web analytics
dinsdag, mei 17

Vertelling: Ulfhedinn

Door Isabelle Plomteux. Dit is deel 1 van 4.

‘Tess?’
Muziek, geschater en flarden luid Schots dringen de rustige afwasruimte binnen. Met mijn handen in het sop kijk ik om.
‘Ja?’
Brian staat met een rood gezicht in de deuropening. ‘Zou je even kunnen bijspringen achter de bar? Tot Wendy hier is? Ik weet dat je je hond liever niet alleen laat, maar Colin en ik verzuipen. Die lapzwans van een Euan is weer eens niet komen opdagen en met het optreden deze avond zitten we stampvol. Ze drinken als gekken.’ Hij grijnst.
‘Vooruit dan maar.’ Ik trek mijn rubberen handschoenen uit en verwissel mijn natte schort voor een droge. Voor ik de pub inloop, kniel ik nog even bij Ulv neer. Met zijn zware kop op zijn poten heeft hij zich onder een tafel vol vuile vaat verschanst. Voor de zekerheid controleer ik het verband rond zijn poot nog eens.
‘Hé, buddy. Ik ga even naar hiernaast.’ Ik wijs naar de deur. Hij opent een oog maar dommelt dan weer in.
‘Hoe gaat het nu met hem?’ vraagt Brian als ik achter hem aan de lawaaierige, schemerige pub inloop.
‘Al veel beter.’
‘Ze moesten de smeerlappen die wolvenklemmen uitzetten zelf eens in zo’n ding steken.’ Hij steekt zijn hand op naar het groepje vaste klanten dat net met rode neuzen en natte oliejekkers zijn overvolle pub binnenkomt. ‘Beseffen die idioten niet dat ze daar ook andere dieren mee treffen?’ Hoofdschuddend stapt hij achter de drukbezette toog.
Ik glimlach even en volg hem. Nauwelijks sta ik op mijn plek of mijn hekseninstinct slaat alarm. Mijn huid begint te tintelen. Het voelt alsof ik kleine sneeuwvlokjes over me heen krijg. Een vampier houdt zijn ogen op me gericht. Op mijn armen, mijn gezicht, mijn bor… ho eens even! Ik gluur onder mijn wimpers door en zoek hem in de schemerige ruimte. Waar zit die hufter? Voor ik hem kan vinden, houdt het sneeuwen even abrupt op als ze begonnen is. Blijkbaar heeft een ander paar attributen zijn aandacht getrokken. Meewarig schud ik het hoofd. Vampieren zijn onverbeterlijke rokkenjagers, ze kunnen het eenvoudigweg niet laten.
Het is hun jachtinstinct, Tessi, zegt de kalme stem van oma Janet in mijn hoofd. Negeer hem. Trotseer hem. Je kan hem aan, met gemak.
Nu nog wel, denk ik terwijl ik de eerste dorstige klanten bedien. Morgen zal het heel wat anders zijn. Dan besef ik misschien niet eens meer dat hij een vampier is. Bij zonsopgang zal ik geen heks meer zijn. Nu ja, een heks zonder krachten, wat op hetzelfde neerkomt. Ik zal geen veer meer aan een kip kunnen toveren. Een gevolg van de beslissing die ik zes maanden geleden nam.

‘Een sabbatjaar?!’ gilde mijn moeder toen ik haar vertelde dat ik mijn studie tijdelijk stop wilde zetten. Rond haar mooie gezicht wervelden perfect gekapte krullen.
‘Zes maanden maar, mam. Geen dag langer. Echt.’
Haar roodgelakte vingernagels trommelden op het glazen blad van haar designbureau. ‘Wat ben je van plan, Tessindra?’
‘Ik wil naar de tuin. Naar opa.’
‘Ben je gek geworden? Als je dan toch met alle geweld wil stoppen met studeren, ga dan shoppen in New York, flaneren op de Parijse boulevards of op cruise voor de kust van Dubai! Je bent een Wylander, geen haagheks van het zevende knoopsgat. Zelfs die gaat niet in dat godverlaten Schotland zitten als ze bij haar volle verstand is. Om over de gevaren voor je krachten nog maar te zwijgen.’
Ik boog mijn hoofd en frutselde aan mijn slobbertrui. ‘Ik wil weten of het er nog steeds even magisch is.’ Als kind had ik vrijwel al mijn vakanties in de tuin doorgebracht.
‘Daar komt niets van in! Onder geen beding.’ De diamanten aan mijn moeders vingers fonkelden. ‘Familieraad,’ gromde ze. ‘Morgenavond. Zorg dat je er bent!’

De volgende avond zaten we met zijn allen rond mijn moeders strakke eettafel: oom Harry, tante Amanda, oom Jack, tante Jennifer, mijn moeder en ik. Op mij na leek iedereen zo weggelopen uit een duur modeblad. Hoe ze het voor elkaar kregen om er zo perfect uit te zien, was me iedere keer een raadsel. Gelukkig was oma Janet er ook. Al koos ze ervoor om op dit moment niet zichtbaar te zijn, de lucht rond ons rook subtiel naar lelietjes van dalen, haar lievelingsparfum. Aan de verontruste gezichten van de anderen te zien, roken zij de bloemengeur ook. Ik glimlachte even. Ik was dol op het hoofd van onze heksenclan. En zij op mij, ook al was ze al meer dan tweehonderd jaar dood toen ik geboren werd. Dat kleine feit had haar niet verhinderd zich met mijn opvoeding te bemoeien. Zij was het, die me als peuter mee naar de tuin had genomen en me – tot ergernis van mijn moeder – had laten kennismaken met zijn bijzondere bewoners.
Oom Jack nam een slokje van zijn witte wijn en schraapte zijn keel. ‘Goed, we zijn geloof ik voltallig?’
De kroonluchter boven ons hoofd, een combinatie van verwrongen staal en gloeilampen die me nog het meest aan een verdwaald ooievaarsnest deed denken, flikkerde een bevestiging.
De zwaar opgemaakte ogen van tante Amanda en tante Jennifer blikten nerveus omhoog.
Oom Harry maakte een geruststellend gebaar. ‘Tessindra, wat is er aan de hand?’ zei hij met een tandpastaglimlach.
‘Ze is gek geworden,’ zei mijn moeder. ‘Dat is wat er aan de hand is!’
Ik schoof heen en weer op mijn stoel. ‘Het is gewoon iets wat ik wil doen voor ik mijn plaats binnen de clan inneem.’
Goed zo, Tessi. De geur van lelietjes van dalen werd sterker en omhelsde me.
‘Arm kind, het is vast iets hormonaals.’ Tante Amanda stak een sigaret op en blies rook naar het achtergelaten vogelnest.
Oom Jack knikte meelevend. Net als tante Jennifer.
Aan de overkant van de tafel snoof oom Harry. ‘Het is dat vampierbloed in haar dat eindelijk zijn tol eist. Dat maakt haar zo rusteloos als wat.’

© Gert-Jan van den Bemd

Met een rinkelend geluid zette mijn moeder haar wijnglas neer. ‘Wat had ik dan moeten doen? Haar maar laten sterven, daar op dat strand?’
‘Misschien was dat wel beter geweest, ja,’ zei haar broer.
Mijn moeder ontplofte. Als twee vuurdraken vlogen ze elkaar in de haren. Pas toen oma Janet het ooievaarsnest pardoes in het midden van de glanzend witte tafel lanceerde, waar de gloeilampen met een oorverdovend lawaai uiteenspatten, deden ze er het zwijgen toe.
‘Genoeg!’ Zwevend boven ons hoofd priemde oma een doorschijnende vinger in mijn richting. Ze had een van haar lievelingsoutfits aan: haar eigen versie van Supergirl, compleet met hoge, strakke laarzen en lange, roodfluwelen cape. Op het borststuk van haar blauwe bovenlijfje stond een goudrode J in plaats van een S. Ik grijnsde.
‘Jij vertrekt morgen naar opa’s boshut, Tessi,’ zei ze. ‘Je kent de consequenties van het verblijf in de tuin?’
‘Blijf ik langer dan zes maanden, dan slorpt de tuin mijn krachten op.’
‘Goed. Dat is dan geregeld.’ Ze schudde wat gipsrestjes uit haar doorzichtige, witte haar, sloeg haar cape om zich heen en verdween.
Mijn moeders mond viel open. ‘Maar daar is al in jaren niemand meer geweest. Voor hetzelfde geld is die hut al lang ingestort.’
‘Natuurlijk niet, Jasmin,’ klonk oma’s stem. ‘Het is niet omdat jij je erfgoed de rug toekeert, dat andere Wylanders, dood of levend, dat ook doen!’
Toen ik een week later de blokhut binnenstapte, moest ik haar gelijk geven. De grindweg ernaartoe was bijna dichtgegroeid, maar op een meter van de eigendomsgrens hield het natuurgeweld abrupt op. In de hut zelf lag nog geen stofje. Het was bijna griezelig.

Inmiddels woon ik er op één nacht na zes maanden. Tot grote woede van mijn moeder. Na vier maanden verhoogde ze de druk en trok ze zonder boe of ba mijn toelage in. Ik mag de Wylanderschoonheid misschien niet bezitten, van de legendarische Wylanderkoppigheid heb ik een dubbele dosis meegekregen. Diezelfde week nog nam ik een baantje aan in de plaatselijke pub en besloot ik om definitief in de tuin te blijven. Ook al houdt dat in dat ik mijn krachten kwijtraak. Met het uur zwakken ze af. Ik zit er niet mee, voor het eerst van mijn leven ben ik oprecht gelukkig. Ik heb het idee dat ik eindelijk ben waar ik moet zijn.

Mijn macht mag dan zo goed als weg zijn, mijn instinct werkt voorlopig nog prima. Het sneeuwt weer. Ik duw een Fraoch ale in een dorstige hand en kijk zo onopvallend mogelijk rond. Ah, daar is hij. Aan de zijkant van de bar, in het donkerste hoekje van Brians pub zit een reus van een vampier. Schouderlang, blond haar omlijst een hoekig gezicht met donkere wenkbrauwen en schuinstaande ogen, ogen die weliswaar op me gericht zijn en me ondersneeuwen, maar me niet zien. Hij is mijlenver weg met zijn gedachten. Ik buig me naar Brian.
‘Die blonde kerel ginds, weet je wie hij is?’
Hij tapt in volle vaart drie pinten en schudt het hoofd. ‘Hij is hier voor het eerst. Hij zit daar al vanaf een uur of vier, toen hier nog geen kat was. Heb je die Harley niet zien staan toen je aankwam?’
‘Jawel.’ Die prachtmachine was me niet ontgaan. ‘Is die van hem?’
Hij rekent af en knikt. ‘Niet dat hij er straks nog op zal rijden, daar heeft hij ondertussen veel te veel whisky voor op.’
Dat maakt voor een vampier niets uit, maar dat kan ik moeilijk aan Brians neus hangen. Colin, die in het weekend in de pub werkt om zijn studie te bekostigen, werkt zich puffend tussen de drukte door. Hij zet twee plateaus met lege bierglazen op de toog neer en gaat er meteen weer vandoor.
‘Hij zit daar maar, staart voor zich uit en drinkt,’ roept Brian boven de band uit terwijl ik de vuile glazen naar me toe haal. ‘Maar hij mag er best wezen toch?’ Hij knipoogt. ‘Iets voor jou, zo’n zwijgzame Noor?’
Ik schud wild het hoofd. Hij lacht en bedient de volgende ongeduldige klant. De tijd verglijdt in een waas van drank en glazen, glazen en drank. Op een bepaald moment duikt Wendy op. Ze gaat meteen Colin helpen. Het is zo druk dat ik onmogelijk terug naar de keuken kan. Brian glundert. Ik heb geen idee hoelang ik al aan de gang ben als een zware stem rechts van me kalm ‘lass?’ zegt.
Als ik me omdraai, kijk ik recht in het meest bijzondere paar grijze ogen dat ik ooit heb gezien. Ogen als de winterse wolken buiten, ogen die me ondersneeuwen. Hij tilt zijn lege glas op en houdt twee vingers omhoog.
‘Welke?’ vraag ik op normale gesprekstoon, ook al davert de pub van het lawaai. Vampieren horen een muis op een kilometer afstand als ze willen. Als ze hun gedachten erbij houden. De gedachten van deze kerel zijn ongetwijfeld ergens, maar niet hier. Hij ziet me nog steeds niet. Niet echt. Ik gebaar naar het rek achter me.
‘Doe maar wat.’
Naast hem probeert een Schotse schone zijn aandacht te trekken. Ze zit zo ongeveer op zijn schoot. Hij merkt het niet eens. Ik onderdruk een glimlach. Dit is wel heel apart.
‘IJs?’ vraag ik.
Hij schudt nee. Hoe oud zou hij zijn? Met zijn ongeschoren kaken ziet hij eruit als een of andere woeste Viking. Dat zou willen zeggen dat hij minstens 1200 jaar is. Zelfs voor een vampier is dat behoorlijk indrukwekkend. Ik pak een servetje en zet een dubbele Lagavulin voor hem neer. ‘Alsjeblieft.’
Voor het eerst kijkt hij me aan. Echt aan. Zijn grijze ogen sperren zich verbaasd open, zijn neusvleugels verwijden zich.
‘Dat is dan acht pond twintig.’ Al zou ik het graag op een lopen willen zetten, ik blijf staan en glimlach.
Hij haalt een verfrommeld briefje van tien pond uit de zak van zijn afgedragen leren jack en schuift het over het gladde hout van de bar naar me toe. ‘Hou de rest maar.’
Als ik het geld wegneem, zie ik dat er een runensteen voor hem ligt, met het teken van de wolf. ‘Je bent ver van huis,’ zegt mijn mond voor mijn hersens het kunnen beletten.
Er glijdt een pijnlijke uitdrukking over zijn gezicht. ‘Nog niet ver genoeg,’ zegt hij, zo zacht dat alleen ik het hoor. Hij slaat de whisky achterover, grist de runensteen van de bar en komt overeind. Zijn blonde hoofd past net onder de donkere plafondbalken. Met grote passen beent hij ervandoor. De rondwervelende dansers wijken voor hem uiteen. Ze doen het zonder het te beseffen, op instinct. Zelfs een mens is niet zo dwaas om een vampier voor de voeten te lopen. Onder de indruk kijk ik hem na. Het ga je goed, Viking, moge Odin je beschermen.
Als hij bijna bij het einde van de lange bar is en koers zet naar de buitendeur, vliegt de klapdeur naar de keuken open. Een grijze vlek stormt de bar voorbij. Shit. Ik duw Brian aan de kant en ren achter de toog uit.
‘Ulv!’
Mijn geroep gaat verloren in de muziek en de schreeuwerige menigte.
Maar de vampier blijft met een ruk staan. Met een ongelovige uitdrukking op zijn gezicht draait hij zich om naar de wolf. Van een kleine meter afstand kijkt Ulv hem met schuin gehouden kop aan. De Vikingvampier houdt zijn hoofd op dezelfde manier schuin. Hij kijkt met iets van weemoed naar de wolf. Als ik achter Ulv opduik, krult zijn mond zich in een glimlach die zelfs een slotzuster weke knieën zou bezorgen. Zijn lippen vormen geluidloze woorden. Hoort hij bij jou? Ik knik en vertel hem het verhaaltje dat ik ook aan de anderen heb opgedist, met dat verschil dat ik hem niet probeer wijs te maken dat Ulv een hond is.
‘Hij is in een klem getrapt twee maanden geleden en sindsdien is hij bij mij. Hij kan vertrekken als hij wil, maar hij blijft.’
Ook al bruist de muziek om ons heen en trillen de vloerplanken onder onze voeten, het is net of we met z’n tweeën in een bubbel zitten. De vampier knielt bij de wolf neer en streelt zijn hoofd. Ulv grijnst vrolijk. Het ene roofdier dat het andere begroet. ‘Zorg voor haar, Ulv.’ Op zijn lange benen komt de Vikingvampier overeind. Nog even strooien zijn ogen sneeuwvlokjes over me heen. Dan is hij weg.

Om vier uur ’s nachts waggelen de laatste feestvierders naar buiten.
‘Bedankt voor het inspringen,’ zegt Brian als we met z’n vieren doodmoe maar tevreden met een afsluitende wee dram aan de bar zitten.
‘Graag gedaan,’ geeuw ik, ‘maar haal het niet in je hoofd om me dat alle weken aan te doen of ik ben weg. Dat kan ik niet aan. Ik ben geen toverkol.’
‘Het was eenmalig, beloofd. Ik wil je niet kwijt, Tess. Je bent de beste afwashulp die ik in jaren gehad heb.’
‘Als je dat maar weet. Kom, Ulv.’ Ik sla mijn glas achterover en laat me van mijn kruk glijden. ‘We gaan naar huis.’ De wolf, die languit onder een van de lege tafels ligt, krabbelt overeind.
‘Het is gewoon griezelig,’ zegt Colin, ‘hoeveel die hond van je op een wolf lijkt.’
Ik glimlach. ‘Daarom heet hij dan ook Ulv.’
‘Doe je wel voorzichtig?’ zegt Brian. ‘Zal ik je anders even naar huis brengen?’
‘Nee hoor, ik heb Ulv toch?’
‘Happy Samhain,’ brult Wendy me nog na.

Als we buiten komen, begroeten de Mirrie Dancers ons. De hemel boven het grote meer voor de pub is opgeklaard en geeft een prachtige show weg.
‘Daarboven vieren ze ook Samhain,’ zeg ik tegen Ulv.
Onder de smaragdgroene, af en aan golvende lichtbanen gaan we op weg. Tien minuutjes later slaan we het grindwegje in dat naar opa’s blokhut leidt. Even denk ik ongelovig dat het begint te sneeuwen, tot ik de zware Harley zie staan. De vampier zit wat hogerop op een schoongeveegd rotsblok en kijkt naar me. Zijn leren jack ligt naast hem. Ik zou hem moeten negeren, maar hij ziet er zo alleen uit, zo verloren. Veel kwaad kan hij me niet doen. Vampieren lusten geen heksenbloed en zijn al evenmin dol op onze magie. Alleen ben ik over een paar uur niet langer een heks. Ik zucht en wil hem alsnog de rug toekeren, maar Ulv denkt er blijkbaar anders over. Voor ik hem kan tegenhouden, stormt hij kwispelstaartend op de grote Viking af. Aarzelend zet ik een stap naar hem toe. Hij komt soepel overeind. Met zijn grote hand op Ulvs kop richt hij zijn prachtige ogen op me. Ik wijs naar het wervelende noorderlicht boven ons hoofd.
‘Mooi, hè?’
Hij knikt. ‘Hoe oud je ook wordt, je raakt er nooit op uitgekeken.’
Van hoger op de heuvel zweeft wolvengehuil naar ons toe. Ulv jankt verlangend en kijkt me vragend aan.
‘Ga maar,’ zeg ik, ‘ik red het verder wel.’ Dat hij weg wil, stelt me gerust. Hij zou me nooit alleen laten als ik in gevaar was. Ulv duwt zijn kop even tegen mijn hand en stormt er dan vandoor, de stenige helling op. De vampier lijkt het niet eigenaardig te vinden dat hij dat kan met zijn poot in het verband. Ik vloek. Hij zal toch niet weten dat Ulv…

Volgende week verschijnt deel 2.

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten. Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan, Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards-schrijfwedstrijd. Samen met de verhalen van de winnaar en de drie andere runner-ups kan je het terugvinden in een e-pub op Hebban.nl. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.

Over de illustrator:
Gert-Jan van den Bemd (Breda, 1964) is schrijver, kunstenaar en wetenschapsjournalist. Hij publiceerde twee romans (De Verkeerde Vriend, 2018 en Na De Val, 2019) en verhalen en gedichten in onder andere Tirade, Extaze, Op Ruwe Planken en Ganymedes. Met zijn beeldend werk exposeerde hij in Nederland, België, Marokko, Hongarije, Litouwen, de Verenigde Staten van Amerika en Zuid-Afrika.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux en Gert-Jan van den Bemd