web analytics
vrijdag, april 19

Vertelling: Dubbele getallen – Heleen van den Hooven – deel 1

Door Heleen van den Hooven

In de verte staat het verkeerslicht op groen. De rij wachtende fietsers komt langzaam in beweging. Ik trap me rot om het te halen. De fietsketting kraakt, het achterspatbord ratelt en ergens loopt de fietstas aan. Het licht knipt net op rood als ik voorbij sjees. Aan de overkant dender ik de stoep op. Ik kwak mijn fiets in het fietsenrek en vis mijn vioolkoffer uit de fietstas. Pff, man wat heb ik het warm. Op de eerste repetitie van het nieuwe jaar kan ik niet te laat komen. Snel door.
Driftig klikken mijn hakken over de tegels en mijn vioolkoffer klapt op en neer tegen mijn schouder. Al lopende knoop ik mijn lammycoat open en wikkel ik mijn sjaal alvast los. Het rood van mijn jurk zwiert rond mijn benen. In een flits zie ik voor me hoe ik ooit, in de verre toekomst, mijn opwachting maak in het Palau de les Arts in Valencia. Applaus klinkt oorverdovend, nog voor ik ook maar één noot heb gespeeld. Het publiek luistert ademloos terwijl ik de sterren van de hemel speel. Alle grenzen vervagen, iedereen is verbonden in de universele taal van muziek. Mijn ouders en tante Suus zouden trots zijn.
‘Fake it till you make it, Saar,’ zei Suus altijd. Vluchtig kijk ik op mijn horloge: 17:17.
Een teken. Ze is er. Ha, kom je luisteren, Suus? Gezellig dat je er bent. Sinds Suus’ dood praat ze met me in dubbele getallen. Het past bij haar gevleugelde uitspraak: ‘Op één been kan je niet lopen.’
Natuurlijk, niets is met zekerheid te zeggen. Wat ik geloof is mijn zaak en mijn waarheid. En als het niet waar is, biedt het idee van haar aanwezigheid toch troost en verdrijft het de eenzaamheid, waar ik soms – in sporadisch zwarte buien – aan ten onder dreig te gaan.
De deur naar de concertzaal kraakt open. Niet de grandeur waarvan ik droom: vochtplekken in de hoeken van het plafond, vaalrode gordijnen en vergeelde muren. Straks, met mijn viool in handen, verbeeld ik me gewoon dat ik in de Royal Albert Hall in Londen sta, of in of in het Sydney Opera House. De verwachtingsvolle spanning voor een repetitie is hetzelfde: een zoemende stemvork, geroezemoes, geschuif van stoelen en muziekstandaards. Daartussendoor verlate nieuwjaarswensen. Gelukkig, ze zijn nog niet begonnen.
Stefan, de cellist naast me, knipoogt. Hij is een schatje.
‘Grandioze entree, Saar. Geweldige jurk en gelukkig nieuwjaar nog.’ Hij trekt me naar zich toe en kust me op beide wangen.
‘Oh, bedankt en jij natuurlijk ook nog de beste wensen.’ Glimlachend plof ik neer op de stoel naast hem en klap mijn vioolkoffer open. Daar ligt ze, mijn muze. Het hout van de klankkast glanst me tegemoet, de ranke hals van ebbenhout strekt zich verleidelijk uit over het rode fluweel, de snaren staan strak gespannen en de krul aan het einde hangt achterover geworpen als het smachtende hoofd van een minnaar of minnares, wachtend op het spel dat komen gaat. Een spel dat begint met trage, lange lijnen van de strijkstok. Tergend lust opwekkend; opbouwen, opbouwen tot de climax en dan alles loslaten. Muziek is passie en goed spelen is als de liefde bedrijven; geduldig, met aandacht, speels, stout, onverwachts.
Eerst mijn viool stemmen.
Bernard, onze dirigent, zwaait driftig met zijn baton. De slippen van zijn jas golven mee. Voelt hij ook dat er wat in de lucht hangt? Al is het droog oefenen, hij gaat compleet op in de zwarte lijnen op zijn papier, die hem naar andere werelden voeren. Alles of niets. Zijn gezicht glimt van het zweet en dat terwijl de lampen aan de rand van het podium uit zijn. Er is geen publiek te bekennen, en wij, zijn orkestleden, hebben nog maar net onze instrumenten uit de koffers gehaald. Dit kan nog wel eens een opzwepende repetitie worden. Alhoewel, hij kijkt wel erg wanhopig.
Bernard kijkt op en tikt met zijn baton op de muziekstandaard voor hem. Het wordt muisstil. Traag komen zijn armen weer in beweging, alsof hij houvast nodig heeft en zichzelf dirigeert. Hij schraapt zijn keel.
‘Het spijt mij jullie illusie in een ontwikkeld, liberaal, cultuurminnend land te wonen door te moeten prikken. Financiële rijkdom is nooit een garantie voor smaak geweest.’
Zijn stem hapert. De orkestleden die nog stonden, zijn gaan zitten. Het klamme zweet staat in mijn handen, een rilling loopt langs mijn rug. Waar gaat dit over? Het klinkt niet goed.
‘Met één gouden handdruk zouden wij met het hele orkest weer jaren vooruit kunnen. Maar nee, de hoge heren heeft het behaagd onze subsidie voor dit nieuwe jaar in zijn geheel stop te zetten. Per direct.’
Nee!
‘Ik heb het jullie eerder gezegd: leer als kunstenaar leven van lucht, claim je ruimte en blijf jezelf ontwikkelen. Dat is ware rijkdom. Het staat garant voor een interessant en intens leven. Makkelijk zal het niet zijn en dat is precies de bedoeling, want gemakzucht heeft de mens nog nooit gediend. Eigenlijk kan ik kort zijn. Dit is het einde van ons orkest. Het was me een waar genoegen met jullie te werken. Het ga jullie allen goed.’ Met een zwierige buiging neemt hij afscheid en verlaat met opgeheven hoofd de bühne, ons in verbijstering achterlatend. Aan gevoel voor drama heeft het hem nooit ontbroken. De deur slaat met een knal achter hem dicht.
De doodsklap hult ons in een imploderende stilte. Ik kan alleen maar denken aan die derde symfonie van Mahler waar we met zijn allen zo hard op gezwoegd hebben. De natuursymfonie die een hele wereld behelst. Zo positief, een nieuw begin om me na alle ellende van de afgelopen jaren aan vast te klampen. Tijdens het spelen voelde ik me als de Griekse god Pan, de god van de wilde natuur, de faun met bokkenpoten en hoorns, die ontwaakte in het bos.
Om me heen verbreken de eerste verbaasde stemmen van de orkestleden voorzichtig het geluidloze vacuüm, een opmaat naar woede:
‘Geen derde symfonie van Mahler?’
Pan zal nooit meer wakker worden.
‘Dit kan toch niet waar zijn.’
De zomer zal niet komen.
‘Geen subsidie? En we zijn al halverwege.’
Geen bloemen die me zachtjes toefluisteren.
‘Gaat ons optreden dan ook niet door?’
De dieren in het bos houden zich stil.
‘Hebben we dan al die maanden voor niets dit stuk ingestudeerd?’
Niemand zal me nog iets vertellen, geen engelen, geen liefde.
‘Praktisch plannen is ook nooit hun sterkste punt geweest, stelletje klootzakken.’
Na de climax geen ontspanning, maar ongeloof. Verdoving. Dit is erger dan onbeantwoorde liefde. Dit is een poging nieuw leven in de kiem te smoren. Radeloosheid ligt op de loer. Acceptatie is nog ver te zoeken. Ontkenning.

Ik ken dit te goed; de eerste fase van rouw. Eerst mijn ouders, toen Suus.
Mijn ouders waren op de verkeerde plek op de verkeerde tijd. Hevige regenbuien, een rivier die sneller steeg dan verwacht, midden in de nacht. Nietsvermoedend slapend in hun tentje hadden ze geen schijn van kans. Het was de zomervakantie dat ik voor het eerst met vriendinnen op Interrail ging. Het begon vrij en vreugdevol, zoals je dat alle jonge mensen toewenst. We wilden los zijn van alles en hadden elkaar uitgedaagd om onze mobieltjes thuis te laten. De pistachekleurige polaroidcamera zou onze herinneringen vastleggen.
Het bericht bereikte me te laat. Mijn vader was al gecremeerd en mijn moeder lag in coma. Muziek hielp me door die onsamenhangende periode heen. Ontheemd, verloren en eenzaam als ik was, gaven de noten me houvast. Tranen bleven over mijn wangen stromen bij Rachmaninovs Symfonic Dances. Ingeleid door de saxofoon, de klarinet en de dwarsfluit dreef ik met mijn viool helemaal mee op de melancholische stroom. Alleen als ik muziek speelde, voelde ik me vrij en kon ik alles toelaten. Op die momenten voelde ik mijn vaders nabijheid.
De hoop dat ik mijn moeder met mijn wil weer tot leven kon wekken, was tevergeefs. Ik huilde in haar slappe armen, speelde voor haar, smeekte en één keer sloeg ik haar zelfs. Haar wang werd rood, dat was de enige reactie. Tante Suus zat ver weg, maar door haar mailtjes was ze toch dichtbij. Ze mailde vaak en haar woorden waren altijd raak. Pas toen ik besloot mijn moeder los te laten en het haar vergaf, vond ik rust en mijn moeder ook. Nog geen week later overleed ze. Het blijft een gat, muziek houdt me op de been… of is het nu hield me op de been?
Niet weer deze cyclus. Suus, alsjeblieft, help me. Mijn vingertoppen branden. Zo hard gezwoegd op de nieuwe vingergrepen, omdat ik na een misser niet van plan was Bernards scherpe blik nog een keer te ondergaan. Is alles voor niets geweest? Het schamele loon van een tweede violiste was niet veel, maar genoeg om mijn huur op tijd te betalen. Moet ik dan als zoveel artiesten, schrijvers en kunstenaars een bijbaantje nemen: vakkenvullen of achter de kassa in de supermarkt, bedienen in de horeca? Nee, dat weiger ik. Ik heb mijn tijd nodig om nieuwe stukken in te studeren. Ik ga me niet aanpassen aan een maatschappij die te dom is om het te begrijpen. Waarom ben ik in een land geboren waar geld de hoogste god is? Waarom niet in Afrika, waar muziek en dans de verbindende factoren zijn? Waarom niet in Argentinië, waar passie in de tango geleefd wordt? Waarom niet…? Frankrijk desnoods, waar de taal alleen al meer poëzie in zich draagt. Arme tante Suus. Ineens begrijp ik haar zo goed.

Het geschuif van stoelen over het podium haalt me uit mijn gedachten. Niemand spreekt. Instrumentenkoffers klappen open en weer dicht, muziekbladen dwarrelen op de grond. Er klinkt ingehouden gesnik. Ook ik slik een brok in mijn keel weg. Laat het niet toe. Houd het buiten. Wees sterk. Er komen andere mogelijkheden. Schichtig kijk ik om me heen, lik mijn lippen en knik begripvol naar Stefan. Die opent zijn armen en voordat ik het besef verberg ik mijn gezicht in het donker van zijn zwarte overhemd. Hij ruikt naar zweet, vermengd met een goedkoop luchtje, maar zijn lengte is perfect. Het voelt goed om mijn hoofd tegen iemands schouder te leggen. Hij kust mijn voorhoofd, zijn lippen voelen warm en gemeend. Mijn keel is dik. Ik durf niet. Iedereen die ik liefheb, gaat dood. Zijn ogen spreken liefde. Er zal geen liefde meer zijn.
‘Saar, bel me. Als je me nodig hebt, ben ik er voor je.’
Ik zucht en maak me van hem los. Om me heen voltrekt zich het drama. Tranen, knuffels, ingehouden woede, teleurstelling, verslagenheid, afscheid. Geen plek voor mij. Wegwezen.
‘In beweging komen. Als alles stagneert, is dat het beste wat je kunt doen,’ klinken Suus’ woorden in mijn hoofd. ‘De realiteit is meestal lastig te accepteren, daarom verliezen mensen zich graag in verhalen, muziek, poëzie, kunst, dans. Een echte romanticus is liever niet waar die is. Droom jezelf naar een andere dimensie, Sarah. Je verbeelding is krachtiger dan je vermoedt.’
Ook nu weer kippenvel. Er zat altijd ernst in haar uitspraken en de blik in haar ogen kon werkelijk nieuwe bronnen aanboren. Waarom moest ook zij nog doodgaan? 20-02-2020. Een datum met dubbele getallen en een dikke rouwrand. Eenzijdig auto-ongeluk. Op slag dood. Frontaal tegen de pijler van een brug opgereden.
Mijn vioolkoffer ligt open voor me. Hoe onbevredigend om mijn viool gestemd te hebben zonder haar te gaan bespelen, maar ik heb hier niets meer te zoeken. ‘Sorry,’ fluister ik mijn muze toe. ‘Misschien kan ik vanavond nog wat op je riedelen.’
De viool voegt zich zonder tegen te sputteren op de rode bekleding van de koffer. De klap waarmee het deksel zich sluit, galmt door de concertzaal. Ik grijp het handvat en gris mijn bladmuziek van de standaard. Ineens heb ik haast. Weg, weg hier. Deze toekomst bleek een luchtbel. Driftig klikken mijn hakken terug de gang door.

Buiten is het koud, donker en de wind waait mijn sjaal in mijn gezicht. Ik prop hem in de kraag van mijn jas. Mijn fiets moet ergens tussen de andere fietsen staan. Hè, ik had hem daar toch gezet? Ben ik in mijn haast vergeten hem op slot te zetten? Diep in mijn zakken vind ik geen sleuteltje. Speurend loop ik de fietsen langs. Nee, de mijne staat er niet bij. Vergeet ik één keer mijn fiets op slot te zetten, komt er meteen iemand langs die hem meeneemt. Ook dat nog. Dubbel pech. Dat wordt lopen.
Achteloos zwaai ik de vioolkoffer op mijn rug. De strijkstok klettert op de grond, de viool erachteraan. Nee! Het kermt dwars door mijn hart, twee valse noten achter elkaar. Als in trance draai ik me om. Daar ligt ze… op straat voor me… als een dode zwaan… de hals geknakt. ‘Nee! Nee!’ Mijn overslaande stem voegt schrille tonen toe aan het ruisen van de wind. Dit kan niet, een viool breekt niet zo makkelijk. Zeg dat het niet waar is! Mijn hart klopt in mijn keel, mijn wangen worden warm. Wat is dat nu ineens allemaal? Ben ik echt vergeten de koffer te sluiten? Ik ben juist zo zuinig op mijn viool. Hoe kan dit mij nou overkomen? Dat verzin je toch niet? Ik buig door mijn knieën en raap mijn viool teder van de straat.
‘Ach, mijn schatje, het spijt me zo. Kan je me dit ooit vergeven?’
Is een gebroken nek nog te repareren? Er zijn mensen die ervan genezen. Vol afschuw wrijf ik langs de schram op het hout en inspecteer de breuk. ‘Ik zal op zoek gaan naar een viooldokter, de beste, dat beloof ik.’
Het nuchtere deel van mijn brein, dat me ‘dat kan je vergeten’ toebijt, negeer ik. Voorzichtig leg ik de patiënt in haar bedje, klap het deksel toe, klik het slot dicht en controleer of het dit keer echt goed vastzit.
‘Viool gebroken, fiets weg, orkest te gronde,’ maak ik de balans op. Wat is dit ineens?
Met moeite diep ik mijn mobiel op uit mijn tasje in de hoop op Suus’ goede raad. Het is een gewoonte die ik me na die vreselijke februaridag eigen heb gemaakt.
18:18 geeft de tijd aan. Toch engelen?
‘Suus, dank je dat je er bent. Waarom overkomt dit me? Wat moet ik doen?’
‘Opstaan en verder gaan,’ klinkt de stem in mijn hoofd.
Met een diepe zucht hef ik mijn hoofd op en loop in de richting van het zebrapad. Zie ik eruit als een gebroken vrouw? Pas nadat ik me er drie keer van heb vergewist dat er nergens een auto te bekennen is, steek ik over. Raap jezelf bij elkaar. Er komen nieuwe kansen… hoop ik.

De weerspiegeling in een van de etalageruiten langs het trottoir aan de overkant doet me besluiten mijn hoofd nog iets verder op te heffen, mijn rug te rechten en door te lopen; de bakker, de slager, een tweedehandswinkel. Mijn blik dwaalt langs de objecten in de etalage. Hé, dat kaptafeltje lijkt precies op mijn bureau. Ik loop door langs een wolwinkeltje en een Turkse supermarkt. De meeste mensen op de wereld zijn er armzaliger aan toe. Zijn ze ook minder gelukkig? Daar geloof ik niets van. In sloppen waar ook ter wereld maken mensen muziek, ze dansen, zingen en drummen zich door de ellende heen. Suus wist uit de meest afschrikwekkende omgevingen iets positiefs te halen. Ze reisde naar Zuid-Afrika waar ze naailes gaf aan tienermoeders, ze woonde in de favela’s in Rio de Janeiro waar ze een vermogen uitgaf aan verf voor kleurrijke muurschilderingen. In India bouwde ze mee aan een toiletvoorziening voor vrouwen om het aantal verkrachtingen te verminderen. Van het predicaat idealisme wilde ze niets weten. ‘Ik volg mijn energie en die is avontuurlijk en rusteloos van aard. Daarnaast weerhoudt bezig zijn me van ongezond diep nadenken.’
Uit de blik die ze me gaf, leidde ik af dat dat niet alles was.
‘Niet te veel willen, Saar. Voel waar je blij van wordt. Waar je ogen gaan stralen, ontvouwt de weg zich vanzelf voor je.’
Het was de inleiding voor een lang verhaal dat me nog helder voor de geest staat.
‘Waar armoede heerst, heerst vaak ook rijkdom, Saar. Rijkdom en diepte. Geld maakt alles zo oppervlakkig. Je hebt er al snel te veel van, al zal het nooit genoeg zijn. De menselijke geest blijkt wonderwel in staat noodzakelijkheden te bedenken. Wat je eerst nooit miste, blijkt ineens onoverkomelijk belangrijk als het inkomen groeit. Al snel wordt het leven zo complex dat de financiën wederom ontoereikend blijken.’
Ik was het deels met haar eens. Afgestudeerd aan het conservatorium had ik bewust gekozen voor een leven in dienst van muziek. Reizen over de wereld, overal optreden en steeds nieuwe stukken instuderen. Muziek maken en reizen, dat is wat ik wil. Is dat te veel gevraagd? Zonder viool kom ik niet ver. Eerst moet ik op zoek naar een viooldokter om mijn viool te repareren.
De winkeletalages hebben plaatsgemaakt voor huiskamers. Het ziet er warm en gezellig uit, bankstellen met kussens, kunst aan de muur, kaarsjes, speelgoed op de vloer, boeken, een cello. Het beeld van de gebroken zwanenhals brandt op mijn netvlies. Ik wil het niet weten en duw het weg. Eerst naar huis, iets warms klaarmaken. Overleven met nog minder geld zal wel lukken. Opnieuw audities doen. Zijn er orkesten die nog wel subsidie krijgen? In het buitenland? Maar, mijn viool. Mijn arme viool. Zonder haar ben ik nergens. Haar geluid zal nooit meer hetzelfde zijn. Hoe kan ik mijn emoties kwijt zonder klankkast die mijn stemmingen versterkt?

Tuuuuuuut.

Verschrikt stap ik de stoep weer op. Een vrachtwagen dendert vlak langs me. Verderop vertraagt de vrachtwagenchauffeur. Als ik langsloop, draait hij het raam omlaag.
‘Hé mop, als je levensmoe bent, weet ik wel manieren om je weer tot leven te wekken.’
Gruwel! Doorlopen. Niet opkijken. Tergend langzaam blijft hij naast me rijden. Ik voel zijn hete adem in mijn nek, versnel mijn pas en ga een doodlopende straat in. Nee, zo brutaal is hij niet en het is ook lastig keren. Mijn schoenen knellen en mijn teen protesteert bij iedere stap. Zitschoenen zijn ook niet bedoeld om kilometers op te lopen. Het is te koud om ze uit te doen en op mijn panty verder te gaan.

Via een omweg bereik ik het antikraakkantoor waarvan ik een van de kamers de mijne mag noemen. Ik huur – met toestemming – onder, dus echt ‘van mij’ is het niet. Het complex is groot. Het is een smeltkroes van wereldbewoners met vluchtelingenstatus, kunstenaars en werklozen. Omdat de gemeente bang is voor ongeregeldheden is er een huisbaas aangesteld. De veredelde conciërge zit vastgegroeid aan zijn stoel achter de kantoorbalie. Hij kijkt niet op van zijn beeldscherm. Hoe is het mogelijk dat hij voldoening krijgt van hele dagen patience? Een half verorberde pizza ligt in de open geklapte pizzadoos koud te worden naast zijn toetsenbord. Aan de andere kant staat een leeg colablikje met een smeulende sigaret balancerend boven de opengetrokken opening.
‘Goedenavond.’
‘Avond.’ Hij kijkt niet op of om.
Moeizaam strompel ik door de betegelde gang. Mijn teennagels schuren met iedere stap pijnlijk in het vel van de naastgelegen teen. Ze zullen wel open liggen. Straks eerst pleisters plakken. Het deurtje van de sleutelkluis kraakt open: kamer zeven; geen sleutel.
‘Mijn sleutel?’
‘In het kastje, schat.’
‘Daar sta ik voor, geen sleutel en blind ben ik ook niet.’
De huisbaas kijkt zuchtend op. ‘Wat een dag,’ mompelt hij. ‘O, jij. Kamer zeven toch?’
Ik knik. ‘Klopt.’
‘Verhuurd aan een ander.’
‘Wat!’ Het schiet eruit als de hoogste noot, jankend bijna. ‘Mijn kamer! Welk recht…’
‘Tut, tut, iemand die onderhuurt en haar plichten niet nakomt, heeft geen recht van spreken.’
‘Mijn, mijn plichten niet nagekomen?’ Ik stik er bijna in.
‘Je was te laat met betalen en dan treedt de marktwerking in; vraag en aanbod, de hoogste bieder.’
‘Ik weet zeker dat ik betaald heb.’
Emotieloos kijkt hij me aan. ‘Dan is het ergens in het luchtledige verdwenen, zeker? Net als mijn waarschuwingen, ook aan dovemansoren gericht. Er is niets bijgeschreven. Die controle mag ik ook tot mijn taken rekenen. Het is mijn inkomen, hè?’
Finaal lamgeslagen. Ik begrijp er helemaal niets meer van. Hoe kan dat nou? Dit klopt niet.
‘Je kunt het natuurlijk aanvechten, maar muzikanten kunnen zelden een rechtsgang betalen. Ik moet ook aan mijn gezin denken. Mijn taak is inkomen genereren, sorry.’
‘Mijn spullen?’ piep ik.
‘Die ene stoel, dat bed en dat bureautje?’
Ik zie voor me hoe ik met mijn gehavende viool uithaal naar zijn pafferige gezicht, tot bloedens toe, en ik ben bang dat ik niet zal stoppen als ik daaraan toegeef.
‘Waar zijn mijn spullen?’ Het klinkt gevaarlijk rustig. Ben ik zo murw geslagen dat emotie zich de moeite bespaart zich te tonen of ben ik bang tot moord en doodslag over te gaan als ik een klein beetje toelaat?
‘Gratis en voor niets opgehaald door de kringloop. Ze waren er blij mee, vooral dat dressoir viel in de smaak. Dat soort zie je tegenwoordig niet veel meer. Maar ik heb ze laten beloven je spullen vierentwintig uur voor je in bewaring te houden. Je kunt ze ophalen.’
Verwachtingsvol kijkt hij me aan.
Een dankjewel zit er niet in. ‘Kan ik mijn kamer nog nalopen?’
‘Dat kan…’ Het komt er bedenkelijk uit. ‘De nieuwe huurder heeft wel zijn jaargroep op bezoek en ze zitten al sinds vier uur te pimpelen.’
Een eigenaardige tinteling kruipt langs mijn ruggengraat omhoog. ‘Sinds vier uur? Dat kan gewoon niet. Ik ben toch niet gek. Twee uur geleden was ik hier nog.’
Hij haalt zijn schouders op en neemt een hap van zijn koude pizza.
Verslagen schud ik mijn hoofd. Mijn breekpunt is bereikt. ‘Waar moet ik slapen dan?’
‘Als je het lief vraagt, zeggen ze vast ja. Al zal er van slapen niet veel…’
Elk extra woord is zonde van de tijd.

© United in the Avalanche

De deur smakt achter me in het slot. Nog een hoofdstuk afgesloten. Blij toe dat ik die ranzige portiek nooit meer hoef te betreden. Jammer dat het glas er niet in duizend stukken uitvalt. Ik had de deur nog harder dicht moeten slaan. Was dat dressoir in die kringloop dan toch het mijne? De vierentwintig uur zijn nog niet voorbij. Tot hoe laat zou die kringloop open zijn? Haastig spoed ik me terug over de stoeptegels langs de warme huiskamers. In beweging blijven. Ik krijg het warm, zweterig. Wolwinkeltje, Turkse supermarkt en even verderop de Kringloop. Het bordje op de deur staat op OPEN. OP VRIJDAG TOT 20.30 staat eronder. Eindelijk zit het een keer mee.
Op mijn mobiel is het 20:20. Ik moet ergens op vertrouwen.
Dat is net op tijd. Dank je Suus. Is dit het pad waar ik op moet stappen? Het is zo anders dan ik me had voorgesteld. Ineens overkomt het me allemaal. Waar leidt het heen?
Ik leg mijn hand op de klink en duw. Geen beweging. ‘Nee, dit is niet eerlijk.’ Weerloos timmeren mijn vuisten op de deur. ‘Laat me erin, alstublieft! Suus, help me.’
Tien meter verderop zoemt een garagedeur omhoog.
‘Sorry, we zijn gesloten. Kan ik je ergens mee helpen?’
De man oogt niet onvriendelijk, kalend hoofd, grijze baard, een spijkerbroek en een gebreide trui.
‘Mijn spullen,’ snik ik. Mijn orkest, mijn baan, mijn viool, mijn kamer en mijn spullen. Twee uur geleden had ik alles nog en nu heb ik niets meer. Dat verzin je toch niet?
‘Hmm, je naam?’
‘Sarah. Sarah Geesthuijsen.’
‘De Sarah van het wooncomplex?’
‘Ja, ja, dat ben ik.’
‘Geval apart, begrijp ik.’ Hij wenkt. ‘Kom maar mee. Ik weet ervan. Je spullen staan nog achter in de loods. Loop op je gemak alles door en als je echt de nacht nergens anders door kunt brengen, mag je van mij best in je eigen bed slapen. Niemand die daar last van heeft en wat niet weet wat niet deert,’ voegt hij er met een knipoog aan toe. ‘Zware dag gehad volgens mij.’
Ik knik.
‘Als je morgen voor acht uur maar weg bent. Niet iedereen is zo ruimhartig als ik. De deur gaat van binnenuit open. Denk goed na of je alles hebt voordat je het pand verlaat. Dicht is dicht en van buiten is dit een onneembare vesting. We zullen je spullen voor je bewaren tot je een plek hebt om ze naartoe te brengen.’
‘Dat is erg aardig. Bedankt voor uw begrip, meneer. Het krikt mijn geloof in de mensheid weer iets op.’
Hij glimlacht. ‘Ik rommel nog wat hiernaast en sluit dan af. Amuseer je.’

Mijn bed staat er, in elkaar gezet en compleet met mijn beddengoed, alsof ze het zo hebben opgepakt en weer neergezet. En mijn dressoir met de bijpassende stoel. Zo bijzonder blijkt dat meubel dus helemaal niet te zijn. Het is van mijn oma geweest; die gebruikte het als kaptafeltje. Op het bed ligt mijn kleding, met kleerhangers en al. Mijn Dr. Martens, sneakers en sloffen staan er keurig onder, netter dan ik het zelf zou doen. Ik schop mijn hakken uit: martelwerktuigen.
‘Ik ben weg.’ De vriendelijke meneer steekt zijn hoofd om de hoek.
‘Ja, oké. Nogmaals dank.’
‘Mocht je trek krijgen, in het keukentje ligt nog wat brood, beleg en cup-a-soup. Het zal een vreemd logeeradres voor je zijn. Toch een aangename nacht. Beter dan buiten met deze kou.’
De garagedeur ratelt omlaag, voetstappen verwijderen zich.
Toen ik vroeger met mijn ouders naar de IKEA ging, stelde ik me wel eens voor dat ik me zou verstoppen en dan een kamertje uit zou kiezen om in te slapen.
Het is bevreemdend tussen het ratjetoe aan meubels, kleding, beeldjes en grammofoonplaten. Ik masseer mijn voeten, geen bloed gelukkig en schuif in mijn sloffen. Na wat trekken en duwen met kasten, creëer ik met gordijnen een afgesloten hoekje. Wat je niet ziet, bestaat niet.

In het keukentje smeer ik vier boterhammen met pindakaas en kies voor tomaten-crèmesoep. Het poeder lost op in het hete water en het kunstmatige luchtje dringt mijn neus binnen. Beter dan niets.

Even later zit ik met mijn dekbed over mijn benen in mijn bed. Buiten waait het nog steeds. Ik doop het laatste boterhamkorstje in de soep. Wat nu? Slapen? Verderop in de loods knippert een tl-balk ritmisch als een begeleidende drum.
Mijn mobiel aan de oplader geeft 21:21 aan.
‘Ben je er nou nog steeds, Suus?’
In mijn bovenkamer blijft het malen. Wat zou Suus doen? Op onderzoek uitgaan?

Eerst was ik in het keukentje de kruimels van mijn bord en spoel mijn soepbeker om. Niet flauw doen. Luister niet naar die stemmen in je hoofd. Ja, wel naar Suus. Niet naar die andere. Er is niemand. Kijk gewoon op je gemak rond. Je houdt er normaal gesproken toch ook van om in kringloopwinkels rond te struinen?
‘Ja, ja. Maar niet in mijn eentje op vrijdagavond half tien, terwijl er verder niemand is.’ Het is gek om mijn eigen stem te horen, maar ook geruststellend.
‘Kijk eerst eens daar achterin.’
‘O ja, dat is een goed idee, dat doen we.’
De eikenhouten tafel die ik passeer, is meer dan robuust. Die til je niet even met twee man de trap op naar een bovenwoninkje. Er staat een geel krat met handtassen op. Ik schud het krat leeg op de tafel. Protserig nep Dior, plastic krokodillenleer, een tas van geitenhuid, half kaal gesleten, zo’n indiaans model met kwastjes en als laatste een zwart suède handtasje. Het leer ziet er schoon uit en het stiksel is verfijnd. Het tasje heeft twee metalen ogen waardoor een gevlochten leren koord zit om over je schouder te hangen. Ik probeer het uit en waan me op de catwalk. ‘Zou ik deze mogen meenemen als aandenken aan deze bijzondere overnachting? Ik vind hem wel mooi eigenlijk. Of is dat diefstal?’
‘Staat er nergens een prijs?’
Ik draai de kist en jawel: TASSEN €10,-
‘Prima, dan laat ik wel een tientje achter.’

Met het tasje om mijn schouder loop ik helemaal naar achter. Van de boekenplank aan de achterwand trek ik een boek, om nog even te lezen bij het sfeervolle tl-licht. Er staat ook een schoenendoos met pakken haarkleuring; zwart, vlammend rood en kastanjebruin. Ik kijk er niet van op. Vaak genoeg rukt de dood mensen uit een leven waar ze nog lang geen afscheid van wilden nemen.

Terug op mijn bed bekijk ik het tasje van alle kanten. Ja, echt een leuk ding, best chique. En de binnenkant? Geroutineerd draai ik het slotje open en flap de klep weg. Een streep bordeauxrood en crèmekleurig papier steken boven het zwart van de binnenkant uit. Mijn hart mist een slag. Wat is dit nou weer? Een paspoort? Inderdaad, een paspoort, of liever gezegd een Passaporte d’Espana. Ik sla het boekje open. Mijn hart staat stil. Het is of ik mezelf in de ogen kijk, alleen is mijn haar pikzwart en in een overtuigende rechtlijnige bob geknipt. Eigenaar: Santi Sanches Gomez. Ik trek het crèmekleurige papier omhoog:

Een vliegticket? Mijn mond wordt droog. Slikken gaat moeizaam. Mijn nekharen komen overeind en kippenvel staat op mijn armen. 6 januari, 7.30. Dat is morgenochtend. Dan moet ik vannacht weg. Ik schud de tas leeg boven mijn bed: kauwgom, huissleutels, tampons, een paar losse euro’s, twee briefjes van vijftig euro en een envelop met een uitnodiging voor SSG, in het Nederlands. SSG – waar zou dat voor staan? Stichting Strijkers Gloria, verzin ik. Nee, dat slaat nergens op. Strijkensemble Santa Gregorius. Ik heb geen idee waar de letters voor staan en Google komt niet verder dan de Engelse afkorting voor de Standard Solutions Groep.
ZONDAG 7 JANUARI, 17:17, PUENTE DEL ANGEL CUSTODIO. Brug van de beschermengel? Wat is dit nou weer? O, jakkes. Dat is me toch allemaal veel te wazig. Gatverdamme. Dit voelt fout. Dit voelt verschrikkelijk verkeerd.
Mijn telefoon: 22:22.
‘Doen,’ zegt Suus. Natuurlijk, die is altijd in voor avontuur.

 

Lees volgende week deel 2 van Dubbele getallen!

 

Over de auteur:
Heleen van den Hooven (Middelburg,1972) legde een bijzondere weg af naar het schrijverschap. Als kind hoorde ze landschappen in klassieke muziek van Rachmaninov. Ze werkte lange tijd als landschapsvormgever. Vervolgens ging ze als viltkunstenaar op reis in een serie vilteilanden: ruige wol werd bergen, draden stroomden als rivieren, vlakken vervormden tot woestijnen, meren, bossen. Al reizende met naald en draad ontdekte ze nieuwe werelden met flarden van verhalen. Zo begon ten slotte het schrijven. De basis ontstond voor de epische fantasy Zwerfsteenkronieken, waarvan Zuiverzee met de delen Deining, Draaikolk en Doodtij de eerste trilogie zal zijn. Ze is ook actief op Facebook en Instagram.

Over de illustrator:
Meer over deze illustrator kun je vinden op zijn Instagramaccount.
© 2020 – 2024 Fantasize, Heleen van den Hooven & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page