web analytics
maandag, mei 16

Fantasize-schrijfwedstrijd – shortlist: Het hart van de steenreus – An Neven

Het hart van de steenreus

De staart brak steeds als eerste af. Een onmisbaar evenwichtsorgaan voor een pas uitgebarsten steenreus, slechts een nutteloos aanhangsel voor een volwassene. Het was niet zozeer dat Iwa haar staart zou missen, het ging er meer om wat het afbreken ervan betekende.
Iwa nam de afgebroken staart in haar vuist en verbrijzelde hem tot gruis. Toen ze zich met een zucht overeind hees, brak een stukje van haar knieschijf af en rolde langs de helling naar beneden. Iwa sjokte erachteraan.
Ze zag Kesseki al van ver staan. Door zijn grote gestalte viel hij op tussen de andere jonge steenreuzen. Toen hij haar zag, liep hij meteen naar haar toe en omhelsde haar stevig. Hij merkte niet hoe daarbij een stukje van haar schouder loskwam. Met een brede grijns vertelde hij haar over de nieuwe tekens die hij geleerd had. Het teken voor ‘kracht’. Het teken voor ‘leven’, wat ook het teken was voor ‘hart’.
Kesseki’s pantser was dik en stevig, de blauwe kern in zijn binnenste gloeide fel en deed de tekens stralen. Het teken voor ‘leven’ op zijn borst, twee hoekige lijnen die elkaar kruisten. Op zijn voorhoofd prijkte zijn naam, die ze daar zelf had gekerfd toen ze hem uit de berg getrokken had. Hij was nog maar een paar maanden oud en reikte nu al tot aan haar schouders. Ze had hem graag zien opgroeien tot de grote steenreus die hij ongetwijfeld zou worden. Misschien wel de grootste van allemaal.

© Marcel van der Sleen

Een paar dagen later liepen ze samen de berg op. Iwa toonde hem de rots waar een steenreus op het punt stond uit te barsten. De signalen waren al een tijdje zichtbaar, maar nu was het moment aangebroken. Even later gloeide een fel blauw teken op. Leven. Kesseki legde zijn hand op de rots toen Iwa hem aanspoorde. Door zijn aanraking begon het blauwe licht hevig te pulseren. Hij keek met open mond toe. Iwa dacht met weemoed terug aan het moment dat ze gezien had hoe een grote kei zich van de berg losmaakte. Het blauwe licht dat ze had ontdekt toen ze dichterbij kwam. Hoe de kei trilde van het leven toen ze haar hand erop legde.
Het duurde nog een hele tijd voor de rots barstte en kleine scherfjes van de buitenkant afbrokkelden. Kesseki bleef gefascineerd toekijken terwijl de opening steeds groter werd. Een kleine hand wurmde zich door de rotsspleet. Hij greep die hand en trok uit alle macht. Met een luide knal sprong het lichaampje van de nieuwe steenreus uit haar omhulsel tevoorschijn. Haar pantser was dik, haar gelaatstrekken nog nauwelijks gevormd. Over haar rug en hoofd liepen brede rode strepen van ijzererts.
Kesseki slaakte een kreet en kneep in Iwa’s hand. Zijn blik sloeg om van verrukking in verbijstering toen hij haar hand losliet en haar pink in zijn vuist achterbleef. Nu zag hij ook de andere littekens op haar lichaam. Beschadigingen, te klein om op te vallen, maar te veel om te negeren.
‘Het is tijd,’ zei ze. Ze had dit moment al te lang uitgesteld. Kesseki schudde hardnekkig zijn hoofd. ‘Yama wil het zo,’ zei Iwa. Yama, de eerste steenreus, had zijn hart aan een mens geschonken en sindsdien hadden ze het altijd zo gedaan.
‘De mensen zullen je pijn doen,’ protesteerde Kesseki.
Iwa schudde haar hoofd. ‘Ik zal iemand kiezen die het waard is.’
Ze nam geen afscheid van de anderen. Als het licht van een steenreus begon te doven, vertrok hij uit de vallei. Zo was het leven.
Kesseki liep met haar mee tot aan de poort die de vallei van de steenreuzen afschermde. Geen mens had ooit voet gezet in dit dal in de schaduw van de berg Yama – de slapende reus – waaruit alle steenreuzen waren ontstaan. Dit was de enige plek waar zij in vrede konden leven, dankzij de magische tekens op de poort die de mensen op afstand hielden. Kesseki zei niets toen ze door de poort liep, maar hij bleef staan en keek haar lange tijd na.Het smalle pad dat tussen de bergen door liep, kwam uit op een brede weg. Nog één keer keek ze achterom. Kesseki stond nog steeds onder de poort. Iwa sloeg de brede weg in en begon aan de lange reis naar de wereld van de mensen. Bij elke stap brak een stukje van haar pantser af.

Toen ze de volgende ochtend opstond, brak haar rechteronderarm af. Enkele uren later kwam ook het bovenste deel los. Het duurde drie dagen voor Iwa in de stad van de mensen aankwam. Ze kon nog nauwelijks op haar benen staan. Doodmoe sleepte ze zich naar een kleine groene plek in de stad vol vierkante, betonnen bergen. Ze werd aangegaapt door alle mensen die ze tegenkwam.
Het was tientallen jaren geleden dat er nog een steenreus was verschenen in de stad. De meeste mensen kenden hen alleen uit de verhalen over de mythische blauwe kristallen die het hart vormden van de reuzen. Iwa’s borst was zo ver afgebrokkeld dat haar eigen gloeiende kristal duidelijk zichtbaar was. Het gloeide nu veel zwakker dan dat van een jonge steenreus als Kesseki, maar het zou nog jaren duren voor het helemaal zou doven. Een heel mensenleven.
Iwa had nog nooit mensen gezien. Ze kende hen alleen uit de verhalen die ‘s avonds onder de sterren werden verteld. Verhalen over de tijd voor zij uitgebarsten was.
Ze was dol op de verhalen over Yama, die zo’n groot hart had dat hij het gebruikte om leven te creëren in een wereld die enkel uit steen bestond. Hij schiep de planten, de dieren en tenslotte ook de mensen. De mensen schiepen op hun beurt het vuur en maakten vele wonderlijke dingen. Hij had zoveel bewondering voor hen, dat hij zijn hart aan hen schonk toen hij zijn einde voelde naderen.
Hij had niet hoeven zien hoe zijn gift tot vernietiging had geleid. Hoe mensen elkaar te lijf gingen voor een fractie van zijn kracht. Hoe hun hebzucht leidde tot het verdwijnen van de steenreuzen, tot er nog maar een handvol steenreuzen overbleef, veilig achter hun poort in de vallei.

Een stel kinderen speelde in de fontein. Een moeder met een klein meisje op de arm wandelde voorbij. Iwa keek naar de mensen en probeerde te zien wat ze in de verhalen had gehoord. Het kind zwaaide naar haar. Iwa glimlachte en wenste dat ze nog een arm had om terug te zwaaien. Haar kracht nam af, ze had niet veel tijd meer om een keuze te maken.
Op de hoek van de straat verscheen een jongeman. Hij was aan de magere kant, maar kerngezond. Hij duwde een rolstoel voort, waarin een oude man zat. Hij zag er net zo oud uit als Iwa zich voelde. Ondanks het warme weer lag er een deken over zijn benen.
Iwa zette een stap vooruit, maar toen brak haar linkerbeen onder de knie af. Verlangend keek ze naar de twee mannen. Ze waren te ver weg.
Met haar laatste krachten hinkte ze op één been, maar bij elke sprong barstte haar overgebleven been verder open. Ze slaakte een kreet toen ook dat afbrak. De jongeman keek op. De blik in zijn ogen herinnerde haar aan Kesseki. Iwa nam haar besluit en sloot haar ogen. De laatste stukken van haar pantser lieten los en vielen in stof uiteen. Het stof werd door de wind meegevoerd, terug naar de vallei, waar ze weer deel zou worden van de berg waaruit ze geboren was. Haar kern bleef achter en rolde over de straat.

De jongeman staarde naar het blauwe kristal aan zijn voeten. Hij bukte zich en raapte het eerbiedig op. Langzaam kwam hij overeind. Achter hem schreeuwde iemand, maar de jongen had enkel oog voor de gloeiende steen in zijn hand. Als kleine jongen had hij een verhaal gehoord over het hart van een steenreus, het hart dat leven kon schenken. Hij had het nooit geloofd. Met een glimlach gaf hij het kristal aan de man in de rolstoel. Die knikte dankbaar en sloot zijn handen om het gloeiende kristal. Even later wandelden grootvader en kleinzoon arm in arm door het park, genietend van de warme zonnestralen op hun huid.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, An Neven & Marcel van der Sleen