Unter den Linden (deel I)

Mike Jansen 

Waar het stille hart klopt

Vol trots voor ’t vaderland

Van Brandenburger Tor

Tot Alexander Platz

Geef me je hart

Ik geef je de wereld

Tijdens mijn laatste tocht door mijn zelf gecreëerde buitenaardse jungle, waar bizarre insecten in het licht van twee zonnen flitsen met metaalachtige vleugels en elke paarsgebladerde plant mijn leven bedreigt, zie ik de anomalie, die zich voordoet als een stel monolieten gevuld met inscripties.

Even is het doodstil, alsof de wereld haar adem inhoudt. Dan vervloeit het beeld tot jungle en schalt de muziek, die ik voor dit anderwereldse Berlijn Kreuzberg heb geselecteerd, weer keihard door mijn hoofd.

Ik bereid elke tocht nauwgezet voor. Ik orkestreer de landschappen, zoek met mijn drones de meest geschikte lijn over vervallen muren, half ingestorte daken en verzakte appartementencomplexen.

Voor een buitenstaander ziet het eruit alsof ik een parcours afleg, zoals het vroegere Parkour, of vrij rennen, waarop ik mijn activiteiten gebaseerd heb. Wie op mijn kanalen geabonneerd is, ziet de kunstwerken die ik heb gemaakt van vervallen wijken van onze voormalige steden, een terugblik op een glorieuze tijd van groei en welvaart.

Noem het melancholie, noem het chauvinisme. Ik probeer de werkelijkheid enerzijds te verbloemen, anderzijds geef ik aandacht aan het potentieel van plaatsen en de grootsheid die nog steeds inherent is, ook al is hij verborgen onder de bouwwoede van twee eeuwen en dozijnen economische op- en neergangen.

Ik doe het toch voornamelijk voor mijn eigen plezier. Niets is zo opwindend als over een smalle rotsrichel lopen met aan weerszijden lavameren, terwijl verderop besneeuwde bergtoppen uitstijgen boven paarse jungle. Mijn drones vliegen altijd mee en waarschuwen me voor wijzigingen in de omgeving en verzorgen interactie met onverwachte bezoekers zoals wilde honden, katten of buitenproportionele ratten. Mijn programma verwerkt ze allemaal en integreert ze in mijn breinbeeld dat direct weer de netwerken op wordt gesmeten.

Dit is mijn leven. Elke week vermaak ik een paar miljoen kijkers wereldwijd en daarbuiten met mijn capriolen. Het levert me een karig bedrag op dat gelukkig wordt aangevuld door een wedkantoor dat weddenschappen afsluit op mijn eventuele verongelukken.

Melanie wacht op me bij onze fietsen. Antieke dingen, maar we hebben weinig keus. Er rijden geen trams of taxi’s door dit vervallen deel van Berlijn. Het centrum van macht en beschaving is naar het uiterste noorden verplaatst, naar een nieuwe wijk vol glas-en-betonkolossen. De Neu Berlin Arcologie. De rest is overgelaten aan verval en de entropie van de verwaarlozing.

“Hij was weer gaaf, Jort,” zegt ze. Haar ogen staren in de verte, alsof ze de landschappen die ik geënsceneerd heb, blijft zien. Ze heeft uitgebreide opname-implantaten in haar ogen, dus het zou kunnen.

Ik grom mijn instemming. Iets knaagt aan mijn onderbewustzijn. Ik laat een psychoanalysator op mijn hoofd los om te zien of mijn gedachten actief beïnvloed worden, zoals een virus of Trojaans paard dat zou kunnen. Samen fietsen we intussen terug naar Hoch Berlin, al slalommend om uitgebrande autowrakken. Kreuzberg, hoewel nagenoeg leeg, voelt onheilspellend aan.

***

We trekken langzaam de bedekte wereld in. Ik trek mijn schilden dicht om me heen om de barrage aan advertenties, bedelbrieven, bedreigingen en fanmail tegen te houden. Mijn implantaten vertonen eindeloos marcherende wezentjes die een groot zwart gat in vallen onder begeleiding van wanhopige kreten.

Naast me lijkt Melanie onbewogen. Ze vertelt nog steeds over de werken van Peter Cayhill en Amarie Horvat, de voorlopers van de ensceneringtechnologie die ik gebruik.

“Je bent ze voorbijgestreefd, Jort. Ik weet niet hoe, maar de diepte die jij in je omgeving verwerkt, dat is uniek.”

Ik glimlach om het goedbedoelde compliment. De artiest in me zucht in wanhoop over alle foutjes en onvolkomenheden en de wetenschap dat iedere andere gerespecteerde kunstenaar me elk moment kan ontmaskeren. En Adolf natuurlijk. Adolf ziet alles.

Bij checkpoint Bravo tonen we onze passen. Vinger- en retinascans worden vergeleken voor we binnengelaten worden met onze fietsen. De wachters lijken verveeld. Wij zijn waarschijnlijk de enige afleiding in hun saaie, monotone dag; arcologiebewoners komen zelden buiten.

“Dank je, Melanie.” Ik knik naar haar en ze bloost even. We kennen elkaar al jaren, op afstand. Ze heeft de afgelopen weken toenadering gezocht, na mijn beklimming van de ruïne van de Funkturm, mijn best bekeken reportage ooit.

“Heb je…” begint ze. “Ik bedoel, kan ik nog iets voor je doen?”

Ik zie aan haar ogen wat ze aanbiedt. “Na een parcours ben ik uitgeput, dus meestal slaap ik een paar uur. Zie ik je morgen? Ontbijt in de Starbiss?”

Ze glimlacht. “Ja, goed. Doe de groeten aan Adolf.”

Zie ik daar een spoortje weemoed, vermeng met jaloezie? Ik knik en fiets dan in de richting van mijn appartement. Melanie woont aan de andere kant van de stad, bijna tegen de buitenmuur.

Met mijn fiets op mijn arm zeul ik mijn rugtas de acht verdiepingen met de trap naar boven. De lift werkt al jaren niet meer. Ook hier treedt verval op.

Voor ik de zes sloten op de deur kan openen, wordt de deur opengetrokken. Adolf wacht me op. Hij gelooft niet in de cosmetische aspecten van kunstogen, dus die van hem zijn peilloos diepe gaten in donkere kassen. Zijn ouders gruwen ervan. Ik verdenk hem van een subtiele wraak voor het vernoemen naar de oud dictator die een kwart eeuw geleden boegbeeld van de Neufascismus hier in Berlijn was.

“Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet,” zegt hij.

“Ik denk dat ik weet wat jij denkt dat ik niet gezien heb…”

Adolf glimlacht. Om een of andere reden doet hij me altijd aan een alligator denken. Een corpulente alligator dan. Maar wel een hele correcte. Nooit een onvertogen woord, geen kwade uitingen, geen vloek die ooit zijn lippen ontvalt.

Hij waggelt terug naar zijn fauteuil, laat zich zakken en zucht tevreden wanneer de stoel zijn shiatsu bewegingen uitvoert. Hij gebaart naar de muur en daar verschijnt de wereld zoals ik die mijn kijkers had voorgeschoteld. “Hier is het.” Hij stopt het beeld. “Ik dacht eerst aan een paasei. Vervolgens aan je perfectionisme. Dit komt niet uit jouw hoofd.”

Ik zie nu de details van de anomalie die ik eerder maar vluchtig heb waargenomen. Monolieten met inscripties, totaal onleesbaar. “Plaatjes. Waarvan?”

Adolf schudt zijn hoofd. “Ik heb alles afgezocht, maar er is niets om mee te vergelijken. Stukjes en fragmenten die lijken op het soort occultisme dat in de Nazitijd en daarvoor populair was. Niets definitiefs.”

“Het lijkt een soort tempel. Kun je inzoomen op die opening?”

Ik zie het beeld een dozijn keer vergroten. Er is enkel schaduw.

“Haal de objectcode eens tevoorschijn,” vraag ik.

Adolf opent een scherm. De code is onleesbaar, alsof hij versleuteld is. Toch herken ik hier en daar patronen, fluisteringen uit een ver verleden.

“Het is een soort virus,” zeg ik. “Dat is een polymorfcode.”

“Ouderwets,” zegt Adolf. “Hoe is het in jouw scene terechtgekomen?”

“Langs mijn schilden. Wanneer ik een parcours afleg, zijn mijn schilden uit. Ik heb al mijn rekenkracht nodig voor de enscenering.”

Adolf staart naar me met zijn lege ogen. “Al die rekenkracht, al dat vermogen, de illegale uitbreidingen. En zelfs die weet je te vullen.” Het voelt alsof hij me beschuldigt dat ik niet voorzichtig ben geweest met vreemden.

“Ik heb het nodig voor mijn programma’s, voor al het materiaal dat erin gaat.” Ik probeer hem af te leiden. “Waar denk je aan?”

“Ik vraag me af wat je nog meer hebt meegenomen uit de wildernis. Iets heeft je daar geïnfecteerd. ”

“Onmogelijk,” zeg ik. “Kreuzberg ligt aan de rand van de Brandenburger krater. Er is nauwelijks datacommunicatie mogelijk en de EMP van het tactische wapen heeft destijds alle elektronica vernietigd.”

“Nauwelijks mogelijk, niet onmogelijk. Brandenburger Tor en omgeving waren vroeger het machtscentrum. Alle hackers zaten daar, Dunkelhirn, Protean, Kabuki, Leetpron, Rider Clause en hun handlangers. Al die kennis die daar verzameld was, stel je eens voor wat ze hadden kunnen bereiken…” Er klinkt adoratie in Adolfs stem.

Ik huiverde even bij het rijtje namen. “De toenmalige machthebbers. Toen de boel lam lag, was het snel bekeken. Maar goed ook, voor we het echte werk om onze oren kregen.” Ik knik zacht. “Je kunt gelijk hebben.” We weten allebei dat Adolf nooit ongelijk heeft, zoals hij ook nooit vloekt. Ongelijk hebben is als liegen is als vloeken, een verspilling van energie.

“Vraag je af wie of wat ongemerkt dit voor elkaar kan krijgen.”

Ik knik zacht. “Iemand die voorbij jouw paranoïde beveiligingen kan komen. Dat is zorgwekkend.”

“Juist. Er is nog iets anders.” Adolf tovert stukken code op zijn scherm.

“Dat lijken wel coördinaten,” zeg ik.

Als Adolf ooit met zijn ogen zou rollen, dan is het nu. Hij haalt een kaart van Berlijn tevoorschijn. De plek met het kruis ligt midden in de Brandenburger krater. “Er staat ook nog een boodschap achter: Help!”

“Help? Zou…” Ik schud mijn hoofd. Het is zestig jaar geleden, als er nog iemand in leven is onder die puinhoop, dan moet hij of zij inmiddels hoogbejaard zijn. Onmogelijk.

Adolf knikt. “Vul nu mijn obligate waarschuwing verder zelf maar in. Je trekt je er toch niets van aan. Ik ga nog even slapen. Het wordt een drukke nacht op de silicium snelwegen.”

***

Drie dagen lang bereid ik mijn volgende parcours voor. De meeste tijd ben ik zoals gewoonlijk kwijt aan het verkrijgen van een vergunning om me buiten de arcologie te kunnen begeven.

De beelden die ik uit de archieven haal, tonen een naargeestig gebied, een diepe krater vol verglaasd steen, omringd door lagen beton met roestig ijzervlechtwerk. In mijn hoofd teken ik een omslachtige route uit die me langs de meeste ruïnes voert. Als er daadwerkelijk iemand is, heeft hij of zij alle mogelijkheid zich te melden.

In de Starbiss bij koffie en kuchen vertel ik Melanie over de boodschap, de coördinaten en mijn plan voor het gebied.

“Neem je een stralingsmeter mee?”

“Natuurlijk.”

“Wil je dat ik meega?”

“Eigenlijk wel. Normaal zie ik je als toeschouwer, maar in dit parcours speel je een belangrijke rol.”

“Goh, je weet wel hoe je een meisje zich belangrijk kunt laten voelen.” Ze glimlacht zuur.

Ik grinnik. “Sorry, Melanie. Ik zit nu eenmaal raar in elkaar. Verslaafd aan creëren, je hebt mij eerder aan het werk gezien.”

Melanie legt haar hand op mijn knie. “Ik begrijp het, Jort. Je bent moeilijk te doorgronden. Gelukkig ben ik geduldig.”

Ik voel me warm worden en kuch onhandig. “Eh, ja, gelukkig maar. Nee, het zit zo. Iets is langs mijn schilden gekomen.” Ik tikte mijn wijsvinger tegen mijn rechterslaap.

“De boodschap, dat zei je al.”

Ik knik. “En wat nog meer? Ik heb van alles laten draaien, ik heb zelfs Adolf laten kijken. Niets. Wat als ik ineens gek ga doen als we in de buurt van dat ding komen?”

“Loop ik dan niet hetzelfde risico?”

“Dat denk ik niet.”

“En denk je dat zelf, of is dat de kwaadaardige code die nu spreekt?” Melanie lacht, maar haar ogen zijn strak op mijn gezicht gericht.

Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik ben het zelf.”

Melanie tuit haar lippen. “OK, ik ga mee. Om je op het rechte pad te houden.”

 

Voor deel II: klik hier.

 

Biografie

 In 1991 publiceerde Mike zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij twee Nederlandse romans en een bundel korte verhalen uitgegeven en een roman en een bundel in het Engels.

Mike JansenHij schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan vijftig korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel en voor JWKfiction in de USA.

Bibliografie

Met meer dan vijftig Engelse en meer dan vijftig Nederlandse publicaties in bladen en bundels is het ondoenlijk een complete bibliografie op te nemen. Wie geïnteresseerd is kan een kijkje nemen op www.meznir.info/

Comments

comments

Redactie Fantasize

Redactie Fantasize

Hellboy terug in de bioscoop
Previous post

HELLBOY TERUG IN DE BIOSCOOP - Mike Mignola kondigt reboot aan

BBC- Universe
Next post

Vertellingen: Killian McNeil- Starman