web analytics
maandag, november 28

Vertelling: De kracht van duizend zielen – deel 2

Dit is deel 2. Lees hier deel 1.
Door Thomas Nolet

 

‘Jethro!’

‘Hé, Jeth!’

‘Wakker worden, knul.’

‘Beetje hulp hier!’

‘JETH!’

Ik was halverwege op weg naar de uitgang van de kamer, toen Tobias’ kreten eindelijk tot me doordrongen. Mijn hoofd voelde alsof het met dons was gevuld en het duurde even voordat ik me realiseerde waar ik was.
Achter me hoorde ik doffe klappen, het zwiepende geluid van de metalen staf en de geconcentreerde uitroepen die mijn meester altijd slaakte als hij in gevecht was.
De put was niet langer gehuld in het schemerduister van onze lampen. Hij was nu gevuld met griezelige, dansende lichten. Het standbeeld was tot leven gekomen en was omringd door een aura van zachtgeel licht. Haar handen hielden twee lange katana’s van licht vast in dezelfde kleur. Ze wervelde rond door de put in een vliegensvlugge dans. De zwaarden zwaaiden door de lucht in een hypnotiserend patroon. Tobias danste mee, minder gracieus, maar nog steeds ongelooflijk behendig. Hij deed zijn uiterste best om de lichten te ontwijken en haalde ondertussen uit met zijn staf.
De Sulima! Blijkbaar gebruikte de geest nu het standbeeld, nadat het haar niet was gelukt om ons met psychische beïnvloeding te verdrijven. Nou ja… mij te verdrijven. Ik had geen idee of Tobias ook onder haar invloed was geweest. Hoe dan ook, ik was al bijna buiten geweest, als Tobias me niet had gewekt. Ik voelde een vlaag van irritatie toen ik me realiseerde hoe afhankelijk ik wederom van mijn mentor was geweest.
Aan de andere kant… Ik stond hierboven buiten het bereik van haar katana’s en ze was te druk met Tobias om zich om mij te bekommeren. Mijn irritatie verdween en ik nam even de tijd om het gevecht tussen de sjamaan en de eeuwenoude wachter in te schatten.
Het beeld bewoog geruisloos. Het was alsof de steen zo kneedbaar als klei was geworden. Zelfs de zwaarden maakten geen geluid. Als de lemmeten de muur of de vloer raakten, gingen ze er dwars doorheen zonder een spoor achter te laten. Dat ze dodelijk waren, daar twijfelde ik niet aan.
Tobias was meester in zeven vechtkunsten, was vervuld van magische stimulanten en had een metalen runenstaf, maar ik zag aan hem dat hij het zwaar te verduren had. De Sulima raakte hem in zijn zij. Hij kreunde. Zijn geestenbescherming leek het ergste van de klap op te vangen.
De sjamaan liet zijn staf door zijn hand glijden, totdat hij het uiteinde beet had, en zwaaide hem in een wijde boog. Het beeld dook met gemak aan de kant. Tobias sprong achteruit toen de twee bladen van licht elkaar kruisten op de plek waar hij net stond. Toen dook hij opzij en porde met zijn staf. Dit keer raakte hij het beeld in de knie.
Ik had hem reuzenpanters zien vellen met dat ding. Hoewel de staf voor hem zo licht was als vurenhout, voelde het voor de ontvanger van een dergelijke klap aan alsof hij geraakt werd met een stalen balk zo dik als een boomstam.
De danspassen van de Sulima gingen wat minder gracieus. Ze hinkte een paar stappen. Voor even. Al snel waren haar bewegingen weer net zo vloeiend als eerst. Tobias had zich teruggetrokken naar de andere kant van de put. Hij was een paar seconden buiten bereik van de katana’s.
‘Jeth! Ga je… nog wat doen?’

© Laura Jebbink

Ik kon niet langer uitstellen. Ik wilde liever niet doormidden gesneden worden door die zwiepende lichtflitsen, maar voor wat ik van plan was, wat Tobias van me verwachtte, was ik te ver weg. Voorzichtig kroop ik naar beneden, waar de dodelijke dans weer was gestart, terug naar het een na laagste niveau. Ik hurkte, drukte me zo veel mogelijk tegen de wand aan, in de hoop niet door de Sulima te worden opgemerkt. Toen putte ik voor de tweede keer vandaag uit mijn innerlijke kracht, uit mijn eigen ziel, en strekte ik mijn handen uit naar het standbeeld. Ik dwong het om zwaarder te worden.
Natuurlijk had ik niet verwacht dat het makkelijk zou zijn. Toch had ik niet gerekend op zo’n sterke tegenstand. Ook al bleef de Sulima Tobias constant lastigvallen, toch had ze ook nog de kracht om mijn aanval te weerstaan. Man, deze geest was sterk!
Al mijn geestkracht stopte ik in een nieuwe aanval. Eeuwenoud of niet, oppermachtig of niet, ik liet me niet tegenhouden door een suffe wachtersgeest. Tobias deed zijn best om haar aandacht bij zichzelf te houden. Hij verdubbelde zijn uithalen en sprong voortdurend binnen en buiten haar bereik. Langzaam maar zeker won ik terrein op de geest van de Sulima. Ha! In de geestenwereld was ze mij de baas geweest. Met een stoffelijk lichaam had ze zich kwetsbaar gemaakt voor mijn persoonlijke krachten. Ik kon merken dat haar uithalen aan snelheid verloren. Haar rug begon te buigen. Ze zakte traag op haar knieën. Ze probeerde haar armen op te tillen, maar het lukte haar niet meer. Ik had haar zo zwaar als een berg gemaakt. De lichtkatana’s zaten half begraven in de grond.
Het hele beeld trilde en mijn lichaam trilde mee.
‘Netjes,’ zei Tobias. Zijn kleren waren gescheurd en vuil en hij was buiten adem. Hij haalde met al zijn kracht uit naar de geknielde Sulima. De staf raakte haar vol op het hoofd. Alleen een doffe klap was het resultaat. Hij vloekte en klom uit de put. ‘Hou haar even zo, wil je?’ vroeg hij, terwijl hij in een van zijn buidels begon te rommelen.
‘Tuurlijk,’ gromde ik tussen opeengeklemde kaken, zo nonchalant als ik kon. Als ik het zweet terug in mijn poriën had kunnen dwingen, had ik dat gedaan.
Tobias pakte een klein, rond object uit zijn buidel. Een bal gemaakt van wit hout en metaal, met piepkleine moertjes en een klein ventiel. Tobias draaide aan het ventiel en kleine stoomwolken begon te ontsnappen uit de kieren van de bal.
‘Bukken!’ zei hij. Hij gooide het ding naar het slome standbeeld en liet zichzelf neervallen.
Ik volgde net op tijd zijn voorbeeld, toen een enorme vuurbal het standbeeld omhulde. Ik voelde een vlaag gloeiend hete lucht over mijn lijf heen golven, gevolgd door een regen van stenen scherven.
Stilte voor even, gevolgd door gekuch. Ik proefde stof en bloed. Blijkbaar had ik op mijn lip gebeten.
‘Een hittebom? Echt?’ siste ik. ‘Jij, de grote machtige sjamaan moet het hebben van tech-trucjes?’
Tobias kwam overeind en klopte stof en steenscherven van zijn leren jasje. ‘Waarom niet? Je zag dat magie nauwelijks werkte,’ zei hij.
In een flits zag ik het gebeuren. ‘Kijk uit!’ riep ik.
Hij dook weer neer, net op tijd om te voorkomen dat een grote stenen vuist zijn hoofd verbrijzelde.
De Sulima was overeind gekomen. Ze bewoog weer vliegensvlug. Ze was aan mijn macht ontsnapt toen ik door de ontploffing was opgeschrikt. De bom had haar grondig beschadigd. Een van de armen hing slap, de onderarm volledig weggeblazen. De andere zat nog half aan de schouder vast. Het hoofd stond dwars in een onnatuurlijke houding. Over het hele lijf zaten grote scheuren en barsten, van waaruit een zwak licht scheen. Haar lichtzwaarden waren verdwenen, maar ze haalde uit met haar arm en haar benen als een straatvechter. Tobias en ik vluchtten beiden een andere kant op. Botten vlogen in het rond.
Tobias pakte zijn staf met beide handen beet. Zijn schouders hingen en hij bewoog zich trager.
Gelukkig voor hem had de Sulima het nu op mij gemunt. Ze kwam pijlsnel op me af. Ik probeerde haar weer te vertragen, alleen kon ik me niet meer concentreren.
Ik viel achterover, tussen de beenderen, en gilde. Ze raakte me met drie snelle stoten in mijn maag, mijn borstkas, mijn schouder. Mijn geestenschild weerde de klappen af, al voelde het nog steeds alsof ik door een moker werd geraakt. Ik voelde de ene na de andere beschermgeest bezwijken. Nog even en ik was er geweest. Ik dook weg voor nog een zwaai en stootte mijn heup tegen de wand. De pijn was niets vergeleken bij mijn doodsangst. Ik probeerde te kalmeren en een nieuwe beschermende spreuk te doen, maar ik wist dat ik niet snel genoeg zou zijn. Mijn enige kans was wegkomen. Ik krabbelde overeind en klom zo snel als ik kon omhoog. Mijn longen brandden.
De Sulima volgde me, met haar gruwelijk verminkte arm klauterde ze een verdieping hoger. Ik schopte naar haar verwrongen hoofd. Een afschuwelijke pijn in mijn voet schoot langs mijn been en zij omhoog. Waarom probeerde ik een massief stenen beeld te schoppen?
Aan de andere kant van het beeld pakte Tobias iets uit een andere buidel, een handvol kleine, bruine korreltjes. Hij smeet ze naar de Sulima en pakte meteen een nieuwe handvol. De meeste vielen eraf, maar een paar bleven steken in de barsten in haar lichaam. Waren dat… graantjes? Ik was te druk met mijn leven redden om het goed te zien en ook de Sulima leek het niet op te merken. De wachtersgeest stond over me heen gebogen. Haar vuist haalde steeds opnieuw uit. Ik rolde van de ene naar de andere kant.
Een seconde te laat. Ik was gefocust op haar arm en daardoor zag ik haar been pas toen ze tegen mijn hoofd schopte. Een verblindende pijn en een rood waas. Ik viel verdoofd neer. De laatste van mijn beschermende geesten verdween als sneeuw voor de zon. Het standbeeld hief haar voet om mijn hoofd in te trappen.
Door de pijn en angst heen hoorde ik Tobias luidkeels zingen.
De Sulima draaide zich naar hem om.
De korrels, de paar die waren blijven steken, begonnen te ontwaken. De kleine zaadjes ontkiemden. Kleine wortels en takjes begonnen te groeien over het hele standbeeld. Eerst leek het niets te doen. Het beeld zette een dreigende stap richting de sjamaan. Die liep achteruit en klom op de ronde sokkel. Kalm ging hij door met zingen. Rustig en sereen stond hij daar, alsof hij het standbeeld was. Met zijn ene hand omklemde hij de staf, zijn andere hield hij uitgestrekt naar de Sulima.
Ik ging zitten en drukte mijn hand tegen de zijkant van mijn hoofd. Die voelde nat en kleverig van het bloed.
Het beeld werd weer langzamer, terwijl de wortels en planten haar begonnen te overwoekeren. De macht die een kleine, zachte groene stengel dwars door lagen aarde en rotsbodem kan doen groeien, kreeg de Sulima in haar greep. De barsten in het beeld werden wijder. Het licht begon te doven. Weer zakte ze door de knieën. Stukken steen, eerst klein maar steeds groter, begonnen van het lijf af te vallen. De romp gleed van het bekken en viel met een harde klap op de grond.
Tobias stopte met zingen. Voor hem lag enkel nog een hoopje steen met wat plantenstengels. De Sulima was verdwenen, voorgoed dit keer. Van het licht van de wachtersgeest was niets meer over. Alleen onze gloeilichten op de grond, beide vergeten tijdens het gevecht, verdreven de duisternis.
Ik probeerde naar beneden te klimmen. Toen ik bewoog begon heel de kamer te draaien. Tobias raapte zijn lamp op en klom omhoog, buiten adem. Ondanks dat had hij alweer zijn karakteristieke, goedgehumeurde glimlach op zijn gezicht. Totdat hij mijn hoofd zag. ‘Oh, Jethro, dat ziet er lelijk uit.’
Hij haalde verband uit een van zijn onuitputtelijke buidels. Hij drukte een dik kompres tegen mijn hoofdwond en wikkelde er verband omheen. Hij neuriede terwijl hij werkte en ik voelde een zachte gloed over mijn wond neerdalen die het ergste van de pijn wegnam. Tegelijkertijd begonnen zijn schouders verder te zakken en kreeg zijn gezicht een vermoeide uitdrukking. Weer was een deel van zijn geestenbescherming aan het vervagen.
‘Daar, meer kan ik nu niet doen,’ zei hij uiteindelijk. Hij haalde een handvol kruiden tevoorschijn. ‘Hier, kauw hierop,’ zei hij. ‘Ik kan niet constant je pijn wegzingen.’
Met een zucht nam ik het heksengras aan en stak het in mijn mond. Ik hield niet van de bittere smaak, ook al wist ik dat het de beste pijnstiller was, naast magie dan.
Tobias keek me bezorgd aan. ‘Het is niet zo erg,’ zei hij. ‘Straks kunnen we er verder naar kijken, terug in het kamp… Het had erger kunnen zijn.’
Ik knikte. Nu het gevaar was geweken en de pijn een beetje gezakt, trilde ik over heel mijn lichaam. Maar ik moest volhouden. Nog even.
‘Wat zeg je ervan,’ zei Tobias na een tijdje. ‘Zullen we eens kijken wat deze stoute meid aan het bewaken was?’
De stoute meid was waarschijnlijk juist een brave meid, dacht ik. Ik besloot niet te reageren.
Tobias klom weer terug naar beneden, liep rond de sokkel en sloeg ertegen met zijn staf. ‘Net wat ik dacht, dit ding is hol.’ Met zijn vinger trok hij een lijn, een paar centimeter van de rand, helemaal rond.
‘Hmmm… kun je dit optillen, denk je, Jethro?’
‘Ik kan het proberen.’
Het heksengras hielp me om mijn geest helder te houden, maar het zou geen pretje zijn. Ik concentreerde me. Een nieuwe pijnscheut schoot door mijn hoofd. Ik deed mijn best die te negeren en volgde de lijn met mijn geest. Tobias had gelijk, de bovenkant van het platform was een soort deksel. Het was ongeveer tien centimeter dik en waarschijnlijk loodzwaar. Ik stak mijn hand uit en probeerde het deksel op te tillen. Het bood een beetje weerstand. Het was ooit met magische sloten beschermd, maar ook deze magie was met de tijd vervaagd. Ik dacht even aan de Sulima. Had ze deze tempel al bewaakt sinds de tijd van de monniken? Dat zou pas indrukwekkend zijn. Of was ze pas later hier gekomen?
Ik oefende wat meer kracht uit. Mijn hoofd protesteerde bonkend. Het deksel beefde, klom een paar centimeter omhoog en viel weer terug.
Ik voelde het zweet over mijn voorhoofd en tussen mijn schouderbladen lopen. Weer waagde ik een poging, met nog meer kracht. De spieren in mijn nek en schouders spanden zich aan. De pijn in mijn hoofd werd bijna ondraaglijk. Ik beet hard op het bittere kruid.
Tobias staarde ongerust van mij naar het platform. ‘Goed zo, jongen. Hou vol,’ zei hij.
Toen ik het deksel nog iets verder omhoog kreeg, verscheen er een kleine opening. Een zoete, weeïge geur steeg op uit het gat, als een composthoop van bloemen. Het zoemende geluid net achter mijn oren werd sterker. Tobias sprong op de rand van het platform en ramde de ijzeren staf in de kier. Het maakte een galmend geluid, dat door de hele ruimte echode.
‘Ja! Geweldig, Jeth!’
Voor Tobias en zijn staf was het nu een koud kunstje om het deksel omhoog te wippen. Hij duwde het aan de kant en met een knal landde het op de grond, waar het in tweeën brak en een wolk stof deed opwaaien.
Het geluid was nu onmogelijk om te negeren en versterkte mijn al barstende koppijn. Zo dichtbij klonk het niet als een eentonig gezoem. Het leek te bestaan uit een tikkend geluid, waarvan ieder tikje zo snel op de andere volgde, dat ze bijna niet van elkaar waren te onderscheiden. Als de hartslag van een knaagdier. Of van honderden menselijke hartslagen tegelijk.
Tobias leunde voorover en haalde iets uit de holte in de sokkel. Een zwakke, roodpaarse gloed verlichtte zijn gezicht.
‘Wow,’ zei hij.
Met al mijn kracht duwde ik me overeind en klom ik naar beneden. Dankzij Tobias’ genezing en het kruid was mijn duizeligheid vrijwel verdwenen. De voet waarmee ik de Sulima had getrapt kon mijn gewicht nauwelijks dragen. Ik hinkte dichterbij en keek over Tobias’ schouder naar het ding in zijn hand. Het was een voorwerp ongeveer even groot als een mango. Glad en ovaal, ogenschijnlijk gemaakt van kristal. Binnenin zagen we een paar slierten robijnrood en dieppaars, als rode wijn die in een glas water wordt gegoten. De slierten waren bevroren. Ze bewogen niet, ook niet toen Tobias het voorwerp heen en weer bewoog.
‘We hebben het gevonden,’ fluisterde ik.
Een van de Onheilige Urnen van de Atalanti-orde. De voorwerpen die de hoogste leden van de orde in staat hadden gesteld om hele steden plat te leggen. Om continentale verschuivingen te ontketenen. Om mensen niet alleen te doden, maar hen volledig uit het bestaan te wissen. Duizend mensen waren gestorven om dit kleinood te maken.
De kracht van duizend zielen.
Voor zover we wisten, waren er vijf gemaakt. En Tobias hield er een vast…
Het lag in zijn hand als een prul dat je op een markt kon kopen. Een goedkoop versiersel voor op de schoorsteenmantel, nauwelijks de moeite waard. Het was duidelijk inactief. Geen magie duurt eeuwig, tenzij die wordt gevoed met nieuwe energie.
‘Kijk nou toch. Dat is wel een beetje pijn waard, hè?’ zei Tobias. ‘Gelukkig is het in sluimerstand. Kun je je voorstellen wat er zou gebeuren als zijn krachten zouden ontwaken?’
Met mijn rechterhand reikte ik achter me.
‘Heel goed zelfs,’ fluisterde ik.
Mijn hand omklemde het heft van het mes dat ik daar verborgen had, dat ik op de Savorniense zwarte markt had laten maken. Het had een lang, dun, diepzwart blad, met runen gegraveerd.
Zelfs in hun verzwakte staat hadden Tobias’ beschermgeesten een dolkstoot in zijn rug waarschijnlijk kunnen afweren, maar niet een stoot van een wapen dat zijn eigen naam in runentekens droeg. Zonder weerstand drong het mes dwars door zijn magische bescherming, zijn leren jas, zijn huid, zijn linkerlong, zijn hart. Hij had niet eens de tijd om meer geluid te maken dan een klein, verbaasd kreuntje. Komisch bijna.
Ook ik had wat trucjes achter de hand.
Tobias’ lichaam zakte tegen het platform als een zak meel. Staf en Urn vielen uit zijn handen. Uit de wond in zijn rug liep een straaltje bloed dat op de grond drupte en langzaam een plas begon te vormen. De rand daarvan raakte de Onheilige Urn.
Ik liet het mes vallen en pakte de Urn op met mijn linkerhand. Onmiddellijk zong ik de woorden die ik maanden geleden uit mijn hoofd had geleerd. De spreuk die ik had samengesteld uit tientallen Atalanti-geschriften en die, als mijn berekeningen klopten, Tobias’ ziel zouden vangen.
De tempel leek te huiveren door de verboden woorden. Ik verbeeldde me dat ik het blauwe, mistige licht weer zag, nu met mijn ogen open. In de mist doemden weer gedaantes op. Honderden dode monniken keken op me neer.
Er veranderde uiterlijk niets aan Tobias’ lichaam, maar zijn essentie, zijn krachtige levensenergie, maakte zich los en nestelde zich in de Urn. De kleurrijke linten binnenin begonnen langzaam te bewegen. Een warme gloed verwarmde mijn hand. Mijn hoofdpijn was op slag verdwenen. Een tintelend gevoel verspreidde zich door mijn lichaam. Van de tippen van mijn vingers, door mijn arm, naar mijn hoofd, mijn borst, mijn buik, mijn heupen, mijn benen.
Het was heerlijk. Maar alleen het ontwaken van de Urn was niet genoeg, wist ik.
Mijn borstkas begon zacht aan te voelen. Wat er nu moest gebeuren, vreesde ik met heel mijn wezen. Wie zou er niet vrezen?
Mijn hart was niet sneller gaan kloppen toen ik mijn oude mentor neerstak. Daar had ik me op voorbereid. Nu begon het hard tegen de binnenkant van mijn ribbenkast te slaan. Langzaam maakte ik de knoopjes van mijn hemd los en ontblootte ik mijn borst. Het leek of de Urn me aanmoedigde. Doe het. Doe het!
Ik legde mijn rechterhand op mijn borst. Mijn vingers drukten door mijn huid. Het deed geen pijn, het voelde alsof ik in een kom pap reikte. Mijn borstbeen was zo zacht als modder. Mijn hand vond mijn hart en klemde het vast. Ik voelde het bonzen in mijn handpalm. Bonk BONK. Bonk BONK.
Ik kan dit niet!
Doe het!
Ik kon niet meer terug. Met een wanhopige schreeuw klemde ik mijn hart steviger vast en rukte het uit mijn borst. Dát deed wel pijn. Honderd, duizend keer erger dan toen de Sulima me voor mijn hoofd schopte. Mijn knieën konden mijn gewicht niet meer houden. Mijn zicht werd wazig. Ik voelde gal oprijzen in mijn keel. Ik kon niet stoppen. Niet met mijn nog steeds kloppende hart in mijn hand, rood en kleverig van mijn eigen bloed. Nu moest ik snel zijn.
De kleurenlinten in de Onheilige Urn waren groter en feller geworden. Ze vulden nu het hele kristal. De rode en purperen draden draaiden om elkaar heen in een bedwelmende dans. Ik hijgde, haalde snel en oppervlakkig adem. Ik drukte het kristal tegen mijn borst. Net als mijn hand eerst, ging het door de huid, door het borstbeen, en vulde het gat waar mijn hart had gezeten. Ik voelde hoe het ronddraaide en zijn plek innam.
Mijn lijf verstijfde.
Binnenin woei een orkaan.
Een golf van energie gonsde uit de Urn en vulde mijn hele wezen. Mijn hart, nu een levenloos, vlezig object, viel uit mijn hand. Mijn ogen rolden naar achter in hun kassen. Ik kon niets zien, niets horen of ruiken. Ik registreerde niets, alleen golf na golf van extatische energie. De tempel, de puinhoop van het standbeeld, het lijk van Tobias, alles was irrelevant.
De kracht van duizend zielen.
Niemand, zelfs ik niet, wist meer precies waar de Atalanti toe in staat waren geweest. Nu zou ik het eindelijk zelf kunnen ervaren. Ik kon al een glimp opvangen van de magische potentie die nu door mijn aderen stroomde. Genoeg om deze hele berg te doen instorten op het levenloze lichaam van mijn mentor. En die kracht zou de komende maanden alleen nog maar groeien.
Zulke macht ongebruikt te willen laten, het idee alleen al maakte me razend. Al die jaren braaf en bescheiden luisteren naar de gildemeesters… Die visieloze, ingeslapen sullen… Het was voorbij.
Zelfs als je vindt wat je zoekt, Jethro, zul je er geen plezier aan beleven.
Dat zullen we nog wel eens zien…

Dit is het einde van deel 2. Lees ook deel 1.

Over de auteur:
Thomas Nolet begon met schrijven toen hij acht was en bleef dat doen totdat hij ging studeren. Daarna werd hij lange tijd afgeleid door andere zaken, maar sinds kort heeft hij de draad weer opgepikt. Met het verhaal De kracht van duizend zielen haalde hij in 2021 als hoogste debutant de vijfde plaats bij de Waterloper-wedstrijd.
Een grote inspiratiebron is de Discworld-serie van Terry Pratchett. De Schijfwereld is een genadeloze spiegel voor de maatschappij. Pratchett toont aan dat Fantasy niet alleen vermakelijk kan zijn, maar ook iets te vertellen kan hebben over ons als mensen in de ‘echte’ wereld.

Over de illustrator:
Mijn naam is Laura Jebbink. In 2016 ben ik afgestudeerd aan de Wageningen Universiteit en ben ik opgeleid tot ecoloog. Tekenen en schilderen is altijd een groot onderdeel geweest van mijn leven en sinds 2021 ben ik dan ook als illustrator aan de slag gegaan. Het fantasy-genre heeft altijd een grote aantrekkingskracht op me gehad door de vrijheid die het me geeft en laat voelen. Van jongs af aan zijn draken dan ook een van mijn favoriete onderwerpen. Ook maak ik graag natuurillustraties waarbij ik mijn studie en mijn passie kan combineren.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Thomas Nolet & Laura Jebbink

You cannot copy content of this page