web analytics
dinsdag, februari 27

Vertelling: Roadtrip – Jennifer Bholasingh

Door Jennifer Bholasingh

James Jenkins was ruim drie uur lang de weg kwijt en hij wist dat dit lelijk zou gaan uitpakken. De FM-zenders op de radio zonden al geruime tijd een scherp spookgeruis uit. Het laatste wat de antenne had ontvangen – zo’n tien kilometer terug – was de stem van Wanda Jackson met het liedje Whole lotta shakin, daarna viel het uit de ether en klonk alleen nog dat irritante geruis. En tot overmaat van ramp viel het gps-signaal op zijn iPhone telkens uit. Hij vervloekte het ding. Het had hem in de steek gelaten, juist op het moment dat hij er afhankelijk van werd. Hij reed nu urenlang door de blakerende woestijn van New Mexico en er leek geen einde aan te komen. Het was werkelijk een kwelling zo ver van huis te zijn.
Dit gebied bleek helemaal niet zo geweldig als Sally hem had wijsgemaakt; het was een monsterlijk doolhof, verstopt in een snikheet multiversum. En nu lag Sally naast hem in de passagiersstoel te slapen, alsof ze haar schoonheidsdutje deed en alles piekfijn in orde was. Haar hoofd, dat glansde van het zweet, leunde tegen het raam. Ze maakte zachte snurkgeluiden en haar hoofd wiebelde heen en weer als hij over een kuil in de weg reed. Hij had niets aan haar; ook zij had hem in de steek gelaten, net als zijn iPhone liet ze hem in z’n uppie deze hel doorstaan.
De zon begon aan zijn afdaling en het was een kwestie van tijd voordat hij zich volledig achter de bergen in het westen zou verstoppen en de gehele woestijn in een verblindende duisternis veranderde. En dit terwijl hij het streven had gehad om nog vóór zonsondergang op hun bestemming in Santa Rosa aan te komen.
Hij wilde absoluut niet in paniek raken, maar voelde wel degelijk dat hij lichtelijk hysterisch begon te worden toen hij nog altijd geen bord van een afslag zag. Zijn blaas stond op springen, dus zette hij de Ford pick-up langs een zanderige berm waar een stel agaveplanten als messen uit de grond groeiden. Sally kreunde toen de Ford tot stilstand kwam. Ze knipperde even met haar ogen, verder niets.
Hij opende het portier en werd overmeesterd door een warmte die hem zowat zijn adem benam. Hij schoof zijn Ray-Ban hoger op zijn neus. Het speeksel in zijn mond droogde op. Hij trok zijn pet van zijn hoofd, waarop de initialen van de universiteit van Connecticut stonden, en wapperde er als een waaier mee voor zijn gezicht. De beestachtige bergen doemden aan beide kanten op als de grillige rugwervels van een zeemonster. Het plan was om in Santa Rosa te gaan wandelen en vissen. Gegrilde maiskolven met zure room te eten. Daarna ging de trip verder naar het zuiden, waar ze indianenreservaten wilden bezoeken en een ritje maken naar Tucumcari om slappe Mexicaanse grappen aan te horen. Het had allemaal zo verdomd simpel geleken, toen ze gisteren vanaf Connecticut naar Estancia Airport waren gevlogen en daar een oude, felrode Ford pick-up uit 1996 huurden – gammel en zonder goed werkende airconditioning –om aan hun trip te beginnen, die dwars door de Chihuahuawoestijn ging. Ze hadden vijf uur geleden nog getankt bij een klein dorpje ten westen van de luchthaven en daar had James met tegenzin een maistortilla met avocado en vette uienringen naar binnen gewerkt. Toen was hij er al zeker van geweest dat dit avontuur een ware ramp zou worden; sommige mensen – zoals hij – waren niet voor dergelijke belevenissen gemaakt. Hij was hoogleraar Franse Letterkunde en gaf les aan de universiteit van Connecticut. Sally was yogadocent – ze doceerde getraumatiseerde bejaarden hoe ze met hun longen zichzelf nieuw leven konden inblazen. Wel, dat is alsof je een stel peuters naar Afghanistan stuurt om daar de boel op orde te stellen, dacht James en hij voelde zich misselijk worden van de hitte. Zijn hoofd werd loodzwaar. Zijn T-shirt zat vastgeplakt aan zijn rug en hij voelde zich een doorweekte zeehond. Hij liep wat verder de berm in om te gaan plassen en bekeek de zanderige omgeving. Bij een bosje dor gras en een stel lage rotsen leegde hij zijn blaas. Terwijl hij dit deed – staand en puffend – zag hij dat er in de middelste steen in lelijke kraaienpoten een tekst stond geschreven. Het leek op graffiti, dat die lui onder het spoor altijd gebruikten om tekeningen van Nelson Mandela op de muren te kalken of teksten als Only god can Judge me. Hij boog zich wat naar voren en las zoiets als:

NIET STOPPEN RIJD DOOR

Naast de middelste steen lag een lagere rots en daarop stond nog iets, als om de zin af te maken. James keek ernaar. Het was het allerlelijkste handschrift dat hij ooit had gezien.

MONSTRUMS

‘Monstrums?’ zei hij en tuurde de zanderige vlakte over. Alleen een monster met factor vijftig zou het hier uithouden. Hij bedacht dat deze (afzichtelijke) tekst natuurlijk door een stel dronken Indianen geschreven moest zijn. Ze deden aan rituelen, hij had hierover gelezen in een magazine op de luchthaven. Die lui hadden hier een tussenstop gemaakt – onderweg naar hun stam – en dit was de plek waar ze zich in een diepe trans hadden gebracht, om alle boze geesten te verdrijven die hun pad naar huis blokkeerden. Achter hem werd het portier geopend. Hij hoorde Sally zeggen:
‘Heet! Ah jezus wat is dit heet!’
James trok zijn gulp dicht en zag dat er tussen het dorre gras een oude teenslipper lag. De zool was opgekruld als een taco.
Hij draaide zich om. Sally stond op haar blote voeten te tapdansen in het zand. Ze had haar bruine haar in een knot boven op haar hoofd geknoopt, waardoor ze leek op een vogel die een paringsdans doet. Haar bloemenjurk had ze uitgetrokken. Nu stond ze in haar bh en slipje. Rond haar buik zaten brede striemen van haar zwangerschap van Tommy, hun zesjarige zoon, die ze eergisteren bij haar ouders hadden achtergelaten zodat ze op reis konden. Tien dagen, niet langer. James dacht terug aan het moment dat ze samen aan de keukentafel hadden gezeten en Sally met dat belachelijke idee kwam aanzetten; ze was veertig geworden en eiste een roadtrip als cadeau – een rondrit door een zanderige hel – waarna James haar had gevraagd waar hij in godsnaam zo snel een vervangende leraar vandaan moest toveren en waar Tommy dan naartoe moest.
Maar ze had alles al geregeld. Werkelijk alles. Zo ging dat bij vrouwen. Ze waren snel. Ze waren slimmer dan de CIA, volgens James.
Daarna hadden ze gevreeën op de keukentafel en James had braaf zijn mond gehouden.
‘Doe je slippers aan, meid,’ zei hij en kwam op haar afgeslenterd. ‘Straks smelten je voeten eraf.’
Sally hupte naar het portier en haalde haar teenslippers tevoorschijn. James vroeg zich af hoeveel flessen water ze nog hadden en hoe snel hij zijn eigen urine moest gaan drinken als alles in die flessen op was. Aan de andere kant van de weg lag een verroeste velg. Er landde een woestijnvalk op die schel krijste.
Sally had een fles water aan haar mond gezet en nam een paar flinke teugen. Ze sloot haar ogen terwijl ze dronk. James wilde haar zeggen niet zo gretig te zijn, maar besloot verder geen wrijving te veroorzaken.
‘We moeten iemand de weg vragen,’ zei Sally en ze zette de tuit opnieuw tegen haar lippen en nam vier grote slokken.
‘Dat lijkt me een uitstekend plan. Heb jij de afgelopen uren een tegenligger voorbij zien komen?’ Dat is toch onmogelijk met je ogen dicht dacht hij, maar hij zei het niet.
‘Hoe lang zijn we al verdwaald?’ vroeg Sally. Ze draaide de fles ondersteboven en hield hem boven haar hoofd. James kon wel schreeuwen toen hij het water uit de fles zag stromen, over haar knot heen, als een lopende kraan.
‘Al een aantal uur,’ zei hij. ‘Mijn gps werkt al niet meer sinds we eraf zijn gegaan bij La Desierto.’
‘En nu?’ vroeg ze en ze zette de fles opnieuw tegen haar lippen, maar hield op toen ze James’ blik ving. Ze wreef het water over haar gezicht, schroefde de dop terug en klemde de fles onder haar oksel, als een opgerolde baddoek. ‘Sorry,’ mompelde ze. ‘Laten we dan teruggaan.’ Er dropen druppels van haar kin.
James schudde zijn hoofd. ‘Redden we nooit. De tank zit bijna op zijn reserves.’ Hij hield zijn iPhone omhoog en hoopte meer dan ooit de streepjes van het mobiele netwerk in het hoekje van zijn scherm te zien. Maar er stond een kruisje – geen verbinding. ‘Ik stel voor dat we nog een klein stuk verder naar het noorden rijden, daar zitten we wat hoger. Mogelijk pikken we daar een signaal op. Dat is onze enige hoop voor nu.’
Sally knikte en ze slenterde langs de pick-up richting de andere kant van de weg. Haar slippers kraakten in het grind toen ze de weg overstak. Ze bleef staan bij een strook dorre vegetatie. Met haar rechterhand als een scherm boven haar wenkbrauwen, als bescherming tegen het licht, tuurde ze in westelijke richting. ‘Kunnen we niet via de bergen daar?’ vroeg ze.
‘Te gevaarlijk nu de zon ondergaat.’ James zette zijn petje op en begon in haar richting te lopen. Hij stak de weg over en keek naar links en rechts of er geen verkeer naderde. Maar de wereld om hem heen bleef akelig stil; geen vrachtauto’s, toeterende schoolbussen of racende Chevrolets met openstaande ramen waaruit een behaarde mannenarm hing. Ze waren moederziel alleen.
Halverwege de weg voelde James een dreun onder zijn slippers. Hij bleef stilstaan. Het zand sidderde en kleine kiezelsteentjes veerden op en rammelden de weg over. Daarna was het voorbij. Hij schudde zijn voeten heen en weer om het zand ertussen vandaan te krijgen en liep verder.
‘Wat was dat?’ vroeg Sally.
‘Een poepende olifant,’ zei James en hij zag de putten in de huid van haar bovenbenen en dijen zitten waar ze zich normaliter zo voor geneerde. De hitte verandert iedereen in een wilde, dacht hij, en hij ging achter haar staan. Hij sloeg zijn armen om haar middel en trok haar tegen zich aan. Ze rook licht naar zweet. Alhoewel hij het om te stikken vond – haar loeiwarme huid tegen die van hem – gaf het wat geborgenheid. Hij tuurde over haar hoofd in de verte, naar een groep roofvogels die hoog boven het westelijke gebergte cirkelde. Er kwamen er meer aanvliegen. Ze verzamelden zich rondom het hoogste punt en krijsten.
Sally bleef zwijgend in zijn omhelzing staan. Samen keken ze naar de ondergaande zon en de roofvogels. Hij loog er niet om; het was een godvergeten mooi uitzicht. Alleen die beesten baarden hem zorgen. Vanaf het zuiden kwam een nieuwe zwerm aangevlogen. Het geluid van hun gekrijs droeg ver de woestijn in. Hij kon zich niet herinneren ooit zoiets gehoord te hebben en het gaf hem een beangstigend gevoel.

© Zef Oudendorp

Sally maakte zich los uit zijn armen. ‘Kijk daar eens,’ zei ze en ze slenterde langs een strook dorre vegetatie. Ze bukte om iets van de grond te pakken. Daarna draaide ze zich naar James om en hij zag dat ze een knuffelbeertje vasthield. Het ding zag er rot en smerig uit. Het strikje om zijn hals was vergeeld. ‘Dat moet van een kindje zijn,’ zei ze en ze klopte het zand eraf.
‘Meid, ik wil hier weg zien te komen.’ James wilde zich net omdraaien toen er opnieuw een dreun vanaf de aarde kwam. Dit keer zo hard dat de Ford kort heen en weer schudde. Sally’s waterfles rolde van de bijrijdersstoel. De roofvogels in de lucht krijsten hysterisch en wild.
‘Liefje, was dat een aardverschuiving? O god, straks zakken we de grond in.’ Sally liet het beertje abrupt uit haar hand vallen. Er laaide een stofwolk op toen het de grond raakte.
‘Dat hoop ik niet,’ zei James en hij dacht: dit alles is een grove misstap, veroorzaakt door mijn zwakke karakter. Ik had haar moeten zeggen dat ik niet gemaakt ben om als een laveloze Indiaan door New Mexico te banjeren. Ik ben geen chief van een beruchte stam, ik ben een hoogleraar Franse Letterkunde. Ik hoor mijn kennis over te brengen en la mission est? te schrijven voor een groep derdejaars studenten. ‘Laten we gaan,’ zei hij. Hij had zich zojuist omgedraaid in de richting van de Ford – die daar langs de berm stond als een verstofte felgekleurde kever – toen Sally gilde. James draaide zich met een ruk om. ‘Wat nou weer?’
‘Schorpioenen!’ schreeuwde ze. ‘O mijn hemel, overal zwarte schorpioenen!’
James schoof zijn Ray-Ban op zijn voorhoofd en zag een horde donkere beesten met opgetrokken staarten over de grond rennen. Het waren niet alleen schorpioenen, zag hij, maar ook hagedissen die werden vergezeld door spinnen en zandkleurige slangen, die met golvende bewegingen door het zand gleden.
Ze waren met veel.
Ze bewogen over elkaar heen, kropen tussen elkaars poten door. Het maakte een knisperend geluid.
‘Christus!’ James sprong naar achteren. ‘Wat komen ze doen?’ Hij schopte per ongeluk zijn slipper uit toen er een slang over zijn voet gleed. ‘Ben je gebeten?’ vroeg hij.
Sally maaide met haar handen over haar hoofd. ‘Er zit een beest in mijn haar! Een beest! Haal het weg!’
James trok haar naar zich toe en maaide een woestijnspin uit haar knot, gooide hem op de grond. De aarde om hen heen wemelde ondertussen van de rennende beesten. Er kroop iets over zijn enkel en hij voelde plots een felle steek. Hij schopte zijn been in de lucht. Zijn enkel stond in de brand.
Ofschoon hij dit alles onder controle leek te hebben (een goede leraar behoudt de kalmte), zag hij dat de vogels in de verte waren gestopt met cirkelen. Ze kwamen nu in brede zwermen hun kant uitgevlogen. Net als de insecten op de grond bewogen ze richting het oosten.
De pijn in zijn enkel werd heviger. En hij wist bijna zeker dat hij was gestoken door een schorpioen.
‘Naar de auto,’ zei hij tegen Sally, waarna ze gillend langs hem heen de weg op stormde.
De grond onder hen dreunde opnieuw, gevolgd door een weldadige kreet, als van een donderslag. Het knuffelbeertje in het zand kwam kort van de grond.
‘Kom nou!’ hoorde hij Sally gillen.
Maar er vond iets plaats in de verte dat hem dusdanig verontrustte, dat zijn benen in de knoop leken te zitten.
Hij zag hoe de westelijke bergtoppen omhoogkwamen – zich letterlijk richting de hemel verschoven – en hij dacht dat hij een zenuwinzinking kreeg. De bergtoppen verduisterden het laatste zonlicht dat over de vlakte had geschenen, als een reusachtig zonnescherm. Alles onder hem begon te trillen. Het voelde alsof zijn hartslag ineens overal was.
‘O moeder!’ schreeuwde Sally achter hem. ‘Die berg beweegt!’
Er resoneerde een denderende echo. Er laaiden reusachtige stofwolken op in de verte. James beet zijn kaken stevig op elkaar. Hij voelde iets over zijn enkel kriebelen, maar bleef als bevroren naar het gebergte kijken, dat steeds verder omhoogkwam. De bergtoppen draaiden zich een kwartslag over de vlakte. Er kwam een reusachtige kop tevoorschijn en James bleef daar maar met open mond staan kijken. Hij kreunde zachtjes. Achter hem gilde Sally dat hij moest komen.
Wat hij zag leek op een prehistorisch beest dat vijfenzestig miljoen jaar geleden was uitgestorven. Alleen was dit beest gedeeltelijk van rotsen en steen gemaakt. Het had het lichaam van een reuze stegosaurus, de kammen op zijn rug reikten tot halverwege de ether. Zijn kop had de omtrekken van een tyrannosaurus rex.
‘Merde,’ fluisterde hij. ‘Shit.’ Hij deed een poging in beweging te komen, maar zijn enkel deed verschrikkelijk zeer en zijn tong begon te tintelen. Het gif van de schorpioen verspreidde zich in een rap tempo.
Het beest opende zijn gigantische bek en brulde over de vlakte. Het deed James denken aan dat typische gebrul van de T-rex uit Jurassic Park. Er vlogen nog een aantal vogels over de vlakte en het beest schoot plots op zijn twee reuze achterpoten – het balanceerde als een hond die een kunstje kan – en ving met zijn bek een vogel uit de lucht. Carnivoor, dacht James en hij hinkelde wat achteruit, tot hij de handen van Sally rondom zijn middel voelde. Ze hijgde en trok hem naar achteren. Zijn enkel stond in de fik.
‘Een dino!’ schreeuwde ze. ‘Dat is een dino!’
‘Mijn linkerbeen werkt niet mee. Ik ben denk ik gestoken door een schorpioen.’ James legde zijn armen om haar schouder en probeerde richting de Ford te hinkelen. ‘Jij moet rijden.’
De grond onder hen dreunde als de kloppende stoten van een heipaal in het ochtendgloren. Overal om hen heen krioelden beesten. Ze probeerden zich te verschuilen tussen de scheuren in de weg of kropen onder stenen en de kieren van de agaveplanten. Sally hijgde met open mond. ‘Hoe kan dit?’ vroeg ze met trillende stem.
‘Weet ik niet. Gewoon niet achteromkijken, meid,’ zei James, waarna hij zelf zijn hoofd wat naar achter draaide en zag hoe het beest de uitgestrekte vlakte op was komen stormen, recht hun kant uit.
Sally struikelde bijna over een afgebrokkelde steen en ze vielen haast op de grond, maar ze wist James in balans te houden en bleef stevig door rennen.
Eindelijk bereikten ze de Ford. De portieren stonden nog open. Sally begeleidde James naar de passagierskant en rende vervolgens zelf om het voertuig heen. De cabine was bezaaid met hagedissen en spinnen. Op de bestuurdersstoel zat een schorpioen die zijn staart vijandelijk omhoogstak. Sally maaide het beest er in één felle beweging af – net zo vinnig als toen ze pas samen waren en ze plek wilde maken op de keukentafel om te vrijen.
‘Rijden!’ brulde James. ‘Girlpower! Rijden!’ Hij maaide zijn Ray-Ban van zijn hoofd. De narigheid in zijn enkel nam toe. Het brandde en klopte als een ontstoken kies.
Sally trok het portier dicht. Ze had haar ogen wijd open. Ze ramde het gaspedaal in en de Ford vloog naar voren en liet een dikke stofwolk oplaaien. Ze kromde haar vingers als weerhaken om het stuur. Normaal zou James haar met die vurigheid aantrekkelijk hebben gevonden. Deze keer werd hij er bang van.
Hij keek door het raam en zag dat het beest de achtervolging had ingezet.

Sally racete de weg over. Er renden spinnen over haar schouders. Uit de ventilatieroosters kropen baby schorpioenen. James wilde er met zijn goede been een trap tegenaan geven maar had er de kracht niet voor; de helft van zijn lichaam tintelde en voelde verlamd. Op zijn enkel zat een bloedblaar ter grootte van een gedroogde pruim.
‘Waar moet ik naartoe?’ gilde Sally.
‘Gewoon lijen… maak nie uit wa na toe.’
Ze reed over iets heen waardoor de Ford met beide wielen van de grond kwam. ‘Is dat beest al weg?’ vroeg ze en wierp een blik in de zijspiegel, waarna ze in snikken uitbarstte. ‘O James, wat moet ik doen? Ik wil naar Tommy, ik wil ons kind zien…’
Achter hen liet het prehistorische beest een immense brul horen. Het had de weg bereikt en het zou niet lang meer duren voordat het de laadbak te pakken kreeg.
Er viel een korte stilte in de cabine.
Ze reden langs autowrakken die gekanteld in de berm lagen. Hij zag van alles voorbijflitsen; een omgedraaide vrachtwagendeur, waarvan de cabine zo’n tien meter verderop lag, omringd met de brokstukken van een zwarte Chevrolet. Aan de linkerzijde stond een camper, de banden hingen als veters om de velgen heen. De grond lag bezaaid met felgekleurde kledingstukken en weekendtassen. Sally hield haar voet stevig op het gaspedaal. De motor ronkte en ronkte. James voelde een onaangename duizeling in zijn hoofd opkomen en sloot zijn ogen. Hij hoorde de lange snikken van Sally nog vaag op de achtergrond – waarna hij wegdommelde in zijn eigen geest.
Hij kwam bij zinnen doordat hij met zijn neus tegen het dashboard werd gegooid en de Ford abrupt tot stilstand kwam. Er dansten sterretjes op zijn netvlies en hij zag flitsen. Hij dreigde opnieuw zijn bewustzijn te verliezen, maar het gegil van Sally gaf hem zijn helderheid terug – hierdoor proefde hij de ijzersmaak van zijn eigen bloed en kon hij door de voorruit zien waarom Sally zo ineens op de rem had getrapt. Wat hij waarnam deed hem bijna stikken en hij probeerde zijn hand om de deurhendel te klemmen, als om zich schrap te zetten voor wat hij voor zich zag.
Voor de bumper van de pick-up schoot een reusachtig wezen uit de grond. Het boorde zichzelf razendsnel uit een gat in de aarde en steeg de lucht in. Aan weerszijden van zijn lijf had hij scherpe poten. Het leek op een reusachtige duizendpoot en het bleef maar uit de aarde komen.
‘Ik wil naar huis!’ gilde Sally en ze zwaaide het stuur naar rechts. ‘Ik wil mijn jongen zien!’
‘Elomheen lijen…’ zei James. ‘Dan ga we na onsje zoon.’
De Ford maakte een scherpe bocht naar rechts, er laaiden aan alle kanten stofwolken op. De velgen schuurden langs een aantal rotsen en iets knalde uit elkaar. Als dat maar niet een van de banden is, dacht James, terwijl hij in de zijspiegel zag hoe de duizendpoot zijn lichaam nu volledig uit het gat had gewurmd en zich achter hen midden op de weg oprolde als een cobraslang. Het draaide zich uit zijn houding en stormde recht op de dinosaurus af. Er resoneerde een gierende kreet door de lucht. De duizendpoot wikkelde zich om de voorste poten van het prehistorische beest, dat op zijn beurt zijn gigantische bek opende en zijn kaken in de duizendpoot begroef.
‘Nie kijken,’ zei James tegen zichzelf. Hij lag half onderuitgezakt in zijn stoel. Hij legde zijn wijsvinger op Sally’s arm en streelde haar huid. ‘We ga na huis.’
‘Beloof je dat?’ vroeg ze. Er klonk een soort vage opluchting in haar stem.
‘Tuuluk.’ antwoordde James en hij trok met veel moeite zijn iPhone uit zijn zak. Hij opende WhatsApp en klikte op het laatste bericht dat hij vanmorgen had verstuurd naar Sally’s moeder. Hij vertelde haar dat ze goed waren aangekomen en in een rode Ford aan hun roadtrip begonnen. Hij had zelfs nog een selfie gestuurd van hun samen voor het kraampje waar ze die smerige maistortilla’s verkochten. Hij keek naar het hoekje van het scherm en hoopte voor de laatste keer de streepjes van het mobiele netwerk te zien – hij zag alleen het kruisje. Met een traag bewegende duim typte hij het volgende bericht:

mama en papa houden van je
zelfs als we in een ster veranderen

Er rolde een warme traan langs zijn wang toen hij op verzenden drukte en zich afvroeg of het bericht ooit zou aankomen. Ondanks dit alles koesterde hij nog altijd hoop. Hij vertrouwde op de rijkunsten van Sally; een moeder met heimwee bezit immers duistere krachten.
Ze zette koers richting het oosten. Over haar bh-bandje kroop een salamander. Haar gezicht had de kleur van schoolkrijt en ze keek James nog kort aan, toverde een vaag glimlachje om haar mond.
‘Heb je gezegd dat we het eerstvolgende vliegtuig terug pakken?’ vroeg ze en ze maaide langs haar schouder om de salamander weg te slaan.
‘Tuuluk,’ loog James. Hij voelde zich afgrijselijk verrot vanbinnen. Hij wilde haar nog zeggen dat hij zielsveel van haar hield, maar hier kreeg hij de kans niet meer voor.
Boven hen doemde een grote schaduw op. Het laatste wat James zag was een gigantische staart met stekels. Het doorboorde eerst de voorruit en daarna zijn ingewanden.

Over de auteur:
Jennifer Bholasingh schreef als kind al macabere verhalen en is blij met het diverse scala aan monsters, schurken en gekke actie. Ze houdt van Daphne du Maurier, Howard Lovecraft, Stephen King en Lee Child. Ze schrijft dagelijks korte verhalen en werkt aan een langer manuscript.
Haar werk als tandartsassistente in een kleine praktijk die is gelegen tussen vochtige kelders van een flatgebouw zet haar fantasie als vanzelf in gang. Graag krijgt ze Godzilla, Predator of Alien op bezoek. Met haar verhalen hoopt ze de lezer te entertainen.

Over de illustrator:
Zef Oudendorp is geboren op 18 februari 1982 in Leiderdorp en opgegroeid in Voorschoten. Sinds Zef een potlood kan vasthouden is hij bezig met het tekenen van gekke poppetjes. Na de ontdekking van de Ninja Turtles op de basisschool, namen de poppetjes andere vormen aan. Ook was Jim Henson’s The Story Teller een inspiratiebron. Vervolgens werd Zef geïnspireerd door de Germaanse mythologie, vampiers & weerwolven (hij groeide op naast een begraafplaats) en de nodige sci-fi films en comics. Zo heeft Zef Terminator 2: Judgement Day, Highlander en Mad Max: The Road Warrior zalig verklaard en laat hij zich verder inspireren door heavy metal.

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Jennifer Bholasingh & Zef Oudendorp

You cannot copy content of this page