web analytics
zondag, mei 15

Special Tweestrijd: Vertelling – Droomreiziger

Door Johan Klein Haneveld

Dit is de eerste nacht dat ik me afvraag of ik wel weer wakker zal worden. Het heeft er wel vaker om gescheeld, vooral de afgelopen tijd, maar altijd zag ik een uitweg of wist ik iemand die me kon helpen. Nu ben ik werkelijk alleen. De beveiliger houdt me vast bij mijn bovenarm. Op zijn uniform staat het logo van een groot bedrijf en hij heeft cameralenzen op de plek van zijn ogen. Als ik denk dat hij niet oplet, ruk ik me los. Ik sprint de steeg tussen twee gebouwen in. Mijn voeten plassen door het water dat uit de afvoerputten terug omhoog komt. Links een tweede straat in, rechtdoor een hek over, rechts een derde straat in. Ondertussen zoek ik naar een portaal. Niets te zien in de omgeving, alleen glimmende reclameborden. Ik zigzag langs enkele mannen en vrouwen in lange jassen. Ze houden hun blik strak op de grond voor hun voeten gericht en doen alsof ze me niet opmerken. Hun schouders hangen en een van hen heeft een barcode op de hand getatoeëerd. Ik moet mezelf maar zien te redden. In mijn dromen hoef ik gelukkig nooit bang te zijn buiten adem te raken. Dus ik versnel mijn pas. Opeens komt vlak voor mij de forse beveiliger uit een steeg tevoorschijn. Hij steekt een arm uit en grijpt mij bij mijn kraag.
‘Je ontwijkt je burgerlijke productiviteitsplicht.’ Zijn stem heeft een kraakje als van een luidspreker. ‘Je tijd en energie mogen niet langer verspild worden.’
Mijn keel wordt bijkans dichtgesnoerd. ’Hoe kon je mij vinden?’ weet ik desondanks uit te brengen.
Een camera die schuin boven me aan de betonnen muur hangt, draait mijn kant uit. Aan hem en zijn broers ontsnapt geen zandkorreltje.
‘Je was niet bekend in ons systeem,’ zegt hij. ‘Daardoor kon je een tijd lang je gang gaan. Maar als ik met je klaar ben, blijven de algoritmes altijd op de hoogte van je doen en laten.’
De beveiliger sleurt me mee naar een groot gebouw met spiegelende ramen en op de gevel in neon hetzelfde logo als hij op zijn uniform draagt. Een rode straal scant me en vervolgens brengt hij me naar deze grijze ruimte. Ik moet hier wachten tot ik werk krijg toegewezen. Dat moet ik vervolgens blijven doen, tot in eeuwigheid.

Als tiener keek ik er altijd naar uit te gaan slapen. De droomwereld was nog uitnodigend. Natuurlijk waren er toen ook al duistere hoeken en plekken waar je niet in je eentje heen moest. Er waren steden met totalitaire regimes, maar hackers in coole leren jassen wisten er de systemen te omzeilen. In riolen en verlaten pakhuizen slopen monsters rond. Je moest daar alleen heengaan met wapens op zak. Mijn leeftijdsgenoten waren dol op dat soort plaatsen en vertelden vol verve over de avonturen die ze daar beleefden. Mijn voorkeur ging echter uit naar de ruimtehavens vanwaar gestroomlijnde shuttles vertrokken. Ik wandelde erheen door glooiend aangelegde parken met frisgroen gras, waar de bebouwing zo was aangelegd dat je er voorbijliep zonder er iets van op te merken. In luxueuze ruimtekruisers reisde ik naar werelden met dodelijke begroeiing en woestijnplaneten waar reuzenwormen leefden. Ik sprak met robots die zich aan strakke regels hielden en werd ontvangen aan het hof van keizers, uitgedost in zilverachtige gewaden. Soms kon ik met een tijdmachine naar het verleden om te zien hoe de dinosaurussen leefden en ik zag hoe na miljarden jaren de sterren doofden en de zwarte gaten verdampten. Computers waren nu weer zo groot als huizenblokken en dan weer klein genoeg om op je pols te dragen. Wetenschappers stonden altijd klaar om mijn vragen te beantwoorden.
Sommige bestemmingen waren wel een beetje vreemd. Daar dacht je bijvoorbeeld dat je een loodgieter was terwijl je eigenlijk werkte als geheimagent of andersom.
Ik ontdekte nog andere droomreizigers, die me meenamen naar afgelegen gebieden, alleen per vliegende schotel nog bereikbaar. Vroeger was het daar heel druk geweest, zeiden ze. Maar al generaties lang kwamen er nauwelijks bezoekers meer. Er liepen mannen in rode ruimtepakken, met wapperende capes en gewapend met laserpistolen. De vrouwen droegen soms niet meer dan een bikini en een bubbelhelm. Monsters met bolle ogen en tentakels doken op en vochten met kwaadaardige machines. De verschillende avonturen begonnen voor mij al snel op elkaar te lijken. Ik keerde terug naar mijn favoriete locaties. Er was daar namelijk altijd een nieuw uitzicht om me over te verbazen of een onverwachte ontdekking om me te verwonderen.

Elke morgen stapte ik door een portaal en werd wakker in mijn eigen wereld. Wanneer ik in de badkamer voor de spiegel stond, zag ik steevast een glimlach op mijn gezicht. Als ik gepest werd op school, of als mijn agenda volstond met huiswerk, hielpen de herinneringen aan de vorige nacht me dat te verdragen. Voor een introverte jongen die niet hield van sport of van popmuziek was het leven wel eens lastig te navigeren. Ik moest moeilijke keuzes maken. Wat wilde ik gaan studeren? Zou ik een meisje durven vragen uit te gaan? Mijn dromen waren dan wel bedrog, maar ze boden in elk geval een welkome afleiding.
Na jaren de omgeving van de droomwereld te hebben verkend, begon ik er zelf ook aan bij te dragen. Aanvankelijk kopieerde ik nog de landschappen die ik al kende, maar ik wist ook enkele nieuwe wezens te scheppen. Mijn domein lag kennelijk ver van de gebaande paden want er kwamen nauwelijks andere reizigers. De paar die per toeval op mijn bouwsels stuitten, werden al snel goede vrienden en ik bezocht ook hun creaties.

© Marcel van der Sleen

In het echte leven kwam ik uiteindelijk op een kantoor te werken. Elke dag achter een computerscherm spenderen en over de telefoon boze klanten te woord staan, was niet het bestaan waar ik als tiener op had gehoopt. Ik moest reizen in volle treinen en kwam thuis in een klein appartement. Van daar had ik geen zicht op zee of op een bosrand, maar alleen op andere flatgebouwen. Ondertussen las ik over milieuvervuiling en klimaatverandering. Regenwouden werden gekapt en de bijen stierven. Slechts weinig mensen maakten zich druk om het smelten van de poolkappen en het verdwijnen van diersoorten. Sommigen ontkenden zelfs dat het plaatsvond. De politiek beloofde steeds maatregelen te nemen, maar het kwam er nooit werkelijk van. Het aantal mensen onder de armoedegrens nam toe en vluchtelingen verzamelden zich aan de grenzen, maar miljardairs bleven doorgaan met het oppotten van bezittingen. Naar de inzichten van wetenschappers werd niet meer geluisterd, maar wel naar tv-sterren en populaire figuren op de sociale media.
De droomwereld bleef voor mij altijd een manier om de realiteit even te ontvluchten. Maar de ruimtehavens die ik ooit frequenteerde, raakten in de loop van de tijd vervallen. Schepen voeren alleen nog naar gevaarlijke werelden waar een bezoeker zijn of haar verstand dreigde te verliezen. De planten in de parken verdorden terwijl genetisch gemanipuleerde vliegen en ratten er huishielden. In het verleden was er soms sprake geweest van radioactief stof en waren sommige gebieden na oorlogen onbewoonbaar geraakt. Nu was echter de gehele wereld door ellende getroffen. De temperatuur steeg en het water rees. Terroristen dreigden met aanslagen, maar overal verschenen camera’s om de veiligheid van de inwoners van de droomwereld te kunnen garanderen. Alles wat iedereen zei en dacht werd geregistreerd.
Het steeds verder uitdijende grijs werd af en toe onderbroken door kleurrijke helden en heldinnen, die hoog boven ons vochten met gemuteerde schurken. Hun capes wapperden achter hen, terwijl de vurige stralen uit hun ogen dwars door wolkenkrabbers sneden. Maar zelfs als ze hun tegenstanders wisten te verslaan, veranderde er in de wereld niets. De status quo bleef in stand.
In mijn eigen kleine hoekje van de droomwereld probeerde ik ondertussen iets te behouden van de schoonheid die ik me herinnerde van vroeger. Ik bedacht nieuwe variaties op oude thema’s, liet sondes afreizen naar nog niet verkende planeten. Niemand ging met me mee, maar dat kon me niets schelen. Alleen zijn vond ik niet erg, zolang er iemand zoals ik overbleef die oog hield voor de subtiele kleuren van een buitenaards landschap of de ingewikkelde patronen in een sterrenwolk. Het was echter alsof ik tegen de stroom in zwom. Niet alleen nam ik mijn stemming van overdag mee als ik sliep, maar ook drongen de sombere kleuren van het droomlandschap dat mij omringde, mijn eigen terrein binnen. Aanvankelijk probeerde ik ze tegen te houden, maar ik bleek niet sterk genoeg. Steeds vaker werd ik als ik door een portaal gegaan was, zwetend wakker, met tintelingen in mijn vingers en een bonkend hart. Er hing er een grijze wolk boven me als ik met de dag begon. Het kwam zover dat ik bang was om naar bed te gaan en hoopte op een droomloze slaap. In de droomwereld liet ik mijn projecten voor wat ze waren en dwaalde ik maar wat rond. Ik zocht er niet langer naar verwondering maar had als enige doel de opdringerige verkopers en de gelijkvormige kloons te ontwijken. Een nacht waarin ik niet door zombies of agenten was opgejaagd, was voor mij een succes. En dit keer was het me dus niet gelukt te ontsnappen.

Ik zit op de vloer van een grauw hok, met mijn hoofd steunend in mijn handen. Ik hoop dat iemand mij komt bevrijden. De laatste tijd hoor ik wel eens van nieuwelingen in de droomwereld. Jonge mensen die zien hoe de wereld in elkaar steekt, maar die desondanks niet cynisch zijn geworden. Ze creëren landschappen waar mensen samenkomen van diverse afkomst, met diverse geaardheid. Waar helden geen blanke mannen hoeven te zijn, maar net zo goed uit minderheidsgroeperingen kunnen komen. Hier ontstaan kleine gemeenschappen waar grondstoffen zuinig worden gebruikt en bezittingen worden gedeeld. Deze gebieden zijn nog klein en worden van alle kanten aangevallen door de grijze, eenvormige menigte. Soms bezwijkt een van de nieuwe territoria onder de druk van buiten. Maar steevast komen er andere tot bloei. Ik hoop dat uit deze streken iemand komt om mij te bevrijden. Een heldin misschien, die mijn bewakers uitschakelt en met een magisch zwaard een gat in de wand van mijn cel breekt. Een groepje tieners met verschillende persoonlijkheden die ook mij een plek in hun samenleving willen schenken. Medereizigers die mij hoop geven. Die mij in staat stellen zelf ook weer bij te dragen aan de droomwereld, een landschap dat wellicht nog de oude vormen zal bevatten, maar met nieuwe kleuren. Maar dan moeten ze snel komen. De nacht is namelijk bijna voorbij. Als ik hier nog ben wanneer de wekker gaat, word ik nooit meer wakker.

Over de auteur:
Johan Klein Haneveld is wel eens aangeduid als ‘de man die sneller schrijft dan zijn schaduw’. Hij heeft ruim zeventien boeken op zijn naam staan, waarvan de horrorbundel Scherven vol ogen het meest recent is verschenen. In oktober 2020 verscheen de bundel Voorbij de storm die hij heeft samengesteld met cli-fi van 25 Nederlandstalige auteurs. Ook kwam zijn sword & sorcery-roman Hoeder van de vulkaan vorig jaar uit. Hij schrijft verder recensies voor Fantastische Vertellingen en publiceert essays en opiniestukken op verschillende websites. Zijn geld verdient hij als eindredacteur van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Johan Klein Haneveld & Marcel van der Sleen