web analytics
dinsdag, februari 27

Vertelling: Dromenvangers – Thomas Nolet

Door Thomas Nolet

And all who heard should see them there,
And all should cry, Beware! Beware!
Uit: Kubla Khan, or: A vision in a dream. A Fragment. – Samuel Taylor Coleridge

Je staat op de top van een heuvel in een vallei tussen hoge, steile wanden. Ver boven je bedekt een onwerkelijk gekleurd wolkendek de hemel volledig: azuurblauw, violet, zandkleurig, als de wolken van Jupiter. Ze kolken en draaien in een sierlijke wirwar van fractale vormen.
Bloeiende bomen staan in kleine groepjes verspreid door het dal. Een brede rivier van zachtgeel licht meandert sierlijk door het landschap, verschijnt en verdwijnt ergens in de wanden. De rivier hult het land in een onaardse gloed: steen lijkt te glanzen als amethist, de grasvlaktes en bossen als turkoois.
Er heerst een diepe stilte. Het is koud, maar het kost je als getrainde oneironaut weinig moeite om dat gevoel te negeren.
Je hebt er geen enkele twijfel over dat deze plaats op aarde niet bestaat. En dat hij bewoond is, weet je ook zeker. Op een richel die half over de rivier hangt, staat een bouwwerk, opgebouwd uit enkele verdiepingen. De daken zijn schuin, met opkrullende punten, als van een oosterse pagode. Uit de vele openingen in de wanden schijnt hetzelfde roomkleurige licht als de rivier.
Waar ben je? vraag je je af. Je zal het moeten opzoeken als je weer wakker bent, maar voor zover je weet, heeft nog geen andere oneironaut melding gemaakt van deze plek. Zou het kunnen dat je daadwerkelijk een nieuwe wereld hebt gevonden? Je bent de jongste droomreiziger van het IOR, pas vier maanden in dienst. Je hart gaat tekeer, je ademt snel en oppervlakkig. Je kan niet wachten om Paul te vertellen van je vondst. Maar eerst moet je deze wereld verder verkennen. Een half verslag zal geen indruk maken op je leidinggevende.
Met een paar diepe teugen adem dwing je jezelf weer tot kalmte. Je loopt in de richting van de rivier en het bouwwerk. Je eerste waarneming was verkeerd, merk je al gauw: de rivier zelf geeft geen licht. Boven het oppervlak zweeft een mistbank, die van binnenuit lijkt te worden verlicht. Het water is juist gitzwart. Het beukt wild tegen de oevers en slaat tegen rotsblokken in de stroming. Uit de nevel klinkt een zoemend geluid. Het is mooi, melodieus.
Dan komt iets uit de nevel tevoorschijn, of het maakt zich ervan los. Een vormloos verschijnsel van verlichte dampen. Het blijft voor je hangen. Je strekt je hand ernaar uit. Zodra je het aanraakt, begint het een mensachtige vorm aan te nemen: vier ledematen, een hoofd, van jouw lengte. Volledig wit als de mist, zonder gelaatstrekken of kleding. Het wordt nog steeds van binnenuit verlicht. Meer figuren stappen uit de mist, alle hebben dezelfde vorm als de eerste. Hoewel de wezens geen ogen hebben, voel je alsof ze je met vragende blikken aanstaren. Je bent omringd door onbekende figuren die jouw vorm hebben aangenomen – overgenomen? De mist boven de rivier is dunner geworden en het tumultueuze water eronder is duidelijker zichtbaar.
Je hield het niet voor mogelijk, maar je opwinding neemt verder toe. Je hart gaat zo tekeer dat het lijkt of het zich een weg uit je lichaam probeert te dreunen. Je handen trillen. Geen enkele droomreiziger heeft ooit, in de twintig jaar dat het IOR bestaat, gerapporteerd dat de bewoners van andere werelden zich van hem bewust waren. Nog nooit!
‘Ik ben Milan,’ zeg je, je stem slaat over van de spanning. ‘Milan Verkade. Ik kom uit Nederland, van de aarde. Ik werk voor het Institute of Oneiric Research. Begrijpen jullie mij?’
Het zoemende geluid verandert van toon. Het lijkt of ze met je proberen te communiceren, maar je begrijpt er niets van.
De mogelijkheid dat er op andere werelden ook oneironauten zouden kunnen zijn en dat je daarmee in contact zou kunnen komen, stond in de beginjaren van het IOR hoog op de agenda. Niet alleen als onderzoeksdoel, maar ook in de veiligheidsvoorschriften. Na jaren zonder ook maar een ontmoeting was de aandacht verslapt. Je herinnert je alleen een korte alinea in de handleiding en een wat lacherige waarschuwing van je buddy tijdens de oriëntatieweek.
Je ziet een van de lichtwezens een wenkend gebaar maken. Natuurlijk, er zijn andere manieren van communicatie. Het gaat je voor naar het bouwwerk. De andere wezens volgen, blijven je omcirkelen. De pagode torent boven je uit als een wolkenkrabber. Van dichtbij ziet het er helemaal niet zo realistisch uit. De muren en de puntige daken lijken uit de grond gegroeid als een paddenstoel. De ronde openingen in de wanden zijn te verschillend, te willekeurig geplaatst. Je kunt niets van de binnenkant onderscheiden. Het enige wat je kunt zien, is het licht. Het zoemen wordt sterker.
De gedaante die je leidt, loopt de opening in en gaat op in het geheel. Je volgt. Het licht omarmt je als een geliefde. Je voelt een golf van pure extase door je hele lichaam trekken. Je ziet niets anders dan nevelachtig schijnsel. Het klankvolle gezoem sust je, hypnotiseert je. Alles voelt prettig en vertrouwd, als een warm bed op zondagochtend, alsof Paul je in zijn armen klemt en zacht in je oor fluistert. Je voelt je onbeschrijfelijk gelukkig.

Je zit aan de ontbijttafel als de Google Assistent je waarschuwt voor een binnenkomende video call. Dat is snel. Je hebt nog geen uur geleden een bericht naar Paul gestuurd.
Met trillende handen neem je een slok van je koffie. De sensaties in je droom waren zo fijn, zo gelukzalig. Je hebt nog niet eerder zoiets gevoeld. Nu heb je echter een zeurderig gevoel op je slapen. Zouden dat naweeën zijn, een soort kater? Zelfs als dat zo was, vind je het een redelijke ruil voor wat je hebt meegemaakt in die pagode.
Je overweegt even of je de oproep later zal aannemen. Het beeldscherm aan de muur toont je spiegelbeeld: jeugdig gezicht, een tikje bleek en slaperig, met halflang zwart haar. Je bent alleen gekleed in een ochtendjas. Voor je op tafel staan een glas sinaasappelsap en een half opgegeten boterham met frambozenjam. Niet een al te beste indruk, besef je. Maar je bent te nieuwsgierig naar de reactie van het IOR, van Paul, om te wachten.
‘Opnemen,’ zeg je.
Op het scherm verschijnt eerst het logo van het IOR: drie dikgedrukte letters met daarachter een gestileerde dromenvanger in het wit, op een hardblauwe achtergrond. Dan komt Paul Mutsaers in beeld. Zoals altijd als je het gezicht van je baas ziet, krijg je een warm gevoel in je onderbuik. Ook al zit hij achter een bureau en kijkt hij recht in de camera, er gaat een zweem van ongecompliceerde sensualiteit van hem uit. Zijn gezicht is leeftijdsloos. Hij zou goed kunnen doorgaan voor een beginnende dertiger, al weet je dat hij minstens 44 is. Hij draagt een zwart shirt met in witte, speelse letters een citaat: ‘Dreams are today’s answers to tomorrow’s questions.’
‘Milan,’ zegt hij. ‘Goedemorgen. Smakelijk.’
Je kijkt naar de etensresten om je heen en grijnst: ‘Dank je.’
‘Wat een bericht, man! Ik kan het nauwelijks geloven.’
‘Nee, ik ook niet. Maar het is echt. Ik ben al begonnen aan het verslag.’ Je houdt een schets van de pagode omhoog die je haastig hebt gemaakt.
Paul fronst zijn wenkbrauwen. ‘Hmm, daar kan ik nog niet zoveel mee, kerel. Een oosterse tempel of zo? Het ziet er niet uit als iets van een andere wereld.’
Zijn scepsis steekt je even. Dan bedenk je dat je niet zo snel veel enthousiasme kan verwachten. Zeker niet totdat je uitgebreid verslag hebt gedaan. Een nieuwe wereld verifiëren is veel werk. Soms gaan er maanden overheen voordat andere oneironauten de wereld ook hebben gevonden en je verslag kunnen valideren.
‘Ik snap het,’ zeg je. ‘Ik ga zo snel mogelijk verder.’
‘Doe dat. Dan stel ik directeur Holm op de hoogte. Maareh, Milan, die wezens waar je over schrijft. Ik weet niet… Dat kan toch niet waar zijn?’
Je knikt heftig. ‘Echt wel. Ik heb ze echt gezien.’
‘Denk je niet dat je per ongeluk zelf dingen hebt toegevoegd? Als je aandacht is verslapt… Het kan de beste oneironaut overkomen. Zelfs jou.’
Je onderdrukt een gevoel van frustratie. Dat is je nog nooit gebeurd. Droomreizen is zo natuurlijk als ademen voor je, al lang voor je aan de opleiding begon. Je bent gewend aan het ongeloof, de achterdocht en de jaloezie van anderen. Maar van Paul doet het extra pijn. ‘Ik weet het zeker,’ zeg je kordaat.
‘Sorry, man, je begrijpt dat ik nogal overrompeld ben.’ Hij kijkt even weg. ‘Ik weet ook niet wat het protocol nu precies is.’
Zelfs als Paul zich onzeker toont, vind je hem sexy. Nog sexyer zelfs. Je boosheid verdwijnt en even slaat de twijfel toe. Zou het kunnen dat je je hebt vergist? Als eerste in twintig jaar onderzoek first contact maken? Je begrijpt zijn twijfels wel. Nee, denk je dan, met een absolute zekerheid. Je weet wat je hebt gezien.
‘Je kan het ook nog even uit je rapport laten,’ zegt Paul voorzichtig. ‘Misschien eerst nog wat verder onderzoek doen.’
Je schudt heftig je hoofd, wat een flinke pijnscheut tot gevolg heeft. Het idee vult je met weerstand. Stel je voor dat een andere oneironaut jouw wereld vindt in de tussentijd, die wezens ook ontmoet en er eerder verslag van uitbrengt. En met de eer gaat strijken!
Paul ziet je vastberadenheid. ‘Goed dan. Je begrijpt dat we dit goed moeten uitzoeken. Zorg voor een gedetailleerd verslag, met veel beeldmateriaal. Des te eerder kunnen je collega’s dezelfde wereld vinden.’
‘Geen enkel probleem,’ zeg je. ‘Ik ga zo weer slapen en meer gegevens verzamelen.’ Je benen trillen bij het idee om de wezens weer te zien en om je weer te laten onderdompelen in hun zinnenprikkelende licht.
Paul kijkt bedenkelijk. ‘Milan? Als het echt waar is wat je hebt gezien, wees dan voorzichtig. Wie weet wat die wezens kunnen doen. We hebben hier nauwelijks ervaring mee.’
‘Oké,’ zeg je afwezig en mompelt nog een groet. Je logt uit en trommelt met je vingers op het tafelblad. Wezens die je zo’n gevoel van gelukzaligheid en geborgenheid geven, kunnen niet gevaarlijk zijn. Wat je te doen staat, is weer te gaan dromen. Hoe meer je over je wereld kan vertellen en laten zien, hoe eerder ze je zullen geloven.

© Laura Jebbink

Een nevel van schitteringen bedekt de zwarte rivier bijna volledig. Je zit met je rug tegen de stam van een boom. Takken hangen half boven je en half in de mistbank. Twinkelingen weerspiegelen in de smaragdachtige bladeren. Een eindje verderop is de pagode zichtbaar, half verscholen achter een heuvel waar de rivier zich omheen kronkelt.
Het water is wild en spettert tegen de oever, over je voeten heen. De lichtnevel erboven is juist sereen en egaal. Alleen als je er heel goed naar kijkt, kun je sierlijk golvende bewegingen in het licht ervaren, kleine nuances in intensiteit.
Net als de vorige keer maken figuren zich los uit de nevel. Weer worden ze vergezeld door een gezoem dat je meer kan voelen dan horen. Dit keer zijn het er slechts een paar. Ze staan tussen jou en de pagode en wenken naar je. Je kijkt naar de tempel. Je verlangt ernaar daarheen te gaan en je weer over te geven aan het licht. Maar je wil ook meer van deze wereld zien. Er moet meer zijn dan deze ene, betoverende vallei. En je hebt een idee waar je kunt zoeken. Daar waar de rivier de vallei verlaat, is een smalle opening in de verder ondoordringbare rotswand.
Zonder verdere aarzeling duik je in het zwarte water. Je vertrouwt op je vaardigheden als oneironaut om je te behoeden voor de gevolgen van een tocht door deze onbekende wildwaterbaan. Meteen verdwijn je volledig onder water en word je meegesleurd door de stroom. Kalme duisternis omringt je. In tegenstelling tot je verwachting word je niet wild heen en weer geschud, of tegen de rand of de bodem aan gesmeten. Het voelt meer aan alsof je in een razendsnelle glijbaan zit.
Slechts enkele seconden duurt de rit, dan mondt de rivier uit in een groot, stil water. Het gevoel van beweging maakt plaats voor gewichtloosheid. Je steekt je hoofd boven water. De stroming heeft je in een gigantische, donkere ruimte gebracht. De wanden en het plafond zijn buiten je gezichtsveld.
De duisternis is niet volledig. Je ziet een veelvoud aan lichtpuntjes, pulserend als sterren. Sommige ervan lijken ver van je verwijderd, zwak en klein. Andere bevinden zich dichter bij je. Een lichtverschijnsel is groter dan de rest. Je zwemt ernaartoe. Al snel voel je bodem onder je voeten en krabbel je het ondergrondse meer uit. Je loopt met blote voeten over een gladde stenen plaat, bedekt met een dun laagje water. De weerspiegeling reflecteert je voetzolen en de vele sterren. Met een misselijkmakend gevoel verandert het perspectief van de grot voor je ogen. De lichtjes voor je worden feller, terwijl boven je en achter je de afstand tussen jou en het licht juist toeneemt. Je nadert een van de wanden.
Verschillende sterretjes dwarrelen rondom een hel schijnende opening in de rotswand. Pulserende slierten verbinden de sterren met iets dat zich in de opening bevindt. De sterren bewegen zich chaotisch en sierlijk, als een zwerm zwaluwen. Ze gonzen als een bijenkorf. Het dreunt door in je hoofd. De sterren lijken zich niet bewust van je te zijn als je je in hun midden begeeft.
Tussen jou en de opening zit een dun membraan. Je legt je hand erop. Het is glad en donker als glas, maar het voelt zacht als gelei. Aan de andere kant hangt een manshoge figuur, schijnbaar zwevend in de lucht. Je denkt dat het weer een van de lichtwezens is, alleen heeft deze een vastere vorm. Met een schok besef je dat het menselijk is. Je kunt vaag de contouren van een gezicht zien. Je brengt je hoofd dichter bij het membraan, bijna ertegenaan. Je mond zakt open. Het is je eigen gezicht, half overlappend met je weerspiegeling in het gladde oppervlak. De ogen zijn open, maar zien je niet. De mond is in een grimas geplooid.

Stofdeeltjes dwarrelen in het zonlicht dat door de hoge ramen naar binnen valt. Je zit aan tafel in de kleine vergaderzaal van het IOR-kantoor in Amsterdam. Buiten wuiven de kruinen van bomen zachtjes in de wind. Een raam staat op een kier en laat geluiden van vogels en wandelaars door. De muren zijn geschilderd in gebroken wit. Het glazen, ovale blad van de tafel zit vol krassen. Voor je ligt een map met het logo van het IOR. Ernaast ligt een slordige stapel vol getypte vellen en kopieën van je tekeningen.
Het wandscherm aan de andere kant van de tafel toont het strenge gezicht van een vrouw van middelbare leeftijd, directeur Holm. Naast je zit Paul, casual gekleed in een spijkerbroek en een overhemd. Hij kijkt je glimlachend, bemoedigend aan.
‘Directeur Holm, alstublieft. Ik zweer dat…,’ zeg je.
De vrouw op het scherm onderbreekt je met een abrupt handgebaar. Ze spreekt Engels met een sterk Scandinavisch accent. Er is een kleine vertraging tussen beeld en geluid.
‘Ja, meneer Verkade. Ik heb uw rapport met veel interesse gelezen. Twee keer zelfs. Een prima rapport. Zeer gedegen. Prachtige illustraties ook. Als het klopt wat u schrijft, dan is het IOR natuurlijk geïnteresseerd in deze wereld.’
‘Maar…’
Ze richt haar blik op iets wat voor haar ligt, buiten beeld. ‘Ik lees hier uw waarden. Er zijn duidelijke pieken in hersenactiviteit waarneembaar. Ongebruikelijk voor uw reguliere reizen.’
‘Precies! Ik ben me rot geschrokken.’
Holm kijkt nog eens naar beneden. ‘Uw adrenalineniveau lijkt dat te bevestigen. Uw dopamine-waarden daarentegen… Iets in die dromen heeft u ontzettend veel genot doen ervaren. Gevaarlijk veel.’ Ze kijkt je streng aan met een blik die duidelijk zegt: een oneironaut onwaardig.
‘Milan?’ Paul bekijkt je met een verwachtingsvolle blik. Je tilt je hoofd op en kijkt de vrouw op het scherm recht aan.
‘Mevrouw de directeur,’ zeg je, terwijl je je frustratie uit je stem probeert te houden. ‘Het is waar dat…’
Je wordt onderbroken door een diepe zucht. ‘Ik heb hier ook de rapporten van de oneirologische expert en de neuropsycholoog,’ zegt Holm. ‘Daarnaast heeft nog geen enkele medewerker deze wereld op eigen kracht gevonden. De meest aannemelijke verklaring is…’
Je handen op tafel knijpen zich tot vuisten samen.
‘…dat u het zelf hebt bedacht.’
‘Dat is belachelijk!’ barst je uit. ‘Waarom denkt iedereen dat toch steeds? U weet best dat ik… Ik heb nog nooit… Ik…’ Je komt niet meer uit je woorden van kwaadheid.
‘Rustig, Milan,’ zegt Paul.
Hij legt een hand op de jouwe. Een elektrisch stootje schiet door je arm direct naar je kruis. Plotseling is hij naakt. Wanneer heeft hij zijn shirt uitgetrokken en waarom? Dat is toch niet normaal voor een meeting met de directeur? Je ogen dwalen onwillekeurig af naar beneden. Snel kijk je weg, naar de tatoeage op zijn linkerborst: eentje van Iejoor met een slaapmuts op. Die heb je een keer eerder gezien, toen hij op de afdeling zijn bovenlijf ontblootte om zijn nieuwe tatoeage te laten zien. ‘IOR, snap je ‘m?’ zei hij. Je vond het een flauwe grap maar lachte toch, een nerveuze grinnik om de kriebel te verbergen die je voelde.
Dan heb je zelf ineens ook geen kleren meer aan. Heb je die zelf uitgetrokken? Dat weet je niet meer. Je blik wordt naar zijn ogen getrokken. De stem van directeur Holm dringt nauwelijks nog tot je door.
‘Meneer Verkade, ik ga mee met de mening van uw collega’s. Het is niet ongebruikelijk dat oneironauten fantasiedromen aanzien voor nieuwe werelden.’
Heldere, grijze ogen, als lichtgevende nevel.
De vergaderzaal vervaagt, alsof je hem bekijkt door een beslagen ruit. Even bestaan alleen jij en de ogen van Paul. Dan liggen jullie samen in een bed. Je wordt meegezogen in een gevoel van geluk. Witte dekens, witte muren. Ochtendlicht door een enkel raam. Een strook vitrage wappert zachtjes in een bries die er niet is. Een warm, doezelig samenzijn, alsof jullie in een zee van warme watten liggen.
‘Jij gelooft me toch wel, Paul?’
‘Tuurlijk, kerel, kom hier.’
Hij pakt je nek stevig beet en drukt je lippen op de zijne. Zijn stoppels prikken in je bovenlip. Hij slaat zijn armen om je heen en hij drukt zich stevig tegen je aan. In zijn omhelzing voel je je intens tevreden.

Je ziet niets anders dan nevelachtig schijnsel. Je bent terug in de pagode. Hoe precies, dat weet je niet. Maar het kan je weinig schelen. Het klankvolle gezoem is terug en sust je, hypnotiseert je. Je voelt je weer onbeschrijfelijk gelukkig.
Voor even.
Dan verandert de nuance van het zoemen. Het klinkt wrang, alsof je een hap van een zure appel neemt. Je krijgt steken in je buik. Je voelt Pauls omhelzing niet meer, alleen een diep bedroevende kilte.
‘Paul? Paul, waar ben je?’
Je zweeft vlak boven een rotsgrond zwart als vulkaanglas. Pulserende slierten licht bewegen van je weg. Je herinnert je het tafereel in de grote, donkere grot. De sterren die met lichtslierten verbonden waren met een lichaam. Jouw lichaam. Het gezoem is oorverdovend. Het manifesteert zich weer als een druk op je hoofd, maar veel sterker nu. Je hersenen voelen alsof ze worden samengeperst in een bankschroef. Er is geen ontsnappen aan het schijnsel, dat heller en heller wordt, als de lamp van de tandarts. Het zoemen neemt de nare, snerpende toon van een boor aan.
Je probeert weg te komen, maar je kunt je niet bewegen. Je ziet nog maar één uitweg: uit de droom ontwaken. Je haalt diep adem en met al je wilskracht focus je op een vertrouwd beeld: Iejoor, met een slaapmuts op. Je spant je in om wakker te worden.

Je bent terug in een bed en slaakt een zucht van verlichting. Je bent thuis, op je zolderkamer. Een bed met een Star Warsdekbed en een dromenvanger erboven. Tegen de schuine wand zijn fantasyposters geplakt van overdreven gespierde helden die met draken en andere monsters vechten. Het wordt echt tijd dat je op jezelf gaat wonen, denk je.
Maar wacht eens. Je woont toch allang niet meer thuis?
Er wordt op de deur geklopt. De stem van je moeder: ‘Milan?’
Zonder op antwoord te wachten gaat je deur open. In een kinderlijke reflex trek je je dekens tot onder je kin. In de deuropening staat je moeder. Haar lange, donkere haren vallen golvend op haar schouders. Ze draagt een vaalwitte, zwaar versleten badjas, met gele vlekken bij de oksels.
‘Ga je slapen?’ vraagt ze verbaasd.
‘Nee, ik ben net wakker,’ zeg je verward.
Je moeder komt dichterbij en gaat op het bed zitten. Ze kijkt naar je. ‘Ik heb je niet binnen horen komen. Waarom ben je niet thuis komen eten?’
Je hebt geen antwoord, haalt je schouders op. Ze knikt, buigt zich voorover en geeft je een kus op je voorhoofd. Met haar gezicht vlakbij, zie je dat haar ogen vochtig staan. Alsof ze beseft dat dit de laatste keer is dat jullie elkaar zien.
‘Ik zie je zo beneden, goed?’ zegt ze.
Je knikt.
Ze drukt op het lichtknopje als ze de kamer uitloopt. Helemaal donker wordt het niet, van onder de deur komt nog een streepje licht.
Je ligt op je rug en staart naar het plafond. Onsamenhangende gedachten tuimelen over elkaar heen in je hoofd. Paul, directeur Holm, een vallei vol onnatuurlijke kleuren, wezens gemaakt van licht, een donkere grot. Je probeert er wijs uit te worden, maar je weet niet meer precies hoe alles met elkaar samenhangt.
Er wordt weer op de deur geklopt. Weer wordt je naam genoemd: ‘Milan?’ Het is niet de stem van je moeder. Het klinkt diep en onaards.
Je staart naar de deur. Je aarzelt of je moet antwoorden. Je vingers klemmen je dekbed stevig vast.
Het bonzen op je deur wordt harder. De lichtstreep wordt feller.
‘Milan? MIEEEEEELAN?’
Met een schok weet je alles weer. De lichtwezens, de grot. Op de een of andere manier hebben ze je gevangen en iets met je gedaan. Je weet niet waarom je wakker bent geworden op je oude zolderkamer, maar dat maakt niet uit. Je moet de anderen waarschuwen. Je moet Paul waarschuwen! Als ze je maar geloven.
Vlug spring je uit bed, trek je wat kleren aan en gooi je je slaapkamerdeur open. Het licht aan de andere kant slokt je op.

Je ziet niets anders dan nevelachtig schijnsel. Het licht is overal om je heen. Je probeert met je ogen te knipperen, maar je hebt de controle over je oogleden verloren. Nee! Hoe kom je weer hier?
Je probeert weer jezelf wakker te maken, maar je hebt geen enkele invloed op de droom. Al je vaardigheden, alle technieken zijn zinloos. Het licht is oneindig en onontkoombaar. Je raakt in paniek. Je voelt je lichaam schokken, stuiptrekken, hyperventileren. Je schreeuwt, je krijst. Althans, dat probeer je. Je longen produceren geen enkel geluid. Alleen het borende gezoem is te horen.
Hoe lang je paniek voortduurt, hoe lang je lichaam dit kan verdragen, je hebt geen idee. Op een gegeven moment raak je buiten bewustzijn.

Als je bijkomt, duurt het even voordat je beseft waar je bent. En dan nog roept je omgeving alleen maar vragen op. Het eerste wat je gewaar wordt, is dat je op iets hards ligt. Het tweede is de sterke stank van verrotting en urine, alsof je in een vuilnisbelt ligt. Je knippert met je ogen. Je ligt op straat, je bovenlichaam steekt uit een groezelige slaapzak. Je hebt vele lagen kleren aan, hard van aangekoekt vuil, en toch heb je het koud. Een kou die tot diep in je botten is getrokken en nooit meer weggaat. Een etalageruit werpt een kil licht op een regenachtig trottoir. Geen vuilnisbelt te bekennen, je bent het zelf die de geur verspreidt.
Je kunt je niet herinneren hoe je hier kwam, of wat er is gebeurd. Het laatste beeld waar je je bewust van bent, is je slaapkamer. En je moeder die tegen je praat op een toon alsof ze voorgoed afscheid van je neemt.
‘Milan?’ hoor je een bekende stem boven je.
Je kijkt naar boven. Een man staat op een meter afstand en kijkt op je neer. In zijn ene hand heeft hij een paraplu tegen de miezerregen. Een klein meisje houdt zijn andere hand vast. Ze heeft de capuchon van haar zuurstokroze regenjas over haar hoofd getrokken.
‘Milan? Ben jij dat?’ vraagt de man nogmaals. Uit het moeras van je geheugen komt een naam bovendrijven. Paul.
‘Wah?’ zeg je.
‘Papa, wie is dat?’ vraagt het kind.
‘Paul?’ zeg je moeizaam, terwijl je overeind komt.
‘Milan! Mijn god, jongen, wat is er met jou gebeurd?’ De man laat het meisje los en knielt bij je neer. Zijn paraplu beschermt je half tegen de miezer. Je beseft nu pas dat je in de regen hebt gelegen en dat je kleren en je slaapzak doorweekt zijn.
Je ziet zijn gezicht in het harde licht van de etalage. Zijn neus is vertrokken van walging. Dan kijk je in zijn ogen en herinner je je ineens glashelder zijn borstelige lippen, zijn naakte lijf tegen het jouwe.
Paul, jouw Paul. Je strekt je arm uit om hem aan te raken, om je hand te leggen op zijn lieve borst, op zijn schattige tatoeage. Hij deinst terug. Het meisje – zijn dochter. Heeft hij een dochter? Heb je dat ooit geweten? – staat er wat verloren bij en staart naar je.
‘Milan,’ zegt Paul, met verdriet in zijn stem. ‘Jongen, dat het zo met je is gelopen. Ik had geen idee.’
De regen valt geruisloos op de paraplu, op de capuchon van het meisje, op je voorhoofd. Helder denken is iets uit het verleden, maar plotseling staat één gedachte haarscherp op je netvlies: je moet Paul waarschuwen! Hij loopt gevaar. Iedere oneironaut loopt gevaar.
‘Paul! Luister! Weet je nog die wereld waar ik over vertelde? Je mag er niet heen. Groot gevaar. Ze zuigen je leeg. Ik weet niet hoe ik ontsnapt ben, maar…’
Paul staat op. Van grote afstand zie je zijn gezicht verstrakken. ‘Oh Milan, dit weer? Wanneer hou je daar nu over op? Is het nog niet genoeg dat je ontslagen bent?’
Ontslagen? Je schudt je hoofd. Niet belangrijk. Het enige wat telt is dat ze Paul niet te pakken krijgen, zoals ze jou te pakken hebben gekregen. Je blik valt op het meisje, dat zich weer aan haar vader heeft vastgeklampt. Stel je voor dat zij haar vader kwijtraakt. Je bent van niets meer zeker, behalve van dat ene ding: Paul mag niets overkomen.
‘Paul, luister naar me! Je mag niet meer droomreizen. Niemand mag ooit nog droomreizen!’ Je komt overeind en wil hem vastpakken, maar je voeten raken verstrikt in je slaapzak en je valt op je knieën.
Paul zet een stap naar achter en duwt met zachte dwang zijn dochter achter zich. ‘Oh Milan, jongen. Het spijt me.’ Zijn stem heeft een angstige toon gekregen. ‘Ik wou dat ik iets voor je kan doen. Wacht.’ Hij laat zijn dochter los en haalt een portemonnee uit zijn binnenzak. Met de paraplu onhandig in zijn oksel geklemd, haalt hij er een aantal biljetten uit en houdt ze je voor. Zonder erbij na te denken neem je ze aan.
‘Zoek onderdak, alsjeblieft,’ zegt Paul. ‘Laat me weten waar je verblijft. Ik… Ik zal kijken wat ik voor je kan doen. Echt. Kom, Mara.’
Hij pakt zijn dochter vast en beent weg. Hun vertrek heeft veel weg van een vlucht. Ze verdwijnen al snel achter de sluier van regen. ‘Wie was dat, papa?’ hoor je Mara nog vragen.
Je blijft achter op je knieën in de regen, je hand omklemt de verfrommelde bankbiljetten. Achter je gaat het licht in de etalageruit uit.

 

 

Over de auteur:
Thomas Nolet begon met schrijven toen hij acht was en bleef dat doen totdat hij ging studeren. Daarna werd hij lange tijd afgeleid door andere zaken, maar sinds kort heeft hij de draad weer opgepikt. Met het verhaal
De kracht van duizend zielen haalde hij in 2021 als hoogste debutant de vijfde plaats bij de Waterloper-wedstrijd.
Een grote inspiratiebron is de Discworld-serie van Terry Pratchett. De schijfwereld is een genadeloze spiegel voor de maatschappij. Pratchett toont aan dat fantasy niet alleen vermakelijk kan zijn, maar ook iets te vertellen kan hebben over ons als mensen in de ‘echte’ wereld.

Over de illustrator:
Laura Jebbink is in 2016 afgestudeerd aan de Wageningen Universiteit als ecoloog. Tekenen en schilderen is altijd een groot onderdeel geweest van haar leven en sinds 2021 is zij dan ook als illustrator aan de slag gegaan. Het fantasygenre heeft altijd een grote aantrekkingskracht op haar gehad door de vrijheid die het haar geeft en laat voelen. Van jongs af aan zijn draken dan ook een van haar favoriete onderwerpen. Ook maakt ze graag natuurillustraties waarbij ze haar studie en passie kan combineren.
Voor een indruk van Laura’s werk: https://www.instagram.com/laurajebbink

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Thomas Nolet & Laura Jebbink

You cannot copy content of this page