web analytics
woensdag, februari 1

Vertelling: De Sentinel – Mike Jansen

Door Mike Jansen

‘Ik zeg je, dat ding, schip, wat het ook is, het bewaakt de grootste schat van het universum,’ zei Jason.
‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’ vroeg Alda. Ze stuurde hun kleine schip behendig door een asteroïdenveld. De discussie die ze met Jason voerde was niet nieuw, maar ze had plezier in het treiteren van de kleine Aardling.
Jason zuchtte. ‘In de hele Zinnebereich is nooit iets gelijksoortigs gevonden. Wat ruïnes, ouwe troep, potscherven, tot we vlak buiten Tau Ceti deze wereld vonden.’ Hij tikte op de transparante koepel van hun scheepje waarin op grote afstand de donkergrijze bal van Hadasha lag, een schaduwwereld die diepe voren door de puinvelden trok die om de ster heen cirkelden. ‘En de bewaker, natuurlijk, de Sentinel. Wat een schok bracht die teweeg in de Zinnebereich. De journalisten wisten niet hoe snel ze onze nieuwe heer en meester moesten verwelkomen. Lafaards.’
Alda grinnikte. ‘Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Het ding omzeilen, verslaan of vernietigen mislukte. De mensen op de aangesloten werelden dachten dat dit de vijand was.’
‘Apengedrag,’ zei Jason. Hij schudde zijn hoofd en zuchtte nog eens. ‘Duizenden lichtjaren naar alle kanten gekoloniseerd, maar ze komen iets vreemds tegen en alle beschaving gaat overboord.’
‘De laatste poging de Sentinel te vernietigen was ruim duizend jaar geleden,’ zei Alda. ‘Waarom denk je dat je nu wel langs die bewaker komt?’
‘Nieuwe technologie,’ zei Jason. ‘Vers ontworpen door de vatbreinen op Lucida III en gebouwd door het Fennelcollectief op de werven rond Jesebel.’
‘Dat heb je eerder gezegd. Maar het is dus iets wat beter is dan de honderden pogingen die de mensheid heeft gedaan. Waarin alle inventiviteit van die “apen” is gaan zitten, maar die ze geen stap verder heeft geholpen.’ Alda grijnsde wrang. ‘Als mijn eigen nek niet op het spel stond zou ik er misschien om kunnen lachen.’
‘Niets is zeker,’ zei Jason, serieus. ‘Maar de nieuwe vouwtechnologie plaatst ons buiten de normale ruimte en laat enkel een soort periscoop naar buiten steken. Ik hoop dat we daarmee zo klein zijn dat de Sentinel ons niet opmerkt. En zo niet, dan zijn er nog de spookbeelden om hem bezig te houden.’
‘En als die niet werken?’ vroeg Alda.
‘Als hij ons ziet en de vouw verstoort…’ Jason haalde zijn schouders op. ‘Wij voelen er dan toch niets meer van, uitgesmeerd over twaalf lichtjaar.’
Alda slikte ongemakkelijk en mompelde wat obsceniteiten in de taal van haar wereld. Ze stuurde hun schip naar de schaduw van een grote asteroïde. Hun camera’s staken net boven de horizon uit en vingen een helder beeld van de donkergrijze wereld. De witmetalen weerkaatsing die in een snelle, lage baan rond de wereld ging was van de Sentinel. Vergroting toonde de humanoïde figuur die ze op de oude plaatjes van de eerste ontdekkers had gezien en die in het geheel niet veranderd of verouderd leek. ‘Hij is groter dan ik gedacht had,’ zei ze. ‘Ruim tweeduizend mijl hoog, klopt dat?’
‘Bijna drieduizend. En niemand die weet hoelang hij al zijn baantjes rond de planeet draait.’ Jason knikte zachtjes. ‘Dat gaan we uitvinden. En de schat die op de planeet ligt. Ben je er klaar voor?’
‘Ik stel de coördinaten in,’ zei Alda. Even later zette hun schip zich in beweging, verliet de schaduw van de asteroïde en nam een koers aan die hen via de Noordpool van Hadasha de atmosfeer in zou krijgen. ‘Wanneer schakel je dat apparaat van je in?’ Ze wees op het zwarte kastje met de rode knop dat naast zijn stoel stond.
‘Zo laat mogelijk,’ zei Jason. ‘Verblijf in vouwruimte is ongezond. Maar we redden het wel naar de oppervlakte van de planeet zonder blijvende schade.’
‘Dat vertel je me nu?’ zei Alda ongelovig. Ze gaf haar medepiloot een stomp op zijn arm, die hij negeerde.
Jason drukte de rode knop in en het uitzicht uit hun transparante koepel werd zwart. Enkel een klein lichtpuntje bleef zichtbaar, recht voor het schip. ‘De periscoop,’ zei Jason. Hij instrueerde de computer invallend licht te bewerken tot een driedimensionaal beeld van de omgeving. Ze dreven in de richting van Hadasha en al snel kwam de Sentinel in zicht, als een immens, metalen beeld met meerdere armen en benen, een bijna menselijk gezicht onder een helm die voorzien was van kronkelende tentakels met een eigen leven.
‘Zo dicht is nog nooit iemand bij de Sentinel geweest.’ Jason fluisterde. Alda hield haar adem in terwijl ze op enkele mijlen afstand voorbijdreven.
De Sentinel leek zich eerst niet bewust van hun nabijheid, maar halverwege gingen gaten rond de helm open en brede bundels licht beschenen het pad dat Alda en Jason volgden.
‘Hij weet dat we er zijn,’ fluisterde Alda.
Jason gromde. ‘Twee minuten maar…’ Hij activeerde de projector die meerdere spookschepen rond de Sentinel wierp om hem af te leiden. Het leek te werken, want methodisch begon de wachter de spookbeelden te vernietigen met megatonwapens. Minuten later daalden ze af door de dichte atmosfeer van Hadasha, de planeet die niemand ooit dichter dan enkele astronomische eenheden was genaderd.
‘Hij volgt niet,’ zei Jason. ‘Een halve mijl boven het oppervlak kan ik ons nog uit de vouw krijgen.’ Hij stelde de computers in en keek gespannen naar de hoogtemeters. Exact op een halve mijl leek de ruimte om hen heen uit elkaar te scheuren en met een dreun materialiseerde hun schip in de dichte gaswolken van Hadasha. Meteen werden ze alle kanten op geslingerd en met gierende turbines wrong het schip zich vooruit.
Met wild kloppend hart hield Alda de meters in de gaten en zocht ze naar een geschikte landingsplaats. Toen een vlak plateau zich aandiende, enkele tientallen mijlen voor hen, slaakte ze een zucht van verlichting en gaf het schip opdracht daar te landen.
Hoewel de wind nog om hen heen gierde, was de relatieve rust op het plateau een verademing.
‘De Sentinel ziet ons niet,’ zei Jason.
‘Wees blij. Ik heb de beelden van de Excalibur-klasse kruisers gezien. Schroot, in luttele minuten. Ons zou hij in seconden tot moes kunnen vermalen.’ Alda keek ongemakkelijk naar het kolkende wolkendek boven hen, bang dat de Sentinel elk moment zijn gezicht erdoorheen zou kunnen steken.
Jason sloeg met zijn hand op de leuning van zijn stoel. ‘Op zoek naar de schat. Dat ding bewaakt iets en ik wil het weten.’
‘Goed, nanosondes in de atmosfeer geven ons in de komende uren een beeld van een groot deel van de omgeving.’ Alda gaf de commando’s en een donkere wolk omgaf even het schip, voordat de wind de deeltjes oppikte en verspreidde. Na drie uur wachten toonde de kaart op het scherm een kunstmatige structuur.
‘Dat is het,’ zei Jason.
‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zei Alda. Ze stuurde het schip door de razende wind, laag boven de grond, naar het doel, honderden mijlen verderop.
‘Indrukwekkend bouwwerk,’ zei Jason.
Alda knikte. ‘Ik vlieg het schip naar binnen,’ zei ze. ‘De opening is groot genoeg.’ In de lichtbundels van het schip werd een grote hal zichtbaar, opgetrokken uit monolieten van vele honderden tonnen zwaar. Een donkere schacht, vijf keer zo breed en hoog als hun schip, liep schuin naar beneden.
‘Er ligt een enorme grot beneden ons,’ zei Alda. Ze las de informatie die de nanosondes verzameld hadden. ‘Diepe afgronden, maar in het midden steekt een eenzame piek omhoog en daar zouden we op kunnen landen.’
‘Doen,’ zei Jason. Hij keek goed om zich heen. ‘Alles wat ik tot nu toe in onze lichtbundels gezien heb is aangelegd, dus ik ben er vrijwel zeker van dat die piek ook kunstmatig is.’
Een kwartier later werd een plateau zichtbaar, als een eiland van licht in een zee van duister.
‘Kijk,’ fluisterde Jason, bijna eerbiedig. Hij wees naar een verhoging waarop een eenzame figuur rustte, nauwelijks mensvormig en vele malen groter. ‘Een soort reus.’
Het schip landde op korte afstand van de verhoging. Jason en Alda stapten uit, gekleed in ruimtepakken. De atmosfeer in de grot was dodelijk voor mensen.
Ze naderden de figuur voorzichtig. Die was ook in een soort ruimtepak gekleed met een donkergekleurde helm.
‘Hoelang denk je dat het hier al zit?’ vroeg Jason.
‘Geen idee,’ zei Alda. ‘Onbekende materialen, onbekende atmosfeer, onbekend bouwwerk. Kan duizenden, kan miljoenen jaren zijn.’
Hij klom de verhoging op tot hij naast de helm van de zittende figuur stond. Met zijn hand raakte hij de figuur aan, waarna hij verstijfde.
‘Wat is er?’ vroeg Alda. Ze zag het hoofd van Jason naar haar toe draaien en lege, zwarte ogen staarden haar aan. Schaduwen speelden rond zijn hoofd als levende, duistere vlammen.
‘Oh, shit!’ Alda draaide zich om en rende op volle snelheid terug naar het schip. Ze dook naar binnen, sloot de deur en nam plaats in de cockpit. Binnen seconden had ze de noodprocedure voor vertrek gestart.
Terwijl ze de paar seconden aftelde, zag ze Jason, of wat eens Jason was geweest, naderen. Een dichte, zwarte band van bewegende schaduwen strekte zich uit van de zittende reus naar haar voormalige compagnon.
Vlak voor Jason het schip kon aanraken, schoot het omhoog en vloog op hoge snelheid de grot uit.
Alda zette een koers uit die haar zo snel mogelijk terug zou brengen naar de door mensen bewoonde delen van de ruimte.

© United in the Avalanche

Hoog boven de planeet merkten een miljoen jaar oude circuits het ontwaken beneden op. Als een computer iets van teleurstelling kon voelen, dan was dit het moment. Al die tijd was zijn gevangene opgesloten gebleven op de planeet, diep in slaap, ongestoord, naar verwachting tot het universum weer in zou storten. Maar nu was hij wakker.
De Sentinel observeerde de planeet, zag de schaduwen opvlammen en zich over het oppervlak uitstorten. Het zou niet lang duren voor de hele planeet was opgeslokt en de macht van zijn eeuwige vijand zo groot dat hij niet meer te stoppen was. De Sentinel vreesde voor het universum, voor zover een mechanisch wezen zulke gevoelens kon bezitten.
Langzaam sponnen de singulariteiten diep in het binnenste van de Sentinel op, klaar om de meest vernietigende energiewapens die ooit gebouwd waren in te zetten en de planeet in een kleine supernova te veranderen, de enige manier om de schaduw daadwerkelijk te stoppen en te doden.
De Sentinel strekte zijn armen van duizend mijl elk uit en concentreerde de kracht van een miljoen zonnen op de kern van de planeet. De schaduwen reikten inmiddels al tot vlak buiten de atmosfeer, maar de gloeiende kern die zich nu met bijna de lichtsnelheid naar buiten werkte, haalde zelfs de snelste in en vernietigde ze.
Het resulterende zwarte gat stortte onder zijn eigen gewicht in elkaar en trok alles in zijn buurt met zich mee naar binnen, de gebeurtenishorizon een eeuwigdurende gevangenis voor zijn vijand.
Binnen enkele uren was het proces voltooid. Geduldig wachtte de Sentinel tot het zwarte gat gestabiliseerd was, voor hij het stelsel afzocht op residuen.
Hij vond er een: een klein scheepje met een humanoïde vorm aan boord. Zijn circuits registreerden tevredenheid. Het hebben van een doel gaf de Sentinel bestaansrecht.
Nu al speelden miljoenen scenario’s door zijn brein, maar het oerscenario, waarin hij, de Sentinel, zijn broeder naar zijn laatste rustplaats begeleidde, te ruste legde en vervolgens de bewaking op zich nam, kwam als ideaalbeeld telkens weer naar voren.
Immense aandrijvingen kwamen tot leven en stuwden hem weg van de zon en de eeuwige gevangenis van zijn broeder, in de richting van het kleine scheepje waarin een levend aspect van zijn broeder zich schuilhield, slapend, nu nog wel, tot de omstandigheden juist waren.
Voordat dat kon gebeuren zou de Sentinel hem onderscheppen en op een rustige, onbewoonde wereld laten landen, onbereikbaar voor iedereen en goed bewaakt, diep in slaap en gevaarloos voor het universum.
Natuurlijk liet de Sentinel ook andere gedachten opkomen, van andere aspecten die met redelijkheid probeerden hem op andere scenario’s te brengen. Maar die gedachten waren zo oud als hijzelf en hij had ze al duizend keer verworpen. Zo ook nu.
Hij bezat de macht zijn broeder te beëindigen. Maar die macht zou ook zijn einde betekenen, of in ieder geval zou hij dan langzaam wegkwijnen in de dans van lichtjaren, tot entropie ook een einde aan hem maakte.
Nee, het was goed zo, zoals het al duizenden omwentelingen van deze sterrenhoop was.

 

Over de auteur:
In 1991 publiceerde Mike Jansen zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij twee Nederlandse romans en een bundel korte verhalen uitgegeven en een roman en een bundel in het Engels. Hij schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan vijftig korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel, Edge-Zero en voor JWKfiction in de USA.

Over de illustrator:
Meer over deze illustrator kun je vinden op zijn instagramaccount.

 

© 2020- 2023 Fantasize, Mike Jansen & United in the Avalanche

You cannot copy content of this page