web analytics
dinsdag, februari 27

Vertelling: Het unificatiecriterium van Botteschied – Charles van Wettum

Door Charles van Wettum

De werkelijkheid is in gevaar. Ik weet het zeker.
Sinds Erwin Schrödinger erin geslaagd is een monitor aan zijn kwantummachine te koppelen, is alles in een versnelling gekomen.
‘Die monitor op de schouw geeft ons zicht op de berekende werkelijkheid,’ legde hij aan mijn protegé Joachim Botteschied uit toen ik hem na zijn toelating tot het selecte gezelschap van de fysicagoden op Mons Olympus een rondleiding gaf.
‘Door te denken aan wat je wilt zien, kun je hem richten. Mijn kwantummachine berekent de waarschijnlijkheidsgolf voor, toen en daar, en geeft je het beeld. Op elke plaats en in elke tijd en in elk gewenst detail.’
Ik zag Botteschied denken, jonge mannen zijn zó voorspelbaar. ‘Ja, dat ook,’ zei ik, ‘maar niet als ik erbij ben.’
We lachten alle drie, maar ik kon mijn angst voor de kwantummachine niet verbergen. Schrödinger is met Niels Bohr en Werner Heisenberg al dagen enthousiast bezig. Ik verdenk hen van een nieuwe ontwikkeling met Schrödingers waarschijnlijkheidsgolven. Mijn wantrouwen voedt de gedachte dat daar niets goeds uit kan voortkomen.

Ik heb vanavond het diner op mijn kamer gebruikt. Marie Curie zou erbij zijn, maar ze heeft afgezegd – jammer, maar haar aanwezigheid is voor mij niet noodzakelijk om van het goede te genieten. Wanneer ik de salon binnenkom zitten mijn vijf collega’s daar al. Dit zijn ze dus, denk ik terwijl ik rondkijk: de fysici die met hun beheersing van de natuurkunde het gevaar voor de werkelijkheid vormen. De bewoners van Mons Olympus. Door hun greep op de werkelijkheid zijn ze machtig, zowel om te vernietigen als om te creëren. Zijn ze goden, of eigenlijk demonen? Ik weet niet of er wel verschil is.
‘Was de maaltijd voldoende deterministisch voor je, Einstein?’ sneert Bohr zodra ik op mijn rookstoel ben gaan zitten.
‘Als het aan jou zou liggen,’ verwijt ik hem, ‘dan zou de werkelijkheid afhangen van hoe een kwantumgolf instort. Willekeur en toeval. Statistiek. Chaos.’
Bohr lacht me uit, net als elke avond. ‘En jij bent bang voor chaos, dat weten we. Je bent een reliek uit het verleden.’ Hij praat met zijn normale betweterstoontje. ‘De tijd van jouw determinisme is voorbij, Einstein. Je moet je neerleggen bij de nieuwe inzichten.’
Ze ontwikkelen met de kwantummachine nieuwe golfvergelijkingen. Nieuwe mogelijkheden in hun Kopenhaagse interpretatie. In zijn ontembare arrogantie beperkt Bohr zich niet tot het heden, maar laat hij zijn wiskunde zelfs de tentakels uitstrekken naar het verleden.
‘De wiskunde laat het toe, Einstein,’ zegt hij dan, alsof dat een ethisch argument is. ‘Onze formules kennen geen tijdsvoorkeur.’
Dat is waar, ik weet het. Maar hij negeert de filosofische problemen. De ethische bezwaren. De dramatische gevolgen als het zou lukken. De godheid is hem naar het hoofd gestegen, het is afschuwelijk.

‘Het beïnvloeden van het verleden met jouw instortende golfvergelijkingen is niet alleen idioot, Schrödinger, alleen al het proberen is immoreel.’
We hebben deze discussie elke avond in onze salon op de bovenste verdieping van Mons Olympus. ‘Als je de werkelijkheid verandert, dan heeft dat gevolgen. Als iemand verdwijnt omdat jij de werkelijkheid waarin hij leeft verandert… Dat is gewoon moord.’
‘Complete onzin, Einstein,’ neemt Bohr op dit moment altijd zijn collega in bescherming. Mijn drie tegenstanders zijn een goed samenwerkend team. ‘Je bent een paternalistische zeur.’
Voor Bohr is beledigen even gemakkelijk als wiskunde. ‘Wat gebeurd is, dat is gebeurd. Dat is ook zo als je het verleden verandert: het is dan misschien op een andere manier gebeurd, maar dat maakt het niet minder gebeurd. Een nieuw verleden is net zo goed een geldig verleden.’
Hij kijkt geamuseerd naar zijn Heisenberg en Schrödinger op de stoelen naast hem. Ze glimlachen samenzweerderig terug. Het is beangstigend.
‘Je doet alsof golven de realiteit beschrijven. Statistiek. Alsof God dobbelt… Maar kijk eens rond. Zie jij golven? De werkelijkheid is echt, Bohr, die moet je gewoon accepteren.’
Ik priem met mijn vinger door de kamer, over de grote salontafel naar de Deense fysicus in zijn eigen rookstoel. Op dit moment van het gesprek moet Curie altijd even gniffelen. Ze vindt me te fanatiek.
‘Welke werkelijkheid, Einstein?’ Bohr stelt de cruciale vraag. Zijn werkelijkheid is de mijne niet.
‘Wat al is gebeurd, mag je niet meer veranderen,’ pruttel ik nog terwijl ik een blik naar mijn rechterbuurman werp.
Het zou voor Joachim Botteschied een mooi moment zijn om me bij te vallen, maar hij let niet goed op. Hij staart over het hoofd van Heisenberg en Schrödinger naar de grote monitor. Ik weet niet wat hij op dit moment daar ziet. Joachim is vanavond niet in orde, denk ik. Hij heeft misschien wel koorts, hij transpireert.
‘Niet afdwalen, Einstein, we zijn bezig!’ De interventie van Heisenberg is scherp. Het lijkt wel of hij nog agressiever is dan anders.
In mijn worsteling met de drie giganten aan de overkant van de salontafel heb ik steun nodig. Drie tegen drie, dat is net voldoende om me overeind te houden. Gelukkig zit Curie naast me, als experimentator is ze van nature een steun in het deterministisch wereldbeeld.
‘Onze missie is duidelijk, Curie. We moeten de werkelijkheid beschermen tegen Bohr en zijn Kopenhaagse horden,’ zeg ik, zo hard dat ook de anderen me kunnen horen. ‘Dat is mijn eeuwige opdracht en ik zal hem uitvoeren of mijn naam is niet Albert Einstein.’
Bohr grijnst. ‘Het gaat je niet om de waarheid, Einstein, maar om wat je zelf nodig hebt. Je bent onzeker. Je kunt niet tegen onbepaaldheid. Jouw angsten beperken de groei van onze kennis en dat is treurig.’
Ik kijk naar Curie voor hulp, maar ze reageert niet. Ze staart naar Botteschied. Ik denk dat ik dat snap: Curie is dol op alle mannen en speciaal op jonge.
‘Ik ga naar bed.’ Ik verlaat altijd als eerste de vergaderzaal. De eindeloze discussies staan me tegen en alleen mijn liefde voor de werkelijkheid geeft me de kracht om door te gaan. Maar ik word er zo moe van.
Soms zit ik ‘s avonds alleen in onze vergaderzaal. Dan ga ik met de monitor graag terug naar de conferenties van Solvay. Ik zie onze bijeenkomsten, ik luister naar de besprekingen die we daar in de jaren 30 van de twintigste eeuw hadden. Wat was ik toen nog heerlijk naïef. Wat wist ik weinig van de kwetsbaarheid van de realiteit. Ach, die goede, oude tijd. De tijd dat ik nog kon geloven dat onze discussies academisch waren.
***
Ik ben onrustig wakker geworden. Dromen over een transpirerende Botteschied hebben me achtervolgd en bij het ontwaken wist ik het zeker: er gaat vandaag iets gebeuren. Het voorgevoel irriteert me, vooral omdat het deterministisch niets betekent maar kwantummechanisch mogelijk wel.
Wanneer ik de brede trap oploop naar de salon, staat Curie bovenaan de trap op me te wachten: ‘Je hebt rustig aan gedaan, Einstein. Ze wachten op je.’
Ze draagt elke dag dezelfde wijde zwarte jurk. De rouwkleding voor haar aan stralingsziekte overleden echtgenoot Pierre is met haar meegekomen naar Huize Olympus en daarmee eeuwig geworden. Ze trekt haar grijze lokken strak naar achteren, haar felle ogen schieten heen en weer. Echt mooi of vriendelijk is ze nooit geweest, wel gedreven en fanatiek. En wat een scherpe geest! Pierre was geen partij voor haar.
‘Kom snel.’ Ze opent de glas-in-looddeur en gaat me voor.
Op het moment dat ik de zaal in kom, maakt Bohr een zin af tegen Heisenberg: ‘… blijft gewoon een oude zak die de trein heeft gemist.’
De spreker leunt tegen de marmeren schouw – het eeuwige vuur erin brandt fel alsof de goden eraan herinnerd moeten worden hoe verterend de uitkomst van hun beslissingen is. Hij schrikt niet eens als duidelijk wordt dat ik de laatste woorden gehoord heb, zijn onbeschaamdheid kent tegenwoordig geen grenzen meer. Uit de onafscheidelijke pijp in zijn hand kringelt geen rook. Is zijn pijp uitgegaan zonder dat hij het gemerkt heeft? Het is onmiskenbaar een teken van spanning – wat is er aan de hand?
Heisenberg kijkt me vanuit zijn rookstoel zwijgend aan. Ik verdenk hem ervan dat hij voor Bohr heeft gekozen om mijn tegenstander te kunnen zijn. Hij is briljant, daarover kan geen misverstand bestaan, maar ik ben nu eenmaal Jood. Zijn grijns voorspelt niet veel goeds. De stoel van Botteschied is leeg. Dat is bijzonder, hij is meestal vroeg op.
Schrödinger zit niet op zijn eigen plek maar op de brede armleuning van de stoel van Curie. Met een flamboyant armgebaar nodigt hij haar uit om plaats te nemen, iets wat ze onmogelijk kan doen zonder hem aan te raken. Ik weet dat Schrödinger in zijn leven onverzadigbaar was; hij heeft een stroom niet-erkende kinderen achtergelaten die meestal wel zijn hormoonhuishouding maar niet zijn intelligentie hebben geërfd. Hij heeft geen oog voor mij, hij kijkt alleen naar Curie.
‘Waar is Botteschied?’ vraag ik aan Curie. Botteschied was mijn leerling op Caltech en met zijn briljante unificatiecriterium heeft hij volgens mij Bohrs statistische interpretatie definitief getorpedeerd. De redder van het determinisme, noem ik hem. Ik moet alleen Bohr en zijn kompanen nog van dat feit overtuigen.
Curie loopt door naar haar stoel. ‘Onze jongeling zal zo wel komen,’ zegt ze zonder om te kijken.

© Marcel van der Sleen

De situatie op Mons Olympus is fragiel. Bohr, Heisenberg en Schrödinger staan voor de Kopenhaagse dobbeluitleg, Curie, Botteschied en ik verdedigen de werkelijkheid. Het is als een instabiel evenwicht in fysische modellen: mooi en kwetsbaar. Deze ochtend voelt het alsof het evenwicht is verbroken. Wat is er gebeurd?
‘Zo, Einstein. Goed geslapen?’ Zoals altijd opent Bohr de vijandelijkheden. Heisenberg en Schrödinger geven hem de ruimte. Ze missen zijn scherpte, ze kennen hun tekortkomingen en ze leggen zich neer bij zijn suprematie. Aan onze kant ben ik de voorman, zodat alle gesprekken uiteindelijk confrontaties worden tussen Bohr en mij.
‘Zolang we niet in Kopenhagen zijn, slaap ik altijd goed.’
‘En heb je nog kunnen nadenken over Schrödingers nieuwe golfvergelijking?’
Ik ga voor een van de grote spiegels staan. Ik zie mezelf – mijn haar zit voortreffelijk, mijn verhoging tot godheid heeft me geen kwaad gedaan. Achter me zie ik dat Bohr geamuseerd naar Heisenberg kijkt. Het is alsof ze een val voor me gezet hebben en ik op het punt sta daarin te trappen.
‘Schrödingers golven? Daar hoef ik niet lang over na te denken, Bohr. Het is en blijft een idioot denkbeeld dat de werkelijkheid geen definitieve vorm heeft totdat er een waarnemer is.’
Ik haal mijn schouders op, alsof het over een onbelangrijk detail gaat. ‘Je vergist je gewoon, Bohr. Kwantummechanica is een instrument voor het berekenen van de uitkomst van experimenten. En begrijp me niet verkeerd: dat doet jullie rekeninstrumentje heel goed. Schrödinger heeft daar uitstekend werk verricht.’
Een ongevaarlijk compliment aan de bondgenoot van mijn vijand kan nooit kwaad. ‘Maar het is een instrument om de uitkomsten van experimenten te berekenen. Het is niet de beschrijving van de realiteit zelf.’
Ik zie in de spiegel dat Bohr glimlacht. Dat is ongewoon, hij zou nu geïrriteerd moeten zijn. In de spiegel ernaast zie ik dat Curie in haar stoel is gaan zitten. Zoals Schrödinger gepland had, moest ze daarbij langs zijn arm glijden. Maar ik zie in haar gezicht niet de gebruikelijke weerzin, dit is iets anders – het lijkt wel zachtheid. Wat gebeurt er allemaal zonder dat ik er iets van weet? Zouden ze… Maar dat zou Curie me toch wel verteld hebben?
Bohr ziet dat ik naar Curie en Schrödinger kijk. Een sardonische glimlach trekt over zijn gezicht, maar hij geeft me niet de gelegenheid om er langer over na te denken.
‘Ik heb een gedachtenexperiment voor je, mijn beste Einstein,’ zegt hij. Dat doen we vaker: experimenten verzinnen om de ander in de val te laten lopen. Is dat waar ze dagen op hebben zitten broeden? Dan moeten ze veel vertrouwen hebben in wat ze me nu gaan voorleggen, Bohrs vriendelijke toon suggereert het ergste.
‘Hoe zit het volgens jou,’ gaat Bohr door, ‘als we de hele fysieke werkelijkheid beschouwen als één groot gesloten systeem? Kunnen we dan daarvoor een grote golfvergelijking opstellen? Met ons, de goden, als de externe waarnemers?’

Is dat het? Ik kijk Bohr verbaasd aan. Dat is precies het argument dat ik regelmatig tegen hem gebruik. De hele werkelijkheid als één groot en onbepaald systeem. Totdat iemand van buiten een blik naar binnen werpt en dan zou het ineens ineenstorten tot een werkelijkheid? Ik had hem voorgehouden: ‘Je kunt dan een nieuw systeem definiëren waar die waarnemer ook onderdeel van is. Dat grotere systeem is dan ineens weer per definitie onbepaald, totdat een waarnemer van ook dáárbuiten kijkt. En dan definieer je een nog groter systeem waar ook die waarnemer weer bij hoort…’
Het argument gaat door tot in het oneindige, de iteratie huppelt tussen onbepaalde en bepaalde uitkomsten. Mijn conclusie was duidelijk: hun aanpak leidt tot ongerijmde conclusies en is dus absurd.
Op dit moment kies ik voor mijn andere argument: ‘Dat is zo theoretisch, Bohr. Niemand kan zo’n vergelijking opstellen. Je hebt voor de wiskunde meer geheugenruimte nodig dan het heelal groot is. Het is een onoplosbare paradox.’ Na ongerijmdheden zijn paradoxen mijn tweede populaire instrument.
Bohr glimlacht alweer. Gisterenavond werd hij er nog pisnijdig van. Het kan niet anders: er is echt iets aan de hand en ik zie het niet.
‘Misschien,’ zegt hij.
Op dat moment komt Botteschied binnen.
‘Ik ben blij dat je er bent, Botteschied,’ zeg ik opgelucht. De wiskunde van zijn unificatiecriterium gaat mij boven de pet.
‘Je moet Bohr jouw bewijs nog maar eens uitleggen. Hij snapt het niet helemaal.’ Ik lach mijn gemeenste lach naar Bohr. ‘Wiskunde liegt tenslotte nooit.’
Botteschied ziet er slecht uit, hij is bleek en het zweet parelt op zijn voorhoofd. Zijn blonde piekhaar staat normaal alle kanten op maar nu hangt het futloos langs zijn gezicht.
‘Sorry, Einstein. Ik ben niet in orde,’ mompelt hij terwijl hij gaat zitten. Hij zakt direct zo diep weg in zijn stoel dat hij bijna onzichtbaar is. Vroeger zou ik zeggen ‘waarschijnlijk iets verkeerds gegeten’, maar zo werkt dat niet bij goden op Mons Olympus. Ik heb geen idee hoe dit kan.
Botteschied wuift met zijn hand: ‘Ga maar door zonder mij.’
Het maakt me onrustig, ik kijk snel naar Curie – zij is een vrouw en misschien… Ze trekt haar schouders op zonder dat de hand van Schrödinger van haar schouder glijdt. Heisenberg kijkt me aan met een blik vol verachting. Wat is er in Olympus’ naam aan de hand?
‘Je had het over de golfvergelijking voor de hele werkelijkheid.’ Bohr gaat verder zonder een spier te vertrekken. ‘Natuurlijk heb je gelijk en is een golfvergelijking opstellen voor de hele realiteit ondoenlijk. Maar wat, Einstein, wat als we nu eens een golfvergelijking voor een deel van de werkelijkheid zouden opstellen en de rest gewoon negeren. Eén doelwit kiezen, op één moment. Eén gebeurtenis?’
‘En dan?’ Ik zie werkelijk niet waar Bohr heen wil.
‘Bijvoorbeeld een golfvergelijking voor één molecuul. Ik stel me voor: een complex molecuul, bijvoorbeeld een DNA-streng. Dat is ingewikkeld, natuurlijk, maar theoretisch mogelijk.’
‘Theoretisch? Misschien.’
‘En stel dat we dan met onze nieuwe monitor een waarneming naar dat molecuul gaan doen. Niet nu, maar op een moment in het verleden.’ Terwijl Bohr spreekt, kijken Heisenberg en Schrödinger elkaar aan met een blik die ik alleen maar kan beschrijven als ‘samenzweerderig’.
‘Als het molecuul reageert met de omgeving is dat fysisch gezien al een waarneming…’ reageer ik. We hebben ook dit gedachtenexperiment in het verleden vaak uitgeprobeerd.
‘Ja, ja. Dat klopt.’ Bohr tikt ongeduldig met zijn pijp op de schouw. ‘Als we dus in het verleden gaan waarnemen, moeten we dat doen vóórdat het molecuul met de omgeving reageert. Wat dan?’
‘Volgens jullie Kopenhaagse interpretatie zal de golfvergelijking op het moment van waarneming instorten en wordt de fysieke vorm definitief.’
‘Precies, Einstein, precies dat. Ik wist dat je het zou snappen.’ Zijn scheve glimlach wordt breder. ‘De fysieke vorm wordt definitief. Geforceerd door de waarneming. Voordat dit gebeurt door een chemische of biologische reactie.’ Hij lacht nu breed.
‘Eén molecuul kan nooit een meetbaar macroscopisch effect hebben,’ reageer ik. Ik realiseer me direct dat ik daarover nog niet heel goed heb nagedacht. Zou het…?

Bohr kijkt rond naar zijn kompanen. Ik kijk mee. Het is duidelijk: Heisenberg weet wat er gaat komen. Als ik naar Schrödinger en Curie kijk, zie ik dat ook zij allebei weten wat er komt. Ook Curie! Ook gij, Bruta? Botteschied hangt energieloos in zijn stoel dus aan hem heb ik niets.
‘En weet je, Einstein, dat is dus precies wat we gedaan hebben.’ Bohr kan het gevoel van triomf niet uit zijn stem weren. ‘Met één molecuul. Eén DNA-streng.’
Hij laat even een stilte vallen om de spanning op te bouwen. Dat lukt.
‘We hebben gekozen voor een DNA-steng van vader Botteschied. Gisterenavond heb ik met Schrödinger en Curie hier op de monitor de waarneming gedaan waardoor de golfvergelijking is ingestort. We hebben gekeken vlak voordat Joachim werd verwekt, ons doel was die ene zaadcel die de eicel bevruchtte. Zo hebben we die streng gedwongen om zich definitief te vormen. Maar niet op het moment van de bevruchting, zoals het van nature zou gebeuren. Nee, een enkel moment daarvoor. Net iets eerder.’
Hij wacht even om te kijken of ik me realiseer wat er gaat komen. Ik zie voor me hoe de waarschijnlijkheidsgolf wervelt in een dans tussen de oneindige hoeveelheid mogelijkheden voor realisatie. Ik realiseer me hoe het exacte moment van instorten invloed heeft op de definitieve vorm. De definitieve eigenschappen. Het begint me te dagen.
‘Terwijl wij die DNA-streng scanden, stortte de golfvergelijking in en werden alle mogelijkheden versmald tot één realisatie. Een fractie eerder dan het gebeurde toen onze jonge vriend werd verwekt. En een ander moment betekent een andere vorm. Ah, en weet je, Einstein, zo’n DNA-streng is zo ontzettend kwetsbaar…’ Bohr trekt een gezicht dat medelijden zou moeten uitstralen. Het lukt hem niet, het resultaat is een waanzinnig vertrokken gezicht dat vooral waanzin weerspiegelt. ‘Alle moleculen moesten plotseling kiezen hoe en wat ze waren.’
‘Moleculen kiezen niet, malloot.’ Ik weet dat ik een achterhoedegevecht voer. De slag is allang voorbij.
Bohr grijnst. ‘Een metafoor, Einstein, gebruik je intelligentie eens een keer. Kun je niet voor je zien wat er gebeurde? Sommige delen van het DNA vielen net zoals ze even later ook zouden hebben gedaan, maar op andere plekken viel de golfvergelijking net een andere kant op. Dat instorten is statistiek, Einstein, het is dat verdomde toeval waar jij zo’n hekel aan hebt. Op veel plekken was de uitkomst rommelig. Je weet het, statistiek zorgt voor chaos. Entropie is een killer.’
Bohr kijkt me gemaakt bedroefd aan. ‘De werkelijkheid is zich op dit moment nog aan het aanpassen aan de fatale fouten die in Botteschieds DNA-streng zijn ontstaan.’ Hij kijkt naar Joachim. ‘Sorry, collega. Het is niets persoonlijks, maar ik denk dat jouw embryo zich niet zal nestelen.’
Het is verbijsterend. Ik kom stamelend in opstand: ‘Het verleden kun je niet veranderen. Dat ligt vast. Dat moet.’
Boos verheft Bohr zijn stem. ‘Probeer niet mij de schuld te geven!’ roept Bohr. Hij is echt kwaad. ‘Jij bent verantwoordelijk, Einstein. Als jij had opengestaan voor argumenten, dan was dit niet nodig geweest.’
In paniek kijk ik rond. Curie kijkt terug, ze trekt haar onverschillig schouders op. Schrödinger aait over haar lokken en ze lijkt daarvan te genieten. Ik ben haar kwijt. Ik draai me om naar Botteschied. Hij transpireert steeds harder. Het lijkt wel of hij vager wordt. Onscherper. Of is dat mijn boosheid, zijn het de tranen in mijn ogen?
‘Je bent gestoord, Bohr. Je bent echt volledig krankzinnig geworden.’
‘Einstein, ik vind dat wij goden niet zo over elkaar moeten oordelen. Je kunt je beter even concentreren op wat er gebeurt. Kijk naar wat je jouw beschermeling hebt aangedaan. Het is tijd om afscheid te nemen.’
Ik zie Botteschied inderdaad vervagen. Hij is nu volledig doorzichtig, alleen de omtrekken steken nog af tegen de stoel. Het ingedeukte leer kan ik dwars door zijn torso heen zien.
Mijn protegé krijgt nu zelf ook in de gaten dat er iets met hem gebeurt. Hij houdt zijn handen voor zijn gezicht – net als ik kan hij er doorheen kijken. Hij schreeuwt, maar er komt geen geluid uit zijn mond. Hij probeert op te springen, maar zijn benen vinden geen houvast. Langzaam lost hij op in … Niet eens in mist of rook. Gewoon: niets. Hij is verdwenen. Het leer van de stoel veert omhoog zonder geluid te maken.
‘Je bent een misdadiger, Bohr,’ fluister ik. ‘Een moordenaar.’
Bohr steekt bezwerend zijn beide handen op. ‘Stil, Einstein, anders gebeuren er nog meer dingen die je niet wilt. De toekomst is nog makkelijker te veranderen dan het verleden.’ Hij lacht bulderend om zijn eigen verschrikkelijke grap. ‘Botteschied is niet dood, hij is gewoon niet geboren. Embryo niet genesteld, nooit een foetus geworden. Hij heeft nooit bestaan.’
Heisenberg is steeds vrolijker geworden. ‘Geen Botteschied…,’ vult hij aan, hikkend van het lachen. ‘…betekent geen unificatiecriterium. Je argumenten zijn verdwenen, Einstein, de wereld is veranderd. Je trein is vertrokken en je hebt hem gemist.’ Hij kijkt me zelfgenoegzaam aan. Ik denk dat hij blij is dat hij eindelijk de Jood eronder heeft gekregen.
Verbijsterd kijk ik verder de kring rond. Marie kijkt verontschuldigend, ik kan haar schelle stem in mijn hoofd al horen: ‘Sorry, ik heb niet zoveel verstand van wiskunde.’ Ik hoef het niet eens te vragen.
Schrödinger kijkt triomfantelijk op me neer. Ik weet werkelijk niet of hij met die blik bedoelt dat zijn golfvergelijking heeft gewonnen of dat hij Curie heeft veroverd.
De stoel van Joachim is leeg. Er is niets waaraan je kunt zien dat hij er ooit in gezeten heeft.

In de beklemmende stilte is de plotselinge klop op de deur een welkome afleiding.
‘Ah, daar zul je de aanvulling van ons gezelschap hebben.’ Bohr doet de salondeur open. ‘Dag, Pauli.’ Bohr steekt uitnodigend zijn hand uit. ‘Wat een ontzettend leuke verrassing jou hier te zien. We hebben een lege stoel voor je.’
Een man voor kamp Bohr, denk ik, terwijl Wolfgang Pauli naar de stoel van Botteschied loopt. Het evenwicht in op Mons Olympus is verbroken en ik verlies.
‘We zijn weer compleet,’ constateert Bohr. ‘Om verdere besluiteloosheid te voorkomen, wil ik eerst het voorzitterschap regelen. Ik stel mezelf kandidaat. Heisenberg, wat stem jij?’
Plotseling zie ik vreemde bewegingen op de monitor. Ik zie onze salon, hier en nu, en op dat scherm zie ik Curie vervagen! Wanneer ik me in paniek omdraai, blijkt dat ze nog net zo materieel aanwezig is als enkele momenten geleden. Terug op de monitor zie ik dat daarop niet Pauli de kamer is binnengekomen, maar een ander – ik herken het ernstige gezicht van Louis de Broglie met zijn fijne brilletje. Terwijl hier naast mij toch echt… Wacht, hier zit niet Pauli, dat is Max Planck. En daarnaast…
Ik knijp mijn knokkels wit in de leuningen van mijn stoel. Dwarrelen nu de alternatieve realiteiten door Mons Olympus? Verschillende versies van het heden? Fluctuerende werkelijkheden?
Het is duidelijk dat de macht op Mons Olympus door Kopenhagen is gegrepen.
De realiteit is gedoemd.
Ik begin te transpireren.

Over de auteur:
Charles van Wettum (1957) studeerde sterrenkunde en economie. Na ruim 40 jaar in het onderwijs begon hij in 2021 als schrijver van korte sf-verhalen en novellen: ‘harde’ sf met een menselijke kant. Hij publiceerde in oa Fantastische Vertellingen, HSF en verzamelbundels. In 2023 verschenen enkele (e)boekjes. Voor al zijn werk zie www.wettum.org/boeken.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Charles van Wettum & Marcel van der Sleen

You cannot copy content of this page