web analytics
maandag, november 28

Vertelling: Koorts

Door Reinier Swartken

Met een misselijkmakende klap schakelde de hypermotor zichzelf uit. Even dacht ik dat de aandrijving het onderweg had begeven en dat ik gedoemd zou zijn om stuurloos door het heelal te drijven tot ik van honger en gekte omkwam. Die angst was gerechtvaardigd, want het antieke schip dat ze me hadden gegeven vertoonde duidelijk mankementen. Het bokte en tolde rond als een op hol geslagen draaimolen.
Een luik voor het cockpitraampje ratelde omhoog en er schoof een veelkeurige toverbal in beeld. Ik slaakte een zucht van verlichting. Het leek erop dat dit gammele stuk ruimteschroot me toch had gebracht waar ik moest wezen.
Misschien juichte ik te vroeg. Het luikje schoof weer dicht. De raketmotoren ontbrandden kort. Het schip begon nog woester te schudden en viel naar de planeet. Nu begon de beplating luid te protesteren. Mogelijk essentiële apparatuur en bedieningspanelen tegen de gebogen wanden klapperden en rammelden vrolijk mee. Langs de kieren van het luik was een felle gloed zichtbaar. De zwaartekracht begon te trekken en we doken in vrije val naar de planeet. Ik greep me vast aan mijn stoel en wachtte fatalistisch af tot de hele kermis voorbij zou zijn. Intussen vervloekte ik het Instituut en vooral directeur Muisman, die geen groter budget had willen vrijmaken voor een huurvaartuig.
Pas toen ik het al niet meer verwachtte, ontstaken de remraketten, met zoveel kracht dat ik bijna door de stoel heen werd gedrukt. Veel te kort daarna kwakte het schip met een geluid van kreunend metaal op het oppervlak van Florus. Het gleed even door en kwam tot stilstand. Nog geen seconde later draaide de laadklep al met het geluid van gemartelde servomotoren naar beneden. Er klonk een schelle sirene en hoewel ik nog nauwelijks bij mijn positieven was, pakte ik mijn spullen en stommelde naar buiten. De sirene loeide opnieuw. De klep begon alweer omhoog te gaan. Ik rende voor mijn leven en wierp me op de grond. Er sloeg een golf van intense hitte over me heen toen het schip met een hels kabaal de hemel in schoot, op weg naar huis.
Opnieuw vloekend keek ik om me heen om te zien wie er zoal getuige was geweest van mijn beschamende aankomst. Maar er was geen ontvangstcomité in zicht, hoewel er verspreid over het veld verscheidene ruimteschepen stonden. Bij de bosrand stond een prefabgebouwtje met een schotelantenne op het dak. De lucht rook fris, met een zwoele ondertoon, een beetje zoals op aarde in de tropen. Alleen volkomen anders. De zon van Florus was een grote oranje schijf, alsof hij bijna onderging. Hij stond echter juist hoog aan de hemel. Het bos bestond uit bomen die op reusachtige varens leken. Ze bezaten enorme bloemknoppen op lange wuivende stelen. Dit bos strekte zich uit tot aan de heuvels in de verte en nog verder.
Ik slingerde mijn rugzak over mijn schouder en ging op weg naar het prefabgebouwtje. Het detoneerde nogal met al die fraaie natuur. Ik was nooit zo gevoelig geweest voor schoonheid, maar dit leek me een mooie en mensvriendelijke planeet.
Overigens was ik niet de enige die dat vond: de ontdekking was een sensatie geweest. Planeten als deze waren dun gezaaid in het bekende heelal. Daarom had het Instituut onmiddellijk haar beste archeoloog gestuurd. Het was niet eens bekend of er intelligent leven op de planeet was, of ooit was geweest, maar ze waren bang om de boot te missen. De concurrentie lag altijd op de loer. De musea die het Instituut bezat, trokken al jaren geen bezoekers meer. Niemand kwam nog naar artefacten en mummies van de oude Egyptenaren of Inca’s kijken. Er was behoefte aan iets nieuws en bijzonders, iets van een andere planeet. Ze hadden Stanley gestuurd. Ik mocht Stanley wel, een oude kerel met een grijze baard die van mooie dingen hield en helemaal niets om geld gaf.
Stanley was enthousiast naar de nieuwe planeet vertrokken. Helaas was er daarna niets meer van hem vernomen. Nu hadden ze mij gestuurd om te kijken wat er met hem was gebeurd en om het ruimtevaartuig van het Instituut op te halen. Stanley was onvervangbaar, zo had de directeur mij persoonlijk op het hart gedrukt, maar ik mocht ook niet vergeten dat het schip een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde. Waarom ze juist mij hadden gestuurd, de jongste en minst ervaren werknemer van allemaal, dat begreep ik wel. Ik was erg vervangbaar.
Het belangrijkste deel van mijn taak was al volbracht: het dure schip stond honderd meter verderop zo te zien onbeschadigd te glanzen in de oranje zon. Het prefabgebouw leek ook in goede staat. Niet ver van de ingang lagen wat terreinfietsen op de grond. Een regelmatig knipperende rode lamp boven op de schotelantenne wekte vertrouwen. Alles leek normaal. Toch aarzelde ik voor ik naar de ingang liep. Waar was iedereen?
De deur stond half open en de hal lag vol lege dozen, blikjes en zand. Dat was vreemd. Toen ik behoedzaam doorliep naar de eetzaal kreeg ik voor de zoveelste keer die dag een schok. De ruimte lag vol menselijke lichamen, in allerlei vreemde houdingen en soms boven op elkaar. Na de eerste schrik besefte ik dat ze nog ademden, dat sommigen zelfs snurkten, en dat de geur die ik rook niet die van de dood was. Het was de geur van oud zweet.
Nadat ik enkele minuten naar de slapende mensen had gekeken en tot de conclusie was gekomen dat Stanley er niet bij was, besloot ik er een wakker te maken. Ik koos voor een vrouw van een jaar of veertig die er wat frisser uitzag dan de rest. Vrouwen van mijn leeftijd waren er niet. Het was nog niet eenvoudig om haar te wekken, maar ik kreeg haar zover dat ze ging zitten en gedesoriënteerd om zich heen keek.
‘Waarom maak je me wakker?’ vroeg ze verdwaasd.
‘U ligt op de vloer te slapen.’ Ik probeerde redelijk te klinken. ‘Het lijkt me niet zo prettig liggen en de vloer is ook niet bepaald schoon.’ Beleefdheid weerhield me ervan om te zeggen dat ze zelf ook wel een schoonmaakbeurt kon gebruiken.
‘O, is dat alles.’ Ze wilde weer gaan liggen.
Ik hield haar tegen. ‘Sorry dat ik stoor,’ zei ik. ‘Maar ik vroeg me af of u Stanley heeft gezien, Stanley Hulzenbos.’
‘Een oude man met een baard?’
Ik knikte hoopvol.
‘Ergens in het bos, denk ik. Geen idee eigenlijk waar hij is.’
Toen later de anderen wakker werden, konden ze me niet veel meer vertellen. Ze waren allemaal katterig en weinig behulpzaam. Ik besloot dat het maar een ongeregeld zootje was en vroeg me af waar ze de drank hadden verstopt. Het werd me snel duidelijk dat ze om allerlei verschillende redenen en door verschillende ondernemingen naar Florus waren gestuurd om te zien of er op de planeet wat te halen viel. Er was een geoloog, een bioloog, een touroperator en zelfs een evangelist. De vrouw die ik gewekt had, bleek een journaliste te zijn die Inez Pong heette. Ik vroeg haar of ze hier niets anders deden dan feesten.
‘Wacht maar tot de bloemen opengaan,’ zei ze raadselachtig.
Ik liet haar staan en begon een berg notebooks te doorzoeken die lukraak in een hoek waren gesmeten. Daar vond ik eindelijk een teken van Stanley: de ouderwetse aktetas die hij altijd bij zich droeg. In de aktetas vond ik een half opgegeten boterham, filters voor een ademmasker, een pakje zakdoeken en een soort dagboekje. Dat was weer typisch Stanley. Wie gebruikte er nog zoiets? Ik opende het boekje. Op de eerste bladzijde stond ‘Florus’ met een streep eronder. Ik probeerde zijn andere krabbels te ontcijferen. Dat viel nog niet mee. ‘Eerste indruk goed,’ las ik. ‘Misschien iets te goed? Toch maar het zekere voor het onzekere nemen.’ Stond dat er? Ik gaf het op. Op de volgende bladzijde was een tekening gemaakt. Alle bladzijden daarna bleken leeg. Ik bekeek de tekening wat beter. Het leek wel een schatkaart. Ik herkende het vliegveld en het gebouw waarin ik me bevond. Een stippellijn liep van hier langs een aantal herkenningspunten, die summier waren aangegeven met benamingen als ‘oude knoest’, ‘puntmuts’ en ‘treurwilg’, naar een kruis. Daarbij stond, als ik het tenminste goed las, ‘tombe?’. Het vraagteken intrigeerde me. Nu had ik in ieder geval een spoor dat ik kon volgen.
Als de schaal van de tekening klopte, was het een flink eind lopen. Ik herinnerde me de terreinfietsen. Weer terug bij Inez vroeg of ik er een mocht gebruiken.
Ze haalde haar schouders op. ‘Waarom niet?’ Ze leek al wat vrolijker. ‘Maar ik zou tot morgen wachten met je tripje. De zon gaat onder.’
Ik had niet beseft hoe kort de dagen duurden op Florus. Door de ramen zag ik dat de hemel al bloedrood kleurde en dat de ster van Florus onnatuurlijk snel naar de horizon zakte. Iedereen was nu wakker en opeens was het een en al bedrijvigheid. Men was bezig met het verzamelen van kannen, flessen, vazen en jerrycans. De bioloog stond voor het raam en riep iets met de uitgelatenheid van een kind. Ik verstond het eerst niet.
‘De bloemen gaan open,’ zei Inez. ‘Kom mee!’
Samen met de anderen rende ik naar buiten. Alles was opeens anders. De hemel was nog donkerder gekleurd en ik zag twee bleekgroene manen aan de hemel staan. Ze beschenen de groep die voor ons naar de bosrand dartelde.
Ik wees naar de manen en voelde een uitgelaten vrolijkheid opkomen die ik niet van mezelf kende.
‘Nylon en Dralon,’ zei Inez.
Ik proestte het uit.
‘Dat heeft onze evangelist bedacht,’ zei ze. Ze wees opzij naar een blauwe maan die net boven de horizon uit klom. Er liep een duidelijke zichtbare kloof over het oppervlak. ‘Optilon.’
Ik begreep er niks van maar ik bleef er bijna in. De anderen lachten ook en zo liepen we het varenbos in. De bloemen van de varenachtige bomen waren inderdaad opengegaan. Ze waren enorm en schitterden in het licht van de manen. Hun kelken zwaaiden majestueus heen en weer op lange soepele stengels en als we onze kannen en bekers omhoog hielden, bogen ze zich gedienstig naar ons toe, zodat we de zilveren nectar uit hun kelken konden opvangen. Daarbij bestoven ze ons met glinsterende stofdeeltjes die me duizelig en gelukkig maakten. Naast ons stonden harige wezens op stakerige beentjes, die de nectar direct opvingen in grote gulzige monden. Ze hadden overigens alleen monden. Het waren Bumbelbies, volgens Inez. Het maakte niet uit; we waren allemaal vrienden hier. We renden van bloem naar bloem tot al onze kannen en vazen gevuld waren. Daarna huppelden we terug naar huis.
Inez liep naast me. Het was me niet eerder opgevallen hoe aantrekkelijk ze eigenlijk was. Trouwens, die andere lui vielen ook best mee. Het waren allemaal mooie en lieve mensen. We dronken samen van de nectar en dansten de hele nacht. Ik was nog nooit zo gelukkig geweest.

© United in the Avalanche

De volgende dag werd ik wakker op de vloer. Al mijn spieren deden pijn, mijn hoofd bonkte en ik wou eigenlijk gewoon blijven liggen. De anderen sliepen nog.
Ik had een vreemde droom gehad. Over Stanley. Ik had nog nooit over Stanley gedroomd, maar in de droom riep hij me. Voorzichtig over mijn vrienden stappend, die kriskras door elkaar lagen en waarvan sommigen minder kleren aan hadden dan anderen, strompelde ik naar een tafel waarop ik de aktetas had laten liggen. Ik greep het dagboekje en liep ermee naar buiten. Honger of dorst had ik niet. Gek genoeg. Dus ik kon meteen wel gaan. De oranje zon stond ook al best hoog. Ik moest opschieten.
Buiten vond ik een fiets die nog in redelijke staat verkeerde. De meeste waren kapot of hadden een lekke band.
Beurtelings turend op de kaart en naar de omgeving, fietste ik over het veld. Ik zocht de plek waar ik het bos in moest. Dat was lastig want de bosrand zag er overal hetzelfde uit. Tot ik iets zag schitteren. Dichterbij gekomen bleek het een stukje aluminiumfolie te zijn. Die goede ouwe Stanley toch. Ik reed het bos in. Gelukkig was er weinig ondergroei. Ik lette vooral op de aluminiumfolie die hier en daar hing. De kaart was een ramp, maar die folie was een goed idee. Na een klein uurtje doortrappen, kwam ik bij iets wat op een met mos begroeide rots leek. Hier was Stanley helemaal uit zijn bol gegaan met de aluminiumfolie. Ik nam aan dat ik op mijn bestemming was aangekomen. Er stond een fiets tegen de rotswand. Opzij ervan was een opening en het zou best kunnen, bedacht ik nu, dat het niet om een rots ging maar om een oeroud bouwsel. Onder het mos waren hier en daar de contouren van vierkante blokken zichtbaar.
Binnen was het stil en donker, maar er was net genoeg licht om een soort put te zien. Ernaast lag de gehavende rugzak van Stanley op de grond. Met iets van ontzag en vrees tegelijk pakte ik hem op. Er zat van alles in: klimtouw, lichtbollen, een opklapbaar schepje, een rol aluminiumfolie. Ik pakte een van de lichtbollen, schakelde hem in en liet hem in de put vallen. Steunend op de lage rand keek ik hem na. Heel ver beneden me plofte hij op het lichaam van Stanley, die onder een wirwar van touw en in een vreemde gebroken houding op de bodem van de put lag. Toen rolde de bol verder. Ik hapte naar adem, al was ik niet erg geschrokken.
Het zag er niet naar uit dat ik nog veel voor Stanley kon doen, maar desondanks pakte ik het andere touw uit de rugzak. Het touw was vrij dun maar behoorlijk lang. Nu was het zaak om het beter vast te maken dan hij had gedaan. Ik liep naar buiten, waar ik het om het dichtstbijzijnde varenachtige boomding wierp. Daarna legde ik er een paar stevige knopen in. Ik moest even uitvogelen hoe het werkte met die klimspullen, maar ik had gelukkig wel eens een klimmuur beklommen en ik was best hoog gekomen. Gauw stopte ik nog wat lichtbollen in mijn zak en voor ik het zelf wist, stapte ik in het gat en liet me zakken. Het ging vrij aardig, al had ik niet verwacht dat ik het laatste stuk in de lege ruimte zou hangen.
Na dat laatste stukje kwam ik bij Stanley aan. Van dichtbij zag hij er wel erg dood uit. Zijn ogen waren wijd opengesperd. Om de een of andere reden droeg hij een ademmasker.
Ik pakte nog een van de lichtbollen en liet deze de ruimte in rollen. Het effect was adembenemend. Ik bleek me in een enorme ruimte te bevinden die vol stond met de meest waanzinnige objecten. De wanden waren voorzien van kleurige fresco’s die dionysische taferelen verbeeldden, met mensachtige wezens in de hoofdrol. Ook de Bumbelbies en de bloemen waren een gewild motief. Vaag besefte ik dat dit alles directeur Muisman blij zou maken. Heel blij.
Eerst maar weer naar boven. Ik keek langs het touw omhoog. Dat kon nog een probleem worden, zonder steun voor mijn voeten. Ik probeerde me alle kennis van de klimmuur weer te herinneren. Pas na een hele lange tijd wist ik het gat in het plafond te bereiken, door me steeds een heel klein stukje op te trekken en me dan vast te zetten. Toen ik eenmaal in de put was en mijn voeten kon gebruiken, ging het beter.
Boven was de zon al aan het dalen. Ik sprong op de fiets en begon als een gek te trappen. Het was bijna donker toen ik op het veld aankwam. Iets in me zei dat ik meteen naar het ruimteschip van het Instituut moest fietsen, de code in moest toetsen en de planeet moest verlaten. Maar ik luisterde niet naar die rare stem en ik vond ook dat ik Inez even gedag moest zeggen. Ik smeet de fiets tegen de zijmuur en rende het gebouw in. Iedereen was alweer bekers en kannen aan het zoeken.
Inez kwam naar me toe, of misschien moest ze toevallig mijn kant op.
‘Ik moet weg,’ stamelde ik. ‘Ik heb iets gevonden. Het gaat alles veranderen.’ Ik wist alleen niet zo goed meer wat.
Ze keek me verbaasd aan. ‘Zoveel haast kan het toch niet hebben? De bloemen gaan bijna open.’
Nog één keer kon vast geen kwaad.

Een paar weken of maanden later stond ik tegen de buitenmuur te plassen. De toiletten waren een tijdje geleden overstroomd en niemand had zin om er iets aan te doen. Ik was net klaar toen er een gierend geluid klonk. Er kwam iets uit de lucht vallen in een veel te steile baan. Ik herkende het oude huurschip dat me hier had gebracht. De remraketten ontstaken inderdaad behoorlijk laat en met een dreun ontmoette het schip de harde grond. Het schoof even door en kwam tot stilstand. De laadklep draaide naar beneden.
Er ging een sirene af. Een man in een keurig pak kwam wankelend en met de ogen knipperend naar buiten, zijn handen vol bagage. Ik herkende directeur Muisman van het Instituut. De sirene ging opnieuw. De klep begon alweer omhoog te gaan en de motorgondels spuwden vuur. De directeur moest springen voor zijn leven. Het schip schoot de lucht in.
Toen de rook was opgetrokken, zag ik Muisman tussen zijn smeulende bagage zitten. Hij leefde nog, al smeulde hij zelf ook een beetje. Ooit zou ik heel hard hebben moeten lachen, maar ik lachte nooit meer. Niet overdag. Hij had me in het oog gekregen en kwam mijn richting uit, een beetje mank. Ik wachtte rustig af tot hij me bereikte.
Hij was woedend. ‘Daar ben je dus!’ schreeuwde hij. ‘Moet ik dan verdomme alles zelf doen?’ Een van zijn wenkbrauwen was verdwenen. ‘Je bent ontslagen!’ Hij leek me nu pas echt te zien. ‘En je ziet eruit als een zwerver.’
‘Wacht maar tot de bloemen opengaan,’ zei ik schouderophalend en ik slenterde naar huis.

 

Over de auteur:
Mijn interesse voor SF en fantasy is, zoals bij veel mensen, begonnen met Tolkien. Nadat ik op mijn vijftiende In de Ban van de Ring had gelezen, raakte ik verslingerd aan de bekende Meulenhoff-boekjes, waar ik toentertijd een grote verzameling van heb opgebouwd. Ik heb ze ook allemaal bewaard. Intussen is mijn belangstelling wel verder uitgedijd. Na een cursus creatief schrijven heb ik meerdere verhalen geschreven, waarvan er vroeger een paar zijn gepubliceerd. Ik heb Engelse taal- en letterkunde gestudeerd en werk bij een vertaalbureau.

Over de illustrator:
Meer over deze illustrator kun je vinden op zijn instagramaccount.

© 2020 – 2022 Fantasize, Reinier Swartken & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page