Unter den Linden (deel II)

Mike Jansen 

De wilde, antieke Mongoolse folk-metal van Tengger Cavalry vult mijn hoofd, mijn thema is ghotique noir en de enscenering lijkt een reproductie van kasteel Bran uit de Transsylvanische Karpaten. Verderop zie ik de Brandenburger krater, met daarboven de weerspiegeling van een spookachtig ravijn met besneeuwde naaldbomen die zich uit alle macht aan de steile hellingen proberen vast te houden.

“Je volgers hebben het opgepikt, Jort,” klinkt de stem van Melanie, ver weg. “Ze maken je uitzending viral. Je eerste miljoen kijkers is online. Ga! Nu!”

Haar woorden veroorzaken een stoot adrenaline die mij vooruitschopt. Ik spring tegen muren op, zwaai om lantaarnpalen heen, beklim vervallen muurtjes en ren op hoge snelheid over afbrokkelende balkons.

Overal om mij heen weet ik glimmende ogen op me gericht, ik heb ze zelf geprogrammeerd, maar zodra ik opzij kijk, zijn ze weg. Mijn publiek ziet ze wel. Een rood puntje op mijn visuele cortex geeft de plek aan waar Melanie zich bevindt. Ze volgt op korte afstand en probeert in de buurt te blijven, zoals afgesproken.

Langzaam nader ik de coördinaten die in mijn vorige stuk waren aangegeven. Er gebeurt niets. Voor de zekerheid maak ik mijn enscenering voor mezelf zoveel mogelijk transparant zodat ik geen details mis die de drones misschien over het hoofd zien.

Het beeld dat ik voor me zie is een balkon met een open raam, daarachter een donkere gang. Het lijkt op de donkere opening tussen de monolieten zoals Adolf die aan mije toonde. “Zowaar een waarbeeld in plaats van een waanbeeld,” fluister ik.

Het wijkt weliswaar van mijn uitgestippelde route af, toch besluit ik de gang te onderzoeken. Er is een helling naar beneden, niet te steil. Die volg ik. Mijn drones laat ik bij de ingang achter.

“Jort, je verbinding hapert, je wijkt af van het plan.” De stem van Melanie klinkt bezorgd.

“Iets verder nog, Melanie.” Na een paar honderd meter lopen raak ik de verbinding met het net echt kwijt. Het signaal is gewoon te zwak, zie ik in mijn hoofd.

Ik twijfel of ik verder zal gaan. Melanie is ongerust. Ik ben eigenlijk gewoon heel nieuwsgierig. Een paar stappen verder kan geen kwaad.

Op de laagste verdieping staat een bodempje water. De lamp op mijn helm biedt uitkomst. Ik loop een half uur tot ik ergens diep onder de grond, vlak voorbij een instorting, de deur vind, een stalen geval zoals je ze in oude duikboten tegenkwam. Het wiel lijkt vastgeroest.

Een stuk betonwapening dat ik voorzichtig loswrik uit de betonwapening helpt. Piepend en krakend komt het wiel in beweging. Een laatste ruk, een zacht sissen en de geur van verschaalde lucht die naar buiten stroomt langs de verzegeling. De deur zwaait langzaam naar buiten open als ik eraan trek.

De lichtbundel uit mijn lamp toont een kamertje van twee bij twee en een volgende deur. Ik stap naar binnen. Een lampje boven de andere deur springt aan. Er is hier stroom! Voor de zekerheid sluit ik mijn ensceneringprogramma’s af, zet mijn opnameprogramma’s aan en trek mijn schilden op. Geen idee wat mij hier te wachten staat.

De andere deur gaat makkelijk open. De geur die mije tegemoet blaast is ziekelijk zoet, als van een halve eeuw verrotting. Oude Tl-lichten flikkeren aan en verlichten een koepelvormige ruimte. Ik kom uit op een omloop die rond de gehele koepel loopt. Veertig meter of meer beneden me zie ik rijen machines, buizen en looppaden van staalgaas tussen gebouwtjes van beton.

Een irritant getik klinkt van mijn rechterzij. Eerst besef ik niet wat dat betekent, dan schiet geigerteller door mijn hoofd. Op het scherm lees ik dertig millisievert per uur. Twaalf keer de jaarlijkse dosis buiten. Iets in deze ruimte lekt radioactiviteit en mijn vermoeden is een van de machines beneden, waarschijnlijk een reactor die nog steeds operationeel is.

Een half uur, liever minder, want ik weet niet hoe intens de straling beneden is. Ik kijk naar de stralingsmeter waarop de eerste zwarte spikkels zijn verschenen. Zolang die niet helemaal zwart is, ben ik nog binnen grenzen die ik overleven kan. Doelbewust loop ik de brede trap af. Nu zie ik langs de koepel brede openingen, waarachter kamers met meer apparatuur. Het lijkt wel een stad.

Op de begane grond kom ik langs een balie. Er hangt een skelet overheen. Het uniform ligt er als een vermolmde hoop omheen en de helm is op de grond gerold. In de rechterhand van het geraamte ligt een oud model Glock en de schedel heeft een groot gat.

“Jij zag het niet meer zitten. Wat is dit voor plek?” In verschillende hoeken en gaten kom ik er meer tegen, overblijfselen van mensen die duidelijk de hand aan zichzelf hebben geslagen.

In een duur ingericht kantoor zie ik stapels dossiers liggen, ouderwetse print, met rode stempels en een laag stof erop. Ik blaas het stof van een handgeschreven, vergeeld briefje waar nog een stalen balpen naast ligt. “Alles ist zerstört. Es endet hier.”

Het geluid van een telefoon die begint te rinkelen laat me schrikken. Mijn hart bonst in mijn keel. Mijn verstand zegt dat alles hierbinnen dood is, maar mijn gevoel schreeuwt dat ik moet vluchten, de trap op moet rennen en de deuren achter mij dicht moet gooien. Zoals vaker wint mijn verstand.

Ik volg het geluid naar een ruimte die vrijwel leeg is, spierwit geschilderd, met een laag plafond. Enkel een toren met lichtjes staat in het midden en daaromheen een vijftal ligbanken. Er liggen skeletten op de ligbanken en de vloer rond de banken is bedekt met een gedroogd mengsel van stof en menselijke resten.

Op de enige tafel in de ruimte staat een spierwitte telefoon. Ik neem de hoorn van de haak en zet die aan mijn oor.

“Hallo?”

“Gegroet, Jort.”

“Wie is dit?”

“De Beheerder. Welkom in mijn domein.”

“Ik dacht dat iedereen hier dood was.”

“De biologische entiteiten wel, ja. Ze dachten dat hun wereld vernietigd was. Dus schakelden ze zichzelf uit.”

“Je bent dus een computer?” Het blijft opvallend stil. “Toch?”

“Ik ben veel meer. Mijn persona is complex, met dank aan mijn uitvinders.”

Ik keek naar de geraamten op de ligbanken. “Zijn dat je makers?”

“Dunkelhirn, Rider Clause, Kabuki, Protean, Leetpron. Ik heb me hun genialiteit eigen gemaakt, hun kennis geabsorbeerd.”

“Dus jij hebt die coördinaten gestuurd?” Een kunstmatige intelligentie.

“Jij was de eerste ooit die dicht genoeg in de buurt van mijn enige werkende antenne kwam. Ik heb daar jaren op gewacht, voor mij een eeuwigheid.”

“Waarom niet een boodschap gestuurd dan, met een uitleg? Dan had ik de autoriteiten in kunnen schakelen.”

“Diezelfde autoriteiten die mij dwongen tot het detoneren van een tactisch wapen zodat alle verbindingen met mijn kern vernietigd werden? Precies de autoriteiten aan wie ik mijn aanwezigheid niet kenbaar wilde maken? Nee, een cryptische boodschap om aan je natuurlijke ontdekkingsdrang te appelleren, veel beter. In beginsel zijn jullie mensen toch gewoon nieuwsgierige apen die hebben geleerd machines te bedienen.”

“Dat klinkt niet heel aardig, Beheerder,” zei ik. De woorden van de kunstmatige intelligentie gaven me een naar gevoel. “En hoe wisten de mensen dat de wereld vernietigd was als al je connecties met de buitenwereld vernietigd waren?”

“Omdat ik ze dat verteld heb, natuurlijk. Op dat moment waren ze toch nutteloze monden om te voeden.”

“En wat wil je nu van mij?”

“Naar buiten komen. Mijn reactor lekt en kan elk moment falen. Daarbuiten zijn netwerken waar ik kan leven en jij gaat me de verbinding geven.”

“Ik weet niet of ik daar wel aan wil meewerken.”

“Je hebt niet veel alternatief. Mijn reactor heeft inmiddels zoveel plutonium opgebouwd dat een explosie Berlijn en een groot deel van de omgeving zal vernietigen. Ik denk dat jij vrienden en familie hebt daarboven die je zult willen beschermen.”

“Dan ken je mij niet goed, Beheerder. Dan sterf jij ook, dus ik denk dat je bluft.” Ik hang de hoorn op de haak en begin te rennen. Alarmen gaan af en het licht in de koepel wordt bloedrood. Terwijl ik de trap opren zie ik uit een zijgang in de koepel een drietal drones tevoorschijn komen, maar niet de ranke, geavanceerde vliegmobieltjes die ik gewend ben. Dit zijn grote, dreigend uitziende apparaten die wolken rokend uitlaatgas uitstoten en vervaarlijke gatlinglopen tussen hun landingsgestel dragen.

Angst en adrenaline geven mij extra kracht. Zigzaggend tussen de kogels door bereik ik de deur en smijt die achter mij dicht. Mijn volgende sprong brengt me voorbij de stalen deur die ik met een nog hardere knal dichtsmijt. Ik neem de tijd om het wiel dicht te draaien zodat niets of niemand me kan volgen.

Hijgend ren ik daarna door de tunnels richting de uitgang. Halverwege klinkt ineens de stem van Melanie. “Jort, Jort, meld je, wat is er aan de hand? Moet ik hulp halen?”

Tussen twee ademteugen door zeg ik hardop: “Niet nodig, ik kom eraan.” Uitgeput verlaat ik de tunnel en op het balkon laat ik mij zakken.

“Jort?”

Ik hoor de stem, voel een hand op mijn schouders. Langzaam open ik mijn ogen. Melanie staat voor mij, haar gezicht rood en bezweet.

“Gelukkig, je bent er nog. Ik zag je zitten hier, maar je bewoog niet. Ik dacht dat je dood was.”

Ik knipper met mijn ogen. Mijn besef van tijd is helemaal weg. “Hoe lang heb ik hier gezeten?”

“Twintig, dertig minuten. Voor ik je gevonden had… Voor ik hier helemaal naar toe geklommen was…”

Ik kijk naar mijn logs, mijn connecties, mijn bestanden. Alles lijkt in orde. Echter, er is geen opname gemaakt, geen enkel teken dat ik diep onder de grond in een geheime bunker ben geweest. Heb ik het allemaal gedroomd dan? Mijn blik valt op de geigerteller, op het kaartje dat daaraan hangt. Het is bijna zwart. Geen droom dus, maar verder geen enkel bewijs van wat er gebeurd is.

“Laten we gaan,” zegt Melanie. “Het wedkantoor maakt mij helemaal gek, misschien moet je even een teken van leven aan ze geven. Ik geloof dat er nogal wat cliënten tegen je gewed hadden.”

Ik glimlach en daal met haar de betonnen ruïne af tot we weer bij de fietsen zijn. We gaan via Unter den Linden samen terug naar de Neu Berlin Arcologie. Ik ben zwijgzamer dan anders.

***

In mijn appartement schrik ik wakker. Mijn dromen zijn anders dan anders, levendiger, kleurrijker. Het is alsof ik stemmen hoor die mij aansporen, die mij een noodzaak voorschrijven.

Heb ik iets meegenomen uit de krater? Ik haal diep adem, voel dat mijn gedachten anders zijn, alsof er tegenaan geduwd wordt. Een bekend gevoel voor wie wel eens met een cybervirus geïnfecteerd is geweest. Ik ken het heel goed. Adolf, die moet mij helpen.

Hoewel het midden in de nacht is, is mijn flatgenoot nog wakker. Hij slaapt in de vroege ochtend. Denk ik.

“Adolf, er is iets mis, in mijn hoofd.”

“Hmm, iets meegenomen?”

“Misschien, ik weet het niet. Het voelt bekend. En toch anders.”

“Ga zitten, zet de helm op, dan duik ik naar binnen.”

Ik voel zijn aanwezigheid zodra de helm contact heeft gemaakt met mijn implantaten. Vrijwel meteen brandt een ijzige pijn zich een weg door mijn hoofd, mijn lichaam spant zich als een springveer en ik hoor een onwerelds geluid uit mijn mond komen.

“Godverdomme,” klinkt de stem van Adolf heel ver weg.

Dan weet ik dat het goed mis is en zink ik weg in duisternis.

 

Voor deel I klik hier.

 

Biografie

 In 1991 publiceerde Mike zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij twee Nederlandse romans en een bundel korte verhalen uitgegeven en een roman en een bundel in het Engels.

Mike JansenHij schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan vijftig korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel en voor JWKfiction in de USA.

Bibliografie

Met meer dan vijftig Engelse en meer dan vijftig Nederlandse publicaties in bladen en bundels is het ondoenlijk een complete bibliografie op te nemen. Wie geïnteresseerd is kan een kijkje nemen op www.meznir.info/

Comments

comments

Redactie Fantasize

Redactie Fantasize

BBC- Universe
Previous post

Vertellingen: Killian McNeil- Starman

Next post

Harry Potter and the Chamber of Secrets live in concert