web analytics
maandag, mei 16

Fantasize-schrijfwedstrijd – eervolle vermelding: Het kermisknuffeltje – Jennifer Harper

Het kermisknuffeltje

De kleine Johnny keek vol afschuw naar het speelgoedbeest dat hij die middag uit een grijpmachine op de kermis had gegrist, om het bij thuiskomst meteen in de vuilbak achter in de tuin te gooien. Het beest had verschrikkelijk gestonken en er was iets griezeligs aan, iets wat hij niet kon verklaren. Hij had gehoopt dat het zou wegrotten tussen de etensresten.
Niets was minder waar; het knuffeltje stond nu doodstil op zijn achterpoten aan het voeteneind van Johnny’s bed, precies in de streep maanlicht dat tussen het kiertje van de gordijnen scheen. Het licht wierp een sinistere gloed over zijn grijze vacht. En er was nog iets anders dat Johnny de stuipen op het lijf joeg: het knuffeldiertje was aanzienlijk veranderd. Eerst had hij op twee achterpoten gestaan. Nu had hij twee nieuwe pootjes gekregen, twee aan iedere zijde van zijn bovenlichaam, als van een hindoegod. Aan het uiteinde van die pootjes zaten scherpe klauwen. Zijn uitpuilende ogen waren niets meer dan zwarte knopen. In zijn vacht glinsterden restjes komkommer en op zijn snuit zaten broodkruimels. Zijn staart bungelde heen en weer. Zijn kop was nog het meest vergelijkbaar met een kruising tussen een rioolrat en een kat uit de hel.

© Marcel van der Sleen

‘Ik ga verslinden…’ fluisterde het kermisbeest. ‘Eerst jou, dan je papa en mama…’
Johnny wilde schreeuwen, gillen om hulp, maar de angst blokkeerde zijn luchtpijp en maakte het onmogelijk geluid te produceren. Het beest bleef passief staan, starend naar het jongetje.
Nee, dacht Johnny, ik had je in de vuilnisbak gegooid. Bedolven onder een laag etensresten! Hij kon zijn blik onmogelijk loswrikken van het sinistere knuffeltje dat aan het uiteinde van zijn bed stond. Liggend met de kin op zijn borst, het dekbed over zijn buik gefrommeld, bleef hij naar het beest kijken. Hij slikte een hap speeksel door toen het speelgoedbeest in beweging kwam. Het knuffeltje liet zich voorovervallen in de lakens en begon op Johnny af te sluipen. Johnny voelde het gewicht op zijn benen; het sloop richting zijn gezicht. Zijn zes pootjes krabbelden zich naar voren.
‘Ik was niet goed genoeg voor de kleine Johnny,’ klonk het fluisterend. ‘Mij bij het vuil gooien, mij tussen vuil proppen…’
Johnny’s ogen verwijdden zich, de rest van zijn lichaam bleef verlamd en doodstil liggen. Dit is een nachtmerrie, knuffels praten niet, onmogelijk! Hij kneep zijn ogen dicht. Totdat er zich een rottende geur verspreidde rondom zijn hoofd en hij een paar keer diep door zijn neus ademde om uit te vinden of dit ook een illusie was. De afgrijselijke geur rook hij daadwerkelijk, dit kon geen droom zijn. Weldra opende hij zijn ogen tot spleetjes en bekeek vol afschuw hoe het beestje recht voor zijn neus stond. De snorharen aan zijn snuit trilden en vanonder zijn bovenlip staken drie vlijmscherpe tanden naar buiten.
‘Kinderen zijn allemaal hetzelfde,’ fluisterde hij. ‘Doe je ogen goed open, anders knabbel ik ze kapot.’
Johnny deed wat hem werd opgedragen. Zijn maag leek zich samen te trekken tot een misselijkmakende prop. Warme tranen dwarrelden over zijn wangen en spatten uiteen op de kraag van zijn ruitjespyjama. Uit wanhoop zei hij zacht: ‘U bent niet echt.’
Het kermisknuffeltje nam een sprong naar voren, landde op Johnny’s rechtersleutelbeen, en drukte zijn snuit tegen het puntje van Johnny’s neus. Die werd gedwongen om de rottende adem van het beest op te snuiven.
‘Je hebt me verdomme weggegooid!’ Zijn onderste klauwtjes prikten door de katoenenstof van de pyjama, schampten het vlees van Johnny’s sleutelbeen.
Johnny’s gezicht vertrok, hij maakte gorgelende geluiden. ‘S-s-s-sorry…’ bracht hij snikkend uit. ‘Ik vond u er griezelig uitzien…’
Het beest verslapte zijn grip, hield zijn kop schuin, zoals honden dat doen als hun baas roept. ‘Dat ben ik ook… eng en kwaadaardig.’ Het snoof. ‘Dat vinden alle kindertjes, Johnny.’ Hij zette kracht in zijn klauwen – Johnny voelde een immense pijn in zijn sleutelbeen, alsof het vlees van zijn botten werd gescheurd. Het enige wat hij kon doen, was roepen. Maar er kwam geen geluid uit zijn keel. En dus bleef de kleine Johnny stil in zijn bed liggen. Zijn beide armen verlamd langs zijn lichaam. En God mocht weten wanneer een van zijn ouders de op een kier staande slaapkamerdeur open zou zwiepen, om langs de muur te tastten naar het lichtknopje, om vervolgens dat afgrijselijke beest van zijn borst te slaan.
Zou dit überhaupt wel gebeuren? vroeg hij zichzelf af. Of zou mama mij later vinden – als het te laat is – als ik aan stukken ben gescheurd.
Zijn blik werd wazig door de vallende tranen. Het kermisknuffeltje leek nu op een sepia monstertje. Kan niet, dacht hij beschroomd, maak me wakker!
Plots schoot een afgrijselijke pijnscheut over zijn wang. Het knuffeltje had uitgehaald met zijn klauw en begon te grommen, alsof het Johnny’s gedachten had gelezen. Johnny voelde een straaltje bloed langs zijn kin lopen. ‘H-h-het… s-s-spijt me!’
‘Leugenaar,’ zei het schepsel. ‘Ik ga knagen. Eerst jou, daarna je papa en mama.’
Johnny wilde gillen, maar het enige wat hij gedaan kreeg, was het laten lopen van zijn urine. Zijn blaas liep leeg, de dekens veranderden in een vochtige lappenzooi. Het beest wierp een blik naar achteren, snoof de urinelucht op en bleef zo even zitten. En net op dat moment besloot Johnny iets daadkrachtigs te doen. Er was geen doemscenario-stemmetje in zijn hoofd, dat hem vertelde dit idee niet uit te voeren, dus gaf hij het beest een ongelooflijk harde knal met zijn rechtervuist. Het schepsel vloog van zijn borst. Johnny hoorde een harde plof toen het beest de vloer raakte. Met de souplesse van een turnster sprong het jongetje overeind en stond rechtop in zijn bed. Zijn lichaam trilde, zijn wang bloedde en zijn pyjamabroek was doorweekt van de urine. Zijn ogen schoten over het tapijt, van links naar rechts.

Niets.

Geen schim, geen voorbijschietend schepseltje dat door de duistere kamer schoot. Het heeft zich verstopt, dacht hij. Johnny luisterde naar zijn eigen versnelde ademhaling. Hij wierp een blik naar rechts, naar de op een kier staande slaapkamerdeur. Twee grote sprongen, dacht hij, dan sta ik op de gang, dan ren ik naar mama en…
Een geluid. Schrapend, van onder…
Johnny bleef staan, zag een schim onder zijn bed vandaan schieten en begon te gillen. Eindelijk wist hij een productief geluid uit zijn keel te krijgen. Het galmde door het huis.
‘Mamaaaaaa!’ gilde hij. ‘Monster uit de grijpmachine!’
Het leek een eeuwigheid te duren dat hij daar in de holst van die geteisterde nacht in 1995 stond te schreeuwen om zijn moeder. Maar hij hoefde niet lang te gillen, al snel kwam zijn moeder de kamer binnengestormd.
‘Johnny!’ schreeuwde ze, waarna ze met haar vingers langs de muur tastte om de lichtschakelaar aan te zetten. Johnny bleef als verdoofd op zijn matras staan. De plasvlek op zijn pyjamabroek voelde koud. De krassen op zijn huid brandden. Hij wees naar de vloer. ‘M-m-monster… uit de g-g-grijpmachine…’
Zijn moeder kwam op hem afgelopen, bekeek de sneetjes en sloeg haar armen om het jongetje heen. De krulspelden in haar haar wiebelden. ‘Je hebt een nachtmerrie gehad, Johnny! En zo te voelen,’ ze wreef over zijn broek, ‘heb je ook in je broek geplast. En…’ Ze knikte naar de sneetjes. ‘Jezelf toegetakeld!’
Johnny schudde zijn hoofd en bleef verstard over de schouder van zijn moeder naar de vloer turen. ‘Monster. Grijpmachine…’
Zijn moeder tilde hem op en drukte hem stevig tegen zich aan. ‘Monsters bestaan niet.’

Die nacht sliep Johnny bij zijn ouders. Hij had een schone pyjamabroek aangekregen. Hij was net naast zijn ronkende vader gaan liggen, toen zijn moeder met de verbandtrommel kwam aangelopen. ‘Even schoonmaken met jodium,’ zei ze en depte een gaasje langs de sneeën op zijn wang en daarna die op zijn sleutelbeen. Johnny beet zijn kaken stevig op elkaar en toen zijn moeder klaar was, dook hij diep onder de dekens. Niet lang daarna kroop zijn moeder ook in bed. Ze klikte het lampje op het nachtkastje uit en draaide zich om naar haar zoon, die tussen hen in lag.
‘Slaap zacht.’ fluisterde ze, en drukte een kus op Johnny’s kruin. Ze keek even naar haar snurkende echtgenoot – hij sliep nog steeds door, ondanks alle commotie. Net toen ze zich had omgedraaid op haar rug en haar ogen wilde sluiten, zag ze iets aan het uiteinde van het bed staan. Een figuur in de lakens. Klein. Starend naar haar. De kamer leek zich te hebben gevuld met een rotte lucht, als van een dood dier.
‘Dag moeder van Johnny,’ fluisterde het schepsel. ‘Monsters bestaan wel degelijk.’
‘Wat…’ Ik droom nu zelf, dacht ze. Ze knipperde een paar keer met haar ogen.
‘Plannen zijn veranderd, vrouwmens,’ zei het kermisknuffeltje. ‘Ik ga verslinden. Eerst jou en dan die meurende vent,’ Hij liet zich voorovervallen in de lakens. ‘Daarna dat joch.’ Hij nam een sprong naar voren, landde op de borst van de vrouw en begroef zijn tanden in haar strot.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Jennifer Harper & Marcel van der Sleen