web analytics
dinsdag, februari 27

Vertelling: Huisdieren – Guido Eekhaut

Door Guido Eekhaut

Boogschutter Nix is nooit alleen, en dus ook nu niet, vergezeld als hij gaat van een entourage bestaande uit schildknapen, drones, celebranten, amanuensis, slippendragers, geneesdames, pages en soldaten. Zelfs de eenzaamheid van de slaapkamer wordt hem nog maar zelden gegund, want daar glijden schaduwen van andere schaduwen tussen de gordijnen en tegen de zoldering, immer in beweging, immer fluisterend. Al zijn manifestaties zijn een publiek eigendom, slechts zijn gedachten een persoonlijk geheim. In zijn functie is dat onvermijdelijk: hij is eigendom van het Collectief.
Maar al die aanwezigheden geven slechts zijn isolement weer ten overstaan van de andere gezanten en andere diplomaten, die hij overigens steeds gemeden heeft.
‘Dergelijke avonturen passen niet bij uw rang en stand,’ zegt Minister Ren op een zachte en troostende toon, alsof hij de Boogschutter een dienst bewijst. Hij verwijst naar de expeditie waarvan Boogschutter Nix net terugkeerde. Primitieve volken en een primitieve planeet, het past niet bij het imago van iemand als de Boogschutter. Daar moet die, in de mening van de Minister, mee oppassen. ‘In het bijzonder wijst het Triumviraat dergelijke initiatieven af, hoewel zij er aan houdt u geluk te wensen in verband met de door u gedane ontdekkingen.’
‘Het goede werk dat ik probeer te doen, verdwijnt zonder een zucht na te laten in de Archieven, Minister,’ klaagt Boogschutter Nix, terwijl hij de beide manen boven hun hoofd in hun langzame tocht langs de nachtelijke hemel volgt. ‘Ik vraag me af of de Archieven ooit wel geschapen werden om door onze nazaten geraadpleegd te worden. Ging het er niet om kennis voor de eeuwigheid te bewaren? Was dat niet de bedoeling? Verbeter me. Want veeleer lijken ze op een bodemloze, duistere put waaruit nooit iets gerecupereerd wordt.’
De Minister draagt het schitterende violet van zijn ambt, dat in het schemer echter neigt naar een aanmatigend blauw. Hij heeft zijn haren in een hardnekkige kuif laten kammen. Daarmee imiteert hij doelbewust een oude Menselijke stijl, die plot en alleszins voor een korte tijd weer in de mode is.
We moeten oppassen om geen onnodige gevoelens te laten blijken, dat is wat Boogschutter Nix ervaren heeft. Het ging daarin mis bij onze biologische voorgangers. Die droomden, veeleer dan zinnige beslissingen te nemen. De Mensheid, collectief ten onder gegaan aan haar koortsige dromen.
‘Maar waarvoor u mij komt opzoeken, Minister?’
‘Ah,’ zegt Minister Ren. ‘Dat, ja. Een gevoelige zaak, eigenlijk. Een van de Kolonies, aan de rand van onze invloedssfeer, meldt ons dat er gewelddadige contacten zijn geweest met een fenomeen dat zij maar met moeite kunnen opschrijven, en waar we het eerder over hadden. U herinnert zich wel…’
‘Energie, was het dat niet? Een soort van levensvorm die alleen uit energie bestaat. En dus moeilijk waar te nemen.’
‘Ook vijandig, zoals we eerder al vaststelden, ja, Boogschutter. Zij verzoeken ons om hulp. De Kolonie. Na het nodige overleg zijn wij geneigd op dat verzoek in te gaan.’
‘De Kolonies willen altijd onze hulp, wanneer ze de zaken niet meer de baas kunnen. Bij andere gelegenheden negeren zij grandioos onze eigen verzoeken tot het betalen van belastingen. Wat willen zij concreet? Een marine-eenheid?’
‘We moeten de zaak ernstig nemen, Boogschutter,’ dringt Minister Ren aan. Zijn stem klinkt plots onaangenaam. ‘Ze zijn al zeven Planoschepen kwijtgeraakt aan de vijandige entiteit.’
Boogschutter Nix veinst verbazing om nieuws dat hij al kende. ‘Werkelijk? Dan lijkt het me inderdaad een zaak waar wij ons over moeten buigen. Hoogdringend zelfs. Misschien moeten we meerdere marine-eenheden sturen.’
‘Er is tegelijk ook een andere aanwezigheid nodig dan alleen maar een militaire, Boogschutter. Conventionele wapens vermogen misschien weinig tegen een dergelijke vijand, vrezen we.’
‘We bestrijden energie niet met energie?’
Minister Ren schudt het hoofd. ‘Het gaat om… wel, laat het ons psychische energie noemen. Intelligent, dat overigens ook.’
‘Ik ben in de war. Psychische energie. Wat bedoelt u daarmee?’
‘De zeven Planoschepen op zich liepen geen schade op, Boogschutter. Maar de bemanning en de passagiers wel.’
‘Ah?’
De Minister maakt een machteloos gebaar. ‘Een aantal stief onmiddellijk, hoewel ze geen fysieke afwijkingen vertoonden, en de anderen werden krankzinnig.’
‘Krankzinnig? Wat een vreemde term, iets uit de IJzeren Tijd, lijkt het me. Is dat een term die onder deze omstandigheden gepast is?’
‘Het is de enige waarmee de aandoening van de betrokkenen beschreven kan worden.’
‘De vijand beïnvloedt dus de geest van de inzittenden van de schepen, doodt hen of maakt hen gek?’
‘Zo kan het omschreven worden, Boogschutter,’ zegt Minister Ren. ‘En om die reden acht het Triumviraat uw aanwezigheid essentieel, daarginds, zodat dit probleem het hoofd geboden kan worden.’

Alister is een woestijnwereld, maar onder de grond zit het waardevolle spul. De beschaving heeft zich hier lang geleden al gevestigd, tijdens een van de grote expansiegolven. Dat heb je met lichamen die je onbeperkt kunt decanteren: je hebt er steeds méér, en die lichamen moeten dan ergens naartoe, omdat iedereen een autonoom individu wil zijn en dus het eigen leven wil gaan leiden. Dat stuwt een beschaving richting eindeloze expansie. Binnenkort de hele Melkweg.
De Fluisterende Autonomie — het schip waarin Boogschutter Nix en zijn uitgebreide gevolg reizen — ontvouwt zich op een halve lichtjaar van de planeet en reist de rest onder escorte van een plaatselijke flottielje. Zo beleefd en vooral voorzichtig zijn de lokale machthebbers wel. Ze buigen symbolisch het hoofd voor het Triumviraat, maar doen voor de rest hun zin. Nu plots hebben ze hulp nodig, de nood is groot, en ze buigen dus maar wat dieper het hoofd.
In een baan om Alister komt nog een schip de Fluisterende Autonomie tegemoet, met aan boord twee van die machthebbers, die vreemd genoeg President Brand en President Stein heten. Het lijkt net, overweegt Boogschutter Nix, een komisch duo. Maar wanneer hij hen ontvangt in de grote raadszaal van zijn schip zien ze er helemaal zo niet uit, hoewel ze uit eenzelfde vat gedecanteerd zouden kunnen zijn geweest. Beiden zijn ze klein van gestalte, gedrongen, en opzettelijk oud, alsof in dit deel van de beschaving leeftijd een ereteken is. Ze doen maar, denkt Boogschutter Nix. Ze dragen elk een ruime mantel over een eendelig gewaad van turkoois en oud geel, en een slappe hoek met een smalle rand op het hoofd.
De gebruikelijke plichtplegingen en het begin van een toespraak door de beide gezanten, waar hij kortaf een eind aan maakt door hen naar de huidige situatie te vragen.
‘We hebben enkele aanzienlijke verliezen geleden, Boogschutter,’ geeft President Brand toe. ‘Zelfs onze marine is niet in staat…’ en zo verder. Boogschutter Nix verveelt zich al meteen, de situatie is duidelijk, waarom is hij eigenlijk hier. De consensus in het Triumviraat is doorgaans: laat de Kolonies hun eigen boontjes doppen. Ze delen hun immer groeiende rijkdom niet en dus waarom zou iemand hen helpen.
Behalve dan dat het Triumviraat bezorgd is om de aard van de dreiging waarmee ze geconfronteerd worden. Een andere levensvorm, maar van een type dat nog nooit eerder werd waargenomen. Het Triumviraat kan best alle vormen van beschaving en bijna-beschaving aan, hebben ze in het verleden al bewezen, meestal niet zo’n probleem gezien de wetenschappelijke en technologische superioriteit. Doorgaans, bijna altijd, weten de nieuw ontdekte beschavingen hoe zich te gedragen wanneer militaire Planoschepen en andere interstellaire tuigen in hun sterstelsel opduiken.
Maar dit?
De dreiging kan echter niet zo groot zijn, niet zo dringend, want anders was dit stelsel al onder de voet gelopen. De verslagen zijn duidelijk: de vijandige entiteit bedreigt alleen ruimteschepen die tussen het duister bewegen en houdt zich voorlopig veraf van planeten en van zonnen. Dat heeft iets te betekenen, maar Boogschutter Nix weet niet wat. Maar wat voorlopig dus geen probleem is, kan het binnenkort wel zijn. Dan worden misschien hele werelden vernietigd, want de macht van dat wat daar tussen het duister schuilt, is een onbekende factor. Gaat het wel om een intelligente entiteit of is het een geheel nieuw natuurlijk verschijnsel? Nee, niemand schijnt die laatste stelling voor mogelijk te houden. President Stein maakt een gebaar met beiden armen, alsof hij de Vijand wil bezweren.
‘Alle informatie waarover wij beschikking, bevindt zich reeds in uw Archieven, Boogschutter. Wij erkennen in u een superieure intelligentie, die meer inzicht heeft dan wij in materie zoals deze. Wij leven hier te zeer geïsoleerd van de rest van de beschaving, en weten dus niet alles wat wij zouden willen weten. Hopelijk komt hierin verandering.’
Dwaas, dat is wat Boogschutter Nix denkt. Jullie hebben jezelf opzettelijk van het hart van de beschaving geïsoleerd, om de bekende redenen, en nu willen jullie een openheid die wij jullie moeten bieden. Daar zal over onderhandeld worden, maar niet nu.
Hij zegt: ‘Wij zullen de zaak van nabij bekijken.’
Op zijn gebaar begeleiden enkele secondanten en slippendragers de beide gezanten weer naar de luchtsluis. Hij heeft niet langer tijd voor hen.

‘Het is een Kat, eminentie,’ fluistert de Majordomo op een toon die ontzag maar tegelijk ook een zekere genegenheid verraadt. Hij is naast de beide presidenten de voornaamste vertegenwoordiger van de Kolonie en nu de contactpersoon van Boogschutter Nix. ‘Een biologische entiteit, een zoogdier en ooit door Mensen gehouden als huisdier, hoewel de relaties soms complexer waren wanneer ik de verhalen mag geloven.’
‘Complexer,’ zegt Boogschutter Nix. ‘In welke zin?’
‘Wel, de vraag was blijkbaar wie afhankelijk was van wie en wie er in zekere zin de autoriteit deed gelden in de relatie tussen Mensen en Katten. Dat is niet meer duidelijk te achterhalen, gezien de vaak tegenstrijdige verslagen in de Archieven. Maar een zekere emotionele en zelfs intelligente evenwaardigheid lijkt vaak gesuggereerd te worden.’
Boogschutter Nix kijkt naar het kleine, pluizige dier in de kooi. Met verontrustende ogen staart het terug naar hem, zijn ziel peilend. ‘Een Kat. En die heeft de val van de Mensheid overleefd? Als soort?’
‘Slaagde erin zich aan te passen en eerlijk gezegd voelen velen onder ons ook een soort van — hoe zeg ik dat — genegenheid ten overstaan van deze dieren.’
‘Moeilijk te geloven,’ knort Boogschutter Nix, die alleen maar een biologische entiteit ziet, waarmee hij geen emotionele band zou kunnen ontwikkelen. Zo vermoedt hij. Met een Kat?
‘En wat is het doel van dit dier?’
‘Telepathisch,’ zegt de Majordomo, die zijn zilveren hoofd opheft naar de Boogschutter toe. In dat hoofd wordt het dier weerspiegeld. ‘Ze zijn telepathisch.’
‘Met onze soort?’ De idee lijkt Boogschutter Nix een gruwel. Een telepathische biologische entiteit? Wat gaat de beschaving nog overkomen? Nachthonden en zo, dat is al erg genoeg en hun bestaan wordt gedoogd omdat ze tot enige vorm van spanning en onzekerheid bijdragen in de steden. Maar telepathische… Katten? Echte dieren dus?
‘Niet met ons, nee,’ stelt de Majordomo hem gerust. ‘Toch niet voor zover onze ervaring reikt. Met Mensen. Volgens de Archieven.’
‘Je ontdekt steeds nieuwe dingen over de Mensen,’ zegt Boogschutter Nix beschouwend. ‘Maar nu even terzake: waarom brengt u mij hier een Kat?’
‘Oh,’ zegt de Majordomo, ‘we hebben er een heleboel. Ze reizen voortdurend mee in onze schepen. Wist u dat niet?’
‘Nee,’ zegt Boogschutter Nix korzelig. Hij houdt er niet van dat hij onwetendheid moet toegeven. Dat doet zijn reputatie geen goed. Maar wat weet hij over de gewoontes in de Kolonies?
‘Wel, zo is de zaak dan. Gezelschap, voor de tijd doorgebracht tussen de sterren. Ze zijn erg aanhankelijk maar ook zelfstandig. Eigenlijk verrassen ze ons vaak met hun gedrag en hun voorkeuren.’
‘Hoe lang leven ze?’
‘Niet zo erg lang, maar ze kweken goed, en er is dus nooit tekort aan nieuwe exemplaren. We hebben zelfs een heel kweekprogramma, vandaar de grote verscheidenheid…’
‘Maar hebben ze verder ook een praktisch nut?’
‘We gebruiken ze als verkenners,’ zegt de Majordomo.
‘Verkenners?’
‘Nieuwe werelden. We hebben kleine drones waar telkens één Kat in past, zeer comfortabel, kunnen er twee weken in overleven indien nodig, en ze vinden de beperkte ruimte niet erg. We sturen hen in een nauwe baan om de nieuwe wereld, waar ze uitzoeken of er ter plekke intelligente wezens leven. Spaart ons volledige teams van complexe drones en Geesten en dergelijke, veel goedkoper en ook…’
‘Maar hoe communiceren ze dan met jullie?’
‘Oh, we hebben machines die hun taal kunnen omzetten.’
‘Ik wist niet…’ begint Boogschutter Nix. Maar dan denkt hij: als we talen van onbekende soorten na enige tijd kunnen analyseren en begrijpen, waarom dan niet die van Katten?
‘En omdat ze psychisch begaafd zijn,’ vervolgt de Majordomo, ‘kunnen ze nuttig zijn bij een confrontatie met die onbekende, eh, vijand.’
‘Dat meent u niet,’ zegt Boogschutter Nix. ‘Deze kleine…’
‘Oh, hun geringe afmetingen zeggen niets over de sterkte van hun wil, Boogschutter,’ zegt de Majordomo. ‘Daarom durven we hen elke gevaarlijke opdracht toevertrouwen.’
Katten. Boogschutter Nix vraagt zich opeens af of er ook nog andere diersoorten uit de IJzeren Tijd de tussenliggende millennia overleefd hebben. En hoe hebben die Katten dat klaargespeeld? En planten ze zich echt volgens oude biologische principes voort, of worden ze ook gewoon gedecanteerd?
Ach, het is zijn tijd niet waard.

‘We overwegen toch niet,’ pleit Minister Ren, ‘om zelf naar het duister tussen de sterren te reizen, lichtjaren hier vandaan en daar op zoek te gaan naar die sinistere…’ Ze praten met elkaar over de lichtjaren heen.
‘Misschien wel,’ zegt Boogschutter Nix.
‘…entiteit die al zoveel schade heeft veroorzaakt? Want dat zou indien niet gevaarlijk toch wel contraproductief zijn, omdat we reeds gebruik kunnen maken van de kennis die door de Planoschepen is opgedaan…’
‘Diegene die het overleefden,’ zegt de Boogschutter. ‘Een aantal verdween gewoon. En de schepen die de aanval overleefden, brachten dode en krankzinnige bemanning mee terug.’
‘Een lot dat ons ook kan overkomen, zolang we niet weten welke vorm van bescherming effectief is tegen deze…’
Boogschutter Nix staart naar buiten, waar alleen de planeet te zien is.
‘…ongekende en misschien onkenbare vijand. Is het een vijand? Is het ons vijandig gezind? Zijn de voorvallen misschien een onfortuinlijk bijproduct van een poging vanwege die onbekende entiteit om te communiceren met de bemanning van die schepen? Waarbij te veel energie, of de verkeerde soort, gebruikt werd, zodat het brein van al die ongelukkige lieden…’
‘Jaja,’ onderbreekt Boogschutter Nix de Minister. ‘We weten het nu al wel. We weten nu dat we niets weten. Al die data geven alleen maar weer dat er ontzettende hoeveelheden van de meest uiteenlopende energie gebruikt werd, maar dat vooral een mentale energie verantwoordelijk was voor…’
‘Kortsluiting van het brein.’
‘Wanneer geconfronteerd met het onbekende, moeten we geheel nieuwe manieren van analyse en van onderzoek in het leven roepen.’
‘Daarmee ben ik het eens, Boogschutter.’
Maar, denkt Boogschutter Nix, jij hebt er evenmin een idee van wat dat wil zeggen, of welke nieuwe technieken we moeten ontwikkelen. En jij bent niet hier, maar veilig ginder.

© Sjoerd de Boer

De Fluisterende Autonomie begeeft zich, vergezeld van vier escorteschepen ter beschikking gesteld door de presidenten Brand en Stein, naar de diepte, waar het licht van geen enkele ster schijnt. Boogschutter Nix heeft bevel gegeven enkele tientallen van de Katachtigen met hun drones in het ruim van het schip onder te brengen, ter observatie en misschien omdat hij van hen denkt gebruik te maken. Ze gaan vergezeld van verzorgers en fluisteraars, en van de Majordomo. Die is niet opgetogen over deze gang van zaken, vreest dat de Katten de verhuis en de nieuwe omgeving niet gunstig gezind zullen zijn, maar kan niet anders dan het bevel van Boogschutter Nix te gehoorzamen.
Het flottielje doet er een beperkte hoeveelheid tijd over om buiten het bereik van nabije zonnen te komen, daar waar het duister intenser is en waar korte tijd geleden (tijd is rekbaar) enkele schepen hun macabere lot ondergingen.
Boogschutter Nix brengt nu bijna al zijn tijd door in de controleruimte van het schip, waar hij de meesten van zijn schildknapen, massagedames, scribenten, archivarissen en andere aanhang de toegang verbiedt. Ze mokken, ze zuchten, ontdaan van zijn onmiddellijke aandacht en nabijheid, maar hebben per slot van rekening geen zeg in zijn beslissing.
Misschien moet hij drones laten bouwen waarin zij uitgestuurd kunnen worden, als verkenners, in plaats van die Katten. Misschien kan hij daarmee dreigen. Hij zou hun reacties willen zien op zo’n beslissing.
Zijn nieuwsgierigheid is evenwel geprikkeld door de Katten, die enigmatische wezens waarover hij nooit hoorde. Waarom dat manco in zijn kennis? Is die kennis dan niet volledig en totaal? Nee, dat is ze niet, zoals eerder al is gebleken. De beschaving is zo uitgestrekt en divers, en ontwikkelt zich zo snel en op vele bijna onbereikbare plekken, dat totale kennis al lang een illusie is, ook en in de eerste plaats wel voor de leden van het Triumviraat. Hoe zij dan kunnen regeren? Wel, dat doen ze grotendeels door volmachten, door het uitbesteden van de meeste bestuurlijke activiteiten en door het vermijden van micromanagement. Ze behouden het overzicht of in de meeste gevallen de illusie van het overzicht.
Maar nu de Katachtigen. Welaan, denkt Boogschutter Nix, laat ik daarmee kennismaken. Hij vraagt de Majordomo een vertegenwoordiger van de soort bij hem te brengen, liefst de meest communicatieve, en voor vertaling te zorgen. ‘Vertegenwoordiger?’ reageert de Majordomo. ‘Ze hebben geen vertegenwoordiger. Ze zijn allemaal erg en expliciet individualist. Maar goed, ik zoek er een exemplaar uit, in mijn opinie de meest spraakvaardige en presenteer die.’
‘Uitstekend,’ moedigt Boogschutter Nix de Majordomo aan. ‘Zover zijn we dan toch al.’ Wat een ontmoeting zal dat worden — zijn eerste kennismaking met wat voor hem een Ander Ras is, ook al zijn Katten sinds de heugenis van de beschaving en van de Mensheid ingeburgerd.
De Kat die de Majordomo meebrengt zit in een grote kooi die aangenaam en comfortabel ingericht is, maar het is niettemin een kooi. De Majordomo zei eerder al dat het geen goed idee zou zijn de Katachtigen vrije loop te geven aan boord van het schip. Nieuwsgierigheid zou het makkelijk winnen van gehoorzaamheid, zei hij, en dus zou een deel van die bevolking verloren gaan. Te veel plekken waar zulke handige dieren zich kunnen verschuilen en hun zin doen.
In kooien dus.
‘Het is een vrouwtje,’ zegt de Majordomo. Hij aarzelt, de kooi staat nu in het midden van de kamer. De Kat is niet schuw, maar zit op de achterpoten en kijkt de beide anderen zorgvuldig aan.
‘Laat ons,’ zegt Boogschutter Nix.
Alleen, beschouwen de twee wezens elkaar. De Kat lijkt niet van plan het gesprek — of wat het ook zal zijn — te openen. ‘Ik ben Boogschutter Nix, en ik ben ook de leider van deze expeditie,’ zegt Nix in zijn meest Aangename Stem.
De Kat maakt een vreemd geluid, niet onaangenaam in de oren van Nix, maar vreemd niettemin. ‘Ik ben Prim,’ klinkt de vertaling en de Kat kijkt niet eens verbaasd. ‘Ik ben een Verkenner. Waarom ben ik hier?’
‘Om te praten. Ik wil jullie beter leren kennen. Jij, je soort. Jullie zijn mij helemaal onbekend.’
‘Mmm,’ observeert Prim. ‘Vroeger waren er Mensen, die ons goed kenden. Nu zijn jullie er. Wij passen ons aan. Maar jullie doen die moeite niet.’
‘Heb je klachten over je behandeling, Prim? In dat geval kan ik maatregelen nemen. Betere kooien, ander voedsel, meer beweging? Of scheelt er iets aan de drones?’
‘Mmm, lang geleden Mensen, we hebben alleen nog maar onze verhalen, tienduizenden Sol-jaren? Langer?’
‘Ik weet niets van Sol-jaren, vrees ik,’ zegt Boogschutter Nix. ‘Behalve dan wat de Archieven ons daarover vertellen. Maar lang geleden, dat alleszins.’
‘Komen de Mensen terug?’
‘Nee,’ zegt Boogschutter Nix. Tenzij, denkt hij, ik mij opnieuw laat verleiden tot een gedoemd experiment.
Prim lijkt daarover te willen nadenken. Het pluizige kopje heeft geen voor Nix leesbare uitdrukking. Maar de pupillen veranderen voortdurend van grootte.
‘Zijn jullie tevreden met de rol die jullie spelen in deze, eh, beschaving?’
‘Mhum, we spelen de rol die wij verkiezen te spelen en kennen de gevaren. Deze missie: een aantal van ons zal niet terugkeren. We hebben negen levens.’
‘Oh,’ zegt Boogschutter Nix, ‘jullie hebben negen levens? Kunnen jullie negen keer gedecanteerd worden? Ik dacht begrepen te hebben dat jullie biologische wezens zijn en dus…’
‘Het is een mythe,’ zegt Prim. ‘We hebben geen negen levens. We leven één keer, zoals de Mensen voorheen en dan zijn we dood.’
Een heikel onderwerp voor eender welk biologisch wezen, dat is wat Boogschutter Nix weet. Dood. Het lot van ieder die niet meer gedecanteerd kan worden. Soms zijn er geen oplossingen, zelfs niet binnen het Collectief. Dan gaat een intelligentie verloren.
‘Ook dan,’ zegt hij, ‘willen jullie dat ene leven offeren voor… de beschaving van jullie, eh, meesters.’
‘Geen meesters.’
‘Nee, met excuses. Ik hoorde dat jullie, eh, geen meesters hebben.’
‘Het is ingewikkeld,’ zegt Prim.
Boogschutter Nix vraagt zich af hoeveel er verloren gaat door de vertaling. En wat er in dat kleine kopje omgaat.
‘Jullie zijn machines,’ zegt Prim.
Boogschutter Nix schrikt daarvan op. ‘Wel,’ zegt hij, ‘zo zullen wijzelf het niet stellen…’
‘Machines,’ dringt Prim aan. ‘Mensen waren er ooit en zij waren zoals wij, dieren met intelligentie, slimmer dan wij, in sommige opzichten toch. Maar jullie zijn de machines die door de Mensen geschapen werden en die de Mensen opvolgden.’
‘Dat is in zeker zin waar, maar eigenlijk zijn wij de verdere evolutie van de Mensen,’ zegt Boogschutter Nix. Nu moet hij oppassen. Sommige dingen die Prim impliceert zijn een soort van ketterij en komen beter niet aan de oren van de andere leden van het Triumviraat. Die woorden verlaten zelfs beter niet deze ruimte.
‘Het is complex,’ zegt hij. ‘Dit ruimteschip is een machine. Het brein dat het bestuurt, is een machine. De drone die jij gebruikt, is ook een machine. Wij zijn iets anders.’
‘Zoals je zelf wilt,’ zegt Prim. De vertaling geeft het niet weer, maar het klinkt geïrriteerd.
De ware verhouding van Mensen en Katten is Boogschutter Nix nog steeds een raadsel. Maar hij heeft vermoedens. ‘Waren jullie ooit huisdieren?’ Want die term kent hij. Er zijn geen huisdieren meer, dat niet, maar in de diepe geschiedenis van de Mensheid hebben ze een plaats gekregen.
‘Het is niet zo eenvoudig als dat,’ zegt Prim.
Boogschutter Nix beseft dat dit gesprek eigenlijk nergens meer naartoe gaat. Geen huisdieren, of wel — het maakt niet uit. De Katachtigen hebben nu hier een specifieke functie, precies geschikt voor hen. Die functie vereist trouw tegenover hun meesters. Tegenover de beschaving, het Collectief.
Tegenover ons, denkt hij. Die geen Mensen zijn.

Menige tijd gaat opnieuw voorbij en de groep schepen vordert nu traag, hoewel de lichtjaren nog steeds voorbij vlieden. Maar trager dan onder normale omstandigheden. Pas na verloop van tijd vangen sensoren een anomalie op in de tijdruimte voorbij de boeg, waar er niets verondersteld wordt te zijn. De leegte is echter niet léég. Boogschutter Nix weet dat nu alles op het spel staat en dat hij de schepen maar ook de bemanning riskeert.
‘De Katten,’ suggereert hij. De Majordomo knikt alwetend. ‘We kunnen niet anders.’
‘Zoals u wilt, Boogschutter,’ zegt de Majordomo. ‘Wij zullen hen voorbereiden. Maar ik sta erop dat de drones voorzien worden van thermonucleaire wapens, lasers, plasma…’
‘Jaja, al wat maar mogelijk is,’ zegt Boogschutter Nix, die zich om dergelijke details niet wil bekommeren.
Hij houdt zich met strategie bezig, niet met de details.
De voorbereidingen nemen zo goed als geen tijd in beslag en na afloop ervan cirkelen tientallen kleine drones, elk met hun kleine intelligente piloot, rondom het schip. Ze zien er nietig uit, maar ze zijn snel en wendbaar.
Wat zeker ten overstaan van een onbekende vijand een voordeel kan zijn.
‘Voorwaarts!’ beveelt Boogschutter Nix.
De officieren in de controlekamer observeren het vorderen van de miniatuurvloot. De Katten melden hun vooruitgang, verspreid over een front zo breed als een halve lichtjaar. Soms vallen ze terug in de normale ruimte, meestal bevinden ze zich in een extra dimensie.
Op de beeldschermen zijn het slechts puntjes, met een symbool erbij. Op andere schermen worden hun vitale levenstekens en die van hun drones weergegeven.
De eerste contacten worden gemeld: enkele van de drones lichten op door het vuur van een vooralsnog onzichtbare tegenstrever en maken meteen gebruik van hun boordwapens. De andere vervoegen hen terstond. Van op afstand kan de bemanning van het flottielje de gang van zaken volgen, echter uitsluitend op de beeldschermen, want de fysieke afstand is te groot voor rechtstreekse observatie.
Over de diepteradio komt het gekrijs van de Katten, die op deze manier hun strijdliederen aanheffen. Ze lijken niet aangedaan door enig psychisch wapen door de vijand gebruikt. Dappere kleine lieden, denkt Boogschutter Nix. Waarom hoorde hij nooit eerder over hen? Wat een gemis. Wat een lacune in zijn kennis.
Tot zijn ontzetting verdwijnen enkele van de lichtpuntjes van de schermen. De vitale signalen vallen meteen naar nul. En hier gaat het niet om machines, maar om biologische wezens. Hij voelt een vreemde, onverwachte pijn in zijn geest.
Maar het flottielje zelf is ook niet vrij van gevaar: oplichtende bundels plasma bewegen zich met bijna-lichtsnelheid naar hen toe, worden door energieschermen afgeleid, maar tegelijk wordt hun oorsprong nagegaan. In die richting vuren nu de magnetische kanonnen en de torpedo’s, waarvan de trefzekerheid al meermalen bewezen werd. Verderop, in de donkere diepte, lichten korte bundels fel blauw licht op, treffers weergevend. Wat er echter getroffen wordt, kan de bemanning niet nagaan. Maar ze blijven de diverse wapens gebruiken.
In de centrale stuurkamer van het schip, waar Boogschutter Nix en het commando van het flottielje zich hebben verzameld, worden de gebeurtenissen zenuwachtig op de voet gevolgd. Omdat de vijand onbekend is en dus onbekende middelen bezit, lopen ze het risico zelf vernietigd te worden, ondanks de energieschermen. Maar voorlopig houden die het tegen de aanvallen.
De symbolen op de beeldschermen worden spaarzamer: de een na de andere drone wordt vernietigd, en het strijdlied van de Katten klinkt nu minder luid. Toch zijn er nog genoeg overlevenden. Terwijl het flottielje met alle wapens in de vermoedelijke richting van de vijand blijft schieten, en er daar immense explosies ontstaan, zwermen de drones uit in brede waaierbewegingen, soms terugvallende in andere dimensies om alzo te ontsnappen aan de observatie van de vijand, of zo hopen ze.
Maar toch worden de aantallen van de Kat-drones uitgedund.
De gezamenlijke inspanningen van de drones en van de artillerie vanaf de schepen lijkt nu evenwel de verdediging van de onbekende entiteiten te hebben doorbroken. Vanuit de diepte komen minder schoten, er zijn minder en minder energierijke plasmabundels. Uiteindelijk stopt alle activiteit en ook het flottielje schiet niet meer. De Katten zwermen rond en worden niet meer beschoten, net zomin als de schepen.
Een overwinning, meent Boogschutter Nix, al is het onduidelijk op welke manier dit een overwinning mag genoemd worden.
En wie er werd overwonnen.
Of weggejaagd.
Voorlopig.
Maar er heerst algehele opluchting, al er is ook voorzichtigheid, want vijanden kunnen ergens in extra dimensies op de loer liggen, wachtend op een moment van onachtzaamheid.
Uiteindelijk, na een zorgvuldige periode, laat Boogschutter Nix de drones terugkeren.

De Katten komen in hun drones weer naar de Fluisterende Autonomie toe, waar ze opgevangen worden door hun verzorgers en fluisteraars. Een rapport, aan Boogschutter Nix bezorgd, spreekt van mening beschadigd psyche. Bijna de helft van de verkenners is overigens verloren gegaan. Misschien dwalen sommige daarvan voor altijd rond in het duister voorbij de sterren, niet levend maar ook niet dood.
Het flottielje keert terug naar Alister, vanwaar uitgebreide rapporten naar het Triumviraat gaan. Maar het hele voorval blijft verontrustend. Er is een andere beschaving, die duidelijk het licht van de sterren schuwt en waarover niets bekend is. Maar die beschaving is vijandig, of alleszins agressief. Het Triumviraat doet er best aan een strategie op te stellen die met de ergste opties rekening houdt. Wat voor strategie dat is, is niet het probleem van Boogschutter Nix.
In zijn eigen rapport vermeldt hij de dappere Katten en hun cruciale rol in het conflict. Hij zal aanbevelen dat de hele beschaving hen leert kennen en dat er programma’s opgestart worden om hun geschiktheid voor deelname aan de beschaving te onderzoeken. Op die manier, meent hij, komt er toch iets goeds uit deze hele affaire.
Persoonlijk wil hij best een van die dieren adopteren. Waarom Prim niet? Hij zal de risee worden van zijn gelijken, en hij zal zijn hele gevolg moeten waarschuwen dat het dier een bijzondere status heeft — maar dat is niet ondoenbaar. Een Kat in zijn vertrekken, wie weet: het wordt misschien een nieuwe trend.

 

Over de auteur:
Guido Eekhaut publiceerde ruim vijftig boeken en meer dan dubbel zoveel verhalen in allerlei genres (misdaad, weird, speculatieve fictie, fantasy). Hij kreeg in 2009 de Hercule Poirot prijs voor ‘Absint’ en werd twee keer genomineerd voor de Gouden Strop. Zijn boeken en verhalen verschenen ook in vertaling, voornamelijk in het Engels, Duits, Spaans en Pools.

Over de illustrator:
Sjoerd de Boer:
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Voor mij is dit een van de meest iconische zinnen ooit, vaak gekoppeld aan het even iconische kinderboekkarakter Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Het is een basis voor zelfvertrouwen, een positieve instelling en het aangaan van uitdagingen. En als je er dan voor gaat, dan moet je in mijn ogen ook doorzetten! Maar wie ben ik? Ik heb door de jaren heen een rugzak vol kennis en ervaringen opgedaan als onder andere auteursbegeleider, vormgever, schrijver en projectredacteur en nu ook als illustrator. Meer weten? Bezoek mijn website: www.vanverhaaltotboek.nl

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Guido Eekhaut & Sjoerd de Boer

You cannot copy content of this page