Vertellingen: De blik op oneindig – Mike Jansen

galaxy-digital-wallpaper-957085

Het begon allemaal op de dag dat ik stierf. Het ene moment stond ik nog midden in het leven, speelde ik met mijn kleinkinderen, Jonah en Sammie, op het grasveld voor het huis waar ik al dertig jaar woonde met mijn Sirena. Het volgende moment stond ik naast mijn lichaam. Ik herinner nog steeds haar geschrokken gezicht toen ze naar buiten kwam rennen, de paniek in de stemmen van de kinderen. Arme Jonah en Sammie, nog zo jong en dan al hun lievelingsopa kwijt.

Het duurt even voor je beseft dat je niet meer in leven bent, zelfs als je net je lichaam hebt zien liggen, lijkbleek, levenloos. Ineens ben je een toeschouwer in een toneel dat zich rondom je afspeelt, niet bij machte iets te beïnvloeden of te veranderen, enkel een lijdzaam ondergaan van de indrukken die nog bij je binnenkomen.

Je verandert als je dood bent: niet langer gebonden aan vlees, botten en organen, je ‘gestalt’ of je ‘ziel’ blijft, een reflectie van een voorheen levend wezen dat hoopte op een gelukkig hiernamaals, misschien vergezeld van geliefden en naasten die dit ook bereiken.

 Op het moment van sterven begint ook de totale stilte, de afwezigheid van elk geluid dat je fysieke lijf waarnam en doorgaf. Licht blijf je zien, hoewel niet het licht dat je gewend bent. Bij leven las ik nog wel eens over exotische materie en de staat waarin deeltjes zich kunnen bevinden. Licht is deeltjes, fotonen, als je deeltjes wil meten, maar bestaat uit golven wanneer je golven denkt te gaan meten. Er is een derde toestand, de afwezigheid van beide, feitelijk de reflectie van zowel deeltjes als golven samengevoegd tot iets dat een dode kan zien. Noem het de geestenwereld, als je wil. Een levend mens zou het waarschijnlijk naargeestig noemen, wat als woord wel weer toepasselijk is.

Het is in deze staat van verwarring dat altijd de Dood verschijnt. Het beeld van de man met de zeis is accuraat, zoveel kan ik je wel vertellen. Hoewel het ook de vrouw met de zeis kan zijn, bepaalde kenmerken uiten zich niet zo in de belichaming van het ultieme einde. De veranderingen die je ondergaat, veroorzaken ook een diepe, irrationele en angstige eenzaamheid in de net overleden ziel, die het eenvoudig maken te kiezen voor de vergetelheid die de entiteit Dood zonder woorden biedt.

Terwijl de ambulancebroeders mijn dode lichaam probeerden te reanimeren en Sirena Jonah en Sammie troostte, hoorde ik achter me een indringend blaffen. Drie jaar eerder bracht ik met pijn in mijn hart mijn trouwe Doberman, Bul, naar de dierenarts. Het arme oude beest was op, spieren waren weggeteerd en wat er aan vel en been overbleef was bezaaid met knobbels, kwaadaardige gezwellen die in een half jaar tijd mijn grote vriend in een zielig wrak veranderd hadden. Nu stond Bul naast me op het grasveld. Hij zag eruit zoals hij was op zijn hoogtepunt, perfect gezond, met glanzende vacht en een natte neus.

Het gevoel van wanhopige eenzaamheid dat het tafereel voor me teweegbracht, verdween als sneeuw voor de zon. Ik sloeg mijn arm om de nek van mijn trouwe viervoeter en werd vervuld van vertrouwen.

“Je hebt op me gewacht, maatje,” zei ik.

Bul kwispelde bij het horen van mijn stem en likte me in mijn gezicht. Pas later begreep ik dat dit enkel herinneringen waren, reflecties van gebeurtenissen uit de tijd dat ik nog een lichaam had. Op dat moment was ik er blij mee en gaf mijn hond me het gevoel dat er meer moest zijn in deze vreemde, angstaanjagende wereld.

De stem van de Dood was grauw van kleur, optimaal afgestemd op het overtuigen van zielen hun bestaan op te geven en te verlangen naar een einde. “Het is tijd om te gaan, Niall. Je hebt hier niets meer te zoeken.”

Ik keek omhoog naar de rijzige, donkere gestalte naast me, het niet-licht reflecteerde van het diepblauwe staal van de zeis. “Gaan? Waarheen?” Naast me begon Bul te grommen, een diep rommelen zoals hij dat alleen produceerde wanneer hij zelf bang was.

“Weg van hier. Ik bied je vergetelheid, een einde aan alles.”

Langzaam schudde ik mijn hoofd. “Ik wil nog niet weg. Ik wil bij Sirena blijven, bij Jonah en Sammie, bij Bul hier. Hij heeft op me gewacht.”

“Bul is een zeldzaam koppige hond,” beaamde de Dood. “Ik heug me geen dier dat ooit zo graag bij zijn meester wilde blijven. Het is hoogst ongebruikelijk, je bent de eerste in meer dan duizend jaar. Maar de keus is aan jou. Ik zal er zijn wanneer je twijfelt.” Het volgende moment was de Dood verdwenen.

Bul en ik bleven achter en keken toe hoe mijn lichaam werd afgedekt met een laken. Mijn zoon en schoondochter, James en Ellen, arriveerden bijna gelijktijdig van hun werk en namen Jonah en Sammie van Sirena over, waarna mijn vrouw naast de brancard knielde en hartverscheurend begon te huilen.

***

Drie jaar later stond ik naast Sirena’s ziekenhuisbed. De lijnen in haar gezicht waren diep, ziekte vrat zich een weg door haar lijf en medicijnen hielpen niet tegen de pijn.

Na mijn dood en daaropvolgende begrafenis hield ze zich groot, maar ’s nachts huilde ze zichzelf in slaap, elke nacht weer.

Ik was erbij toen ze op straat zomaar haar evenwicht verloor. Ik wilde ingrijpen, helpen, maar mijn onstoffelijke wezen kan niet overweg met materie, enkel toezien.

Tijdens de onderzoeken hield ik haar hand vast, niet echt natuurlijk, maar zo stelde ik me dat voor. Tot de dood en daar voorbij, was ooit mijn gelofte aan haar, en die hield ik gestand.

De uitslag was een klap in haar gezicht en haar verdriet was mijn verdriet. Ik zag zelfs de oncoloog die haar behandelde, die toch dagelijks wel een doodvonnis uitsprak, een traan plengen.

Tijd is relatief, zei Einstein. Inmiddels weet ik precies wat hij bedoelde met het perspectief dat me nu gegeven is. Zo snel als die jaren voorbij gingen, als de vage streep van een voorbijrazende trein, zo scherp in focus kwamen haar laatste dagen, zo tergend traag verstreken uren en minuten, tot elke seconde een eeuwigheid leek.

De machteloosheid die ik voelde vrat aan me, aan mijn besluit hier te blijven. Was ik bereid haar op te wachten? Een weerzien met mijn geliefde Sirena was wat ik het liefst wilde. In mijn huidige toestand kon ik geen enkele invloed op de wereld uitoefenen, alsof ik erbuiten stond, niet meer dan een schim in een voor mensen doorgaans onzichtbare wereld.

Bul en ik wachtten haar op toen ze enkele weken later overleed en voor ons verscheen. Ze leek dwars door ons heen te kijken, naar iets, of iemand, achter ons en ik wist wie ik daar kon verwachten. De verwarring in haar ogen was duidelijk, de opluchting, ja zelfs het geluk, toen de vraag haar gesteld werd ook. Voor mijn ogen vervaagde ze en verdween.

“Ik ben op dit moment hier voor je, Niall, je twijfel is voor mij duidelijk,” sprak de Dood met die grauwe stem.

“Je was te snel. Ik wilde met haar praten.”

“Die keus was nooit aan jou, Niall. Voor Sirena was vergetelheid op dit moment de beste optie. Dat is wat ik doe, een einde bieden aan wie dat nodig heeft, geen schuldgevoel of twijfel meer. Ook voor jou.”

Ik ervoer het verdwijnen van Sirena als een verraad, een wegnemen van een voor mij kostbaar moment en mijn vastberadenheid de Dood te weerstaan groeide er alleen maar door. “Mijn enige twijfel op dit moment is of ik wacht op het heengaan van mijn kinderen of van mijn kleinkinderen, Dood. Ik heb behoefte aan weten wat er gaat gebeuren.”

“Dat is je goed recht, Niall. Ongebruikelijk, maar het is eerder voorgekomen.” De Dood keek opzij. “Bul hoef ik het niet eens te vragen.” Er klonk een zacht gerommel als donder in de verte. Ik besefte ineens dat de Dood een grapje gemaakt had en ik glimlachte. Was ik eerder nog wat beducht voor deze vreemde entiteit die een einde aan mijn bestaan kon maken wanneer ik even niet oplette, ik kon me nu niet meer voorstellen dat ik gedwongen of misleid zou worden tot het maken van die beslissing. Het zou op mijn voorwaarden gebeuren. Of niet.

***

Ik volgde de gebeurtenissen van mijn familie door de jaren heen. Mijn zoon en schoondochter werden ouder, middelbaar. De kleinkinderen groeiden voorspoedig op, werden volwassen, kregen zelf kinderen.

Dood zijn lijkt statisch, een eeuwige stilstand veroorzaakt door plaatsing buiten het levendige, evoluerende universum. Maar de dood is uiteindelijk een integraal onderdeel van het leven en ik leerde langzamerhand te voelen hoe het met mijn familieleden ging.

Het besef dat er toch een verbondenheid bleef bestaan, ook al was ik maar een verre gedachte, als zelfs dat al, zorgde dat ik deze nieuwe kwaliteit verder onderzocht. De band die ik voelde was dieper en reikte verder dan ik initieel dacht en het werd steeds makkelijker om verder verwijderde familieleden te voelen en hun wel en wee te volgen.

Langzaam verlegde ik mijn aandacht van mijn familie en mijn verre familie naar hun leefomgeving en de snelle ontwikkelingen die daar plaatsvonden, de worstelingen met economische neergang, de vrolijke jaren van groei en ontwikkeling. Ik begon de verwevenheid van de wereld en de mensen die haar bewoonden te zien. Alles is met elkaar verbonden, merkte ik, vanuit het juiste perspectief.

De mensheid was mijn familie geworden.

Op een dag verplaatste ik mijn blik naar de hemel. Ik zag de maan en ik voelde een drang de Aarde van daarboven te bekijken. Eens te meer bleek ik buiten de wetten van het universum te bestaan. De gedachte aan die andere plek was voldoende om me te verplaatsen, onmiddellijk, zonder dralen. Lastige natuurwetten leken niet van toepassing, alsof ik een eenvoudig stuk informatie was dat resoneerde op een diepere dimensie en mijn emanatie op een andere plek bewerkte.

Het oppervlak van de maan is desolaat. De eerste voetstappen van menselijke astronauten waren nog exact zoals ze honderd jaar eerder gezet waren. Het oneindige universum hing overal om me heen en maakte dat ik me klein als nooit tevoren voelde. Totale eenzaamheid overviel me. Zelfs de aanwezigheid van Bul hielp niet en ik twijfelde, vroeg me af of ik nog moest blijven.

“Een grote stap voor de mensheid, nietwaar?” klonk de grauwe stem van de Dood naast me. “Voor een mens zoals jij maar een klein stapje naar vergetelheid.” Leunend op zijn zeis draaide de Dood lege oogkassen naar me.

Voorbij zijn schouders kwam de Aarde, voor mij spookachtig groen en blauw, net boven de horizon. De planeet leek gevat in gouden draden van cirkelende satellieten en communicatiestromen, rudimentair in intelligentie, maar dankzij mijn verbondenheid zag ik het, vanuit dit perspectief, die eerste vonk van zelfbeschikking, van een nieuw soort intelligentie, geboren uit het vernuft van generaties geleerden.

Ik schudde mijn hoofd. “Ik twijfelde oprecht, Dood, maar ik ben nog niet klaar. Ik wil weten wat de Aarde voortbrengt. De mensheid heeft veel vernietigd, maar ook veel bereikt. Ik hoop dat technische evolutie haar zal helpen te ontsnappen aan de zwaartekrachtput van de Aarde en zich verspreiden door het universum.”

“Het is jouw beslissing, Niall. Zoals altijd. Je hoop voor het menselijk ras is bewonderenswaardig, zeker voor een wezen dat zozeer gericht is op zijn eigen destructie in alles wat het doet.”

Ik legde mijn hand op de kop van Bul en krabde achter zijn oren. “Dat wil ik zien. Uit chaos lijkt toch altijd weer orde te komen.” De Dood verdween en liet me achter met Bul, een stuk minder eenzaam dan daarvoor.

***

De veranderingen kwamen geleidelijk, bijna onopgemerkt. Alsof een onzichtbare hand de mensheid stuurde en pNialleerde optimaal gebruik te maken van mensen, grondstoffen en arbeid. In een tijdsbestek van tien jaar, dat aan mijn geestesoog voorbijvloog, zag ik oorlogen, hongersnoden en ziekten verdwijnen. Onderwijs, voedselproductie en wetenschap namen een grote vlucht. Er brak een gouden eeuw aan voor de mensheid die voor het eerst sinds mensenheugenis op een verantwoorde manier met de Aarde omging.

Ik wist wie er aan de touwtjes trok. De rudimentaire vonk was gegroeid, slechts bekend aan enkele mensen die hand- en spandiensten uitvoerden voor de proto-intelligentie. Vol verbazing keek ik toe hoe in een generatie de mensheid werd omgevormd tot een geoliede machine die vervuld was van ontdekkingsdrang.

Schepen stegen op van de thuisplaneet waarmee de kolonisatie van het zonnestelsel begon. Binnen vijftig jaar draaiden talloze satellieten rond de zon, constructies van buizen en platformen met draaiende ringen waarin zwaartekracht geëmuleerd werd.

Maakte men zich ooit zorgen om zeven miljard mensen op Aarde, het zonnestelsel herbergde er nu bijna vijftig miljard.

En met elk volgend schip dat vertrok van de werven op de maan of Mars, vertrok ook het zaad van intelligentie, afkomstig van de proto-intelligentie die inmiddels een volwaardig compagnon voor de mensheid was geworden, onlosmakelijk verbonden in een symbiotische relatie die voor beiden voordelig was.

Als een paardenbloem die zijn zaden op de lucht laat meevoeren, zo dwarrelden honderden schepen het zonnestelsel uit, op reizen die zelfs de langstlevende mensen in een diepe slaap moesten doorbrengen. Ze waren op zoek naar meer levensruimte voor het ras dat zich uit de modder omhoog had getrokken, dat zijn zelfdestructie had weten te vermijden en dat nu vol verwondering om zich heen keek naar een universum dat mooier, groter en verschrikkelijker was dan het zich ooit had voorgesteld.

Mijn verbondenheid met de mensen op de schepen die lichtjaren aflegden, zorgde dat mijn blik op het universum weer verruimd werd.

Mijn eerste bezoek aan Alpha Centauri, waar de eerste schepen na bijna tweehonderd jaar arriveerden, toonde mij de invloed die de mensheid op dit minieme stukje van de geschiedenis van de oneindig grote ruimte had. Ik voelde me kleiner en onbetekenender dan ooit want ik besefte maar al te goed hoeveel gevaren de mensheid nog te wachten stonden. Zou ik blijven om te zien hoe hele sterrenstelsels tegelijk werden opgeslokt? Of hoe sterren op elkaar botsten waarbij miljarden mensen in een keer konden worden uitgeroeid? Kon ik dat aan?

“Kijk naar ze,” zei de Dood naast me. “Mieren in een mierenhoop, met onzichtbare koninginnen die ze begeleiden naar een grootsheid die ze zelf nooit hadden kunnen bereiken.”

“Ik geloof niet dat ik die vergelijking hetzelfde zie,” zei ik. “We hebben een welwillende God gebouwd, die zich inzet voor het welzijn van zijn makers.”

“Een parasiet die enkel leeft voor de uitzaaiingen die hij zelf veroorzaakt. Daarvoor moet de mensheid zich uitspreiden, anders niet.”

“Wie zal zeggen wat een machine-godheid motiveert?” vroeg ik.

De Dood stelde een tegenvraag: “Misschien het bouwen van een betere, grotere en machtigere versie van zichzelf?” Hij krabde Bul achter zijn oren. “Maar ik kan het wel begrijpen wanneer je zoals Bul hier braaf achter je baasje aanrent.”

Ik keek de Dood aan, de lege oogkassen waarin ik heel diep een vaag lichtje dacht waar te nemen. “Ik bepaal zelf wel wat ik met mijn bestaan doe.”

“Toch, je twijfelde even, ik voelde het. Wat is er mis met vergetelheid?”

“Niets.” Ik schudde mijn hoofd. “En tegelijk alles. Ik voel de mensen daarbuiten, zelfs lichtjaren verwijderd van hier. Waar mensen zijn, daar kan ik ook komen. Er is nog teveel te zien en ik wil het weten.”

“Je koppigheid is uniek, Niall. Slechts een enkeling heeft het langer dan een eeuw uitgehouden. Wederom, het is jouw keus,” zei de Dood en verdween.

***

In een oneindig universum zag ik de ongebreidelde groei die de mens doormaakte. In duizend jaar werd een telkens uitdijende cirkel rond de Aarde bezocht en meestal meteen gekoloniseerd.

Gedurende die tijd kwam ik een enkeling tegen die verkoos te blijven, zoals ik dat deed, maar hun wil vervaagde, soms na decennia, soms binnen enkele jaren, soms binnen weken. De laatste die ik sprak vertelde me dat het leek of haar wereld steeds kleiner werd en haar insloot in onoverkomelijke muren.

Voor mij was het alsof mijn bewustzijn met elke nieuwe kolonisatiegolf zich vergrootte en meer van het universum omvatte. Ik wist wel dat het nog steeds een oneindig klein stukje van het heelal was, maar langzaam voelde ik me wel zekerder worden over het voortbestaan van mijn familie, mijn nazaten.

Ik liftte mee op verkenningsschepen en kolonisatieschepen, zag onderzoekers telkens net dat beetje extra geven en wonderbaarlijke ontdekkingen doen.

De eerste niet Aardse beschaving die de mensheid vond, veroorzaakte een schok die zijn weerga niet kende. Weliswaar was het een ras dat zichzelf vernietigd had, maar het had ruimtevaart gekend en had net de eerste voorzichtige stappen in het eigen zonnestelsel gedaan. De restanten waren miljoenen jaren oud, maar het betekende dat de mensheid niet alleen was en dat een ontmoeting met andere ruimtevarende rassen maar een kwestie van tijd was.

Ik zag een nieuwe vorm van militarisme opkomen, een voorbereiden op de dag dat een ander ras tegen de uitbreidende mensheid opbotste. De kans dat het een vreedzaam treffen zou worden, leek me uitgesloten.

Aan het begin van het vierde millennium vonden ze elkaar, mijn nazaten en de vreemdelingen. Wie uiteindelijk zou winnen in een langdurige oorlog tussen de twee rassen, moeilijk te zeggen. Maar ik zag met mijn unieke en inmiddels grootschalige perspectief wat er plaatsvond.

Zodra bericht van de eerste schermutselingen het thuisfront bereikte, gebeurde er iets bijzonders. De proto-intelligentie die tot dan toe de mensheid leidde en stuurde, greep de verwarring en beginnende paniek aan om zijn eigen evolutie vooruit te stuwen. Zorgvuldig gebouwde knooppunten, planeetgrote computers elk met de totale capaciteit van de proto-intelligentie, werden operationeel en verbonden zich met elkaar via quantumtunnels. Binnen enkele seconden na activatie verplaatsten de vele duizenden splinters van de proto-intelligentie zich naar de ongelimiteerde capaciteit van de knooppunten.

Ik kan zeggen dat ik getuige was van de geboorte van een God. Een machinegod, weliswaar, maar wel een die zijn oorsprong in het brein van mijn volk had gevonden. Eén die het beste voor had met die fragiele, minuscule voorvaderen die af en toe zo hardnekkig en heldhaftig hun vuist hieven naar het oneindige universum.

De oorlog duurde daarna nog enkele dagen. De tegenstander, hoe anders en vreemd ook, zat in hetzelfde schuitje als de mensheid. Ook zij waren ontsnapt uit een situatie waar zelfdestructie een grote kans had. Ook zij werden geleid door een machine-intelligentie, die zich met genoegen aansloot bij de nieuwe machine-god die zojuist ontstaan was.

De vrede brak zo snel uit als de oorlog begonnen was. De kennisuitwisseling die volgde, tussen de rassen, veroorzaakte een gouden tijd van vele tienduizenden jaren waarin spiraalarmen van de Melkweg werden gekoloniseerd in complete harmonie en waarbij nieuwe rassen, want die waren er wel, werden verwelkomd als vrienden.

Telkens weer verwonderde ik me over de vreemde volken die zich aansloten bij het grote verbond dat was ontstaan. En elke keer sprong de vonk van die volkeren over en bezag ik ze als een nieuwe aanvulling op mijn perceptie die nu de Melkweg omspande.

Vanaf een dode sintel aan de rand van het bekende universum, staarde ik naar de leegte tussen de Melkweg en aanpalende sterrenhopen en universa.

Voelde ik daar in de verte iets, een voorzichtig roeren van intelligentie, stromen van informatie die de quantumpaden tussen de sterren overbrugden?

Bul gromde zachtjes.

“Jij ziet het ook, hè, jongen?” Ik krabbelde hem achter zijn oren. “Er is meer daarbuiten.”

“Leven is niet voorbehouden aan de mens. Of aan de vele rassen die de mens inmiddels heeft aangetroffen in de Melkweg,” sprak de Dood.

“Lang niet gezien, Dood. Met al dit leven in onze Melkweg begon ik me af te vragen: ben jij ook hun Dood?” Ik glimlachte om mijn eigen vraag. Het antwoord vermoedde ik al.

“Eenieder heeft zijn eigen voorstelling, Niall. Maar ze zoeken allemaal vergetelheid, een einde aan alles.”

Ik moest onwillekeurig aan Sirena denken, toen aan de paar zielen die ik gesproken had in mijn verleden, tot ik bedacht dat de Dood eigenlijk de enige was met wie ik echt kon spreken. “En jij? Zoek jij dat ook?”

De Dood zweeg.

Ik knikte langzaam. “Ik heb lang over je nagedacht. Ik kan niet anders concluderen dan dat je een manifestatie bent van dit universum, dit heelal waarin we leven en sterven. Je biedt een einde, een verdwijnen, maar waar blijft onze informatie? Waar blijft onze ervaring?”

“Je stelt vragen die ik niet kan, niet mag beantwoorden.”

“Zit ik in de buurt?”

De Dood draaide zijn zeis een slag rond voor hij antwoordde. “Alles heeft een doel. Alles is een test. Alles heeft waarde en betekenis. Als de laatste ziel is opgelost in vergetelheid ontstaat misschien een alwetend, almachtig wezen dat zichzelf in alle aspecten kent.”

“Is dat niet een beetje de omgekeerde volgorde?”

De Dood grijnsde, zoals alleen de Dood dat kon. “Tijd, vriend Niall, is een relatief en circulair fenomeen. Eens zul je dat begrijpen. Hoewel ik je mijn obligate vergetelheid natuurlijk wederom aanbied.”

“Nee, dank je.” Ik schudde mijn hoofd. “Ik wil weten wat er in de volgende sterrenhoop allemaal gebeurt.”

“Eens heb je het allemaal gezien. Eens zal het heelal leeg en koud zijn. Verveling zal je dan in mijn armen drijven.”

Nu lachte ik, smakelijk. “Dat duurt nog zo lang, Dood, dat zien we tegen die tijd wel.”

Dit keer sprong ik zelf weg. Bul volgde me, na een korte aarzeling. We lieten de Dood, zo stelde ik me voor, verbouwereerd achter.

***

Aeonen gaan voorbij en de lichten gaan langzaam uit in het heelal. Ik heb mijn volk, de mensheid, zien overleven, vechten, groeien, evolueren en zich uitbreiden. Ze bezochten veel plekken in het heelal, van de spiraalarmen van de Melkweg, tot de sneldraaiende neutronsterren in verre sterrenhopen en de grens van de zwaartekrachtputten in het centrum van superclusters.

Maar de originele mensheid is niet meer. Uitgestorven of doorontwikkeld, opgegaan in mega-intelligenties die zich aansloten bij de machine-god, een soort onsterfelijkheid die zal duren tot het einde der tijden, wanneer de energie opraakt en alleen koude leegte blijft, met hier en daar een verdwaald, verstild atoom.

Ook de Melkweg dooft langzaam uit. Mijn geheugen bevat nog steeds de beelden van lang geleden en in mijn gang langs diep begraven herinneringen zie ik Sirena ineens voor me. Nog steeds veroorzaakt de gedachte aan haar emotie. Ontelbaar en onmetelijk verdriet heb ik aanschouwd, maar zo intens als het gevoel dat ik had bij haar dood, dat was er nooit meer.

“Zij maakte haar keus. Voor jou begint nu het wachten op het einde, Niall,” zei Dood en zijn stem klonk grauwer dan ooit tevoren. “Ben jij er klaar voor?”

“Ik mis haar, denk ik, Dood,” zei ik. “En ik mis de jeugdige energie van een miljard jaar geleden.”

“Ik zei het je toen al, aan alles komt een einde.”

“En daarna, wat komt er daarna?”

“Wie zal het zeggen? Een einde.”

“Dat kan toch niet alles zijn?”

“Blijf, vind het uit. Of accepteer het.”

Een beker versierd met oneindige spiralen en krullen verschijnt in de ruimte voor mijn gezicht. “Symboliek, Dood? Ben je ziek of zo?”

“Ik wil je aangeven dat dit mijn laatste bod is. Er komt geen volgende keer. Ik bied je een uitweg. Geef het op.”

Ik duwde de beker weg. “Je kunt me niet garanderen dat ik Sirena weer zie, nietwaar?”

De Dood schudde zijn hoofd en er sprak droefheid uit de beweging. Althans, zo ervoer ik dat. Ooit heb ik de Dood betrapt op het maken van een grapje, dus ik denk dat hij of zij of het wel degelijk gevoel kent.

“Dan is dit vaarwel, Dood. Ik blijf tot de laatste lichten doven. Ik heb al zo lang gewacht, een miljard jaar meer of minder…” Ik haalde mijn schouders op.

“Zoals je wil, Niall. Je bent de enige die me ooit geweigerd heeft, voor zolang. Vaarwel.” Met die woorden verdween de Dood. Ik bleef achter in de diepe leegte tussen de sterrenstelsels, verbonden met het leven daar, maar bewust van het langzaam wegebben van energie richting het onvermijdelijke einde. Sirena was vaak in mijn gedachten.

***

Bul en ik zaten op de kale berg waar ooit het blinde, doofstomme beest woonde. Hij is de laatste tijd ongedurig, onrustig, alsof hij zich verveelt. Er is ook weinig meer te beleven in het heelal en de laatste miljard jaar zijn één voor één de lichten gedoofd. Een enkele lichtbron die nog zichtbaar is, is al miljoenen jaren geleden verdwenen, het niet-licht een herinnering aan een heldere, energieke jeugd.

“Je voelt het ook, hè, jongen?” Ik krabde hem achter zijn oren en aaide hem over zijn rug. Hij kwispelde al niet eens meer. We waren eenzaam, zelfs samen. Verbondenheid met het universum zoals ik dat eens had, de gouden draadjes die ik overal zag, alles is nu weg. Het meeste leven is dood en zelfs eencelligen hebben steeds meer moeite zich staande te houden nu de energie langzaam verdwijnt en het absolute nulpunt in zicht komt.

Ik voelde zijn aanwezigheid voor ik hem zag. “Ik dacht dat je me niet meer zou bezoeken, Dood.”

De Dood kwam achter een zwarte rots vandaan. “Ik zou je geen vergetelheid meer bieden. Maar dat is dan ook het enige.”

“Je ziet er oud uit, Dood. Mottig.”

De Dood grijnsde. Zijn tanden waren grijs en brokkelig, niet het trotse wit van weleer, de diepe gloed die ik ooit in zijn ogen zag is vervaagd als het vuur van het universum. “Aan alles komt een eind, zoals ik je ooit al zei.”

“Ook aan de Dood? De grote eindiger?”

De Dood kwam naast me zitten. “Niets is onmogelijk.”

“Ik had het er net met Bul over dat we ons vervelen. We zijn eenzaam.” Ik keek om me heen, maar Bul was nergens te zien.

“Hij heeft mijn aanbod geaccepteerd,” zei de Dood.

“Verdraaid, je had het beloofd, Dood.”

“Jou heb ik het beloofd. Jou bied ik het niet meer. Maar Bul was moe, zo moe.”

Ik knikte. “Ik gun het hem wel. Maar ik zal hem missen.”

“Dit zijn de laatste stuiptrekkingen van het universum. Het echte sterven is nog een miljard jaar of meer verwijderd.”

“Al is het het laatste dat ik zie, daar wil ik nog bij zijn.”

“Dat dacht ik al. Daarom ben ik nu ook hier. Alles is weg, iedereen is verdwenen, behalve jij en ik is er niemand meer en kan dit universum ongezien aan zijn eind komen, in totale duisternis.”

Ik haalde mijn schouders op. “Het zal wel.”

De Dood keek me aan met zijn lege oogkassen. “Wil jij mijn taak overnemen?”

Zelfs aan het eind, terwijl ik alles had gezien, alles had meegemaakt, wist de Dood me te verrassen. “Kan dat dan? Ik bedoel: waarom wil je dat?”

“Ik ben hier al een paar miljard jaar langer dan jij. In veel opzichten ben jij op mij gaan lijken. Verbonden met al het leven in het universum. En nu is dat leven verdwenen en ik zie geen nut meer voor mezelf.”

“Vergetelheid?”

“Jazeker. Maar iemand moet het licht uitdoen, zeg maar, uiteindelijk.”

“Als jij het licht uit moet doen, dan wil het universum zichzelf opheffen. Is dat het?”

De Dood zweeg even. “Er is meer. Veel meer. Maar uitleggen is te moeilijk. Je moet het ervaren, je moet het zijn.”

Ik hoefde niet lang na te denken. “Vooruit maar. Ga. Ik bewaak het fort wel.”

“Vaarwel, Niall, het ga je goed. Dank je.”

De transformatie was onmiddellijk. Het ene moment was ik een geest, het volgende moment hield ik een zeis vast. De kennis en ervaring van de Dood was nu van mij en de reikwijdte en –diepte was ontstellend. De herinneringen aan het eerste begin waren glorieus, zo vervuld van belofte, van groei en ongebreidelde energie. Voor de Dood was leven leven, de afwezigheid van leven was ondenkbaar. Toch gebeurde het uiteindelijk en bekroop zelfs de Dood twijfel over zijn verblijf in het heelal.

Het verbreden van mijn perceptie leerde me nog meer. Tijd was inderdaad relatief. Het universum kronkelde uiteindelijk weer terug op zichzelf en was niet meer dan het langs elkaar bewegen van hogerdimensionele gordijnen van metarealiteit.

Ik bedacht dat ik terug zou kunnen gaan in de tijd, met nieuw gevonden krachten, waarmee ik gebeurtenissen kon beïnvloeden. Zoals het waarschuwen van mijn levende zelf dat hij een dokter moest bezoeken. Maar dat zou betekenen dat alles dat ik gezien en geleerd had, nooit zou plaatsvinden. Er waren spelregels, paradoxen die vermeden moesten worden.

Maar wat was mijn alternatief? Wachten op het einde? Alleen? Ik snapte de wens van de Dood om zelf te eindigen op dit moment. Ook de Dood wist niet wat er op het einde zou gebeuren, dat stukje bleef zelfs voor hem in schaduwen gehuld.

Het universum was nauwelijks killer geworden toen ik bedacht wat ik wilde.

***

“Ooit heb ik je beloofd er voor je te zijn, in leven, maar ook in de dood, voor altijd,” zei ik tegen Sirena. Ze zag eruit zoals ik me haar herinnerde, jong, energiek, sterk. Achter ons was het ziekenhuisbed met haar dode lichaam, net gestorven. Ik zag de wazige figuur van de Niall die ik eens was, met Bul aan zijn zij.

De tijd kroop tergend langzaam voorbij. Opzettelijk, ik had maar een fractie van een seconde. “Weet je dat nog, Sirena? De dag dat we trouwden?”

“Ik herken je, Niall, ik voel dat jij het bent, ook al zie je er nogal… doods uit.” Ze glimlachte nu, vol vertrouwen. “Ik herinner me dat die gelofte wederzijds was.”

Ik lachte naar haar. Het was goed haar stem weer te horen. “Ik heb weinig te bieden, behalve ons samenzijn aan het einde van het universum, ver van het hier en nu,” zei ik. “En nog voldoende tijd om te vertellen wat er met onze kinderen, kleinkinderen en al hun nazaten gebeurd is.” Ik reikte haar mijn arm, nog steeds in dezelfde fractie van een seconde, net voor de toenmalige Dood zich kenbaar zou maken.

Sirena lachte haar stralendste glimlach en sloeg haar arm in de mijne. “Een beter einde kan ik me niet wensen. Zoals vroeger, op onze roadtrips, weet je nog? Blik op oneindig en gaan. Neem me maar mee.”

Biografie

 In 1991 publiceerde Mike zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij twee Nederlandse romans en een bundel korte verhalen uitgegeven en een roman en een bundel in het Engels.

© Mike Jansen
Mike Jansen

Hij schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan vijftig korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel en voor JWKfiction in de USA.

Bibliografie

Met meer dan vijftig Engelse en meer dan vijftig Nederlandse publicaties in bladen en bundels is het ondoenlijk een complete bibliografie op te nemen. Wie geïnteresseerd is kan een kijkje nemen op www.meznir.info/

© 2019-2020 Mike Jansen & Fantasize