web analytics
vrijdag, april 19

Vertelling: Dubbele getallen – Heleen van den Hooven – deel 2

Door Heleen van den Hooven

Lees hier deel 1.

Het volgende uur vliegt in een waas voorbij. In het keukentje knip ik mijn haar in een rechte bob en verf het zo goed mogelijk zwart. Ik leen een rugzak van de kringloop en prop er op goed geluk mijn meest dierbare kledingstukken in, mijn bladmuziek, telefoon, oplader, zwarte handtas met inhoud en mijn vioolkoffer – mijn belofte aan mijn muze zal ik nooit breken. Op zoek gaan naar een viooldokter is het eerste dat ik in Valencia ga doen. Mijn hart bonkt onrustig en het avontuur bruist door mijn aderen. Mijn vingers trillen zo erg dat ik de veters van mijn Dr. Martens niet gestrikt krijg. Ik prop ze naar binnen. Dit is zo spannend. Ik ga het doen. Het is klaar met dit altijd zo voorzichtige leven. Ik wil niet meer bedachtzaam zijn.

Lang leve de Uber.
Mohammed parkeert zijn auto voor de kringloopwinkel en houdt galant de deur voor me open. Ik stap naast hem in zijn auto.
‘Eindhoven Airport?’
Moet ik nou Spaans praten om in mijn nieuwe rol te blijven? Nee, Santi Sanches Gomez is in Nederland geboren en heeft Spaanse familie die ze gaat opzoeken, bedenk ik. ‘Graag. Druk vandaag?’
‘Nou, zijn gangetje. Dit zijn de betere ritjes, dus bedankt.’
Mijn wangen zijn warm. Ik moet me rustig houden. Santi zag er op de foto heel beheerst uit, een beetje bleek ook. Ik sluit mijn ogen en doe net of ik indommel en misschien slaap ik ook wel even echt. Het geronk van de motor maakt slaperig.

Als ik mijn ogen open en in de achteruitkijkspiegel die van Mohammed ontmoet, vraagt hij: ‘Ga je op vakantie?’
‘Ja zoiets, familiebezoek.’
‘En, waar gaat de reis naartoe?’
‘Valencia.’
‘Heerlijk, lekker even dat koude Nederland ontvluchten. Ik zou ook wel willen, mijn oom en broer wonen er.’
‘Echt waar?’
‘Ja, onze familie is verspreid over heel Europa.’
Ik knik begrijpend. ‘Hoe lang ben je al in Nederland?’
‘Drie jaar ongeveer.’
‘Wauw, dan spreek je goed Nederlands.’
‘Ach ja, een talenknobbel.’
‘Mooi meegenomen. Waar liggen jouw roots?’
‘Marrakesh.’
‘Dat is een prachtige stad. Ik heb er een keer opgetreden met mijn orkest.’
‘Wat speel je dan?’
‘Viool.’
‘Mijn broer ook, en mijn oom is de beste vioolbouwer van Spanje. Helaas kan ik geen noot lezen.’
Vioolbouwer? Zei hij dat echt? Dient het zich aan en moet ik het pakken?
Mijn mobiel: 01:01.
Heel symbolisch, Suus. Een nieuw begin.
‘Meen je dat? Ik ben juist op zoek naar een vioolbouwer. Mijn viool is op de grond gevallen en zonder viool ben ik nergens. Mag ik zijn adres misschien?’
‘Natuurlijk, natuurlijk. Het zal een eer voor hem zijn je te helpen. Hij beschouwt alle muzikanten van waar ook ter wereld als zijn familie.’
Mijn ogen worden er waterig van. ‘Mijn viool is alles voor me. Ik zal jullie eeuwig dankbaar zijn.’
‘Is goed, is goed.’

De hartkloppingen had ik mezelf kunnen besparen. Het ticket is oké, mijn paspoort wordt nauwelijks bekeken, ik mag mijn schoenen aanhouden, de bodyscan passeer ik zonder problemen en mijn handbagage behoeft geen nader onderzoek. Mohammeds briefje met het adres van zijn oom brandt in het borstzakje van mijn blouse.

Pas als het landingsgestel loskomt van de landingsbaan en het vliegtuig opstijgt, kom ik – achterovergedrukt in mijn stoel – tot rust. Gelukkig zit er niemand naast me. Beleefdheidsgesprekjes zijn niet nodig en de vermoeidheid slaat hevig toe.

Ik ontwaak als de daling inzet. Die uitnodiging van het SSG? Daar hoef ik geen gebruik van te maken. Zeker niet zolang ik niet weet waar de letters voor staan. Liever zoek ik eerst Mohammeds oom op, zodat ik daarna desnoods als straatartiest op kan treden om mijn dagelijkse maaltje bij elkaar te scharrelen. In de overdekte mercados zijn bocadillo’s en fruit vast nog wel te betalen.
Aan de huissleutel zat een label met adres. Durf ik dat?
Valencia is adembenemend. Ook al is het januari, het is er twintig graden. Palmbomen, de moderne gebouwen van Calatrava, de oude stad, het park en de Middellandse Zee. De Uber werkt hier ook. Fernando zet me keurig af in de Calle de Santa Rosa. Alle beschermheiligen zijn welkom.

Voor het appartementencomplex loop ik verschrikkelijk te dralen. Ik kan toch niet zomaar naar binnen gaan? Wat zou er met Santi gebeurd zijn? Hoe komt haar tas in de kringloop met paspoort en vliegticket? Is ze dood? Is ze net als ik slachtoffer van een onbetrouwbare huisbaas? Bestaat ze wel echt? In wat voor morbide spel ben ik terechtgekomen? Ben ik haar dubbelganger? Zouden haar spullen onrechtmatig ontvreemd zijn? Nee, deze tas vond ik gewoon in een krat voor de verkoop. Anders hadden ze het daar niet ingedaan, schud ik mijn schuldgevoelens af. Het is allemaal zo onwerkelijk dat ik met gezond verstand niet ver kom.
Zo onopvallend mogelijk tuur ik omhoog langs de gevel, loop het pleintje rond en kijk nog eens. 4C is het nummer. Zou dat de derde etage zijn? Het appartementencomplex is gevestigd op de grens tussen de wijken El pla del Real en Camins al Grau, aan een plein met sinaasappelbomen. Met daglicht is het lastig te zien of het bewoond is. Zal ik vanavond terugkomen als het donker is en dan hopen dat er geen licht brandt? Of juist aanbellen? Pff, waar ben ik in verzeild geraakt?
Op mijn mobiel is het 12:12.
Suus, wat wil je toch van me?
Mijn maag knort. Eerst maar eens een cappuccino en een broodje. Ik plof neer bij de kiosk op het pleintje, verban alle gedachten uit mijn hoofd en speel toerist. Heerlijk, de zon op mijn huid en het Spaanse gebabbel op de achtergrond. Valencia, het is echt waar. Ik ben Santi Sanches Gomez en word verwacht op een vergadering van het SSG. Wat dat ook moge zijn. Ineens valt me de overeenkomst op met de initialen van mijn naam en… mijn nieuwe naam. Ook weer toeval zeker. Een vergadering van mezelf met mezelf over mezelf? Nee, wat valt er dan te vergaderen? En waarom dan hier, dat kan toch overal? Heb ik de kleine lettertjes misschien over het hoofd gezien? De uitnodiging ligt snel in mijn hand. Een watermerk van een engel die zijn vleugels spreidt. De haartjes op mijn armen richten zich op. De huivering schiet omhoog naar mijn nek. In de felle Spaanse zon verschijnen onder het watermerk de woorden Spook Schrijvers Genootschap. Ondanks de hitte voel ik de kou tot in mijn botten. Zie je wel, het voelde al niet goed. Wil Suus echt dat ik me hiermee inlaat? Wat is dat, een spookschrijversgenootschap? Spookrijders rijden aan de verkeerde kant van de weg, tegen het verkeer in. Doen spookschrijvers net zoiets? Tegen de stroom in schrijven? Tegen de gevestigde orde? Van achter naar voor? Aan het einde beginnen en dan terugschrijven? Staan spookschrijvers aan de verkeerde kant? De andere kant? Er is maar één manier om daarachter te komen. Nou wil ik het weten ook.

Ik huur een fiets met het idee alvast die beschermengelbrug te verkennen en de hele Jardin del Turia op en neer te fietsen. Het verhuurbedrijf is zo aardig mijn rugzak en vioolkoffer in bewaring te nemen.

Bij daglicht bruist de Jardin del Turia van het leven. De parkzone, die vroeger een rivierbedding was, slingert zich dwars door de stad: grasvelden, bomen, vijvers, fietsers, wandelaars, spelende kinderen, verjaardagsfeestjes, yoga-klasjes en een heleboel bruggen. Een daarvan moet de Puente del Angel Custodio zijn. De eerste brug waar ik onderdoor fiets, is meteen de goede. Verkeer raast eroverheen en daarboven staat op een verheven voetstuk een beeld van de beschermengel, de vleugels uitgeklapt, klaar om een duikvlucht te nemen. Het beeld heeft het lichaam van een man, maar de kop van een dier met puntige hoektanden. Hm, dus dit is de brug waar het Spook Schrijvers Genootschap samenkomt, vanavond om 17:17? Moet ik daar echt mijn opwachting maken?
14:14. Ja dus. Die dubbele getallen… soms word ik er niet goed van. Moet ik er wel naar blijven luisteren?
Mijn handen wrijven langs de stenen van de pijlers; ze voelen warm aan. Dat de zon al zoveel kracht heeft in januari. Onder de bogen is het donker en koud. Gek dat hier vroeger water langs stroomde. Sshh, ruist het. Het is net alsof ik het water nog hoor bruisen. Verbeelding, ik ben doodmoe. Die paar uur slaap in het vliegtuig zijn niets vergeleken met een nacht van minimaal acht uur, wat ik eigenlijk nodig heb.
‘Sh… sh…’
Komt het uit die pijler? Met mijn oor tegen de stenen luister ik nog eens. Mijn hart klopt onrustig. Wat begeeft zich hier in de schaduwen? Kan ik niet beter aan het einde van de middag terugkomen?
‘Sh… Sarah Sophia Geesthuijsen.’
Van schrik spring ik een meter achteruit en maak me uit de voeten, terug naar het zonlicht, terug naar mijn fiets.

De volgende kilometers fiets ik alsof mijn leven ervan afhangt. Blauwe lucht en een waas van groen. Geen idee hoeveel bruggen ik al onderdoor ben. Pas als het te rustig wordt, besef ik dat ik de verkeerde kant op ben gefietst. Hoe iemand mijn echte naam kan weten? En nu ben ik Santi Sanches Gomez. Nog meer vragen zonder antwoorden. Als ik de moderne gebouwen van architect Calatrava wil bekijken, kan ik beter omdraaien. Hij heeft ook die prachtige concertzaal ontworpen in het Palau de Musica. Als ik daar toch eens op mocht treden. Morgen ga ik eerst Mohammeds oom bezoeken, de vioolbouwer. Door de fietstocht keert mijn rust een beetje terug, al trek ik alsnog een sprintje om onder de beschermengelbrug door te fietsen.
De volgende brug is die van de koningen. Daar eenmaal onderdoor fiets ik het gebied binnen waar kunst en wetenschap samenkomen. Grasvelden en bomen maken plaats voor de witte, futurische gebouwen van de Valenciaanse architect Calatrava. Hun grootsheid wordt nog versterkt door een immense, net als een zwembad betegelde waterpartij, waarin de gebouwen en de hemelsblauwe lucht weerspiegelen. Als eerste trekt het Palau de les Arts mijn aandacht. Wat een plek.
‘Iemand wist mijn naam. Een spook?’ vraag ik me fluisterend af. Het blijft maar door mijn hoofd dreinen.
‘Een ongeduldig spook dan wel,’ klinkt Suus in mijn hoofd. ‘Als die niet kon wachten tot vanmiddag 17:17.’
‘Nou, inderdaad,’ mompel ik. ‘Het geeft me niet echt de moed die ik nodig heb.’
Daar zegt ze niets op terug. Ik parkeer mijn fiets en volg een beetje in de achterhoede een groep Nederlandse toeristen die in het Engels uitleg krijgt van een gids. Het is lastig om het hele verhaal te volgen, maar ik vang toch wat flarden op. Bij een grote overspanning bij een van de gebouwen staan ze stil. Met een triomfantelijk gebaar nodigt de gids een van de toeristen uit bij de ene kant van de boog te gaan staan. Zijzelf loopt naar de andere kant, buiten gehoorafstand.
‘Ongelooflijk, ik kan verstaan wat ze zei,’ roept de toeriste uit. ‘Over zo’n afstand. Hoe is dat mogelijk?’
Ik begrijp dat het geluid via de boog getransporteerd wordt, net als vroeger met twee conservenblikken en een touwtje. Verklaart dat ook het gefluister van net? Opnieuw dwalen mijn gedachten terug naar de Puente del Angel Custodio, waar ik aan het einde van de middag het Spook Schrijf Genootschap ga ontmoeten. Moet ik wel gaan? Schrijven, laat staan spookschrijven, dat is toch niets voor mij. Ik wil viool spelen, mijn handen jeuken. Ik weet het niet. Laat ik nou eerst maar eens mijn spullen ophalen en ‘mijn’ appartement betrekken.
15:23. Tijd genoeg. Ik ben Santi Sanches Gomez. Maar als ze hier nu zelf ook…?

Fiets teruggebracht, rugzak en vioolkoffer opgehaald. Voor de voordeur van het appartement aan de Calle de Santa Rosa veeg ik mijn klamme handen af aan mijn broek. ‘Nou, kom op, bellen,’ spreek ik mezelf moed in. Mijn hand gaat op weg.
Nee. Stel dat er iemand opendoet?
Dan vraag je gewoon “Woont hier Santi Sanches Gomez?” Ik heb haar handtasje met paspoort gevonden.
Ja, ja. Nog een poging.
Nee. Maar als ze mij dan ziet met mijn zwarte haar, net als zij?’
Bel nou maar gewoon aan.
TRRRR.
Mijn hart vraagt overdreven luidruchtig aandacht. Niks. Nada. Niente.
TRRRR.
Nou wil ik het zeker weten ook.
Hoelang moet ik wachten tot er iets gebeurt? Het duurt natuurlijk even voordat ze de trap af is. Hoor ik daar wat?
Niets. Er gebeurt niets.
Met een zucht – die lang niet van zo diep komt als ik zou willen; normaal ademhalen lukt bijna niet meer – gris ik de sleutels uit het tasje en controleer voor de zoveelste keer het adres. Het klopt allemaal. Zouden ze echt passen?
Mijn handen trillen. Bloed suist langs mijn oren. Mijn hartslagen kloppen in mijn keel, overal.

Zonder problemen draait het slot open. Behoedzaam stap ik de hal in. Snel trek ik de deur achter me dicht en kijk schichtig om me heen. Hoog plafond en prachtige Spaanse tegels met geometrische motieven. Ik ben Santi Sanches Gomez. Dit is mijn huis, bedenk ik stoer.
Dat ik dit doe!
Voor de zekerheid klop ik op de deur.
Niets.
‘Moet ik dit echt doen? Zo meteen vind ik haar dood,’ mompel ik in mezelf.
‘Hè, gatverdamme,’ reageert Suus meteen in mijn hoofd. ‘Jij ook met je levendige verbeelding. Hoe stel je het je voor? Opgehangen, de polsen doorgesneden of gestikt in een olijf?’
‘Sorry, sorry, Suus,’ giechel ik. Het galmt door de hal; s o r r y… s o r r y. Zo naargeestig. Paniekerig sla ik mijn handen voor mijn oren. Dit is veel te spannend voor mij.
‘Schiet dan ook op,’ spoort Suus me aan.
‘Ja, ja.’

© United in the Avalanche

Er zijn twee kamers, een woonkamer en een slaapkamer, met daartussen een douche en toilet. Ze hebben een hoog plafond, net als de hal, en fraaie tegels op de vloer. Er staan houten meubels: een kast, tafel en stoelen. Nergens persoonlijke spullen, alleen een viool op een standaard bij het raam. Een viool! Een traan loopt langs mijn wang, ik haal mijn neus op en slik moeizaam. Mijn vingers strelen de snaren, het hout en de krullen net boven haar hals. Wat een prachtexemplaar. Teder pak ik haar op en speel enkele stukken die in mijn hoofd zitten. De laatste spanning in mijn lijf vervliegt. Spaans temperament, deze dame. Ze wil vlugger dan het tempo eigenlijk is. Ik drijf mee op haar gepassioneerde tonen, verlies me in de muziek, speel en speel. Dit is wat ik wil, hier ben ik voor geboren.
Het zware geluid van kerkklokken dringt mijn oren binnen. Die kerk moet hier vlakbij staan. Vijf tel ik er. Vijf uur al, dan moet ik me nog haasten ook. Voorzichtig zet ik de viool terug op de standaard. Ik schiet mijn jas aan, pak mijn zwarte handtasje met de uitnodiging en gris de sleutels van tafel. Geen idee wat me te wachten staat, maar ik ga. Ik zal er zijn, met de uitnodiging.

17:12
Het schemert als ik voor de tweede keer die dag de Jardi del Turia binnenloop. Behoedzaam nader ik de Puente del Angel Custodio.

17:15
Op veilige afstand van de pijler wacht ik. De schaduwen erachter zijn inktzwart. Het wordt vanzelf tijd en dan is Suus er weer, als het klopt wat ik mezelf al die jaren op de mouw heb gespeld. Eerst mijn ouders, toen Suus. Natuurlijk bedenk ik vaak genoeg dat ik het allemaal verzin om maar ergens houvast aan te hebben. Ik ben dan wel volwassen, maar toch wankel ik te vaak naar mijn zin.
Een diepe zucht.

17:17
Zwarte schimmen maken zich los uit de middelste pijler van de brug. Niet eenvormig; een langere, een kortere, een dikkere en een dunnere, maar gezichtsuitdrukkingen hebben ze niet. Met een handgebaar nodigen ze me uit in hun midden. Ik friemel aan de hoekjes van de uitnodiging, mijn handen zijn klam van het zweet.
De kortere schim treedt naar voren en neemt het woord. ‘Welkom in ons midden, Sarah, of moet ik Santi zeggen?’ De stem klinkt warm, neigt naar vrouwelijk.
Ik haal mijn schouders op.
‘Welkom bij ons spookschrijverscollectief: het Spook Schrijf Genootschap. Heb je al enig idee?’
Nee, schud ik.
‘Hoe speelt je nieuwe viool?’
‘Hoe…?’
De schim maakt een afwerend gebaar. ‘Straks leg ik alles uit. Bevalt ze je?’
‘Ze speel fantastisch; gepassioneerd als een Spaanse. Als ik haar aan jullie te danken heb, dank ik jullie uit de grond van mijn hart.’
‘Kom in ons midden. We zijn je een verhaal verschuldigd, Sarah Sophia Geesthuijsen. Heb je je ooit afgevraagd waar je naam vandaan komt?’
‘Nee, eigenlijk niet. Ik heet gewoon zo.’
‘Die verre voorvader die een achternaam moest verzinnen, was zich ervan bewust dat er een geest in hem huisde. Niet alleen de geest die bij zijn lichaam hoorde, maar een extra geest die hem van raad voorzag, een beschermengel. Net als Suus bij jou.’
‘En voordat Suus er was?’
‘Je vader. Heb je niet gevoeld hoe dicht hij bij je bleef? Als je zijn favoriete stuk speelde, versmolt hij bijna met je.’
Meer dan knikken zit er niet in. Het is waar, als ik speel vervagen alle grenzen. Muziek bouwt bruggen tussen mensen en zelfs tussen hemel en aarde. Ik denk terug aan Mohammed. Zijn oom beschouwt alle muzikanten als zijn familie.
‘Muzikanten, kunstenaars, dansers, schrijvers, noem maar op, ze hebben een bepaalde gevoeligheid. Als je muziek speelt of luistert ervaar jij ook dat je in een andere wereld terechtkomt. Toch?’
Wat kan ik anders dan dat bevestigen? Het gekke is dat dat voor mij zo normaal is dat ik nooit heb bedacht dat het bijzonder kon zijn. Zelfs het gesprek met deze schim voelt als vanzelfsprekend, herkenbaar en eigenlijk heel vertrouwd.
‘Al onderscheiden we lichaam en geest, dood en leven, realiteit en fantasie, de scheidslijn tussen deze werelden is lang niet zo hard als de meeste mensen geloven. Creatievelingen weten dat de sluier diffuus is en leven vele parallelle levens. Schrijvers creëren in elk verhaal een nieuwe wereld. Schrijven ze alleen, of zijn ze daar ook? Leefden ze voor even het leven dat ze schreven?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Maar wat doen jullie dan bij jullie spookschrijverscollectief?’
‘Wij schrijven, maar omdat wij ons aan de andere kant van het gordijn bevinden, schrijven wij in de levens van levenden. Wat wij bedenken, vindt plaats in wat jullie “realiteit” noemen. Wat jullie schrijven vindt plaats in onze “realiteit”, aan onze kant, in de levens van de “doden”, zoals jullie dat noemen, maar eigenlijk is onze geest nog even levend. Onze vorm is net zo diffuus geworden als de wereld waarin we ons begeven.’
‘En waar is dit collectief dan voor?’
‘Om elkaar te helpen beter te worden en om ons ervan te vergewissen dat we geen overdreven leed berokkenen.’
Er valt een pijnlijke stilte.
‘Soms mislukt dat en proberen we het weer de goede kant op te schrijven. Dee realiteit is weerbarstig. Soms gebeuren er onvoorziene zaken. Ook entiteiten hebben niet alles onder controle en spookschrijver word je niet zomaar. Het is een lange weg van oefenen, weggooien, schrappen, schrijven, oefenen, ontwikkelen en fouten maken. Net zoals jullie probeersels, fouten en mislukkingen in onze wereld verschijnen, verschijnen die van ons in jullie wereld.’
‘Wat?’ Mijn vingernagels boren zich in het vlees van mijn handpalm. ‘Wil je beweren dat mijn ellende door jullie bedacht en opgeschreven is? Heb ik dan helemaal niets over mijn leven te bepalen?’ Ik hap naar adem, woede knijpt mijn keel dicht. ‘De dood van mijn ouders, tante Suus, mijn orkest, viool, kamer en alles wat ik ooit had!’ schreeuw ik gesmoord.
‘Rustig, rustig, nee niet alles. Hoe moet ik dat nou uitleggen?’
‘Rustig! Wat denk je zelf! Mag ik nu meedenken over hoe mijn leven verder gaat? Hebben jullie me daarom uitgenodigd?’
‘Luister, natuurlijk ben je kwaad, dat begrijpen we, maar geloof me, met je ouders en Suus hadden we niets van doen en dan nog… Niet alles gebeurt zo bewust. Je kent vast het gevoel dat je op je viool speelt, je begint misschien met wat bestaande noten, maar dan ineens grijpt de flow je vast en speel je wat je gevoel je ingeeft. Alsof je het pad noot voor noot voor je ziet en erop stapt. Zo is dat met schrijven soms ook. Ik weet niet eens of het bepaald wordt, misschien bepaalt het zichzelf. Rechtlijnig is het nooit, omwegen zijn nodig om inzicht te verkrijgen.’
‘Waarom ben ik hier?’
Schuchter stapt de langere schim naar voren. ‘Om… om het goed te maken.’ De haperende stem klinkt mannelijk. ‘Het… het was te veel. Het spijt me, het was oorspronkelijk mijn verhaal. Ik… tsja… ik schrijf nog niet zo lang en wilde oefenen met de plotstructuur van subcrisis op subcrisis.
‘Nou, dat is je dan aardig gelukt,’ bits ik.
‘Je hebt gelijk. Als iemand je woede verdient ben ik het, hoewel ik al redelijk wat achter de kiezen heb. Wel, je kent Suus. Ze was verschrikkelijk pissig op me en dat is nog zacht uitgedrukt. Dat ik jou, nadat je al zoveel ellende te verduren had gekregen, nog dieper de ellende in schreef.’
Die Suus nam het weer voor me op.
‘Ik bedoelde het niet slecht,’ stamelt de lange schim. ‘Suus vertelde graag en veel over je. Ik vond en vind je gewoon erg interessant. Suus wilde er niets van weten. “Het kan me niet schelen hoeveel subcrisissen er volgens jullie verhaalstructuur in een verhaal moeten om zogenaamd medeleven met de hoofdpersoon te genereren. Niet met mijn Sarah! Waag het niet! Vind maar een manier,” zei ze. “Wijzig de structuur, verzin iets, schrijf haar verdomme gelukkig!”
Nou, toen heb ik hulp gevraagd aan mijn spookschrijfgenoten en we hebben heel wat bij elkaar verzonnen om je verhaallijn om te buigen. Het verdient misschien niet op elk vlak de schoonheidsprijs.Toen mijn tijdlijn haperde en alles je wel erg toevallig voor begon te komen, hield ik mijn hart vast. Gelukkig hielp Suus hier en daar een handje.’
Verontwaardigd schud ik mijn hoofd. ‘Wil je beweren dat Suus ook in het complot zit?’
‘Complot? Saar, daar gaat het niet om. We hebben het beste met je voor, echt,’ mengt de korte schim zich ertussen.
Weer een stilte.

‘Ik wil het zeker weten,’ zegt de lange schim.‘Je droom, wat je het liefste wil. Je bevindt je nu in de gelukkige omstandigheid dat je zelf je toekomst kunt bepalen. Zeg het maar; rijk, beroemd, berucht?’
‘Nee, nee. Ik wil alleen dat mijn muze, mijn viool, in oude luister wordt hersteld en dan wil ik alleen maar spelen. Als ik maar kan reizen en optreden in mooie concertzalen op bijzondere plekken, inspirerende musici kan ontmoeten en mensen kan raken met mijn muziek. Dat ik ze – al is het maar voor even – uit hun realiteit kan halen en mee op reis kan nemen. Het zou fijn zijn als ik daar genoeg geld mee kan verdienen om van te leven, het hoeft echt geen luxe leven te zijn. Ik ben met weinig tevreden.’
‘Wat nog meer? Is er nog iets, als je eerlijk bent? Iets wat we allemaal nodig hebben?’
Ik haal diep adem. Durf ik dat al aan? Alles wat ik liefhad is dood of kapot. Moet ik de gedachte dat het niet voor mij is weggelegd ook loslaten? Zal het me niet te veel overrompelen, te veel tijd en aandacht eisen? Een blos trekt een gloeiend spoor over mijn wangen. ‘Een liefde zou fijn zijn, als… als daar ruimte voor is in mijn verhaal en…’ Erg romantisch klinkt het niet, maar voor mij zijn ruimte en tijd voor mezelf en mijn viool cruciaal. ‘… als de ander me genoeg ruimte durft te geven. Laat ik het zo zeggen, als iemand er genoegen mee neemt de tweede viool in mijn leven te zijn, is het welkom.’
Ik veeg mijn klamme handen af aan mijn broek. Zo, dat is eruit.
Hij knikt me toe. ‘Dat is goed om te weten. Kun je me vergeven?’
Ik wrijf mijn vingertoppen over elkaar, ze zijn nog steeds gevoelig van het eindeloos oefenen van die moeilijke stukken in die natuursymfonie van Mahler. Zal er dan als sluitstuk toch nog liefde zijn? ‘Of ik je kan vergeven, weet ik nog niet. Het is fijn om nieuwe kansen te krijgen, maar het benauwt me om in een verhaal vast te zitten. Ik… ik wil het graag op eigen kracht doen. Weten dat ik het aan mezelf te danken heb in positieve of negatieve zin. Het is lastig. Als je me alleen op weg helpt en dan iets minder ingewikkeld dan de afgelopen stappen, kan ik het je wel vergeven. Mag Suus bij me blijven?’
‘Over Suus heb ik niks te zeggen. Die gaat haar eigen weg. Ik denk wel dat ze bij je blijft. Ze is erg met je begaan.’
‘Is ze hier?’
‘Nee, je kent haar toch? Altijd op reis. Ze wilde me niet voor de voeten lopen. Vond dat ik het zelf op moest lossen.’
‘Mijn ouders?’
‘Te pijnlijk voor hen en voor jou.’
‘Ja, waarschijnlijk. Dank je.’
De wind ruist door de bladeren van de bomen in Jardi del Turia. Een fiets ratelt over het fietspad aan de overkant, de sirenes van een ambulance zijn vanuit de verte te horen. Ik stel me mijn toekomst hier in Valencia voor. ‘Even praktisch, hoe zit het met het appartement?’
‘Beschouw het als het jouwe. Een goedmakertje voor die huisbaas van je.’
‘Santi Sanches Gomez? Bestaat ze echt?’
‘Nee, ze leek me gewoon leuk voor het verhaal, als een extra raadseltje. En hoe moest ik je anders hier krijgen?’
‘Nou, bedankt. Ik heb genoten van de spanning. Dat soort eigenaardigheden dus niet meer.’ Met mijn hand strijk ik door mijn korte, zwarte haren. Pff, ik weet het niet. Het idee als personage vast te zitten aan een verhaallijn die door iemand in de geestenwereld bedacht wordt. Ik weet niet of ik eraan kan wennen. Voelt iets wat verzonnen is wel echt? Mijn tong strijkt langs mijn lip. ‘Zit ik vast in je verhaal? Als je verhaal stopt, stop ik dan ook?’ Het klinkt kleintjes.
‘Nee, daar hoef je niet bang voor te zijn. Verhalen beslaan vaak maar fracties uit iemands leven. Ik zal op je op weg helpen met een feelgood roman met een happy end. Dan mag jij het vandaar helemaal zelf bepalen.’
‘Hoe weet ik dat mijn leven weer van mij is en dat ik dit hele verhaal achter me kan laten?’
‘Poeh, daar moet ik over nadenken. Iets symbolisch misschien? Je zult het herkennen en begrijpen, daar ga ik voor zorgen. Het ga je goed, Saar.’

Zodra ze vervagen, komen de vragen. Heb ik hier goed aan gedaan? Mijn eigen toekomst bepalen, is dat wel een gelukkige omstandigheid? Me overleveren aan een spookschrijverscollectief: Het Spook Schrijf Genootschap dat me als personage in een verhaal gelukkig gaat schrijven. Ik lijk wel niet goed wijs. Heb ik garanties? Net leek het zo logisch allemaal. Wantrouwend kijkt ik om me heen. De schimmen zijn weg en ik, ik ben banger dan ooit. Ik wil het helemaal niet weten en weerhoud mezelf ervan op mijn mobiel te kijken. Dubbele getallen, ik wil er niets meer mee te maken hebben. Schimmen maken alles schimmig. Suus is dood, dat moet ik accepteren. Muziek is de enige houvast die ik heb. Niemand zal me nog iets vertellen.

De volgende dag sta ik opnieuw voor een gesloten deur, de vioolkoffer met mijn gebroken viool op mijn rug, het kaartje met het adres van Mohammeds oom in mijn hand. Nog een keer de Spaanse zinnetjes herhalen die ik uit mijn hoofd heb geleerd. ‘Hola, soy Sara. Hai tu direction de Mohammed. Quero me reparen mi violin.’ Hopelijk spreekt zijn oom Engels. Zenuwachtig haal ik nog een keer mijn vingers door mijn haar.
Een man met een bos zwarte krullen en glinsterende bruine ogen doet open.
‘Ha, jij moet Sarah zijn, die grootse vioolspeelster in spe. Jij bent vast op zoek naar mijn oom.’
‘Je spreekt Nederlands,’ breng ik perplex uit.
Grijnzend van oor tot oor steekt hij zijn hand uit. ‘Aangenaam, ik ben Said, Mohammeds broer. Als je de taal van muziek spreekt, spreek je toch alle talen?’
‘Nee, serieus. Hoe dan?’
‘Mohammed mag dan a-muzikaal zijn, we delen onze talenknobbel. Het begon als grap. Sinds hij in Nederland is beland en ik in Spanje hebben we elkaar meegenomen op onze verovering van een nieuwe taal.’
‘Indrukwekkend.’
Hij lacht besmuikt. ‘Kom. Mijn ooms werkruimte is achterin. Dan kan die naar je viool kijken.’
We lopen een lange gang door. Het ruikt er naar hout. Aan de muren hangen certificaten, oorkondes, foto’s van orkesten en bladmuziek. In de werkruimte hangen violen, er staan cello’s en een contrabas. Geen oom te bekennen.
Said pakt een viool en een altviool van de haken en geeft de viool aan mij. ‘Samen spelen? Wat is het laatste stuk dat je ingestudeerd hebt?’
‘Mahler,’ stamel ik. ‘De derde symfonie van Mahler.’
‘Dat is een ambitieus stuk, lang vooral, maar prachtig.’
Hij zet de eerste noten in en ik speel mee. Het gaat zo makkelijk dat het lijkt of we dansen en we als één bewegen. Mahler neemt ons mee op zijn reis. We voelen ons als de god Pan die ontwaakt in het bos. De zomer dient zich aan. Bloemen ontluiken en fluisteren me zachtjes toe. Dieren komen nieuwsgierig een kijkje nemen. Engelen dalen uit de hemel neer en aan het einde tintelt Saids liefde door mijn lijf. Zijn glimlach is vertederend en ik voel me totaal op mijn gemak bij hem.
‘Heb jij een favoriet?’ vraag ik.
‘Ik houd van die melancholische tonen van Rachmaninov. Op het moment oefen ik zijn strijkkwartetten en… we komen nog iemand tekort. Interesse?’
‘Natuurlijk, wanneer kan ik beginnen?’
‘Nu?’
Het is lang geleden dat ik zo spontaan lachte.

Dit strijkkwartet is de eerste van vele stukken die ik met Said zal instuderen. We delen een liefde, we delen een leven. Zijn familie omarmt me als een verloren zuster.
Mijn eerste muze, mijn viool met de gebroken zwanenhals, is helaas onherstelbaar beschadigd. Om verder te komen, moet je soms zaken achter je laten. Het doet pijn, maar ik begrijp de boodschap en de symboliek van het spookschrijverscollectief. Ik ben vrij, mijn leven is weer van mij.
Mijn temperamentvolle Spaanse viool stuwt me naar grotere hoogtes en als het internationale Valenciaanse strijkkwartet reizen we de hele wereld af. Omgeven door Saids tonen voel ik me altijd gedragen en mijn droom om in mijn rode jurk op te treden in het Palau de les Arts van mijn nieuwe thuishaven Valencia komt meer dan eens uit.

 

Over de auteur:
Heleen van den Hooven (Middelburg,1972) legde een bijzondere weg af naar het schrijverschap. Als kind hoorde ze landschappen in klassieke muziek van Rachmaninov. Ze werkte lange tijd als landschapsvormgever. Vervolgens ging ze als viltkunstenaar op reis in een serie vilteilanden: ruige wol werd bergen, draden stroomden als rivieren, vlakken vervormden tot woestijnen, meren, bossen. Al reizende met naald en draad ontdekte ze nieuwe werelden met flarden van verhalen. Zo begon ten slotte het schrijven. De basis ontstond voor de epische fantasy Zwerfsteenkronieken, waarvan Zuiverzee met de delen Deining, Draaikolk en Doodtij de eerste trilogie zal zijn. Ze is ook actief op Facebook en Instagram.

Over de illustrator:
Meer over deze illustrator kun je vinden op zijn Instagramaccount.

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Heleen van den Hooven & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page