web analytics
woensdag, februari 1

Vertelling: Het quotiëntvirus – Mike Jansen

Door Mike Jansen

Dag 1
Voor het eerst in drie maanden draaide ik de sleutel van mijn appartement op de begane grond weer om. Het ‘besmet’-stempel moest ik vanmiddag maar even wegboenen. In het voorbijgaan had ik de tekst op veel deuren zien staan. Te veel deuren. En van die deuren was een op de vijf voorzien van spijtbetuigingen en ‘rust in vrede’-kaartjes.
Volgens de laatste berichten die ik gehoord had, waren de ziekenhuizen overvol en waren er kampen opgericht in parken en op trapveldjes in de grote steden. Vrijwel de hele Randstad ging naar de tering. De begraafplaatsen draaiden overuren.
Ik hoorde het suizen van de bal die mijn richting opkwam en bepaalde de exacte snelheid en locatie die me noopte mijn hand op te steken en het ding uit de lucht te plukken. Het was een voetbal met daarop de naam Cruijff en nummer 14.
Twee kinderen, een jongen en een meisje, kwamen al aanrennen. Ik analyseerde hun gezichtsuitdrukking en zag bij beiden oprechte zorg, of dat nu voor hun bal of voor mijn welzijn was. Ik schatte de kans dat ze broer en zus waren op meer dan negenennegentig procent. Een tweeling meer dan negentig procent, afgaand op genetische… Wat ben je aan het doen, Jonah? Zo was je vroeger niet.
Het jongetje sprak als eerste: ‘Meneer, mogen we onze bal terug?’
Ik draaide me naar het tweetal toe en het meisje stootte vrijwel meteen haar broer aan. ‘Hij is er zo een,’ fluisterde ze. ‘Kom, we gaan.’ Ze probeerde haar broertje mee te trekken.
‘Wacht even,’ zei ik. ‘”Zo een”, wat bedoel je daarmee? Iemand die ziek is geweest?’
Het meisje aarzelde, knikte vervolgens.
‘Maar, hoe weet je dat dan?’
Ze maakte een gebaar naar haar ogen.
Ach ja, mijn ogen. Toen ik na al die maanden weer zelfstandig kon lopen, was het eerste dat ik deed in de spiegel kijken die in de wc in het ziekenhuis hing. Het virus had sporen achtergelaten die als een soort netelroos vanuit mijn ooghoeken langs mijn kaken liepen, langs een aantal zenuwbanen. Op de rest van mijn lichaam zaten meer van dat soort sporen. Ik dacht dat het inmiddels alweer wat was weggetrokken, maar de frisse buitenlucht had het waarschijnlijk weer zichtbaarder gemaakt.
‘Ik ben weer helemaal beter, hoor,’ zei ik. ‘Mijn naam is Jonah. Hoe heten jullie?’
‘Sabi,’ zei het jongetje. ‘Mijn zusje heet Sabina.’
Heel origineel, ouders. ‘Aangenaam, Sabi en Sabina.’ Ik rolde de bal terug naar het tweetal. ‘Van mij heb je niets te vrezen. Ik ga gewoon weer proberen mijn leven op te pakken.’
‘Hoelang bent u ziek geweest, meneer?’ vroeg Sabi.
Zesennegentig dagen, veertien uur en zeventien minuten sinds mijn opname. ‘Drie maanden ongeveer,’ zei ik.
‘Veel buren zijn nog steeds ziek,’ zei Sabine. ‘Onze overbuurman en zijn vrouw, ze komen niet meer terug. We mogen van papa niet met zieken praten.’
‘Gelukkig ben ik weer beter. Maar ga voor de zekerheid maar gauw terug naar huis,’ zei ik vriendelijk.
De kinderen keken elkaar aan, een blik van verstandhouding. Het volgende moment renden ze de andere kant op, de bal voor zich uit trappend.
Die reactie zal ik nog wel vaker krijgen.
Ik draaide me weer naar de deur. Ik hoopte dat Tom Poes me niet al te zeer zou haten. Mijn zus, Anne, had hem die ochtend uit het asiel opgehaald en binnengelaten. De deur ging moeiteloos open.
Ik was weer thuis. Het voelde alsof ik ergens op bezoek ben. Alles zag er nog net zo rommelig uit als de dag dat ik ijlend en bloedend uit mijn huis was gehaald door de ambulancedienst. Gelukkig was mijn bloed en braaksel weggeboend en waarschijnlijk vernietigd.
Ik herinnerde me nog vaag de dagen voor ik ziek werd, de alarmerende berichten op het nieuws over een virus zo besmettelijk als ooit de pokken maar bijna zo dodelijk en agressief als ebola.
Ik dacht toen nog dat het hier in Nederland niet kon gebeuren. Er waren eerder uitbraken van dodelijke ziekten geweest, maar die kwamen meestal niet door de bewaking en quarantaine aan de grens.
Toen een voor een de zuidelijke Europese landen geraakt werden en het virus steeds noordelijker bewoog, begon de paniek. Politici schreeuwden moord en brand en het volk kroop in paniek weg met water en voorraden. Supermarkten werden leeggekocht.
De straten van Amsterdam waren nog nooit zo verlaten geweest als vier maanden geleden. Het leek aanvankelijk alsof het virus ons landje zou overslaan. Het sloeg even later des te harder toe in de dichtbevolkte gebieden van de Randstad.
Ook ik had het ergens opgelopen, een besef dat me in paniek bracht. Het sterftecijfer in West-Europa lag op meer dan twintig procent. Achteraf was die paniek wel mijn redding. Ik belde als eerste mijn zus – ze is verpleegster – en zij maande me dat ik elk uur moest bellen, dat ik aspirine moest nemen en veel moest drinken.
Toen ik haar na een dag niet meer elk uur belde, wist ze dat ze een ambulance moest laten komen om me op te halen. Ik was een van de eerste duizend gevallen in Nederland. En nu ook een van de eerste die ontslagen werd uit het ziekenhuis en genezen was verklaard.
De lucht in huis was muf. Ik opende een paar ramen. In het voorbijgaan probeerde ik wat op te ruimen. Op tafel lag een grote stapel post die ik moest gaan sorteren, ik zag er nu al tegenop.
Mijn computer stond nog aan. Zo, die zal inmiddels wel een keer aan het updaten zijn geslagen. Mijn gebonden editie van Gullivers Reizen lag naast het toetsenbord. Hé, da’s lang geleden. Ik kon me niet herinneren dat ik het boek aan het lezen was voor ik ziek werd. Ik haalde mijn schouders op. Ik herinnerde me wel meer niet van die koortsige dagen. Ik zette het boek terug in mijn boekenkast.
Ik liep de keuken in. Anne had netjes de afwas gedaan. Ik opende de koelkast. Die was bijna leeg. Ze had ook alle bederfelijke waar weggegooid. Ik moest dus vandaag nog een rondje supermarkt doen. Ik kan het ook via Albert bestellen, bezorgen ze het. Als dat nog werkt, tenminste.
De afgelopen week had ik in het ziekenhuis het internet afgestruind naar nieuws van de afgelopen drie maanden. De epidemie die was uitgebroken was de ergste sinds de Spaanse griep van 1918. Met alle sterfgevallen was er veel aanbod van huizen op de markt gekomen. Als gevolg daarvan daalde de huizenprijs, stortten een paar banken in, die weer andere banken lieten omvallen en halveerden de beurskoersen wereldwijd in een paar maanden van schokkende dalingen.
Tom Poes, mijn je-weet-welkater, kwam spinnend de keuken insluipen. Hij gaf me een paar kopjes tegen mijn kuiten en ging daarna demonstratief naast zijn etensbak zitten. Ik grinnikte. Alsof ik nooit weggeweest was en alsof hij niet drie maanden in een asiel had gezeten.
Ik gaf hem wat droge brokken uit een vers pak en vulde zijn waterbak tot de rand. Tevreden begon hij te eten. Ik kroelde in zijn nek en zijn spinnen werd harder. Oké, het voelt toch wel weer een beetje als thuis.
Ik nam plaats achter de computer. Eerst maar mijn e-mail bekijken. Mijn browser met de verschillende tabs stond nog open. De pagina die openstond was de ‘Pretty Kitties Gallery’ met tientallen foto’s van snoezige poezen, Perzen, Siamezen, boskatten en andere exoten. Ik was echt goed ziek, zeg.

Ik logde in op de site van mijn werkgever, de gemeente Amsterdam, en zuchtte dramatisch toen ik meer dan zevenhonderd ongelezen e-mails zag staan. Tot ik me herinnerde dat het er voor ik ziek werd bijna vijfhonderd waren. Er waren er dus maar tweehonderd bijgekomen in die drie maanden. Dat viel me alleszins mee.
Ik leunde achterover. Mijn arts had gezegd dat ik de eerste dagen nog rustig aan moest doen om aan te sterken. Al die oersaaie, domme, verkeerd ingevulde verzoeken. Dat kan best even wachten. Hmm, ik kan me toch herinneren dat ik vroeger meer lol had in mijn werk.
Ik bestelde een lijst boodschappen bij Albert Heijn, met een speciaal extraatje voor Tom Poes, omdat hij me als vanouds had welkom geheten.
Daarna opende ik een half dozijn nieuwssites en scande artikelen over de opkomst en razendsnelle verspreiding van het virus over de wereld. De beelden van massagraven waren afschuwwekkend. Ik besefte dat ik daarbij had kunnen liggen, want ook in Nederland waren er massagraven aangelegd op het hoogtepunt van de epidemie. Pandemie is het woord. Wereldwijd.
Mijn vaste lijn rinkelde. Ik nam de hoorn op. Het was mijn zus.
‘Oh, hi, Anne. Ja, alles goed. Tom Poes was blij me te zien, dank je nog voor het ophalen, en ik ben nu bezig de boel hier te fatsoeneren.’ Ik luisterde nog even naar haar gebabbel, maar ik raakte al snel mijn interesse kwijt. ‘Ja, ja, ik neem rust en ik zal voorzichtig zijn met eten in het begin.’ Gaap, dat weet ik nou wel. Ik was blij toen ik afscheid kon nemen en de hoorn kon neerleggen.
Ik ging terug naar mijn artikelen. Op een site met ‘verdachte’ nieuwsgaring zag ik wat interessante rapporten over overlevenden van de plaag die na ontslag uit het ziekenhuis dramatisch veel intelligenter waren geworden. Hé, wacht eens even… Ik zocht een IQ-test op en kwam uit bij de Mensa-test. Zonder veel moeite vulde ik de ellenlange vragenlijsten in en op het eind liet ik mijn score berekenen. Honderd procent, Mensa-materiaal. Voor de zekerheid deed ik er een IQ-testje achteraan. Weer waren de vragenlijsten eenvoudig op het saaie af. De uitslag was een IQ van ruim 145. Ik kreeg een koud gevoel in mijn buik.
Nieuwsgierig ging ik nog verder op zoek en vond uiteindelijk een referentie naar nog extremere gevallen waar het IQ niet eens meer meetbaar was. Veel zeldzamer, maar ze kwamen voor. Hoewel niet lang. Iedereen die met ongewoon hoog IQ was aangetroffen was inmiddels dood of verdwenen. Het was een bizar fenomeen dat verschillende onderzoekers versteld deed staan. Door de zeldzaamheid was het nog niet tot het reguliere nieuws doorgedrongen.
Mijn privé-e-mail pingde even. Nieuw bericht, afzender GGD. Hmm, wat is dit? Een consulente van de GGD, Annemiek genaamd, wilde morgen om negen uur ’s ochtends langskomen om te zien of alles goed met me was nu ik na drie maanden uit de running weer in de maatschappij terugkeerde. Vooruit maar, voor het goede doel. Ik stuurde een mailtje terug met mijn akkoord.
De bezorger van Albert leverde om half zes ’s middags mijn doos met boodschappen af op drie meter voor de deur en belde toen voorzichtig aan. Voor ik kon opendoen was de bezorger alweer verdwenen. Ach ja, dat stempel moet er nog af. Ik zette de doos binnen neer, pakte een teiltje met wat water, ammoniak en een spons en begon te boenen. De inkt was hardnekkig.
Ik zette het teiltje weer in mijn gootsteenkastje en gaapte. Nee, Jonah, je bent er nog niet helemaal. Eten en dan vroeg naar bed!
Ik wokte wat groenten en blokjes kip en goot er een zoetzuur sausje doorheen. Voor Tom Poes kookte ik een portie witvis, zijn favoriet.
Om negen uur vielen mijn ogen zowat dicht. In het halfdonker van mijn slaapkamer, enkel verlicht door binnenvallend licht van straatlampen, liet ik me zonder uitkleden op mijn bed vallen. Niet veel later sliep ik, denk ik.

Dag 2
Fel zonlicht scheen in mijn ogen. Oktober, laagstaande zon, invalshoek, de as van de Aarde, precessie… Ik knipperde met mijn ogen en kwam overeind. Al mijn spieren protesteerden. Ik trok mijn kamerjas aan over mijn gekreukelde kleren.
Uit de tas die ik uit het ziekenhuis had meegekregen haalde ik wat buisjes vitaminen en ijzerpillen. Ik was nogal wat essentiële elementen en mineralen kwijtgeraakt tijdens het hoogtepunt van de besmetting. IJzer voor bloedcellen, zuurstofopname, hemoglobine, B12… Ik schudde mijn hoofd. ‘Neem je pillen nou maar, ouwe.’
Ik schonk wat sinaasappelsap in, smeerde twee broodjes en droeg dat naar mijn terras, dat in de zon lag. Het was er fris, maar aangenaam. Ik wilde mijn bord net op mijn terrastafel plaatsen toen ik de muis zag liggen. Op zijn rug, pootjes gespreid en vastgenageld met wat nog het meest op nietjes uit een nietapparaat leken. Het beestje was vakkundig ontleed, de ingewanden lagen netjes op een rij naast het lijf en het hart lag nog in het opengevouwen ribbenkastje.
‘Getverdemme.’ Dat zijn vast die oudste twee lastpakken van de overbuurman geweest, die Bouahzati.
Tom Poes kwam op de stoel tegenover me zitten en keek vol interesse naar het muizenlijk.
‘Jij laat tenminste alleen het lijf op de deurmat liggen.’ En die keer op de mat in de slaapkamer waar ik in ging staan toen ik opstond. Mat is mat, toch?
Ik pulkte de muis los en met wat keukenpapier verzamelde ik de onderdeeltjes die ik vervolgens in de kliko gooide. De walm die daaruit kwam vertelde me dat het hoog tijd was het ding weer aan de weg te zetten.
‘Goed, ontbijt nu.’ Om de een of andere reden smaakten mijn broodjes en sap wat minder. Tom Poes bleef geduldig tegenover me zitten. ‘Sorry, maat, geen lekkere hapjes voor je. Ik zal zometeen een Shebaatje voor je openen.’ Tom Poes begon te spinnen. Hij is ook zo’n trouw beest.
Terwijl ik zo in de zon zat, met mijn ogen dicht, voelde ik ideeën en concepten in mijn hoofd opborrelen. Ik zag werelden ontstaan waarin hoogtechnologische vooruitgang mogelijk was en de mensheid vrij was die interesses na te streven die hen op dat moment bezighielden. ‘Verdraaid, ik zou er verhalen over moeten schrijven. Anderen mijn visie tonen. Misschien naar een uitgever sturen.’ Hoho, misschien eerst eens zien hoe goed je bent, of je je met anderen kunt meten.
Ik ruimde mijn spullen op en ging achter de pc zitten. Verhalenwedstrijden in Nederland. Sciencefictionwedstrijden. Ik vond er uiteindelijk een paar. De eerstvolgende deadline was op 31 oktober. Een paar dagen nog.

Ik begon aantekeningen te typen, in hoog tempo. Ik had twaalfduizend woorden de tijd om mijn visie neer te zetten. Makkie. Ik begon te schrijven en een uur later had ik de eerste duizend woorden op mijn scherm staan. Ik vond ze briljant.
Mijn concentratie werd verbroken door het irritante gezoem van de bel. Oh ja, die muts van de GGD zou langskomen.
Annemiek was een leuke, jonge vrouw, midden twintig schatte ik. Donker haar, lichtbruine ogen, een jaren vijftig bril en een truttig mantelpakje onder een kort zwartleren jasje. Ze had een vriendelijke, ontwapenende glimlach.
‘Goedemorgen, meneer Haberdas? Ik ben Annemiek. Van de GGD. Voor de afspraak, weet u nog?’
Ik deed een stap terug. ‘Natuurlijk, kom toch binnen. Koffie?’
Annemiek stond naast me in het halletje en begon haar jas uit te trekken. Ik rook een duur parfum. Bergamot, fris, een hint muskus, magnolia en rozenblaadjes.
‘Nou, graag, mijn eerste voor vandaag.’
Ik voelde me ineens slecht op mijn gemak. Mijn kleren waren gekreukeld en ik droeg mijn ochtendjas slordig halfopen eroverheen. ‘Sorry voor mijn half geklede staat, Annemiek. Ik was gisteren met kleren en al op bed in slaap gevallen.’ Ik liep voor haar de woonkamer in.
‘Dat geeft niet, het is vroeg op de dag. Kan ik hier zitten?’ Ze wees op een stoel aan de eettafel.
‘Ja, natuurlijk. Laat me de post opzij vegen.’ Vervolgens liet ik de Saeco Minuto twee lekkere bakken espresso afleveren en even later zaten we tegenover elkaar.
‘Zo,’ zei ik. ‘Dit is een normale controle, neem ik aan?’ Ik merkte dat ze naar me staarde. ‘Zijn het de littekens?’ Ik voelde aan de bobbelige huid onder mijn ooghoeken.
‘Nou ja, voor zover controles normaal zijn, natuurlijk,’ zei Annemiek. Ze knipperde even met haar ogen. ‘En nee, uw littekens doen mij niets. Ik heb ze al bij een aantal mensen gezien. U bent niet de enige die de ziekte overleefd heeft. De maatschappij is nogal veranderd, de afgelopen maanden. Ik probeer uit te vinden of u daarmee om kunt gaan, of dat u hulp kunt gebruiken.’ Ze haalde een map uit haar tas en legde die voor haar op tafel.
‘Wat een goede dienstverlening,’ zei ik. ‘Ik zou bijna zeggen dat mijn belastingcenten goed gebruikt worden.’
Annemiek glimlachte. Ze nam een slok van haar koffie. ‘Hmm, goeie koffie.’
‘Extra dark roast van de Lidl. Dat is mijn favoriet.’ Ik nam zelf ook een slok. Cafeïne, hmm, smaakversterker, benzoaten, aroma’s, een vleugje karamel.
Annemiek opende haar map en pakte haar pen. ‘Ik heb een aantal standaardvragen die ik moet stellen, is dat oké?’
‘Ik heb koffie, dus alles is goed.’
‘Heeft u iets bijzonders gemerkt sinds u thuis bent?’
‘Bijzonders? Hoezo?’
‘Heeft u bijvoorbeeld last van een versterkte gevoeligheid? Het idee dat u ingewikkelde zaken ineens veel makkelijker vindt? Vindt u uw leven ineens heel saai? Ondervindt u een versterkt gevoel van paranoia, het idee dat er meer zit achter bepaalde gebeurtenissen? Dat soort zaken.’
Ik keek Annemiek aan. Wat zit hierachter? Hoe weet ze wat ik meemaak? Wie heeft hier opdracht voor gegeven? Normaal blijven doen, hou je dom, als je dat nog kunt. ‘Goh, dat is me nogal wat.’ Ik nam nog een slok. ‘Daar zou ik even goed over moeten nadenken. Ik ben sinds ik thuis ben gekomen eigenlijk alleen maar bezig geweest met opruimen, slapen en eten. Ik ben erg ziek geweest, vandaar.’
‘Ja, het is me nogal een epidemie.’
‘Pandemie,’ zei ik.
‘Ja, natuurlijk. Heeft u naasten verloren? Dat levert meestal extra trauma’s op. Ook hierbij willen we mensen graag begeleiden verder te gaan met hun leven.’
‘Erg attent,’ zei ik. ‘Maar mijn ouders zijn in een ongeluk omgekomen, nu elf jaar, vijfendertig dagen en zeventien uur geleden.’
Annemiek maakte aantekeningen. ‘Dat klinkt alsof u het zich nog perfect kunt herinneren. Was u erbij?’
‘Nee, dat was het moment dat die agent me belde. Hoe heette hij ook weer? Oh ja, Koos Janssens van de KLPD.’
Annemiek maakte meer aantekeningen. ‘Denkt u dat u behoefte heeft aan herintredingtherapie of werkbegeleiding? Wij merken dat veel mensen daar baat bij hebben.’
‘Nee hoor. Ik heb al ingelogd bij de gemeente en wat daar in mijn mailbox staat aan werk, dat heb ik zo af.’
‘Dat klinkt alsof u er zin in hebt,’ zei Annemiek met een glimlach.
‘Ach, dan kan ik daarna weer wat filosoferen over een verhaal dat ik aan het schrijven ben.’
‘Oh, wat leuk. Wat schrijft u?’
‘Sciencefiction. Ik heb een visie over toekomstige ontwikkelingen, die moet ik gewoon delen met anderen. En hoe nu beter dan middels verhalen? Ik doe ook mee aan een wedstrijd.’
‘Is die er dan?’ zei Annemiek, duidelijk verbaasd. ‘Geweldig. Heeft u al veel geschreven?’
‘Nou, eigenlijk ben ik net begonnen. Hiervoor heb ik buiten mijn werk nooit een letter op papier gezet. Ineens pakt het je, hè?’
Annemiek nam nog een slok van haar koffie. ‘Ik denk dat u een goede kans maakt met uw enthousiasme, meneer Haberdas.’
‘Alsjeblieft, noem me toch Jonah.’
‘Dank je, Jonah. Ik denk dat ik genoeg weet. Ik stel voor dat ik volgende week nog een keer langskom om te zien hoe het gaat.’ Annemiek vouwde haar map dicht en stopte die in haar tas. ‘Nog bedankt voor de koffie.’
‘Tot ziens, hoor,’ zei ik nog toen ik de deur achter haar dicht deed. Bemoeials. En die vragen zinden me ook niet. Nou ja, verder met mijn verhaal.
Terwijl ik naar mijn computer liep, zag ik Tom Poes voorbij rennen met een dikke nylondraad achter zich aan.
‘Tom, wacht.’
De kat stopte en draaide zich om. Hij keek me vol verwachting aan.
‘Ik zei toch dat je uit mijn viskoffer moest blijven, gekke poes.’ Ik haalde het lusje van zijn rechterpoot en rolde de draad weer netjes op. ‘Oh, ik snap het al,’ zei ik toen ik bij de koffer kwam. Die was omgevallen en al mijn spullen lagen op de grond. Gelukkig maar dat hij mijn kunstaas niet had gepakt, daar zaten smerige weerhaken in.
Ik ging verder met mijn verhaal. De hele dag schreef ik en deed ik onderzoek. Ik stond alleen af en toe op om wat eten of drinken te halen, voor de rest zat ik met mijn hoofd diep in complexe werelden. Hoe krijg ik het allemaal in twaalfduizend woorden? Nou ja, als iemand het kan, dan ik wel. “Schrijven is schrappen” had ik ergens gelezen.
Zonder dat te willen moet ik in slaap zijn gevallen. Ik werd wakker met mijn hoofd op het toetsenbord. Toen ik overeind kwam zag ik dat mijn document gevuld was met spaties. Zucht. Dat wordt extra werk. Het was al donker en ik voelde mijn maag rommelen.
Ik vond de extra intelligentie erg fijn. Schrijven ging vrijwel moeiteloos en ik snapte al het onderzoek dat ik op internet deed met maar minimale uitleg. Blijkbaar werd ik er wel snel moe van, alsof mijn hersenen extra energie nodig hadden. Wat ik op zich ook weer niet vreemd vond.
Ik liep de keuken in en kookte wat worteltjes en bakte een paar worstjes. Voor Tom Poes sneed ik een worstje in stukjes en legde dat op zijn bak met wat droogvoer erbij. Ik ververste ook zijn water. ‘Eet smakelijk, makker,’ zei ik. Ik nam mijn eigen bord mee naar de pc. Bijna automatisch werkte ik mijn eten naar binnen terwijl ik wat wetenschappelijke Discovery Channel filmpjes op YouTube voorbij liet komen. Ik snapte nu eindelijk waarom er een optie was om ze twee keer zo snel te laten gaan. Die was er voor mensen zoals ik.
Negen uur alweer. Ik ben op. Morgen weer een dag. Even douchen en dan tukken.
Twintig minuten later, gedoucht en wel, sloot ik mijn ogen, klaar voor de volgende dag.

© Gert-Jan van den Bemd

Na de derde dag
Lui rekte ik me uit in het warme ochtendzonnetje. Niet slecht, oktober, niet slecht.
‘Oh ja, verhaal.’ Ik kwam overeind. De thermometer van mijn terras, voor het raam, gaf negentien graden aan. Heerlijk om in te ontbijten.
Ik bakte een stel eieren met spek en deed er een kom gesneden paprika bij. Een dubbele espresso erbij om goed wakker te worden. En een glas water voor de pillen. Het bakje van Tom Poes vulde ik met brokken.
Mijn tafel bleek weer te zijn gebruikt voor een ontleding. Een flinke kikker, dit keer, ontdaan van zijn huid, die op een hoopje lag. Alle ingewanden waren netjes, bijna chirurgisch verwijderd.
‘Tjeezis,’ zei ik. Als dit zo doorgaat moet ik de politie bellen. Die Bouahzati-boys gaan van kwaad tot erger.
Weer moest ik de nietjes uit de pootjes trekken en alle onderdeeltjes met keukenpapier bij elkaar vegen. Ik nam de tafel ook nog maar even met W5-doekjes af.
Intussen waren mijn eieren bijna koud. Nou ja, de smaak was nog best oké en ik had haast om verder te gaan met mijn verhaal. Ik genoot nog even van het zonnetje en de dubbele espresso.
Nog twee dagen voor de deadline. Ga ik dat redden? Geef ik de heldin een stoere nanotech-oplossing? Of doe ik iets met retrovirussen?
Ik nam weer plaats achter de computer. Mijn browserscherm stond nog open. Hammurabi en Lex Talionis. Goh, ik was wel erg moe gisteravond. Dat heeft niets meer met mijn verhaal te maken.
Ik keek even op de nieuwssites en op de site van de Gemeente Amsterdam voor wat lokale informatie. Mijn oog viel op een advies om niet alleen het Amsterdamse Bos in te gaan vanwege een groep honden die eenzame mensen aanviel. Het ging om honden die snel verwilderden nu hun baasjes waren overleden. Ondanks herhaalde klopjachten van de politie en de dierenbescherming, wisten de slimme beesten telkens te ontsnappen. Hmm, nu wil ik niet beticht worden van ‘er te veel achter zoeken’, maar ik zou bijna denken dat die beesten intelligenter zijn geworden. ‘Au, au! Tom Poes, kijk eens uit met die nagels.’ Ik trok mijn kat van mijn been af en zette hem op mijn schoot. Hij bleef mijn hand zoeken tot ik hem een uitgebreide behandeling gaf. Zijn spinnen was niet van de lucht. ‘Sorry, jongen, ik heb je al die tijd geen aandacht kunnen geven. Ik snap dat je het zat bent. Nu even wat samen-tijd, gezellig.’ Ik bleef hem aaien terwijl ik door verschillende sites scrolde op zoek naar meer meldingen van dieren die intelligenter waren geworden.

In de Andes was een condor gevonden die was neergehaald met dozijnen minuscule pijltjes. Ongeveer marmotgrootte. Maar geen getuigen. In Spanje was er een geit die het alfabet kon blaten. Het filmpje was niet echt overtuigend. In Canada gooiden grizzlies bomen over de weg om auto’s te dwingen te stoppen. Daarna werden de mensen er vakkundig, soms enigszins ruw, uitgepeld. Maar niet opgegeten. Wel hun zakken chips, chocolaatjes en andere etenswaren, liefst zoet. Klopjacht door de overheid leverde niets op. In Californië waren de bronnen van tientallen grote brandhaarden inmiddels gevonden, allemaal rond coyote-holen waar provisorische kampvuren waren aangelegd. In Colorado was grote schade ontstaan aan tientallen warenhuizen waar beveiligingscamera’s hadden gefilmd hoe hele hordes wasberen inbraken, sloten onklaar maakten en een weg naar buiten vrijhielden terwijl ze alles wat eetbaar was uit de winkels plunderden. En in Australië was een stel vogelbekdieren aangetroffen die een soort concert gaven, compleet met dirigent. Er was dus wel degelijk wat gaande.
Ik keek naar de spinnende kat op mijn schoot. Vervolgens voegde ik ‘kat, poes, feline, chat’ en ‘katze’ toe aan mijn zoekopdracht. Gelukkig, katten worden niet gemeld. Nog niet. Nou ja, Tom en ik gaan dan ook wat jaartjes terug. Al zou het zo zijn, wat kan hij doen? Als hij me al iets zou willen doen.
Ineens was Tom Poes het zat. Hij sprong van mijn schoot en liep naar de keuken.
Snel haalde ik mijn verhaal tevoorschijn. De laatste alinea’s zaten vol spelfouten en nog een ziljoen spaties. Met een zucht deed ik een flinke zoek/vervangactie en een spellingscontrole, waarna mijn verhaal weer enigszins fatsoenlijk was.
Hmm, zal ik de heldin verliefd laten worden? Op een andere vrouw? In een repressieve mannengedomineerde maatschappij die dat zo sterk veroordeelt dat ze de schuldigen executeren? Nah, dat is al zo vaak gedaan.
Ik werkte hard door aan mijn manuscript, zoals ik het verhaal inmiddels was gaan noemen. Ongemerkt vlogen de uren weer voorbij.
Toen de telefoon rinkelde had ik echt moeite om uit mijn concentratie te komen. ‘Hallo!’
‘Jonah? Anne hier. Ik wilde gewoon even kijken hoe het met je ging.’
‘Ja, ja, goed hoor, ik ben even met iets bezig, kunnen we vanavond even bellen?’
‘Natuurlijk, ik heb ook nog wat patiënten hier. Doe je voorzichtig?’
‘Ja, ja, wees maar niet bang. Dag zusje.’
‘Dag br…’
Klik.
Verdraaid, helemaal uit mijn concentratie. Mijn maag rommelde. En ik heb honger. Ik keek naar buiten. De lucht was helemaal grijs. Ik rekte me uit en voelde mijn spieren kraken. Ik had te lang in dezelfde houding gezeten. Vijf uur alweer! Het voelt als een paar minuten, maar dit was bijna een hele werkdag.
Snel dook ik de keuken in en gooide een pizza in de oven. Voor Tom Poes opende ik een simpel blik Whiskas en leegde dat in zijn etensbak. Dat eigenwijze beest keek ernaar en draaide zijn bak vervolgens de rug toe.
‘Nou, arrogantje, dit is wat je krijgt, meer niet. Eten of verhongeren.’
Natuurlijk zat ik een kwartier later aan tafel met een pizza en een hongerige kat op schoot. ‘Ik moet je Garfield gaan noemen, vetklep.’ Uiteindelijk at Tom Poes ongeveer de helft van mijn salami en kaas op en bleven de oninteressante stukjes voor mij over.
Ik zette de restjes maar op het aanrecht. Dat ruimde ik morgen wel weer op. Ruim tienduizend woorden had ik al en ze waren briljant. Ha, ik zal dat stelletje juryleden eens wat laten lezen. Dat wordt minstens de hoofdprijs.
Tegen negen uur voelde ik me weer instorten. Deze keer was ik wijs genoeg mijn scherm uit te zetten en naar bed te gaan. Morgen weer een dag en genoeg tijd om voor de deadline alles ingestuurd te krijgen.

De derde nacht
Ik werd wakker omdat ik het koud had. En omdat ik moeite had met ademen. En omdat er een smerige lucht in mijn neusvleugels hing. En omdat ik een merkwaardig ronken hoorde.
In het licht van de straatlampen zag ik de silhouet van een bekende kattenkop vlak bij mijn gezicht.
‘Euh, Tom Poes, je stinkt uit je bek, maat. Ga even ergens anders liggen.’
‘Mrrr-nee.’
Zei hij nou iets? Ik probeerde mijn hoofd op te tillen. Het lukte niet. Mijn armen zaten ook klemvast. Ik voelde paniek opkomen. Met mijn vingers raakte ik iets dat strak gespannen stond, een draad of zo. Visdraad.
Ik voelde nu diezelfde strakke spanning over mijn hele lichaam, alsof mijn hele lijf met nylon visdraad strak vastgebonden was aan het bed. Het deed zelfs pijn nu ik bewoog en de draden in mijn vlees sneden. Waar is mijn pyjama? Geen wonder dat ik het koud heb.
‘Mrrvast. Zitje.’
‘Jij, jij praat?’
Diep spingeluid. ‘Mrrjauw.’ Tom Poes ging rechtop zitten en plukte met een nagel aan een van de draden. Het maakte een ‘twang’ geluid. ‘Mrrrsterk.’
‘Ja, dat is sterke draad. Je hebt er weer mee gespeeld terwijl ik je nog zo gezegd had…’ Wacht, je praat tegen een kat. Ja, maar hij praat ook tegen mij! ‘Wat, waarom?’
‘Mrrspelen?’ zei Tom Poes.
‘Wacht even, was jij het, van die lijken op mijn terrastafel?’
‘Mrrroefnen.’
‘Oefenen, waarvoor?’
Tom Poes stond op en liep op zijn kousevoeten over mijn naakte lichaam. Overal waar hij kwam lieten zijn nagels pijnlijke puntjes in mijn huid achter.
‘Wat doe je daar?’ zei ik voorzichtig toen hij bij mijn geslachtsdelen aankwam. Ik voelde de zachte vacht van zijn pootje onder mijn balzak glijden.
‘Mrrrweet. Jenog? Vrrrjaar, ngendagnnn, twlfur?’
‘Vier jaar, negen dagen, twaalf uur? Dat is de dag dat…’ Ik voelde mijn lichaam nog kouder worden, als dat nog kon. ‘Dat is de dag dat ik je heb laten castreren.’ Ik voelde hoe de kat zijn nagels langzaam uitstrekte. Ik schreeuwde.
Tom Poes begon te spinnen.

 

Over de auteur:
In 1991 publiceerde Mike Jansen zijn eerste fantasyverhaal in het toenmalige Ator Mondis. Sindsdien heeft hij een aantal Nederlandse romans uitgegeven. Hij schrijft tegenwoordig voornamelijk in het Engels en vertaalt eigen werk naar het Nederlands en soms vice versa. Hij heeft al meer dan vijftig korte verhalen gepubliceerd, zowel in het Nederlands als in het Engels, waarvan het merendeel sinds 2012. Daarnaast heeft hij de King Kong Award (1992) en Fantastels (2012) gewonnen, evenals de Baarnse literatuurprijs en een flink aantal nominaties en shortlistnoteringen voor verhalenwedstrijden. Op uitgeefvlak verricht hij hand- en spandiensten voor Verschijnsel, Edge-Zero en voor JWKfiction in de USA.

Over de illustrator:
Gert-Jan van den Bemd (Breda, 1964) is schrijver, kunstenaar en wetenschapsjournalist. Hij publiceerde drie romans (De verkeerde vriend, 2018, Na de val, 2019 en Branco en Julia, 2022) en verhalen en gedichten in onder andere Tirade, Extaze, Op Ruwe Planken en Ganymedes. Met zijn beeldend werk exposeerde hij in Nederland, België, Marokko, Hongarije, Litouwen, de Verenigde Staten van Amerika en Zuid-Afrika.

 

© 2020 – 2023 Fantasize, Mike Jansen & Gert-Jan van den Bemd

You cannot copy content of this page