web analytics
zondag, mei 22

Vertelling: Ulfhedinn – deel 2

Door Isabelle Plomteux. Dit is deel 2 van 4. Lees ook deel 1.

‘Is hij je dierlijke gezel?’
‘Soort van.’
Ulv en zijn roedel horen bij de tuin, niet bij mij. Het groene licht boven ons hoofd valt even weg, om des te uitbundiger weer te verschijnen. De vampier tuurt verrukt omhoog.
‘Hogerop kun je het nog veel beter zien,’ hoor ik mezelf zeggen, ook al zou ik net als Ulv beter afscheid van hem nemen. We klimmen de steile helling op. Ik hijgend en puffend, hij zo kalm als het spiegelgladde, stille meer achter ons. Nog even, zeg ik tegen mezelf. Nog heel even. Na een paar minuten komen we op een open plek aan de andere kant van de heuvel. Ik klauter een brede, platte rots op die uit de heuvelkam steekt.
‘Zo fel heb ik de Mirries al heel lang niet meer gezien.’ Hij gaat wat verderop zitten en kijkt gefascineerd naar het schouwspel. ‘Ik ben blij dat ik deze kant ben uitgekomen.’
‘Eerste keer?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt hij met zijn ogen op het groene licht boven ons. ‘De derde of de vierde. Het is een soort hobby van me om na een paar jaar nog eens in een pub binnen te springen en te kijken wat er veranderd is. Dat valt nogal eens tegen, maar vandaag was ik aangenaam verrast.’
‘Een paar jaar?’ Bij een vampier kan dat van alles betekenen. De pub is al honderden jaren in Brians familie.
Hij glimlacht, meer niet. ‘Wat voor heks ben je eigenlijk? Je ruikt heel apart.’
‘Is dat zo?’ Ik weet niet of ik me nu ongerust moet maken of niet.
Hij knikt. ‘Niet hekserig, maar ook niet menselijk. Eerder…’ Hij schudt het hoofd. ‘Ik heb te veel whisky op, geloof ik.’
Ik aarzel. Buiten mijn clan weet niemand wat er met me gebeurd is als kind. Heksen zouden me ogenblikkelijk niet langer als een van hen beschouwen, en mensen zijn… nu ja, mensen. Maar dit is een vampier.
‘Het komt niet door de whisky. Toen ik zeven was, heeft een van jullie me gered van een slangenbeet. Hij heeft mijn bloed vervangen door het zijne. Iedereen, ook hij, verwachtte dat ik een vampier zou worden, maar dat gebeurde gek genoeg niet. Ik werd alleen sneller en sterker dan de andere Wylanders en mijn haar, wel, dat leidt sindsdien zijn eigen leven.’ Ik blaas naar de wilde bende op mijn hoofd.
‘Ik vroeg me al af waarom je niet bang van me was.’ Zijn ogen strooien sneeuwvlokjes over me uit. ‘Je bent een Wylander? Zo zie je er anders niet uit. Dat is een compliment, voor alle duidelijkheid.’
Ik snuif. Ja, vast. ‘En jij, wie ben jij?’ Ik drink zijn prachtige vampiergezicht in.
Hij draait zich van me af en richt zijn hoofd op het noorderlicht. ‘Halsteinn.’
Vampieren hebben meestal ellenlange namen, die naar hun maker en hun clan verwijzen. ‘Halsteinn…?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Gewoon Halsteinn. En jij?’
‘Tess. Tessindra Wylander.’
Voor ik me verder kan verdiepen in de mogelijke redenen die hij kan hebben om zijn andere namen niet te noemen, wikkelen onzichtbare klimplanten zich zachtjes om mijn polsen. Koude, maar even ontastbare varenbladeren strelen mijn wangen. Het donkere bos onder ons voelt mijn aanwezigheid en wil dat ik naar huis kom. Na een laatste blik op de lichtbanen boven mijn hoofd kom ik overeind. ‘Ik moest maar eens op huis aangaan.’ Mijn hart veert op als ik het zeg. Het is echt zo, besef ik, dit onherbergzame stuk van Schotland is in korte tijd mijn thuis geworden. Binnen een paar uur, als mijn laatste restje heksenmagie verdwijnt, zal het dat nog meer zijn.
‘Ik loop met je mee,’ zegt Halsteinn op een toon die geen tegenspraak duldt. Hij hijst zich overeind. Midden in de beweging verstart hij. Met wijd opengesperde neusvleugels speurt hij de omgeving af.
‘Gaan, nu. Rennen!’ Hij geeft me een duw.
Gekraak van takken. Kalme voetstappen. Vlakbij. Een slanke, donkerharige vampier komt uit het dichte bos. Hij draagt blinkend gepoetste leren schoenen en een duur pak. Elegant stapt hij de open plek op. ‘Nee maar, Hally. Dat is even geleden.’
‘Charles.’ Halsteinn klinkt ijzig. ‘De weg naar je Franse chateau kwijt? Wat heb je uitgevoerd? Je ruikt naar…’ Hij haalt zijn gevoelige neus op. Ik ook. De Franse vampier ruikt naar dode en heel erg verkeerde dingen. Als achter hem drie Siccaheksen opduiken, begrijp ik hoe dat komt. Volgens mij zijn ze ergens in de zestiende eeuw verbrand. Hun gevangenishemden hangen in flarden rond hen. Verkoolde spieren en huid bedekken hun zwartgeblakerde botten. De stank die van het drietal afslaat is niet te harden. Shit. Hoe heeft hij hen uit de hel weten te bevrijden? Is hij soms half heks, net zoals ik half vampier ben?
Twee verschrompelde, inktzwarte ogen draaien mijn richting uit. ‘Wie hebben we hier, het lelijke eendje van de Wylanderclan?’ zegt een van de Sicca. Haar hese stem echoot naar de heksenhel waar ze vandaan komt. Charles legt haar met een handgebaar het zwijgen op.
Halsteinn kijkt hem vol walging aan. ‘Ben je gek geworden?’
Charles glimlacht minzaam. ‘Ik kwam ze toevallig tegen. Het leek ons een goed idee om onze krachten samen te voegen. Is het niet, dames?’
De walmende heksen knikken. Ik word misselijk.
‘En wat ben jij aan het doen, beste kerel?’ zegt Charles. ‘Gezellig aan het verbroederen op Samhain?’ Spinnend als een reusachtige kat zet hij een stap in onze richting.
Net als de drie helleschepsels. Ze sissen dreigend. Halsteinn schuift zich tussen mij en hen in. ‘Wegwezen, Tess.’
‘Tuttut,’ zegt Charles, ‘niemand gaat ergens naartoe.’
‘Jij gaat anders recht naar je dood,’ zegt Halsteinn.
De twee vampieren komen tegelijkertijd in beweging. Met een enorme dreun knallen ze tegen elkaar op. Hun bewegingen zijn zo snel dat normale ogen het niet zouden kunnen volgen. Vlees scheurt en donker vampierbloed welt op. Zelfs de Sicca lijken onder de indruk van het gevecht op de rand van de afgrond. Hun zwarte tongen flitsen naar buiten en likken over de resten van hun lippen.
Dan draaien hun verbrande handen zich naar mij toe. Een lading heksenvuur komt mijn richting uit. Ik duik weg, blij met mijn halve vampiersnelheid. De dennenboom achter me knettert en barst in vlammen uit. Vloekend gebruik ik de weinige magie die ik nog heb om het Siccavuur af te weren. Ik zal het nooit lang kunnen volhouden, ook al ben ik sneller dan de meeste heksen. Daarvoor ben ik al te veel van mijn kracht kwijt.

© Alex van Leeuwenstijn

Op het nippertje ontwijk ik het volgende salvo. Over de puntjes van mijn haar dansen blauwgroene vlammen. Terwijl ik ze haastig uitklop, barst hoger op de heuvel een meerstemmig, door merg en been gaand gehuil los. Het weerkaatst tegen de hellingen rondom ons en vult al snel het de hele vallei. De Sicca verdubbelen hun inspanningen. Rondom mij ontstaan steeds meer brandjes. Net als ik denk dat ik geen kant meer op kan, breekt Ulvs troep uit het bos.
In een wervelwind van poten en pels keilen de wolven tegen de heksen aan. Het heksenvuur dooft abrupt. Donkere schaduwen springen, bijten, rukken en grauwen naar de verwrongen lichamen van de Sicca. De zwarte, stinkende smurrie die door hun dode aders loopt, stroomt naar buiten. Het duurt niet lang of de Sicca vallen op de koude bosgrond. Ulv en twee van zijn makkers duiken boven op hen. Een schrapend geluid van tanden op bot, een droog knakken van de nek en het is voorbij.
De Sicca lossen in het niets op. Een naar zwavel stinkende walm is alles wat er van hen achterblijft. Ulv draaft naar me toe en duwt zijn snuit tegen mijn been.
‘Ik heb niets,’ verzeker ik hem.
De wolf draait zich om en snelt op de vampieren af. Ze gaan elkaar nog steeds verbeten te lijf en bijten elkaar waar ze maar kunnen.
Halsteinn bloedt hevig, zelfs voor een vampier. De grond rond hem is dieprood besmeurd. Charles is een kop kleiner en heel wat minder gespierd, maar toch dwingt hij Halsteinn langzaam op zijn knieën. De ogen van de Franse vampier zijn twee helrode, brandende poelen. Mijn hart slaat een slag over. Ook Ulv weet dat er iets helemaal mis is. Hij blijft abrupt staan en grauwt zoals ik hem nog nooit heb horen grauwen.
‘Wat heb je gedaan?’
‘Roep dat beest van je terug, heks,’ beveelt Charles met een stem die niets menselijks meer heeft. ‘Of je vriendje is er geweest.’
Ulv trekt zijn lippen terug en ontbloot vlijmscherpe, met bloed bevlekte tanden.
‘Af, Ulv.’
De wolf gehoorzaamt met tegenzin. Samen met zijn makkers vormt hij een kring om de twee mannen.
Halsteinn tilt moeizaam zijn hoofd op. Zijn grijze ogen staan wazig. ‘Ren,’ fluistert hij. ‘Ren dan toch.’
‘Altijd even galant voor de vrouwtjes,’ zegt Charles, ‘zelfs op twee passen van zijn dood af.’
Tijd winnen, ik moet tijd winnen. ‘Wat heb je Lucifer beloofd in ruil voor zijn macht?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Niets. Ik weet wel beter dan me met de heerser van de hel in te laten. Mijn pact is met een heks gesloten.’
Ik verstijf.
‘Luister niet naar hem, Tess. Ren.’
‘Bek dicht!’ Halsteinn kreunt als Charles zijn greep nog verstevigt. Ulv gromt als een bezetene.
‘Wat… wat wilde ze?’
‘Jou. Jij komt met mij mee en onze Ulfhedinn hier is geschiedenis.’ Charles grijpt Halsteinn bij zijn lange, blonde haar en dwingt zijn hoofd opzij. ‘Win-win voor beide partijen.’
‘Ga, Tess. Nu.’
‘Dat zou niet veel uithalen.’ Koortsachtig probeer ik een uitweg uit deze onmogelijke situatie te bedenken.
De duivel grijnst. ‘Een verstandige dame.’
Met een laatste, wanhopige ruk gooit Halsteinn zijn lichaam achterover. Hij verkoopt Charles een harde kopstoot. De vampier laat verrast zijn greep verslappen. Meer heeft Halsteinn niet nodig. Hij wringt zich los en werkt zich overeind.
Ulv stormt naar voren. Grommend en grauwend voegt hij zich bij Halsteinn.
Charles’ ogen zijn nu volledig rood. Zijn gezicht vertrekt tot iets grotesks. Hij tilt zijn handen op en richt zijn tien hellerode vingers.
Nee! Ik doe het enige wat ik nog kan bedenken: ik storm op Ulv en Halsteinn af en slinger ons met zijn drieën de afgrond in.
Achtervolgd door woedend vampiergebrul en rood hellevuur suizen we steeds sneller naar beneden, tot het zegel van de tuin onze aanwezigheid bespeurt. De grensbarrières doen wat ze altijd doen als ze een Wylander in nood herkennen: ze verwelkomen me en blokkeren de dreiging. Dwars door de grens knallen we de tuin in. Charles gebrul sterft weg. Met een harde smak landen we op de met dennennaalden bedekte grond. In een wirwar van benen en poten, modder en schors, rollen we met een luid geraas de helling af. Hoog boven me lichten de grensbarrières rood op. Probeer maar, denk ik. Je komt er toch niet in. Ik heb me net moeizaam tot zithouding overeind gewerkt als de troep wolven hijgend opduikt.
‘Goed gedaan, jongens,’ zeg ik, ‘goed gedaan.’
Ulv heeft gelukkig niets aan onze brutale afdaling overgehouden. Net als de andere wolven danst hij jankend om de bewegingsloze vampier heen. Ik ruk mijn handschoenen uit, schuif naar Halsteinn toe en leg een trillende vinger in zijn koele hals. Even denk ik dat we te laat zijn, maar dan tikt een dof tomb-tomb zacht tegen mijn vingertoppen aan. Net als ik denk dat ik het me ingebeeld heb, vang ik een tweede slag op. Een echo van een hartslag noemde oma het.
‘Hun hart klopt maar heel af en toe, meisje,’ zei ze toen ze me de eerste keer over vampieren vertelde, hier in de tuin. ‘Meer vanuit de herinnering aan wat het ooit deed dan vanuit echte noodzaak. En toch, Tessi, als zijn hart stopt, gaat een vampier net als wij dood.’
Wat ik onder mijn bloed besmeurde vingers voel is geen echo, of een herinnering daaraan. Het is meer een hapering. Een laatste hindernis die moet worden overwonnen. Niet als het aan mij ligt. ‘Bloed!’ roep ik. ‘We hebben bloed nodig.’ Op Ulv na, die zoals altijd bij mij blijft, stuiven de wolven weg. Ik buig me over Halsteinn en schud hem wild door elkaar.
‘Waag het niet om dood te gaan! Of ik knoop je persoonlijk op.’
Hij kreunt en hoest donkerrood bloed op. ‘Jij,’ zegt hij met gesloten ogen, ‘bent gek.’
Met mijn handen op zijn schouders glimlach ik. ‘Je bent niet de eerste die dat zegt.’
‘Fijn… fijn om dat te weten.’ Zijn hoofd valt opzij.
Shit. ‘Halsteinn?’
Hij reageert niet.
Opnieuw schud ik hem door elkaar. ‘Halsteinn!’
Ulv jankt onrustig. Verdomme. Die smerige Charles! Er komt een idee bij me op, maar het is niet zonder risico.
Als de wolven even later nog niet terug zijn, besluit ik het toch te proberen. Ik diep mijn zakmes uit mijn bemodderde jeans op, trek mijn even vuile jas uit en stroop de mouw van mijn sweater op. Met opeengeklemde tanden maak ik een snee in mijn onderarm. Vampieren weigeren normaal heksenbloed, maar aan deze situatie is niets normaals. Bovendien, heb ik nog wel heksenbloed, nu mijn krachten zo goed als verdwenen zijn? Ik zal er snel genoeg achter komen. Ik buig me over Halsteinn, til zijn hoofd op en probeer mijn bloedende onderarm recht boven zijn mond te houden. Het lukt niet al te best. Zijn hoofd is loodzwaar.
‘Help even, Ulv.’
Voorzichtig duwt de wolf met zijn snuit tegen het hoofd van de vampier.
Zodra de eerste druppel tussen Halsteinns lippen valt, gaat er een schok door hem heen. Knipperend slaat hij zijn ogen op.
‘Nee,’ fluistert hij als hij mijn blote, bloedende arm ziet. ‘Nee.’ Zijn neusvleugels trillen. ‘Ga weg.’ Zijn hand glijdt zwakjes langs mijn been. ‘Ik drink je leeg.’
‘Dat doe je niet. Drinken. Nu.’ Ik duw zijn hand weg en schuif nog dichterbij. Warm bloed druipt op zijn bleke wangen en loopt naar zijn mondhoeken. ‘Ulv houdt je wel tegen als je te ver gaat.’
Halsteinn is te zwak om veel weerstand te bieden. Toch vecht hij. Tegen zichzelf, tegen de wolf en tegen mij.
‘Koppige ezel!’ brul ik als hij maar blijft proberen om ons met zijn krachteloze vingers weg te duwen. Uiteindelijk kan hij niet anders dan slikken. Na de eerste slok gaat het beter. Zijn instinct neemt het over. Hij drinkt steeds gretiger, ook al biedt een deel van hem nog steeds weerstand. Het stelt me gerust. Hij zal me geen kwaad doen. Net als een lichte duizeling me vertelt dat ik er beter mee kan ophouden, duikt een grote, grijze wolf naast me op. Hij laat een slappe haas in de sneeuw vallen en rijt de halsslagaders van het dier open. Haastig houd ik het warme lijfje boven de gulzig geopende mond van de vampier.
Drie hazen en een fazant later zit Halsteinn rechtop. Hij houdt de prooien die de wolven aanbrengen zelf vast en drinkt steeds beheerster. Als hij klaar is overhandigt hij de karkassen aan zijn nieuwe vrienden. Rondom hem eet de troep. Ik leun tegen de dikke den aan die onze val brak en kijk naar het schouwspel.
Met mijn zakdoek en die van Halsteinn heb ik de snee in mijn arm zo goed als ik kon verbonden. Ik hoop dat ik er niet verkeerd aan heb gedaan om een vampier mee de tuin in te nemen. Op het moment dat ik het denk weet ik al dat het niet zo is. Het gedrag van de wolven vertelt me genoeg.
‘Beter?’ vraag ik als Halsteinn aan haas zes zit.
Hij veegt zijn mond af en knikt. ‘Je arm?’
‘Ik overleef het wel,’ zeg ik.
‘Je blijft er merkwaardig kalm onder.’ Hij schudt zijn hoofd.
‘Je bent heus niet het eerste schepsel dat ik zie eten.’ De woorden zijn mijn mond nog niet uit, of het dringt tot me door dat ik dat misschien beter niet had gezegd.
‘Is dat zo?’ Hij kijkt om zich heen. Steeds meer wolven vleien zich naast hem neer. ‘Waar zijn we hier eigenlijk?’

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan,
Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards-schrijfwedstrijd. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.

Over de illustrator:
Hi! Ik ben Alex van Leeuwenstijn (1982, Den Haag), groot hobbytekenaar. Inspiratie en voorbeelden haal ik overal vandaan. Vroeger was dat voornamelijk Mad Magazine, wat opgevolgd werd door een ruim spectrum van cartoongenres; denk daarbij aan Asterix en Haagse Harry (I know…), maar ook aan Streetfighter en Marvel. De laatste tijd wordt ik heftig geïnspireerd door Jamie Hewlett (Tank Girl en The Gorillaz). Ik hoop samen met deze community te groeien en een hoop mooie dingen te maken.