naya’s jongste zus. Haar groene ogen schitteren.
Naya zucht diep. ‘Ja. Geloof me, Lilae. Hem weigeren was het moeilijkst van al.’

Als in een lange droom glijden de dagen en seizoenen voorbij. Af en komen er jongelingen uit de omliggende dorpen naar het meer. De meesten bedenken zich bijtijds, maar soms bezwijkt iemand voor de lokroep uit de diepte en knielt neer bij de oever. Even later verdwijnt hij onder water om nooit meer boven te komen. Geen sterveling zal ooit te weten komen waar de naiadenaiaden de lichamen bewaren om ze op elk gewenst moment tot leven te wekken, met name als het om een uitzonderlijk mooie jongen gaat. Vooral Lilae is onverzadigbaar.
Naya laat dat alles aan haar zussen over. Zo gauw die zich weer eens begerig om een onnozel mensenkind verdringen trekt ze zich terug, overvallen door een verlangen waarvoor ze geen verklaring heeft, meestal op de plek waar Hilas haar ooit vond.

Op een mooie lentemorgen besluit Naya opnieuw daarheen te gaan om zich te koesteren in de eerste zonnestralen. Ze strekt zich uit op het jonge gras en knijpt van puur genoegen haar ogen dicht.
Een schaduw valt over haar gezicht.
‘Waarom heb je me verlaten, Naya?’ vraagt Hilas.
Naya knippert met haar ogen. Verbijsterd kijkt ze hem aan. Dan overweldigt het verlangen haar dat ze zo lang heeft onderdrukt en vervolgens is ontvlucht.
‘Kom dichterbij, Hilas. Dan word ik eindelijk de jouwe.’
Hilas ontkleedt zich en gaat rustig naast haar liggen. Zonder enige aarzeling komt Naya overeind en beklimt hem. Ze rilt van genot en denkt vast na over een geheim bewaarplekje, waar geen van haar zussen, met name Lilae, hem ooit zal vinden.
‘En nu, Naya?’ vraagt Hilas na afloop.
Naya hijgt nog na en kijkt hem niet begrijpend aan. ‘Nu ben je de mijne,’ antwoordt ze.
‘Kijk eens achter je,’ zegt Hilas. In zijn blik ligt een vreemde glans, die Naya aan de zilveren ogen van Styx doet denken.
Naya draait zich om. Borus’ kaken klappen voor haar neus op elkaar.
‘Juist, Naya,’ zegt Hilas, ‘maar ik verzeker je dat je net iets meer de mijne zult worden.’

Zoals alle andere dagen komt Hilas midden in de nacht naar Naya’s bed. Hij kleedt zich uit en gaat naakt naast haar liggen. Dan voelt ze de hitte van zijn lichaam heel dichtbij het hare en geeft ze al snel aan haar verlangen toe.
Als Hilas verdwijnt, staat Naya soms nog op. Haar vuisten balt ze niet langer. Ze staart enkel in het duister en droomt over een koel meer en over haar voor altijd verloren zussen.
In de deuropening gloeien twee rode kooltjes.

Over de auteur:
Hay van den Munckhof leeft in het Limburgse Panningen en schrijft al een jaar of twintig in allerhande genres, met een voorkeur voor het fantastische en het historische genre. Dat lijkt heel verschillend, maar zo ervaart Hay dat niet. Niet alleen bij fantasy, maar ook bij een historisch verhaal heb je namelijk een flinke portie verbeeldingskracht nodig, vooral als je zoals Hay een voorkeur hebt voor een ver verleden en exotische oorden. Vaak zijn er dan weinig betrouwbare bronnen, wat voor een schrijver voordelen heeft. Je kunt dan de vrijheid nemen om van die losse puzzelstukjes toch een pakkend verhaal te maken.
Hay publiceerde naast een vijftigtal korte verhalen drie historische jeugdboeken in de serie
Vlaamse Filmpjes (2010, 2018 en 2019), in 2014 de fantasybundel Traisha en het ei en in 2018 een historisch tweeluik, Alya en Alya’s keuze bij uitgeverij Mozaïek. Vanaf 2017 is Hay een van de vaste korteverhalenschrijvers van uitgeverij Historische Verhalen. Op hun website kun je een stuk of zeven van die verhalen digitaal lezen. Verder kun je hem vinden op Facebook.

Over de illustrator:
Tais Teng schrijft eigenlijk voor elke leeftijd, van het eerste spreukenboekje voor kleuterheksen tot gedegen handleidingen voor zeshonderdjarige dark lords. Daarbij tekende hij ook zowat alles, van sprekende theepotten tot best wel mooie vrouwen met vleermuisvleugels en een lelijk karaktertje.
Zijn meest recente boeken zijn het prentenboek Wonderbaarlijke verhalen uit het Duistere Geraniumwoud, de ziltpunkbundel Orkaanhoeders en Dijkenfluisteraars, De Ring van Ardek en andere verhalen, Welkom, mijn prooi en andere verhalen van de Cirkelzee en Phaedra: Alastor 824, een Engelse roman die in het universum van Jack Vance speelt. Samen met Jaap Boekestein is hij de oprichter van ziltpunk, optimistische klimaatfictie die specifiek in Nederland speelt.

 

© 2020 – 2023 Fantasize, Hay van den Munckhof & Taïs Teng

You cannot copy content of this page