web analytics
maandag, november 28

Vertelling: Ritme

Door Reinier Swartken

Het was een duur adres. Dat had ik meteen al begrepen. Desondanks was ik verrast toen het om een monumentaal grachtenpand bleek te gaan dat eerder geschikt leek om als hoofdkantoor van een bank of een verzekeringsmaatschappij te dienen dan als woonhuis. Nadat ik mijn fiets had vastgezet, liep ik de stenen trap op. Het glimmend gepoetste koperen naamplaatje klopte wel degelijk: G. M. J. van Henegouwen. Een beetje zenuwachtig drukte ik op de bel.
Het was een hele eer dat ik bij haar thuis mocht komen, maar dat zou ik niet zeggen. Het klonk zo gekunsteld en paste niet meer in deze tijd. Professor van Henegouwen had niet veel op met haar studenten en de studenten hadden niet veel op met professor van Henegouwen. Toch scheen ik op de een of andere manier indruk op haar te hebben gemaakt. Mijn medestudenten vertelden me dat ze me slechts zou gebruiken voor haar eigen doeleinden: dat ze me als slaaf zou gebruiken en met de vruchten van mijn onderzoek aan de haal zou gaan. Dat maakte mij niet uit. Als ik mijn MA zo kon halen, vond ik het best.
Ze opende de deur, knikte even en liep toen zonder iets te zeggen naar binnen. Ik weet niet wat ik had verwacht, maar het leek of ik in een andere wereld belandde. De gang was lang, de muren bekleed met zwart marmer, en toen de zware deur weer in het slot viel was het verbazend stil. Professor van Henegouwen stond aan het einde van de gang duidelijk reeds licht ongeduldig op me te wachten, gekleed in een roomkleurig broekpak en een bijpassend sjaaltje.
Ze ging me voor naar een hoge ruimte die niet in een calvinistisch koopmanshuis leek te passen, maar eerder in een Engels landhuis. Of misschien was er een mengeling van stijlen toegepast. Tegen de wanden stonden overvolle ebbenhouten boekenkasten die bijna tot aan het beschilderde plafond reikten. Vanaf de smalle strook die overbleef staarden tientallen griezelige maskers me aan. Heel verschillende maskers, die uit alle delen van de wereld schenen te komen.
‘De bibliotheek,’ zei professor van Henegouwen met een gezicht alsof ze me het toilet had gewezen.
Slechts een van de wanden was niet bedekt door boeken en maskers. Door twee grote openslaande ramen zag ik de binnentuin.
‘Ik heb de ramen even geopend, omdat het hier wat muf rook. Maar ik heb liever dat je ramen en gordijnen gesloten houdt. Mijn boeken zijn erg kwetsbaar.’
Nu moest ik wel iets over dankbaarheid stamelen, maar ze wuifde het weg. ‘Ik heb hier boeken die je nergens vindt, niet in de UB en zelfs niet in The British Museum. Niet als collectie, niet zoals hier. En ik wil niet dat ze het huis verlaten. Het is voor alle partijen beter als je hier werkt.’
‘Wat voor collectie?’
Ze keek me aan alsof ik nu al van mijn voetstuk was gevallen. ‘West-Saksische teksten. Oude blanke verzen. En wat is het belangrijkste in die verzen?’
‘Alliteratie?’ probeerde ik.
‘Ritme,’ zei ze bits. ‘Ritme. Ritme. Alles is ritme.’
Nu wist ik het weer. Dat had ze ooit gezegd in de collegezaal en ik had het beaamd terwijl iedereen stil bleef. ‘Alles is ritme. Dag en nacht. De zon en planeten. De muziek der sferen. De getijden. Je ademhaling. Je hartslag. Er is geen tijd, alleen ritme. Lange en korte ritmen. Cycli. Tot het ophoudt. Tot het uitdooft. Tot het sterft.’
Ik was hier omdat ik haar een keer het gevoel had gegeven dat ik het begreep. Dus knikte ik maar.
‘Al deze gedichten…’ Ze wees in het rond. ‘…vertegenwoordigen ritme in tekst. Ik heb al een keuze gemaakt, maar ik wil dat jij dat ook doet. En daarmee bedoel ik niet dat je iets afgezaagds kiest zoals The Seafarer of Beowulf. Zoek iets origineels. Zoek oude teksten met het ultieme ritme. Die zullen we hier dan met de grootste voorzichtigheid scannen en digitaliseren.’
‘En dan?’
‘Wie weet. Ik heb hoge verwachtingen en ik hoop dat je die niet zult beschamen.’
‘Mevrouw van Henegouwen…’
‘Noem me Gabriëla. Met twee puntjes. Als je hier toch vaak zult zijn… Wacht.’ Ze onderbrak zichzelf, pakte een telefoon van de leestafel in het midden van de ruimte en drukte op een toets. ‘Michiel? Kom even naar beneden.’
We wachtten, opeens ongemakkelijk, tot er gestommel op de trap klonk. Er kwam een blonde jongen binnen.
‘Dit is mijn zoon. Jullie zullen elkaar wel vaker zien.’
Ze moest laat aan kinderen zijn begonnen, want ze was al een flink eind in de vijftig. Haar zoon, daarentegen, verkeerde in dat schemergebied tussen jongen en man, frustrerend voor de persoon in kwestie, maar plezierig voor het oog.
Ik gaf hem een hand en stelde me voor. De zijne was vochtig. Hij leek ongemakkelijk met de situatie en Gabriëla maakte het er niet beter op door hem door zijn korte stugge haar te strijken.
‘Hij heeft zulke mooie krullen, maar hij wil zijn haar altijd kort. Vroeger was hij net een engel.’
Opeens was ze een moeder. De jongen kronkelde onder haar aanraking vandaan. Ik seinde een blik van verstandhouding. Niet naar haar maar naar hem. Het was niet met opzet. Ik begreep hem nu eenmaal beter. Maar daarmee begon het.

© Sjoerd de Boer

Misschien had Gabriëla met twee puntjes, zoals ik haar nu bij mezelf noemde, me niet helemaal verkeerd ingeschat, want ondanks de vage opdracht die ik van haar had gekregen, kwam ik al snel in een soort ritme terecht. Langzamerhand begon ik ook te begrijpen wat ze bedoelde met “denk aan het ritme en niet aan het metrum”. Als ik bij haar thuis was, werkte ik hard en gedegen. We waren zelfs al begonnen met het scannen van een aantal oude heldendichten. Daar wilde ze altijd bij zijn, omdat ze bang was dat ik de band van haar kostbare boeken zou breken. Eigenlijk was ze altijd thuis als ik er was.
Soms, als ik even geen zin meer had in de cadans van een langdradig epos, dacht ik aan Michiel en vroeg ik me af wat hij daar deed, helemaal boven in het huis. Intussen had ik een paar andere vertrekken in het kapitale huis gezien, maar zijn kamer niet. Ik wist alleen dat die helemaal boven was.
Als Gabriëla en ik thee dronken, kwam hij wel eens bij ons zitten. Het was een schuchtere jongen, die nauwelijks iets zei, maar als hij wat zei had zijn stem altijd precies de juiste mate van adolescente heesheid. Zijn kleding leek door zijn moeder uitgezocht en was “vlot en netjes”. Het paste niet bij hem en daardoor, en ook door zijn verlegenheid, wekte hij een wat suffige indruk. Maar ik dacht niet dat hij dat was. Suf. Ik vond hem aardig. Misschien wel te aardig.
Op een dag kwam hij de bibliotheek in lopen. ‘Is mijn moeder hier?’ vroeg hij zonder me aan te kijken.
Het was duidelijk een voorwendsel, want hij wist best dat zijn moeder boven was. Ik kon haar zelfs horen lopen. Ik schudde van nee. Het werd stil. Zelfs wist ik ook niets meer te zeggen.
‘Maakt het je niet zenuwachtig?’ zei hij opeens.
‘Wat?’
Hij wees. ‘Die maskers.’
Ze waren inderdaad niet gemakkelijk te negeren, zoals ze allemaal op me neerkeken, maar ik slaagde er redelijk in. Ik haalde mijn schouders op.
‘Het zijn allemaal demonenmaskers.’
‘Wat?’
‘Die maskers.’ Hij keek me aan. ‘Het zijn allemaal demonen.’
Hoewel ik me niet van mijn beste kant had laten zien, kwam hij na deze episode wel vaker even langs. Het zal nog drie of vier weken hebben geduurd voordat ik voor het eerst mee naar boven mocht om zijn kamer te zien.
‘Het is een beetje een troep,’ zei hij, toen we alle trappen hadden beklommen. ‘Mijn moeder en de schoonmaakster komen hier niet vaak.’
Toen hij de deur opende, bleek dat erg mee te vallen. De kamer rook naar jongen maar bood een ascetische aanblik. Een boekenkast, een bureau, een tekentafel, een bed. Dat was het wel en het was geen klein vertrek. Hij leidde me rond en liet me zelfs trots de kleine badkamer zien. De tekentafel intrigeerde me meer.
‘Wat teken je?’
‘Manga.’
‘Dat is toch een soort stripverhaal?’
Het bleek veel meer, een soort manier van leven. Hij had nog nooit zo lang achter elkaar gesproken, of met zoveel vuur. Daarna liet hij zijn tekeningen zien. Hij kon heel goed tekenen. Het waren melodramatische verhalen die zich afspeelden in een fantasiewereld vol duistere demonen en onschuldige kinderen die gered moesten worden.
‘Je zou dit moeten uitgeven.’ Ik meende het.
‘Dat hoeft niet.’
‘Wie is hij?’ De held in alle verhalen was een ranke jongen met goudblond haar en onwaarschijnlijk grote blauwe ogen. Als hij boos werd en zijn vijanden verpletterde, werden die ogen zwart met vurige irissen.
‘Dat is Kintaro. Kintaro wa tsuyoi desu.’ Zijn stem en zijn hele houding leken te veranderen toen hij die vreemde woorden uitsprak. ‘Kintaro is sterk.’
‘Spreek je Japans?’
‘Ik heb twee jaar in Japan gewoond, met mijn vader.’
‘Waar is je vader nu?’
‘Ik weet het niet. Hij mag geen contact met mij opnemen.’
Hij sprak met duidelijke tegenzin of misschien met weerzin. Het leek me verstandig om van onderwerp te veranderen. ‘Is dat een echt Japans zwaard?’
Op het houten rek dat ik aanwees lagen eigenlijk twee zwaarden, een lang en een kort. Het soort wapens dat ook de jonge demon Kintaro tegen zijn vijanden gebruikte. Michiel pakte het grote zwaard, dat hij een katana noemde, maar hij wilde het niet uit de schede halen. Het kleinere wapen was een wakizashi volgens Michiel. Dit wilde hij wel laten zien. De golvend geslepen kling zag er vlijmscherp en gevaarlijk uit.
Er werd geklopt. Gabriëla met twee puntjes kwam binnen met een dienblad. ‘Ik dacht dat jullie wel thee zouden willen.’
Waarom ze alle trappen op was gelopen in plaats van ons te roepen, wist ik niet.
‘Ik zet zelf wel thee,’ zei Michiel.
Zijn moeder aarzelde met het dienblad: ‘Zie dan maar wat je ermee doet.’ Ze zette het blad op het bureau en verliet de kamer weer, waarbij ze de deur net iets te hard achter zich dicht trok.
Het theezetten bleek geen sinecure. We moesten op een mat zitten, met in het midden een koperen keteltje met heet water. De groene, fijngemalen thee kwam uit een houten lakdoos en werd met een speciale porseleinen maatlepel in de kom gedaan. Met een soort kwastje van bamboe werd de thee vervolgens opgeklopt. Toen Michiel eindelijk gereed was met de bereiding van dit brouwsel, liet hij me zien hoe ik de kom met een buiging in ontvangst moest nemen en vervolgens met de klok mee rond moest draaien. Daarna dronk hij uit dezelfde kom. Hij legde uit dat het een vriendschapsceremonie was. Het maakte het wachten de moeite waard.
Hij werd steeds spraakzamer. ‘Wat probeer je eigenlijk precies te doen met die oude boeken van mijn moeder?’
Ik probeerde het uit te leggen. ‘Je moeder denkt dat er een verband bestaat tussen het onderwerp en het plot van Oudsaksische gedichten, en het ritme dat daarin wordt gebruikt. De achterliggende gedachte is dat wij door allerlei ritmen worden beheerst. De seizoenen, zon en maan, je hartslag…’
‘Ik kan mijn hartslag beheersen.’ Hij pakte mijn hand. ‘Voel maar.’
Ik voelde niets, behalve zijn harde, warme lichaam. Daarom legde ik mijn oor tegen zijn borst. Hij kon het echt. Ik luisterde naar zijn vertragende hartslag. Het was een beetje griezelig. We spraken niet. Mijn linkerhand lag op zijn rug en mijn rechterhand lichtjes op zijn dij, vlakbij zijn kruis. Hij rook lekker, bedwelmend lekker zelfs. Mijn hand gleed onder zijn shirt. Zijn huid voelde stroef aan, niet zo zacht en glad als die van een meisje. Het dunne vel lag strak over zijn magere spieren. Ik weet niet meer precies wie er begon of hoelang het duurde, maar opeens was ik zijn lippen aan het kussen, die nog bitter waren van de thee. Opeens dreigde mijn hele lichaam een zinderende erogene oorlogszone te worden.
De huistelefoon ging.
Michiel liet me los en pakte de hoorn op. ‘Ja? Is goed. Ik kom naar beneden.’ Hij legde de hoorn neer en keek me aan. Zijn pupillen waren vergroot. ‘Ik moet weg en jij moet gaan. Kom zaterdagochtend om elf uur.’
‘Sayounara,’ probeerde ik.
Hij keek me niet aan. ‘Matane. Fuku sui bon ni kaerazu. Omae no saigo da.’*

Die zaterdag stond ik weer voor de deur. Ik twijfelde overal aan, maar liefde had mijn verstand beneveld. Als dit liefde was, dan scheen dat op de een of andere manier alles te rechtvaardigen: dat hij jonger was, dat de wankele verhouding met zijn moeder naar de verkeerde kant kon doorslaan, dat mijn MA zo gevaar liep. Het deed er allemaal niet toe als ik hem nog eenmaal mocht aanraken.
Gabriëla leek niet blij me te zien, maar dat was misschien verbeelding. Ze leek nooit erg blij me te zien. ‘Michiel heeft me verteld dat je zou komen,’ zei ze terwijl ze me voorging naar de hal.
‘Ja, als u het geen probleem vindt.’
Ze gaf geen antwoord.
‘Hij is vaak alleen. Vindt u ook niet?’
‘Hij is nooit alleen.’
Wat bedoelde ze met die raadselachtige opmerking? Ik durfde het bijna te vragen, maar ze had haar sleutels al van het haltafeltje gegrist.
‘Ik heb een lezing.’ Ze liep de gang in en kort daarna hoorde ik de voordeur dichtvallen.
Het was weer stil. Alsof de drukke stad daarbuiten niet bestond. Ik liep de trappen op, zoals voorheen. Maar deze keer was alles anders. De deur van zijn kamer stond op een kier. Ik duwde hem verder open en stapte naar binnen. Niemand. Toen hoorde ik het geruis van de douche en zag ik zijn kleren op de stoel liggen.
Zenuwachtig en alleen om iets te doen te hebben tijdens het wachten, opende ik een zwarte tekenmap die op zijn bureau lag. Dat leek onschuldig genoeg. De tekeningen in de map waren echter niet onschuldig. Hoe moet ik het uitleggen? Laat ik zeggen dat de jonge demon Kintaro, behalve over uitzonderlijke krachten nog over andere kwaliteiten bleek te beschikken. Dit verhaal ging niet over een gevecht met boze demonen maar over een affaire met een man.
Met elke bladzijde die ik omsloeg, zag ik weer nieuwe erotische taferelen, tot in detail en vanuit elke mogelijke camerahoek in beeld gebracht. Ook in mijn wildste dromen had ik geen twee mensen in zulke omhelzingen gezien. Michiel had duidelijk meer kennis van dit soort zaken dan ikzelf. Het gezicht van de man bleef steeds net buiten beeld. Nieuwsgierig en ook opgewonden bleef ik de bladen omslaan. Ik hoorde de douche niet meer, maar ik was bijna klaar. Onderaan het op een na laatste blad, lag de man op zijn rug terwijl de jongen hem ontuchtig bereed. Ook zij waren zo te zien bijna klaar.
Achter me ging de deur open en ik draaide me om. De grap die ik wilde maken bevroor op mijn lippen. Hij was naakt. De zon scheen door de luxaflex naar binnen en streepte zijn tengere lichaam. Hij was volmaakt, zoals ik al had vermoed, maar hij was allerminst een kleine jongen. Hoe had ik dat ooit kunnen denken? Wilde hij dat ik naar hem keek? Natuurlijk wilde hij dat ik naar hem keek. Op zijn gezicht was niets van schaamte te lezen en ook geen onzekerheid meer, alleen een zekere geamuseerdheid. Vreemd.
Ik draaide me onhandig om, zodat hij de gelegenheid zou krijgen om zich aan te kleden en keerde terug naar zijn tekeningen, op mijn beurt verlegen. Blozend sloeg ik het blad om. Even begreep ik niet wat ik zag. De laatste tekening nam het hele vel papier in beslag. Opnieuw was daar de man. Hij keek de toeschouwer aan, maar zijn verkrampte gezicht hing ondersteboven over de rand van het bed. Er sprak zowel extase als doodsnood uit zijn gelaatsuitdrukking. De goudblonde jongen torende boven hem uit, nog steeds op zijn schoot gezeten. Hij had zijn katana juist met grote kracht in de borstkas gedreven en uit de wond spoot een onwaarschijnlijke fontein van rode inkt.
Geschokt keek ik naar Michiel. Hij had zich niet aangekleed. Hij stond achter me in een soort van rituele houding, de zilverglanzende stalen kling van de katana naast zijn oortje.
Toen ontblootte hij langzaam zijn scherpe witte tandjes en ik keek hem vragend aan, nog hopend dat hij slechts een bizarre grap met me uithaalde. Maar het was geen lachen wat hij deed. En nu zag ik – en dat kon niet – dat zijn ogen niet langer een helder, onschuldig blauw waren. Ze waren zwarte poelen, met daarin raderen van vuur.

*Tot later. Er is niets meer aan te doen. Je einde nadert.

Over de auteur:
Reinier Swartkens interesse voor SF en fantasy is, zoals bij veel mensen, begonnen met Tolkien. Nadat hij op zijn vijftiende
In de Ban van de Ring had gelezen, raakte hij verslingerd aan de bekende Meulenhoff-boekjes, waar hij toentertijd een grote verzameling van heeft opgebouwd. Hij heeft ze ook allemaal bewaard. Intussen is zijn belangstelling wel verder uitgedijd. Na een cursus creatief schrijven heeft hij meerdere verhalen geschreven, waarvan er vroeger een paar zijn gepubliceerd. Hij heeft Engelse taal- en letterkunde gestudeerd en werkt bij een vertaalbureau.

Over de illustrator:
Sjoerd de Boer:
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Voor mij is dit een van de meest iconische zinnen ooit, vaak gekoppeld aan het even iconische kinderboekkarakter Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Het is een basis voor zelfvertrouwen, een positieve instelling en het aangaan van uitdagingen. En als je er dan voor gaat, dan moet je in mijn ogen ook doorzetten! Maar wie ben ik? Ik heb door de jaren heen een rugzak vol kennis en ervaringen opgedaan als onder andere auteursbegeleider, vormgever, schrijver en projectredacteur. Nu is voor mij de tijd gekomen om mijn droom te volgen: via Van Verhaal Tot Boek wil ik andere schrijvers helpen om inspiratie, motivatie en verdieping te vinden en hun (schrijvers)dromen te realiseren. Maar bovenal ben ik positief, creatief, gedreven, enthousiast en oplossingsgericht als persoon. Dus als je als schrijver vastloopt of twijfelt aan jezelf, dan sta ik vanaf nu naast je: “Ik denk dat je het wel kunt.” Meer weten? Bezoek mijn website: www.vanverhaaltotboek.nl

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Reinier Swartken & Sjoerd de Boer

You cannot copy content of this page