web analytics
zondag, mei 22

Column: Genre, oftewel: what’s in a name?

Door Johan Klein Haneveld

Het is een discussie die met enige regelmaat oplaait. Laatst bijvoorbeeld nadat ik een plaat van Artstation had gedeeld die volgens mij een goed voorbeeld was van ‘hopepunk’. Een subgenre van het fantastische genre dat de nadruk niet legt op geweld of onderdrukking, maar mensen laat zien die naar het goede blijven streven en scenario’s waarin de neerwaartse spiraal wordt doorbroken. ‘Solarpunk’ was ook een goede aanduiding geweest. Die term wordt gebruikt voor verhalen in werelden die niet worden aangedreven door stoom, zoals in ‘steampunk’, maar door zonne-energie. Een bevriende schrijver reageerde onder mijn bericht met de verzuchting: ‘Ik vraag me vaak af waarom SF en fantasy zo’n waarde hechten aan het benoemen van allerlei subgenres? Zo onderhand zijn er meer subgenres dan verhalen! Willen de schrijvers zich nu onderscheiden door goede verhalen te schrijven of door zich in een zelf gecreëerde niche te wringen?’

Vissen, orchideeën en koeien
Ik kan zijn frustratie aan de ene kant wel begrijpen. Is een onderverdeling van het fantastische genre in tientallen sub- en subsubgenres nou werkelijk behulpzaam? Hebben we het niet gewoon over goed geschreven verhalen versus slecht geschreven verhalen? Maar ook al moet ik soms ook grinniken als ik weer een nieuwe ‘-punk’ variant tegenkom (zo bestaat er sinds enkele jaren ‘trumppunk’), ik blijf die onderverdelingen ook heel interessant vinden.

© Alexandra Semushina op Artstation.com

Voor aquariumliefhebbers is een vis immers ook niet gewoon een vis. Er zijn verschillende groepen vissen met verschillende eigenschappen en daarin kun je je specialiseren. Zo zijn er aquariumhouders gespecialiseerd in het houden van cichliden – baarsachtige vissen, of het kweken met killivissen (die in de natuur korter dan een jaar leven en dus seizoensvissen worden genoemd). Maar daarbinnen kun je je ook specialiseren. Echte liefhebbers van bijvoorbeeld het cichlidengeslacht Tropheus (die voorkomen in het Tanganyikameer) hebben posters aan de muur hangen met alle kleurvarianten. Als ze elkaar vertellen welke vissen ze houden, is niet alleen de soort belangrijk, maar ook de vindplaats. Met orchideeënliefhebbers is het al niet anders. En ik geef zelf niet echt om auto’s, maar er zijn mensen die elk merk kennen, en de verschillende modellen en voor wie het zelfs uitmaakt uit welk jaar de auto komt.

Binnen al die groepen geldt: je moet de verschillende sub- en subsubonderverdelingen namen geven, anders kun je er niet mee de diepte in gaan. Als je geen namen hebt, wordt erover communiceren moeilijk. En dan ontgaan je ook veel details. De koe is een mooi voorbeeld. Als ik zeg: ‘Ik fietste langs een weiland vol koeien’, heb jij meteen een plaatje in je gedachten, namelijk de wit met zwarte Holsteinkoe. Het komt niet in je op dat het ook wel eens een heel andere koe zou kunnen zijn. Als ik zeg: ‘Het waren blaarkoppen’, of ‘lakenvelders’, heb je opeens een heel ander beeld bij die dieren. Maar alleen als je van die rassen gehoord hebt en er wel eens een plaatje van hebt gezien. Ken je die rassen niet, dan moet je de dieren uitgebreid gaan beschrijven. Maar misschien valt het je dan helemaal niet op dat ze anders zijn dan de Holsteinkoe, omdat je niet beseft dat er verschillende rassen koeien bestaan. Aan de andere kant: alleen als je de rassen kent, kun je een geïnformeerde keuze maken welke koeien je wilt houden, je misschien toeleggen op het fokken van een zeldzaam ras, of kijken of je dieren kunt kruisen om tot een heel nieuw ras te komen.

Willen weten wat je leest
Volgens mij is het met alle verschillende sub- en subsubgenres van het fantastische genre net zo. Voor de lezer kunnen de genreaanduidingen belangrijk zijn omdat hij of zij dan preciezer kan zoeken naar nieuwe boeken om te lezen. Misschien leest hij liever geen grimmige verhalen, waarin geen enkel karakter echt goed is en geweld indringend wordt beschreven. Als dan van een boek wordt gezegd dat het onder het ‘grimdark’-genre valt, weet hij dat hij het links moet laten liggen. Of misschien heeft ze een fantasyroman gelezen waarbij de karakters veel geven om etiquette, elkaar formeel de hand vragen en als gentlemen duels uitvechten, als in de romans van Jane Austen. Als ze meer van zulke boeken wil lezen, moet ze gaan zoeken naar boeken uit het ‘mannerpunk’-genre. Gezien de grote aantallen boeken die worden gepubliceerd in het fantastische genre zijn hulpmiddelen om precies die boeken te vinden die jou aanspreken best handig. En dus ook voor schrijvers om hun boeken voor de juiste doelgroep in de markt te zetten.

Lezers en schrijvers die graag de ontwikkelingen in het genre volgen en analyseren kunnen ook niet zonder deze aanduidingen. ‘Hopepunk’ is namelijk weer een reactie op ‘grimdark’. ‘Cyberpunk’ was een subgenre van de sciencefiction dat ontstond in de jaren ’80 waar nog steeds naar wordt verwezen. Het is veel makkelijker deze overkoepelende termen te gebruiken, dan steeds de namen van schrijvers of een lijst met kenmerken te gaan herhalen.

Geïnspireerd door begrenzingen
Maar ik denk dat ook schrijvers baat hebben bij het nadenken en discussiëren over genres en subgenres. Natuurlijk is het in de eerste plek zaak een zo goed mogelijk verhaal te schrijven. Maar als je een bepaald idee hebt van het sciencefiction- of fantasygenre loop je het gevaar alleen maar verhalen te schrijven die binnen dat idee passen. Je kunt bijvoorbeeld denken dat SF zich in de toekomst hoort af te spelen à la Star Trek en alleen dat soort verhalen schrijven. Maar als je weet wat het cyberpunkgenre inhoudt kun je jezelf uitdagen zo’n verhaal te schrijven. Als je hebt gehoord over ‘dieselpunk’ kun je proberen een verhaal in dat genre te schrijven. Tais Teng en Jaap Boekestein schreven verhalen die ze ‘ziltpunk’ noemden. Ze voldeden aan een aantal eisen: ze moesten karakters bevatten die in situaties van klimaatverandering er het beste van maakten, en er moesten Nederlandse elementen in voorkomen:de zee, dijken, windmolens, handelsgeest en bombastische megatechnologie. Ik zag het als een uitdaging. Ik wilde ook een verhaal schrijven dat aan deze kenmerken voldeed. Het werd mijn ziltpunknovelle ‘Plastic Vriend’. Net zo las ik verhalen die behoorden tot het subgenre ‘Sword & Sorcery’: fantasyverhalen over gespierde helden met zwaarden in landstreken waar tovenaars uithangen en monsters in verlaten tempels. Ik wilde ook een ‘Sword & Sorcery’-verhaal schrijven. En omdat ik wist waar een verhaal aan moest voldoen om tot dat genre te behoren, kon ik met die elementen spelen. Mijn roman ‘Hoeder van de vulkaan’ die later in 2020 uitkomt, heeft bijvoorbeeld een depressieve hoofdpersoon, speelt zich af in een postapocalyptische wereld en de jonge vrouw die dreigt geofferd te worden is prima in staat zichzelf te redden.

Je kunt alleen variëren met de elementen als je ze kent. Schrijvers die bijvoorbeeld beweren dat ze geen fantasy lezen omdat ze zich niet willen beïnvloeden, zijn waarschijnlijk minder origineel dat ze van zichzelf denken. Ze hebben namelijk wel degelijk een beeld van wat fantasy is, gebaseerd op film en TV, en denken al snel dat ze origineel zijn als ze een goede ork in hun verhaal stoppen of een betoverd zwaard in plaats van een betoverde ring. Maar in het fantasygenre is zoveel meer mogelijk dat je je niet eens realiseert als je je er niet in verdiept hebt. De grenzen van de verschillende genres, subgenres en subsubgenres zijn daardoor juist niet beperkend, maar bevrijdend. In de begrenzing toont zich de meester. Juist de grenzen van het doek maken dat de schilder een meesterwerk kan maken. De beperkte ruimte perkt hem niet in, maar stelt hem juist in staat iets concreets neer te zetten. Dat kan ook een werk zijn waarbij hij of zij buiten het doek schildert – maar ook dan heeft de grens een rol. Want je kunt ook alleen op een genre reageren of de grenzen overschrijden als je ze kent.

Het is alleen wanneer je ze wettisch gaat toepassen of als ze gaan voelen als een keurslijf dat je ze beter kunt vermijden. Dit soort onderscheid is namelijk geheel kunstmatig. Een raster dat we als lezers en schrijvers op verhalen leggen. Er is geen genrepolitie die zegt dat je nooit van de regels mag afwijken. Je blijft altijd vrij om te schrijven wat je wilt, of het in een genre past of niet. Maar goed, dan komt er wellicht weer een eigenwijze lezer langs die op jouw verhalen een heel nieuw naampje plakt …

Over de auteur:

Johan Klein Haneveld is wel eens aangeduid als ‘de man die sneller schrijft dan zijn schaduw’. Hij heeft al zeventien boeken op zijn naam staan, waarvan de bundel ‘Ruisreizigers’ met 23 verontrustende verhalen het meest recent is verschenen. In oktober 2020 verschijnt de bundel ‘Voorbij de storm’ die hij heeft samengesteld met cli-fi van 25 Nederlandstalige auteurs. Ook komt zijn sword & sorcery-roman ‘Hoeder van de vulkaan’ dit jaar nog uit. Hij schrijft verder recensies voor Fantastische Vertellingen en publiceert essays en opiniestukken op verschillende websites. Zijn geld verdient hij als eindredacteur van het ‘Tijdschrift voor Diergeneeskunde’.

© 2020-2022 Fantasize & Johan Klein Haneveld