web analytics
maandag, februari 6

Vertelling: De kracht van duizend zielen – deel 1

Door Thomas Nolet

‘You call this archeology?’
Professor Henry Jones, Indiana Jones and the Last Crusade

 

‘Zag je dat?’ Ik bleef staan en tuurde naar de rotsen en struiken achter ons.
Tobias keek niet eens om. ‘Ja, ik zag het.’ Zijn toon was licht en kalm, zelfs een beetje nonchalant. Hij bleef doorlopen, zijn staf tikte op de rotsachtige bodem. Ik liep ook door. Een paar stappen verder keek ik nog een keer achterom. Er was geen teken meer van wat ik net nog wel zag: de schim van een groot wezen tussen de bomen, zo wit als de wolken.
Geen levend wezen, vermoedde ik. Het bos was vol geluiden: het ruisen van de wind in de takken, het gekabbel van het water in het beekje naast ons en voor ons uit het geraas van een waterval. Maar ik had het afgelopen uur geen dierengeluiden meer opgevangen. Geen geritsel in de struiken, geen getsjirp vanuit de bomen.
Misschien een natuurgeest die ons in de gaten hield. Als Tobias zich geen zorgen maakte dat we werden achtervolgd, ging ik dat ook niet doen. Ik haastte me om me weer bij mijn mentor te voegen. Ook al was hij veel ouder (bijna zestig), hij was veel gespierder en atletischer dan ik. Zijn gezicht was doorgroefd met diepe lijnen en zijn borstelige baard en haren waren peper-en-zoutkleurig. Mijn haar was witter dan dat van hem, maar niet van ouderdom.
Het was een drukkend hete dag. De frisse geur van de stroom werd vermengd met de geuren van droge dennennaalden en mos.
Tobias liep vastberaden voort. We volgden de oever van het bergstroompje. We wisten dat onze bestemming bij de waterval moest liggen, dus we hoefden alleen de bergbeek te volgen. Hoewel ik degene was die de locatie van de tempel had ontdekt, was hij degene die voorop ging, zoals altijd. Het was vier dagen geleden dat we voor het laatst een nederzetting waren gepasseerd en in een echt bed hadden geslapen. Vanochtend hadden we ons basiskamp verlaten, en ondanks het steile, rotsachtige terrein waren we goed opgeschoten. De zon stond hoog aan de hemel en weldra zouden we ons doel bereiken. Gelukkig maar. Een tempel van de orde van de Atalanti bezocht je het liefst niet in de avond of de nacht.
Een extra steil rotspad deed me naar adem happen. Tobias was al lang boven en keek op me neer. ‘Kun je het een beetje bijhouden, jongen?’ riep hij. Zijn ogen sprankelden en hij had een jongensachtige grijns op zijn gezicht.
Ik keek vernietigend terug.
Aan zijn uitrusting zou je niet zo gauw kunnen zien dat hij een sjamaan was. Hij moest niets hebben van de onpraktische gewaden die de meeste dorpssjamanen droegen. In plaats daarvan droeg hij een eenvoudige katoenen broek en linnen hemd en stevige, leren laarzen, net als ik. Ondanks de warmte had hij een leren jasje aan, dat versleten was bij de ellebogen en de knoopsgaten. Hij had alleen een paar buidels aan zijn gordel hangen, maar ik wist uit ervaring dat hij daar precies de juiste spullen in had zitten. Terwijl we de zware tas met voorraden, die ik droeg, nauwelijks nodig zouden hebben.
Tobias glimlachte om mijn boze blik, als een geduldige vader, en ging verder, nog steeds in een moordend tempo.
Het geluid van de waterval werd luider. We betraden een open plek aan de voet van een hoge rotswand. Water viel in een rechte lijn naar beneden vanaf de top van het klif en stortte met luid geraas in een donker meer, van waaruit het beekje ontsprong. Op een paar schapenwolkjes na was de lucht sprankelend blauw. Het was een veel te mooie dag om een duistere tempel in te gaan.
Op ongeveer driekwart van de rotswand was een smalle richel, die doorliep tot achter de waterval. Daar zag ik de rand van een donkere opening. Er was geen zichtbare manier om bij de richel te komen.
Een gewone sterveling zou kunnen genieten van deze plek. Diep de geur van het ijskoude water opsnuiven, misschien zijn laarzen uittrekken en pootjebaden in de poel. Ik wist donders goed dat de serene sfeer maar schijn was. Eronder voelde ik een verontrustende ondertoon, als een bijna onhoorbare dissonant in een concertuitvoering. Het leek vanuit de opening achter de waterval te komen. En iets anders viel me ook op. In een waterval van deze pracht en grootte, zou normaliter een behoorlijk sterke natuurgeest huizen, of een groep waternimfen op zijn minst. Maar daar was niets van te merken.
‘Nou, daar zijn we dan. Laten we ons klaarmaken,’ zei Tobias vrolijk. Alsof hij niet hetzelfde kon voelen als ik.
Hij plofte neer met een grom, legde zijn staf neer en begon te mediteren. Met zijn ogen gesloten tekende hij met kleine handgebaren runen in de lucht, terwijl hij zachtjes spreuken zong. Ik volgde Tobias’ voorbeeld, plofte neer en begon mijn geest zo leeg mogelijk te maken om in contact te komen met de geestenwereld.
Door oefening gerijpt bereikte mijn geest vrij snel een hogere staat van bewustzijn en voelde ik de geesten van de natuur ons gadeslaan. De kleine geestjes van de lucht, de aarde, het water, de bomen. Ze waren heel teruggetrokken en stil. Ze bleven aan de randen van de open plek en durfden blijkbaar niet dichterbij te komen. Maar naast me voelde ik dat Tobias een steeds sterker wordende aantrekkingskracht op ze begon uit te oefenen. Uiteindelijk kon een aantal hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en ze kwamen naderbij, bekijken wat die twee mensen hier kwamen doen. Ik probeerde met ze te communiceren, om meer van deze plek te weten te komen. Maar zodra ik hen een vragende gedachte zond, deinsden ze verschrikt terug.
Laat dan ook maar. Bange wezentjes. Bovendien, informatie was niet waar we ze voor nodig hadden.
Tobias was inmiddels al bezig om de geesten om zich heen voor zich te winnen. Door zijn overtuigingskracht bleven ze om hem heen hangen en vormden zo zijn magische bescherming. Deze geesten waren op zichzelf onbetekenende wezentjes, bijna zonder een eigen bewustzijn. Maar gezamenlijk versmolten ze tot sterke samenwerkingsverbanden, die Tobias extra kracht, perceptie en bescherming boden.
Hij zou het nodig hebben.
Ook ik traceerde runen in de lucht en zong de juiste woorden. Zoals ik had verwacht, vonden de geesten mijn mentor een stuk interessanter. Ik klemde mijn tanden op elkaar en deed wat meer mijn best. Een paar geestjes bleven plakken en daarna kwamen er meer bij. Het voelde als een soort beleefde interesse. Het was frustrerend om te zien met hoeveel gemak Tobias grote hoeveelheden geesten om zich heen verzamelde, alsof het niets was. En hij kon ze ook nog eens veel langer vasthouden. Mindere sjamanen konden slechts dromen van zoveel spirituele macht.
Ik was zeker geen mindere sjamaan. En daarbij, ik kon dingen die Tobias niet kon. Toch stak het me dat hij na al die jaren nog steeds zoveel beter was in die simpele natuurmagie van hem.
Terwijl Tobias de laatste hand legde aan zijn magische bescherming en ik nog worstelde met de wispelturige geestjes om me heen, naderde vanuit het bos een andere aanwezigheid. Het was het wezen dat ik eerder had gezien. Een witte wolf, een erg groot exemplaar. Haar gele ogen schenen fel als een gloeilicht. Ze kwam dichterbij en torende boven ons uit. Dit was geen gewone wolf, ik voelde duidelijk de aanwezigheid van een krachtige geest. Ik zette me schrap voor een ongetwijfeld formidabele strijd, zelfs voor ons. Vreemd genoeg voelde ik geen vijandige intenties. Nog niet.
Tobias kwam uit zijn meditatieve staat en kwam rustig overeind. Hij stond recht tegenover het gigantische beest, de kalmte zelve. Hij boog terwijl hij het wezen bleef aankijken en zei: ‘Gegroet, nobele ziel.’
Het antwoord kwam rechtstreeks in mijn hoofd. Niet als echte woorden, maar meer met een mengeling van beelden en emoties, zoals geesten communiceren. Mijn hoofd maakte er begrijpelijke woorden van.
Ga weg. Jullie zijn niet welkom.

© Laura Jebbink

Tobias maakte verzoenende gebaren. ‘We zijn slechts onderzoekers, wetenschappers. We hebben geen slechte bedoelingen.’
Ga weg. Jullie aanwezigheid is slecht.
De houding van de wolf veranderde. Ze zakte door haar voorpoten, legde haar oren plat en zette haar nekharen overeind. Vanuit haar opeengeklemde kaken klonk een laag gegrom. Nu voelde ze wel vijandig aan. Ik maakte me klaar om aan te vallen, mijn concentratie tot het uiterste gespitst, de geesten die ik aan me had gebonden paraat. De wolf reageerde door nog luider te grommen en haar tanden te laten zien. Tobias hield me tegen met een handgebaar. In zijn houding lag geen enkele agressie, alleen kalme vastberadenheid.
‘Niet nodig, Jeth. Ik weet zeker dat we het eens kunnen worden. Waarom is onze aanwezigheid slecht?’
Jullie hebben hier niets te zoeken.
‘Ah, juist wel. Wij zijn leden van het Gilde van Historici. Het is onze missie om vergeten plaatsen te onderzoeken en de kennis die hier ligt te verzamelen en te beschermen.’
Of te gebruiken, dacht ik.
Jullie mogen niet verder gaan. De vergeten tempel moet vergeten blijven.
‘Beetje laat daarvoor,’ mompelde ik.
Tobias glimlachte. ‘Hij heeft gelijk. De tempel is niet langer vergeten. Nu we deze plaats hebben ontdekt, hebben we een plicht te vervullen. Als een plek eenmaal is gevonden, zal hij ook anderen aantrekken. Het is beter dat wij hem onderzoeken. Wij weten wat we doen en onze bedoelingen zijn goed.’
De wolf keek ons lang en indringend aan. Tobias was onverstoorbaar. ‘Kom, uw taak is voorbij, nobele wolf. Laat ons door.’
Niet alleen mijn taak, ook mijn vrees. Niet alleen jullie doem wacht daarbinnen.
De wolf bleef grommen, maar ze voelde niet vijandig meer. Ik zag haar poten trillen. Ze was niet boos. Ze was doodsbang.
‘Het spijt me, beste geest, maar wij moeten verder. Het is uw taak om deze plek te beschermen, en het is onze taak om haar te onderzoeken.’
Pfah, niks taak! Nieuwsgierigheid en hebzucht, grauwde de wolfgeest. Mensheid is nooit tevreden. Jullie zullen ons allemaal verdoemen.
‘Nieuwsgierigheid heeft er ook wat mee te maken,’ gaf Tobias toe. Hij negeerde de ‘hebzucht’. ‘Niks mis mee. En om eerlijk te zijn, denk ik dat u een beetje overdrijft met al dat “doem”-gepraat. We hebben geen kwaad in de zin en we weten dat we voorzichtig moeten zijn. Dit is niet de eerste Atalanti-tempel die wij onderzoeken. Nou, wilt u ons alstublieft doorlaten?’
Dat wil ik niet! Het gegrom werd luider.
De oude man zuchtte. ‘Goed dan. Het spijt me dat het zover moest komen.’
De wolf sprong. Op hetzelfde ogenblik hief Tobias zijn handen omhoog en sprak een toverwoord. Een van zijn gebonden geesten reageerde onmiddellijk. Een heldere zonnestraal schoot omlaag en ving de wolfgeest midden in haar sprong. Het beest kromp ineen. Iets ontsnapte aan het lichaam en loste op in het licht. Het was in een flits voorbij. Letterlijk. Zelfs ik, die mijn mentor nauwlettend in de gaten hield, werd door de plotselinge aanval verrast. Een goede waarschuwing voor mij dat Tobias niet te onderschatten was.
De wolf zag er nu ineens heel anders uit, met een normale grijze vacht. Het beest schoot het bos in. Door het geritsel in het struikgewas hoorden we dat ze zich met een noodvaart uit de voeten maakte. Was ze bang voor ons, of voor deze plek?
Ik keek van opzij naar Tobias. Hij staarde bedachtzaam het bos in, zijn ogen half gesloten.
‘Uitslover,’ zei ik. ‘Moeten we niet onze krachten sparen? Was dat nou nodig?’
Tobias zuchtte. ‘Misschien. Ik denk het wel. Haar vernietigen zou pas echt veel kracht hebben gekost. Dat was een Sulima.’
Een Sulima? Ik keek ongerust om me heen. Sulima’s waren krachtige en zeer fanatieke wachtersgeesten. Ik kon niet geloven dat ze zich zo gemakkelijk had laten verjagen. ‘Weet je het zeker?’
‘Heel zeker. Dus wees blij.’ Hij grijnsde naar me. ‘Ik had het vreselijk gevonden als ze jou iets had aangedaan.’
Hij pakte zijn staf, liep naar de rotswand en klom daar op een grote kei. Hij staarde een tijdje omhoog. Nietig leek hij, zo vlak naast de gigantische waterval. Hij gebaarde dat ik dichterbij moest komen en ik gehoorzaamde. De temperatuur daalde een paar graden bij de luidruchtige muur van ijskoud water.
Tobias sloeg me op de schouder. Ook al stond hij vlak naast me, hij moest schreeuwen om zichzelf verstaanbaar te maken. ‘Nu is het jouw beurt, jongen.’
Ik knikte, sloot mijn ogen en begon me te concentreren. Tijd om mijn zogenaamde ‘talent’ te gebruiken. Tobias kon de geesten van de natuur beheersen, de geesten van de lucht, het licht, het vuur, en een heleboel andere mindere entiteiten. De meeste sjamanen konden dat, in meer of mindere mate. Zo af en toe echter ontwikkelden sjamanen een extra, unieke vaardigheid. Sommigen hadden de macht om de toekomst te voorspellen, om te reizen via schaduwen of bomen, om voorwerpen uit het niets op te roepen. Niemand wist precies waarom de een wel een talent ontwikkelde en de ander niet. Men nam aan dat het om speciale gunsten uit de geestenwereld ging. En de beweegredenen van geesten waren niet altijd even makkelijk te verklaren.
Ook ik had zo’n talent. Althans, dat is wat ik de gildemeesters liet geloven. In werkelijkheid was mijn talent niet afkomstig van de geesten. Drie jaar geleden had ik ze laten merken dat ik meer kon dan de gemiddelde sjamaan. Ik had controle over een van de fundamentele grote krachten: zwaartekracht.
De gildemeesters waren extatisch, natuurlijk. Een talent als dat van mij… Dat was pas handig bij onze meestal gevaarlijke excursies. Dat mijn haar wit begon te kleuren, zagen ze als een onschuldig bijeffect, niet als een teken dat ik aan het experimenteren was met verboden, vergeten krachten. Tobias was apetrots. Als hij zich wat meer had verdiept in de werkelijke bron van mijn talent, had hij misschien beter geweten. Hoe wijs mijn mentor ook was, hij was ook ontzettend goed van vertrouwen.
Ik sloot mijn ogen. De kracht die ik nu zocht, kwam niet van buiten, zoals de geesten die ons omringden, maar van binnen. Van vlak achter mijn hart, het centrum van mijn wezen. Een kloppend gevoel, bijna gelijk met mijn eigen hartslag. Ik opende mijn ogen en richtte mijn open handpalm naar de kei onder mijn voeten en zond de kracht van mijn wezen uit. Ik wilde dat de kei lichter werd. Lichter dan de grond, lichter dan de lucht. Hij begon te trillen. Vlokken mos en klonten zand vielen in de kuil die ontstond toen wij langzaam loskwamen van de grond.
We stegen op in een rechte lijn, terwijl ik balanceerde tussen opperste concentratie en ontspanning. Het was als balanceren op een draad van een spinnenweb. Een ogenblik van onoplettendheid en de kei zou zich zijn ware gewicht herinneren en weer naar de grond vallen, nu ruim vijftien meter onder ons.
Binnen een paar seconden waren we op gelijke hoogte met de richel. De koele waterdruppels van de waterval vermengden zich met de zweetdruppels op mijn voorhoofd. Zodra ik beide voeten op de gladde, natte rand had staan, liet ik mijn concentratie varen. De kei stortte terug naar de grond en kwam ver beneden ons met een enorme klap neer.
Tobias keek me aan met een sprankeling in zijn ogen. ‘Goed gedaan,’ riep hij boven het gebrul van de waterval uit.
Het onbestemde gevoel van dreiging dat ik beneden had gevoeld, was hier sterker. Het kwam uit de opening achter de waterval, uit de vergeten tempel van de Atalanti-monniken. Uit het voorwerp dat daar verborgen moest liggen.
‘Ben je er klaar voor?’ riep Tobias, met zijn staf wijzend naar de opening.
Ik knikte. Zo dichtbij…
Tobias liep de duisternis in en ik volgde hem.

Vergeleken met andere Atalanti-tempels was dit complex klein en onopzienbarend. Misschien omdat het bestond uit bewerkte grotten in plaats van in de jungle opgebouwde tempels. De natuurlijke gang achter de waterval liep af, diep de rotswand in, en kwam uit in een klein grottencomplex, waarvan de wanden deels bewerkt waren. Openingen waren vergroot. Sommige vloeren waren egaal gemaakt en op schijnbaar willekeurige plaatsen ingelegd met inmiddels versleten mozaïeken. Wanden waren versierd met fresco’s. De lucht was vochtig en koud. Uit de tas had ik een dikke wollen poncho en twee gloeilichten gepakt. Het zacht suizende geluid van de lampen overstemde bijna het geruis van het water, nog steeds hoorbaar op de achtergrond.
Ik liet mijn licht over een van de wanden schijnen. De fresco’s waren half vergaan, maar toch kon ik duidelijk zien dat ze bij lange na niet zo opzichtig waren als gebruikelijk in Atalanti-tempels, met een overvloed aan naakte mensen die werden gefolterd door demonen in dierlijke en monsterlijke vormen. Dit waren taferelen van meditatie en aanbidding, in subtiele blauwe en groene tinten. De beeltenissen van de geesten, half menselijk, half dierlijk, zagen er rustig en vredelievend uit. Ook al was de stijl van de tekeningen onmiskenbaar Atalanti, het was totaal niet wat ik had verwacht, alsof een compleet andere geestelijke orde deze tekeningen had gemaakt.
De tempels van de Atalanti stonden bekend om de dodelijke vallen en magische illusies. Het Gilde der Historici had er boeken vol over geschreven. Sommige waren van de hand van Tobias zelf. Hier: niets van dat alles. Geen valkuilen of vallende stenen. Geen skeletten van onfortuinlijke avonturiers die ons voor waren gegaan. Ook geen overblijfselen van monniken die in hun eigen tempel waren gestorven.
Om eerlijk te zijn: ik was een beetje teleurgesteld. Ik had me klaargemaakt voor een tempel vol gevaar, gevuld met beelden en fresco’s die de meest gruwelijke situaties tentoonstelden. Niet deze weke plek van contemplatie en bescheidenheid.
‘Is dit wel een tempel van de Atalanti?’ vroeg ik me hardop af.
‘Het lijkt er wel op,’ zei Tobias. Ook hij klonk verbaasd. Hij stond naast een rij van zes stenen, manshoge gebedsmolens. De reliëfs met symbolen waren onleesbaar verweerd. Hij probeerde een molen te draaien, maar er zat geen beweging meer in. ‘Misschien een vreedzame groep, die zich heeft afgesplitst van de orde?’
Een vreedzame groep Atalanti? Ik had er nog nooit van gehoord. En ik had vrijwel alles gelezen wat er bekend was over de Monniken des Doods, inclusief een aantal werken waar mijn meesters niets vanaf wisten. Hoe zij geloofden dat ware macht alleen bereikt kon worden vanuit de ziel van de opperste wezens in de natuur: wij dus. De menselijke essentie was oneindig veel krachtiger dan die van de mindere geesten van de natuur. Zij waren in staat geweest tot magische kunsten waar we nu alleen nog van konden dromen, met alleen de kracht van hun ziel. Kunsten die bovendien veel langer stand hielden dan de kortstondige magie van nu. Maar de monniken hadden het niet bij hun eigen essentie gelaten. Want als je met de essentie van je eigen ziel al zoveel kon bereiken, hoe ver kon je dan wel niet komen als je ook die van anderen tot je beschikking had?
Op het hoogtepunt van hun macht, de tijd van de Onheilige Urnen, hadden zij grote groepen mensen omgebracht om hun zielen te oogsten en te gebruiken in hun artefacten. Duizend zielen per Urn. Ze hadden hele bevolkingsgroepen in hun macht gehouden, puur uit angst voor hun magische oppermacht. Maar uiteindelijk hadden de Monniken des Doods zichzelf vernietigd in een catastrofe die we nog steeds niet helemaal begrepen. Ze waren volledig verdwenen en de Urnen ook. Alleen een paar verlaten tempels waren overgebleven.
‘Of misschien is het een afleiding,’ zei ik. ‘Om te verbloemen wat hier werkelijk gebeurde.’
Ook dat leek me eigenlijk een onlogische verklaring. Het gevoel van onheil, het sinistere gezoem, was niet te verbloemen met een paar mooie plaatjes.
Ik keek nogmaals om me heen en voelde de stilte van de eeuwen in de ruimte hangen.
‘Tobias?’
‘Ja?’ hij draaide zich om en zijn lichtbundel scheen midden in mijn gezicht. Ik schermde mijn ogen af met mijn hand.
‘Oh, sorry, wat is er?’ vroeg hij.
‘Denk je echt dat het hier ligt?’
Tobias kwam dichter bij me staan en schonk me een geamuseerde glimlach, ondanks de ernst van het onderwerp. ‘Twijfel je daar nog aan?’
Dus hij voelde inderdaad hetzelfde als ik.
‘En wat doen we als we… als we het gevonden hebben?’
Zijn uitdrukking werd serieuzer. ‘Daar hebben we het al over gehad, Jeth. We brengen het terug naar Savornien. We stoppen het veilig weg. We laten onze beste artefacters het bestuderen. Misschien kan het ons iets meer vertellen over wat er precies gebeurd is tijdens het Cataclysme. Of over hoe we de macht van de monniken kunnen tegengaan, mochten ze ooit terugkeren. De nieuwe sektes…’
‘En mag ik echt niet meewerken aan het onderzoek?’
Tobias zuchtte. ‘Nee, Jethro. Ben je een gildemeester?’
‘Nee, maar…’
‘Ben je een artefacter?’
‘Nee! Maar… Er is niemand die meer weet van de Atalanti dan ik. Mijn kennis… ‘
‘Ik weet het, jongen. En jij weet ook dat het besluit van de gildemeesters vaststaat. Het is te gevaarlijk en je bent nog te…’
‘Te jong,’ bromde ik.
‘Ik wilde zeggen te onervaren. Ach, het komt op hetzelfde neer. Het spijt me, jongen.’
Ik zweeg. Zijn antwoord kwam niet onverwacht. Gildemeesters, waaronder Tobias, kwamen niet licht op hun besluiten terug. Bovendien, ik had heel andere plannen dan helpen bij het onderzoek. Waarom had ik het dan toch gevraagd? Geen idee. Het gevoel dat ik zo dicht bij mijn doel was, maakte me nerveus.
Tobias keek me aan. Zijn gezicht was in schaduwen gehuld. Las ik nu aarzeling in zijn blik?
‘Kom, laten we verder gaan,’ zei hij, en hij liep een nieuwe gang in.
Ik volgde hem en botste bijna tegen hem aan. Hij was bijna direct stil blijven staan, een paar meter de gang in.
‘Jeth, kijk!’ Hij richtte zijn lamp op een opening in de muur. De lichtbundel liet een nieuwe gang zien, die steil omlaag liep. Plots verdween het gat en was er alleen een effen rotswand te zien. Tobias stak zijn hand er dwars doorheen. Een illusie! Eentje die duidelijk half vergaan was: het beeld flikkerde aan en uit.
‘Geen enkele magie duurt voor eeuwig,’ zei Tobias. ‘Zelfs niet die van de Atalanti. Kom…’
De gang achter de illusie bracht ons nog dieper de berg in. We moesten inmiddels honderden meters de berg in zijn gelopen en ik kon de tonnen rots boven mijn hoofd bijna voelen. De waterval was nu niet meer te horen. We waren alleen met onze voetstappen, het suizen van de lichten, het getik van Tobias’ staf, en het lage achtergrondgeluid, waarvan je steeds bijna vergat dat het er was, maar dat ook nooit helemaal wegging.
De lucht werd droger. Ik legde mijn hand op een van de stenen wanden. Deze voelde nog steeds koud aan, maar een stuk minder vochtig.
We passeerden nog meer kleine, half natuurlijke grotten en vonden nog meer gebroken illusies. We liepen langzaam en voorzichtig, voortdurend op onze hoede voor vallen. Tobias keek ernstiger dan gewoonlijk. Ik begon weer te twijfelen, het idee te krijgen dat we compleet verkeerd zaten, ondanks het groeiende gevoel van sluimerende spanning.
En toen bereikten we de echte tempel.
We betraden een gigantisch grote, diepe kamer. De vloer was verdeeld in concentrische cirkels, waarvan iedere cirkel steeds een manshoogte dieper lag dan de vorige. Het was exact het omgekeerde van andere Atalanti tempels die we hadden gevonden: kegelvormig en getrapt. Ze hadden een complete gespiegelde tempel uit de rots gehouwen.
De vloer van iedere cirkel was bezaaid met beenderen en schedels. Menselijke schedels.
Het licht van onze gloeilichten reikte niet ver genoeg om de centrale cirkel te verlichten, ver beneden ons, maar in de schaduwen daar zag ik een grote figuur rechtop staan. Een standbeeld, waarschijnlijk.
Buiten de indrukwekkende architectuur was de tempel kaal en bescheiden. Ook hier waren de wanden versierd met rustige, vredelievende fresco’s. Alleen het subtiele gevoel van onrust was sterker hier. Het had niets te maken met de tientallen skeletten waar we langs liepen. Skeletten waren niet zo beangstigend als de beklemming die in de lucht hing, een omineus gevoel, alsof iemand mijn ingewanden vastgreep en ronddraaide. Of als het lage zoemende geluid, dat ik inmiddels tot in mijn tandvlees voelde.
Er was iets opmerkelijks aan de skeletten. Het was duidelijk dat ze van menselijke oorsprong waren. Maar ik kreeg niet de indruk dat ze door geweld om het leven waren gekomen. Daarvoor lagen ze te netjes, te gerangschikt. Alsof ze allemaal op hetzelfde moment, in dezelfde houding gestorven waren, hun blik gericht op het midden van de kamer.

Mijn mentor klom omlaag van cirkel naar cirkel, naar het centrum van de tempel. Hij liep tussen de skeletten door, lichtvoetig, zonder ze te verstoren. Ik volgde hem op een afstandje.
Onze lichten onthulden het object in het midden, inderdaad een standbeeld, staande op een rond platform. Het was een Monnik. Het kale hoofd had vrouwelijke trekjes, maar de rest van het lijf vertoonde geen geslachtskenmerken. Onmogelijk te zeggen of ze naakt was, of gehuld was in een nauwsluitend pak, zoals de monniken vroeger hadden gedragen. Ze had haar armen gestrekt naast haar lichaam en haar palmen waren open, naar voren gericht.
Tobias was al op het laagste niveau. De vloer daar was leeg. Ik bleef een verdieping hoger. Ik liep om het standbeeld heen totdat ik recht in haar stenen ogen kon kijken.
‘Prachtig!’ fluisterde Tobias. ‘Moet je zien hoe goed het bewaard is gebleven.’
Hij bestudeerde het beeld aandachtig. Ik besteedde er geen aandacht aan. Ik was gefocust op het artefact dat we zochten. Ik kon voelen dat het dichtbij was: het gevoel van dissonantie was zo sterk hier, het beïnvloedde mijn ademhaling. Ik merkte dat ik hyperventileerde. Tobias ook, zijn stem klonk heser dan normaal.
De sokkel, gokte ik. Het leek de meest voor de hand liggende rustplaats: het centrum van de tempel. Hoe konden we erbij komen? Misschien was er een of andere knop of hendel om een geheim compartiment te openen. Niet echt origineel, maar je wist nooit…
Ik had geen zin om de hele kamer te doorzoeken. Misschien was er een makkelijkere manier. Misschien lagen er hints verscholen in de geestenwereld. Ik ging zitten, legde mijn tas en lamp naast me neer, sloot mijn ogen en nam drie grote teugen adem. Het was moeilijk om mijn ademhaling onder controle te krijgen vanwege het voortdurende gevoel van onrust. Met wat moeite lukte het me uiteindelijk. Het geluid van Tobias’ voetstappen en ademhaling verdween naar de rand van mijn gehoor. Ik was me nog steeds bewust van hem, maar nam nu ook een ander vlak waar.
In de duisternis achter mijn gesloten oogleden begon een blauw licht te schijnen. Ik kon de hele ruimte nu vaag voor me zien als door een dunne nevel. Ik zag honderden figuren op de grond van de cirkels zitten. Allemaal kaalgeschoren, allemaal gehuld in de nauwsluitende wikkelpakken van de Monniken des Doods. Sommigen hadden duidelijk mannelijke of vrouwelijke gelaatstrekken, maar bij de meesten was het geslacht onmogelijk vast te stellen. Hun ogen waren gericht op het centrum van de kamer. Daar aan de voeten van het standbeeld was een duistere plek, als een zwart gat dat al het blauwe licht opslokte.
Een ander licht verscheen, vanuit de top van de kamer waar we binnen waren gekomen. Het licht had een vaag menselijke vorm, maar geen details, geen contouren. Ik kon er niet rechtstreeks naar kijken. Het kwam dichterbij en waar het ging, wendden de monniken hun blik af van het centrum om het te volgen. Uiteindelijk stond het voor me en voelde ik dat alle monniken mij aankeken. Hun blikken waren overduidelijk vol afkeuring. Toen raakte het wezen mijn geest aan en er verschenen beelden in mijn hoofd. Groot, dwingend.
Ga weg. Jullie horen hier niet.
De Sulima! Ik voelde haar bewustzijn. Ze was vele malen sterker hier dan toen we haar buiten tegenkwamen. Misschien dat de monniken haar kracht gaven. Ik had het gevoel dat ze mijn geest kon verpulveren als ze dat wilde. Ik moest voorzichtig zijn, uiterst beleefd…
Gegroet, nobele ziel… begon ik. Het leek me het beste om Tobias’ diplomatieke woorden te herhalen.
Zwijg en kijk! Ze gebaarde met een vormloze arm. Kijk om je heen. De kracht van duizend zielen. Ze konden het niet vernietigen. Ze konden het alleen verhullen, door zang en gebed, door hun levensenergie. Tot zij tot stof vergingen en de wereld hen vergat. De vergeten tempel moet vergeten blijven! Willen jullie hun offer ongedaan maken?
Haar licht vervulde mijn zicht. Het leek of ik een vlieg was die recht in een gloeilicht keek.
Nee, nee, zeker niet!
Zelfs als je vindt wat je zoekt, Jethro, zul je er geen plezier aan beleven…
De Sulima klonk vol bedroefde berusting. Ze wist dat haar pleidooi zinloos was. Nog nooit had ik zulke sterke emoties in een geest gevoeld. Het verbaasde me niet dat ze mijn naam kende.
Het spijt me, probeerde ik. Ze voelde ongetwijfeld dat ik het niet meende.
In mijn buik begon het gevoel te groeien hoe ongewenst ik was. Ik wilde me er niets van aantrekken, maar het was onmogelijk. Het felle licht van de Sulima, de afkeer van de duizend monniken, ik wilde hier weg. Te laat realiseerde ik me wat er gebeurde: de mentale aanval van de wachtersgeest.
Jullie horen hier niet. Sta op. Ga. Vergeet deze plaats.
Ik stond op, ging, en vergat.

Dit is het einde van deel 1. Lees ook deel 2.

Over de auteur:
Thomas Nolet begon met schrijven toen hij acht was en bleef dat doen totdat hij ging studeren. Daarna werd hij lange tijd afgeleid door andere zaken, maar sinds kort heeft hij de draad weer opgepikt. Met het verhaal
De kracht van duizend zielen haalde hij in 2021 als hoogste debutant de vijfde plaats bij de Waterloper-wedstrijd.
Een grote inspiratiebron is de
Discworld-serie van Terry Pratchett. De schijfwereld is een genadeloze spiegel voor de maatschappij. Pratchett toont aan dat fantasy niet alleen vermakelijk kan zijn, maar ook iets te vertellen kan hebben over ons als mensen in de ‘echte’ wereld.

Over de illustrator:
Mijn naam is Laura Jebbink. In 2016 ben ik afgestudeerd aan de Wageningen Universiteit en ben ik opgeleid tot ecoloog. Tekenen en schilderen is altijd een groot onderdeel geweest van mijn leven en sinds 2021 ben ik dan ook als illustrator aan de slag gegaan. Het fantasy-genre heeft altijd een grote aantrekkingskracht op me gehad door de vrijheid die het me geeft en laat voelen. Van jongs af aan zijn draken dan ook een van mijn favoriete onderwerpen. Ook maak ik graag natuurillustraties waarbij ik mijn studie en mijn passie kan combineren.

 

© 2020 – 2023 Fantasize, Thomas Nolet & Laura Jebbink

You cannot copy content of this page