web analytics
zondag, april 21

Vertelling: De liefde van Vis en Vogel

Door Guido Eekhaut

Ze hielden van elkaar zoals niet eerder twee goddelijke schepsels van elkaar hielden. Jaren later, nadat alles voorbij was, verdrongen de mythen over de minnaars de echte historische gebeurtenissen, maar de mensen verkozen uiteindelijk de mythen te horen.
Maar toen, in hun eigen dagen, waren mensen niet erg blij om hun liefde voor elkaar. Het is ongepast, stelden sommigen. Het is een zonde, fluisterden anderen. Het is tegennatuurlijk, waarschuwden enkelingen. Het is een vergissing, sisten de meesten.
Want hun liefde kruiste vele grenzen. Geen culturele grenzen, wat al eerder was gedaan. Geen raciale grenzen. Niet van godsdienst of gebruiken, maar van soorten. Hij was een Vogel, zij was een Vis.

Ze ontmoetten elkaar in het kantoor van een handelaar op Nieuw-Caledonië, een slordige wereld aan de uiterste rand van de Bekende Ruimte, ver van de gebruikelijke handelsroutes, waar intelligentie onder zeer verscheiden fysieke vormen voorkwam. Het was een gebied van hoge straling en daarom kwamen Mensen er maar zelden. Vogels kon de straling niet deren. Vissen leefden in tanks. Beide hadden ze maar één reden om elkaar te ontmoeten: handel. Mensen – en zelfs de Bouwers – vermeden het systeem zoveel mogelijk. Ze gebruikten tussenpersonen, van elk ras en oorsprong, en hun agenten heersten over Nieuw-Caledonië. Daar golden strikte regels. Handel was er heilig.
Zijn naam was A’aperkoch. Hij was een Vogel. Het slanke, ellipsoïde lichaam van een Vogel leek geheel samengesteld uit veren. Meestal was hun kleur die van de vruchten van de hazelaar. Soms kleurden ze goud, of donkergeel, afhankelijk van hun humeur en het tijdstip van de dag. A’aperkoch was al een hele tijd agent en handelaar en hij werkte doorgaans voor Mensen die op andere werelden leefden. Hij was ervaren. Hij wist in welke richting de handelswinden bliezen.
Mensen hielden van Vogels, omdat zij hen herinnerden aan de kleine, vliegende schepsels op hun oude wereld — een wereld die duizenden jaren eerder was verdwenen, met achterlating van niets anders dan mythen en verlangens. Mensen hielden van Vogels, maar slechts oppervlakkig, als waren zij nog steeds hun huisdieren. Dat was een bron van enige bezorgdheid voor de Vogels, maar over dat onderwerp werd nooit gepraat.
De Vogels begrepen de vreemdheid zowel als de eenzaamheid van de Mensen. Zij waren jammerlijk complexe en verbazingwekkende schepsels. Opgejaagd door hun verleden, waarin zij zich heel lang eenzaam in het Universum hadden gewaand. Tussen de sterren hadden ze gewelddadige conflicten uitgevochten, en dat zouden ze opnieuw doen, omdat ze een gewelddadige soort waren. Dat was hun natuur. Gewelddadig maar vindingrijk. Vindingrijk maar geplaagd door melancholie. Ze hadden grote delen van de Bekende Ruimte veroverd en moesten slechts hun meesters erkennen in de Bouwers.
A’aperkoch hield niet van de Bouwers. Hij was al blij dat er geen Bouwers op Nieuw-Caledonië waren.

Belinda was een Vis. Wanneer zij zich niet op een waterwereld bevond, droeg ze een beschermend pak gevuld met noodzakelijke vloeistoffen, in haar geval voornamelijk water. Dat pak was groot en onhandig, maar het hield haar lichaam vochtig en koel en voorzag haar kieuwen van zuurstofrijk water.
Ze bewoog rond op mechanische ledematen. Zelfs de zwaartekracht van Nieuw-Caledonië kon ze makkelijk aan. Ze droeg de emblemen van haar familie en rang op het pak. Een klein artificieel brein vertaalde haar spraak in een van de talen die tussen de lokale rassen gebruikt werden. Ze was hier om een lading mineralen op te halen. Ze deed dit werk al een poosje, maar was voor het eerst op Nieuw-Caledonië.
De bemanning van haar schip werd naar het oppervlak van de wereld gebracht met een veerboot. Het schip zelf – bijna twintig kilometer in lengte – bleef hoog in een baan om de wereld, bewaakt door machines. Zo meteen zouden andere veerboten mineralen en andere goederen naar de enorme ruimen van het schip brengen. Binnen enkele weken zou het vol zijn en klaar om te vertrekken naar haar thuiswereld.
Ze bracht machines met zich mee, ijs, zeewier en rijst om te verhandelen. Daar zou ze een goede prijs voor krijgen. Deze reis zou haar rijk maken. Binnen enkele standaardjaren zou ze in staat zijn zich uit het actieve leven terug te trekken. Dan zou ze oud en broos zijn. Misschien zelfs blind. Dat was het lot van diegenen van haar soort die tussen de sterren reisden.
Ze zag Vogel op een stoel in het kantoor van haar agent. Ze kon zijn lichaamstaal niet lezen, maar hij zag er moe en mat uit. Ze had al eerder Vogels gezien. Gewoonlijk leken die energiek wanneer ze zich op een wereld bevonden, maar méér nog in de ruimte. Dit exemplaar – mannelijk, merkte ze – leek afgeleefd. Temporele fixatie, waarschijnlijk. De plaag van zijn soort. Ze wist niet zo heel veel af van Vogels. Een andere wereld, zelfs een ander sterrenstelsel.
Dan keek hij haar aan. Hij draaide zijn hoofd en keek haar aan.
En zijn veren veranderden in een onmogelijk goud.

Ze zagen elkaar enkele dagen later weer, bij een officiële gebeurtenis in een paleis aan de oostelijke kust van Nieuw-Caledoniës enige continent. De geschiedenis heeft niet de moeite genomen te noteren precies waar dit gebeurde en de verhalen vertellen alleen over een langzame zonsondergang, wuivende boomtoppen en fluisterende insecten.
Zijn veren kleurden nu diep geel. Zij had een ander pak aangetrokken. Haar kunstledematen waren versierd met juwelen uit de zee. Muziek speelde op de achtergrond. Een vuurspuwer toonde zijn kunsten ten overstaan van onverschillige gasten. Kleine gefrituurde creaturen werden geoffreerd aan wie vlees at. Anderen kregen geroosterde groenten.
‘Ik ben A’aperkoch,’ zei hij. ‘We hebben elkaar al eerder ontmoet, maar hadden niet de gelegenheid een woord te wisselen.’
‘Er was enige chemie tussen ons, geloof ik,’ zei zij.
Hij leek haar directheid niet erg te vinden. ‘Ik moet toegeven dat er een band was, inderdaad. Bent u hier per toeval?’
‘Niets gebeurt per toeval.’ Ze bewonderde de curve van zijn hoofd, de zuivere lijn van zijn ledematen. ‘Wij zijn beiden handelaars en delen dezelfde agent.’
‘Misschien is het een spel.’
‘Zo? En wie is de speler?’
Zijn veren veranderden langzaam hun kleur. Ze verduisterden, terwijl de nacht over de horizon gleed. ‘Elk spel in het Bekende Universum wordt ofwel door Mensen of door Bouwers gespeeld. Misschien moeten we beiden dankbaar zijn.’
‘Laat ons wachten tot we uitgezocht hebben of dit een spel is, en wat voor spel. Het kan ons schaden en kwetsen, zoals vaak het geval is met een spel.’
Hij maakte een gebaar. ‘We kunnen hen misschien Postmenselijk noemen, zoals sommigen onder hen doen. Zo ijdel zijn ze wel.’
‘Dat soort intenties kunnen gevaarlijk zijn. Verscheidene fracties hebben een grondige afkeer van die naam.’
‘Gevaar is inherent aan onze activiteiten. U leeft tussen de sterren, zoals ik. Misschien kunnen we ooit onze commerciële krachten bundelen. Voor wezens zoals wij is het leven kort en vaak oncomfortabel. Laat ons ervaringen uitwisselen.’
Zij keek over haar schouder. ‘De commerciële agenten zijn dit misschien niet genegen. Zij verkiezen ons onafhankelijk van elkaar en méér afhankelijk van hen. Nieuw-Caledonië is niet bepaald een vriendelijke wereld.’
‘U bent een Vis. Uw wereld bestaat helemaal uit water. Ik kan tenminste lucht ademen. Inderdaad, u bent méér in gevaar dan ik.’
Dat liet ze aan zich voorbij gaan.
‘U moet het mij vergeven indien ik onvoorkomend lijk,’ zei hij na een pauze. Het was — dacht ze — alsof hij haar gevoelens raadde. Soms werden er dingen gefluisterd over Vogels…
‘Wij zijn beiden gespannen,’ zei ze. ‘Wij hebben verantwoordelijkheden.’
Muziek klonk achter hen door de open ramen en deuren. Sommige soorten dansten, gracieus. De muziek is nu vergeten, dus weten we niet hoe die soorten dansten, maar er wordt verteld dat Belinda die muziek erg genegen was. ‘Ik vraag me af of Vogels dansen.’
‘Natuurlijk doen ze dat. Bij bepaalde gelegenheden. Maar zelden publiekelijk.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat,’ zei hij, ‘voor ons de dans een vertoon van onze intieme gevoelens voor anderen is. Dansen betekent het inviteren van anderen om ons te benaderen met dezelfde gevoelens.’ Hij zweeg even. Dan vervolgde hij: ‘Misschien gebruik ik niet de juiste woorden. Deze taal, die gebouwd werd door en voor Mensen, ligt ons moeilijk wanneer het om gevoelens gaat. Het is een taal voor technische dingen en voor de handel.’
‘Misschien proberen we andere talen. Waarom niet de onze?’
Hij maakte een verbaasd geluid achter in zijn keel. Dan een reeks geluiden vanuit de buik. ‘Was dat duidelijk?’
Ze glimlachte en hoopte dat hij die glimlach zou begrijpen. ‘Ik vrees van niet. We zullen ons moeten beperken tot deze artificiële, menselijke taal. De mijne is nog vreemder dan die van u.’ En ze glimlachte opnieuw. Op haar eigen manier, als een Vis.
Wat gebeurde er later die avond? De mythen vertellen het ons niet. Niet veel, mogen we aannemen. Ze praatten, mogelijk luchtig, mogelijk frivool zelfs, zoals wezens doen wanneer voedsel en drank ruim voorhanden zijn.

Ze ontmoetten elkaar weer in een tuin waar vele antieke machines stonden. ‘Misschien,’ zei hij, ‘kunnen we ons bekommeren om een van deze oude computers. Ik ken een soort die hen als goden behandelt. Ze functioneren niet langer meer, deze computers, maar sommige soorten geloven dat ze nog steeds macht hebben.’
Ze vond hem vreemd, een Vogel die dergelijke verhalen geloofde. Ze meende dat Vogels de meest rationele van alle soorten waren. Zij vertelde hem over haar verbazing.
‘Niets is moeilijker dan afstand te houden van de meest banale vormen van geloof,’ zei hij. ‘Vogels zijn niet méér rationeel dan andere soorten. Sommige soorten aanbidden onzichtbare wezens waarvan alleen zij het bestaan erkennen. Andere geloven in een kosmische intelligentie die alle materie te boven gaat. Behoort u tot een van hen?’
Ze wilde niet rechtstreeks antwoorden. Ze had er geen idee van welke richting het gesprek uitging. ‘De Ruimte – en ik heb het over de echt Diepe Ruimte, de ruimte tussen de melkwegen – heeft geen respect voor natuurkundige wetten. Ze is onbegrijpelijk voor alle intelligente soorten, op enkele zeldzame uitzonderingen na. Maar zelfs zij die de Ruimte niet begrijpen, zijn toch in staat er doorheen te reizen. De Bouwers boden ons die mogelijkheid.’
Hij dacht daar enkele ogenblikken over na. Vervolgens zei hij: ‘De Bouwers gaven ons vele dingen. Men kan zich vragen stellen over hun motieven. Wij werden allemaal gekneed door onze eigen cultuur. Gekneed en telkens opnieuw gekneed. Is het de studie van deze diversiteit waar de Bouwers belangstelling voor hebben? Of gaat het hen slechts om handel, zoals velen suggereren?’
‘Spreekt u over een soort van samenzwering?’
‘Ik suggereer slechts een intrige. Het is gevaarlijk om over samenzweringen te spreken, hier op Nieuw-Caledonië.’
‘Een intrige? Vanwege de Bouwers? Of vanwege de Mensen?’ Ze beperkte het volume van haar vertaler.
‘Vreemde dingen gebeuren in de buurt van de commerciële stations van beide soorten. We worden voortdurend in onwetendheid gehouden wanneer het over strategieën en planning op lange termijn gaat. Zij hebben ons nodig voor handel en transport. In ons voordeel, meestal. Maar wij zijn degenen die afscheid nemen van een normaal leven. Wij zijn hun tussenpersonen, en leven in een andere tijdschaal.’
‘Dat maakt ons rijk.’
‘Maar onze levens verliezen hun betekenis. Deze rijkdom verliest zijn betekenis. Wij leven ten behoeve van de toekomst van onze soort, maar niet voor onszelf.’
Ze wist dat hij gelijk had. Op die buitenwereldse manier van hem had hij gelijk.

A’aperkoch werd uitgenodigd in het kantoor van een van de weinige Bouwers die zijn residentie had op Nieuw-Caledonië. Hij vond het uiterst onprettig in dat gezelschap maar had geen keuze. Het kantoor was gelegen in een groot gebouw, dat beheerd werd door Gaunters en andere technisch georiënteerde soorten. Er waren slechts weinig Bouwers op de wereld en hij vroeg zich af waarom hem deze zeldzame eer te beurt viel.
De Bouwer was oud, dat was zelfs hem duidelijk. Zijn stem klonk moe en zelfs wat verveeld. Misschien lag het aan de biovertaler. Het vat, waarin het vlees en de geest van de Bouwer geïsoleerd van de buitenwereld leefde, was antiek. ‘U hebt met ons zaken gedaan in het verleden, A’aperkoch,’ zei de Bouwer.
‘Inderdaad, Bouwer. En tot ons beider voordeel.’
‘Uiteraard. Waarom anders zouden we zaken doen? Er is een voordeel voor ons beiden. Maar vandaag stellen wij belang in u om een heel andere reden. We noteerden uw interesse voor iemand van een andere soort. Dat intrigeert ons.’
A’aperkoch opende zijn bek.
‘Uitleg is overbodig,’ onderbrak de Bouwer hem meteen. ‘Het gaat ons niets aan, deze affaire. Alleen maar nieuwsgierigheid, meer niet. Zoals u weet zijn wij geïnteresseerd in alle mogelijke informatie over andere soorten. Indien u Menselijk zou zijn geweest, was onze interesse intenser geweest. Beschouw de plichten en de kwellingen van de Mensen. Hun oude wereld is verloren gegaan. Alle kunstwerken van die wereld, alle poëzie, haar filosofie, allemaal verloren. Zelfs haar herinneringen. Dit gegeven verheugt ons. Inderdaad, verheugt. Op die manier kunnen we ons die verloren wereld des te vrijer inbeelden.’
‘Inbeelden?’
‘Ja, inbeelden. Zoals de Mensen dat doen. Bestond hun wereld nog steeds, dan zouden zij hem in leven gehouden hebben, gerestaureerd. Of misschien ook niet. Maar dan hadden zij een fysieke referentie gehad voor hun herinneringen. Misschien was het een dode wereld geweest. Niettemin zou hij nog steeds daar zijn geweest, een fysieke referentie naar het verleden. Nu echter bezitten zij slechts de droom van een vergeten wereld, die in hun geest een lustentuin was, een unieke plek waar zij naar kunnen verlangen. Het zijn dromers, die Mensen.’
‘Dat zijn ze inderdaad,’ zei A’aperkoch, die zich afvroeg waar dit naartoe leidde. Hij had zich nooit beziggehouden met het verlies van de Mensen.
‘U bent evengoed een dromer, A’aperkoch,’ zei de Bouwer.
‘Misschien ben ik dat.’
‘Dat bent u. U droomt van een samensmelting met iemand van een andere soort. U droomt van liefde over de grenzen van soorten heen. Waarom niet, zegt u. Waarom inderdaad niet?’
‘Wij zijn niet zo heel verschillend.’
‘Zij kan de atmosfeer waarin u leeft niet inademen. Zij kan u alleen van verre liefhebben. U sterft in het water. Er zal altijd minstens één enkele fysieke barrière tussen u beiden zijn.’
‘Misschien,’ zei A’aperkoch. ‘Wij zijn niet zo erg geïnteresseerd in fysieke liefde.’
De Bouwer bleef stil.
‘Is dit alles?’ vroeg A’aperkoch.
‘Ja,’ zei de Bouwer. ‘Voorlopig toch.’

© Alex van Leeuwenstijn

Ze wandelden langzaam door een schimmig, verkrot deel van de stad, waar de meest bescheiden bewoners van Nieuw-Caledonië hun leven probeerden op te bouwen. Straten bestonden uit betonnen platen en huizen waren van hetzelfde materiaal gemaakt — duurzaam maar goedkoop. Katvrouwen doorkruisten de straten, op zoek naar voedsel en klanten. Onder hun kleren droegen ze eklipsdolken. A’aperkoch en Belinda ontweken hen. Ghants en andere soorten liepen in dichte groepen door de straten, maar vermeden het tweetal. Verstolen blikken, ongeduldige fluisteringen. Het druppen van vergoten bloed in een steegje. Echte vogels boven hun hoofd, die nieuwsgierig naar A’aperkoch keken. Hij negeerde hen. Belinda was daar en hij had slechts aandacht voor haar. Hij wilde haar niet vertellen over de ontmoeting met de Bouwer.
Een handlezer benaderde hen, maar aarzelde. Later zou hij zeggen, tot al wie het verhaal van Belinda en A’aperkoch wilde horen: ‘Zij wisten reeds alles over hun lotsbestemming. Ik kon hun niets zinnigs meer vertellen.’
Langzaam wandelden zij naar het betere deel van de stad, waar diamanten torens spiraalsgewijs naar de lucht grepen en landingsplatformen overbevolkt waren. Hoofden draaiden zich om. Meer gefluister. Zij negeerden het allemaal, of hadden niets in de gaten. Ze hielden het hoofdkwartier van de Bouwers aan hun linkerzijde en wandelden verder, schijnbaar zonder doel. Haar schip zou twee dagen later vertrekken, gevuld met goederen. Zijn schip — waarvan hij de navigator was — zou pas binnen twee maanden naar Daarbuiten vertrekken. Ze wisten dat ze elkaar hierna niet meer zouden ontmoeten.
Hij zei haar: ‘Indien dit liefde is, is het ook ons lot.’
Haar benen bewogen ongemakkelijk, haperend, alsof ze haar emoties niet langer konden dragen. ‘Waarom gebeurt dit? Omdat we veroordeeld zijn om door deze immense ruimte te reizen, veeleer dan op één enkele wereld te blijven?’
‘We zouden elkaar nooit ontmoet hebben indien we elk op onze wereld waren gebleven.’
‘Maar nu: al dit verdriet. Omdat onze reizen ons veroordelen alleen te blijven.’
De mythen vertellen ons over hun passie. Dit is ongetwijfeld waar die passie begon: toen zij zich realiseerden dat zij voor altijd van elkaar verwijderd zouden zijn. Misschien zochten zij een plek waar zij hun liefde konden consumeren — maar dit is hoogst onwaarschijnlijk, omdat zij zo biologisch verschillend waren. Misschien beloofden zij elkaar eeuwige liefde — mogelijk, maar zinloos, omdat eeuwigheid niet aan sterfelijke wezens wordt verleend. Misschien probeerden zij zaken te regelen, zoals desertie, of het verdwijnen in de massa’s van Nieuw-Caledonië, een andere job zoeken — maar allemaal tevergeefs, omdat de Bouwers hen meteen teruggevonden zouden hebben.
Hier worden de mythen vaag. Er was liefde, van het onvoorwaardelijke soort, van het eeuwige soort. Maar alles was tegen hen. Binnen enkele dagen zou zij Daarbuiten zijn. Trajecten in de diepte van de ruimte kruisen elkaar uiterst zelden.
Indien zij werkelijk hun liefde consumeerden, zou hij zich verbazen over de warmte van haar lichaam, gedurende de paar korte momenten die zij buiten haar pak kon doorbrengen. Zij zou verrast zijn door de zachtheid van zijn lichaam, indien ze in staat was het aan te raken. Op welke manier deze liefde geconsumeerd zou worden is ons onmogelijk voor te stellen: geen twee lichamen waren meer verschillend in topografie en biologie. Alleen hun geest kon zich verenigen.
Al het andere werd fictief.
Behalve, uiteraard, de Tijd.
En de Tijd werd hun grootste vijand.

Wolken passeerden boven hun hoofd. Zij blikte ernaar door het glas van haar helm. Ze verlangde naar de oceaan. Maar die oceaan was ver daarvandaan. A’aperkoch volgde haar blik, begreep. Ook hij verlangde naar een wereld waar hij kon zijn wat hij was: een Vogel. Drijvend in de lucht, gedragen door de winden, onder een kleinere zwaartekracht dan die van Nieuw-Caledonië.
Hij had haar nog niets verteld over zijn ontmoeting met de Bouwer.
‘Op zeker ogenblik,’ zei ze, ‘moeten we spreken over de toekomst. Misschien moeten we zelfs spreken over de mogelijkheid van een gemeenschappelijke toekomst.’
‘Het is een vreemd land, die toekomst,’ zei hij. ‘Het merendeel daarvan ligt verborgen. We moeten dat land met omzichtigheid benaderen.’ Hij bleef een ogenblik stil. ‘We hebben het nog niet over ons verleden gehad. Wie zijn wij, waar komen wij vandaan? Zijn we wel klaar voor de toekomst?’
Ze nam zijn klauw vast, stuntelig, met haar kunstledemaat. ‘Dat is die vreemdheid tussen ons, Vogel. Maar zelfs wanneer we niet dezelfde biologie delen, toch zijn wij beiden intelligente wezens. Onze geest werkt op identieke wijze. Wij hebben beiden diegenen-die-ons-vooraf-gingen . . .’
‘Ouders?’ zei hij; hij gebruikte het Mensenwoord.
‘Ja,’ zei ze. ‘Ouders. We zullen nakomelingen hebben. We werden geboren en uiteindelijk sterven we. Hoe verschillend wij ook zijn, wij zijn dezelfde in de hoop op de toekomst en in onze pijn omwille van het verleden.’
‘Alleen onze lichamen zijn verschillend.’
‘We kunnen ze laten ombouwen, tot een bepaalde limiet,’ zei ze. ‘Ik kan leren te leven buiten dit pak.’
‘Dan zou je niet langer meer een Vis zijn.’
‘Ik zal nog steeds Belinda zijn.’
Hij leek onzeker. ‘Dit is uiterst verontrustend. Dat je niet langer meer een Vis zou zijn, vanwege mij. Misschien verkies ik iets anders te zijn dan een Vogel.’
Ze bleef een hele tijd stil. Ten slotte zei ze: ‘Wie ik ben is niet een kwestie van soort, zelfs niet van geslacht.’
‘Wil je zelfs je ziel op het spel zetten, omwille van mij?’
Ze keek zorgvuldig naar hem. Zijn veren waren nu donkerbruin. Hij bezat geen passie. Hij leek teruggetrokken. O, ze wilde in staat zijn alle signalen te begrijpen — zoals ze zelfs in zijn ziel wilde kijken.
‘En,’ vervolgde hij, ‘vergeet onze plicht niet. Wij, die vaarwel hebben gezegd aan het ware wereldgebonden bestaan, die ervoor hebben gekozen tussen de sterren te leven, hebben deze ongeschreven belofte gedaan om onze soort te vertegenwoordigen. Ons leven heeft slechts betekenis wanneer we handelen in het belang van onze soort.’
‘En dus hebben wij onze vrijheid verbeurd?’
‘Deze vrijheid is een Menselijk ding. Het is een illusie. De spelletjes die Bouwers en Mensen spelen, bepalen het verloop van ons leven. Slechts wanneer wij aan onze plicht verzaken en onze belofte verbreken, kunnen wij werkelijk vrij zijn.’
‘Ter wille van de liefde?’
‘Ter wille van de liefde.’
‘Zelfs tussen ons, wij die alleen verlangen naar elkaar maar niet twee-in-één kunnen worden?’
Hij wist dat het spel gespeeld werd. De Bouwers speelden het. Wat het doel van het spel was, wist hij niet. Hij diende alles in twijfel te trekken. Hij diende zelfs zijn liefde voor Belinda in twijfel te trekken.
En de mythen vertellen dat hij een beslissing nam. Hun vrijheid, zo wist hij, kon niet gewonnen worden zolang het spel invloed op hen had. Zolang zij samen bleven, zouden er onzichtbare waarnemers zijn. Bouwers en misschien ook Mensen. Zij konden niet ontsnappen. Zij konden zich niet laten ombouwen en op Nieuw-Caledonië blijven. Of zij zouden slaven worden.

Tijd scheurde door ruimte. Een Bouwer verscheen, geborgen in zijn vat, beschermd door een krachtveld. Statische elektriciteit bewoog de atmosfeer tot kleine windhozen.
‘U wist dat dit een spel was,’ zei de Bouwer. ‘Of niet. Niet een spel. Veeleer een experiment.’
A’aperkoch bleef bewegingsloos. ‘Een experiment? Wat voor experiment?’
‘Een experiment waarbij twee wezens samengebracht en geobserveerd worden. Misschien kunnen ze samen verder leven, misschien niet. De uiteindelijke uitkomst van dit experiment kan onze onwetendheid een duwtje geven, maar slechts in bescheiden mate. Meer experimenten zijn nodig.’
‘Meer experimenten?’
‘Ja. Daartoe bestaan wij. Om te experimenteren met de andere soorten in het heelal.’
‘Met welk doel, uiteindelijk?’ wilde A’aperkoch weten.
‘U vraagt naar de zin van onze daden?’
‘Ja.’
‘Die kennen wij niet,’ zegt de Bouwer. ‘U lijkt verbaasd, Vogel? Dit experiment is zo veelomvattend in ruimte en tijd dat we de uitkomst ervan niet kunnen voorspellen. Misschien is er geen zin. Misschien ontdekken wij nieuwe fysieke of psychologische wetten. Moet er een zin zijn? Niet wat ons betreft. Een doel, dat wel. Verborgen in de diepte van de toekomst, dat wel. Maar geen zin of rationele betekenis. Wij denken niet op die manier. Wij hechten niet zoveel belang aan rationaliteit. U leefde veel te lang te midden van Mensen. U moet af van hun rationaliteit.’
De Bouwer bewoog in zijn vat. A’aperkoch zag slechts rafelig vlees en vieze vloeistof. ‘Wij kunnen geen boosaardige middelen gebruiken om een goed doel te bereiken?’ vroeg de Bouwer. ‘Is het dat wat u denkt? Dat kunnen we wel. Het hangt ervan af hoe belangrijk dit doel is. Zelfs wanneer het onzichtbaar en verborgen is, kan het belangrijk zijn. En dan zijn alle middelen toegelaten. Om een soort te helpen overleven zijn alle middelen toegelaten.’
‘Uw overleven, bedoelt u.’
‘Misschien. Misschien niet,’ zei de Bouwer.
A’aperkoch wist dat er geen eenduidig antwoord zou komen, zelfs niet wanneer hij erin slaagde de juiste vragen te stellen. Niemand wist wat de Bouwers tot handelen aanzette. Zij hadden hun eigen balladen en hun eigen verschrikkelijke geheimen, maar andere soorten leerden die nooit kennen. Wij kunnen slechts veronderstellen dat de Bouwers balladen en vreselijke geheimen bezitten. Misschien hebben ze die niet. Misschien dromen ze niet eens.

 

Over de auteur:
Guido Eekhaut publiceerde ruim vijftig boeken en meer dan dubbel zoveel verhalen in allerlei genres (misdaad, weird, speculatieve fictie, fantasy). Hij kreeg in 2009 de Hercule Poirot prijs voor
Absint en werd twee keer genomineerd voor de Gouden Strop. Zijn boeken en verhalen verschenen ook in vertaling, voornamelijk in het Engels, Duits, Spaans en Pools.

Over de illustrator:
Alex van Leeuwenstijn (1982, Den Haag), groot hobbytekenaar. Inspiratie en voorbeelden haalde hij overal vandaan. Vroeger was dat voornamelijk uit
Mad Magazine, dat opgevolgd werd door een ruim spectrum van cartoongenres; denk daarbij aan Asterix en Haagse Harry, maar ook aan Streetfighter en Marvel. De laatste tijd wordt hij heftig geïnspireerd door Jamie Hewlett (Tank Girl en The Gorillaz).

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Guido Eekhaut & Alex van Leeuwenstijn

You cannot copy content of this page