web analytics
maandag, mei 16

Vertelling: De alwetende verteller

Door Killian McNeil

Op een klein eilandje voor de kust van Borghaven staat een stenen toren, grijs en verweerd door ouderdom, net als de wachter die er woont. Bovenop de toren brandt elke nacht een vuur. Het waarschuwt de langsvarende schepen voor de gevaarlijke rotsen die met hoog water onder de golven verdwijnen.
De oude man waakt over het vuur. Hij staat graag op de uitkijk, lurkend aan zijn pijp en denkend aan alles en iedereen. Zijn gedachten waaien dan mee met de wind en tijd lijkt voor hem niet langer te bestaan. Uren kan hij zo staan, kijkend naar de zeehonden op het grindstrand aan de voet van de toren of luisterend naar het gekrijs van de meeuwen, die laag over de schuimkoppen van de aanrollende golven scheren.
Een keer in de week, als de golfslag het toelaat, roeit hij naar de kust, voor een bezoekje aan de tabakswinkel. Daarna loopt hij meestal over de markt om te kopen wat hij nodig heeft. Omdat hij te pas en te onpas iedereen advies of goede raad geeft, noemt men hem de alwetende verteller.
Op een herfstige oktoberdag zit hij op zijn bankje in de luwte van de toren. Met een hand boven zijn ogen tuurt hij naar een bootje, waarin een oude vrouw vecht tegen de golven en de wind. Moeizaam trekt ze aan de roeispanen. Langzaam komt ze dichterbij. Hij verwondert zich over haar hoofdbedekking, waar de wind geen vat op schijnt te krijgen. Het ding lijkt vastgeplakt op haar kruin. Als ze de aanlegsteiger tot op tien meter genaderd is, herkent hij haar. Die is ook echt niets veranderd, denkt hij. Dezelfde slons als vijftig jaar geleden. Zo te zien nog altijd de slechtst geklede vrouw in de wijde omtrek.
Nadat ze de boot heeft vastgebonden aan een meerpaal, beklimt ze de steiger. Ze is zichtbaar moe. Op blote voeten strompelt ze, steunend op een knoestige wandelstok, naar de stenen trap die in de rotsen is uitgehouwen.
Wat is het een armlastig schepsel, denkt hij en staat op. Hij kijkt toe hoe ze zich staande probeert te houden op de gladde, bemoste stenen. Waarom loopt ze eigenlijk op blote voeten, vraagt hij zich af.
‘Kon je me niet een handje helpen,’ zegt ze als ze boven is. Ze bijt een stuk van een nagel en spuugt dat weer uit.
Hij trekt een vies gezicht. ‘Waarom?’
‘Omdat ik je zuster ben misschien?’
‘Je bent toch niet gevallen?’
‘Nog even bijdehand als vroeger. Nou, maak je dat hek nog open?’
‘Veiligheid voor alles. Ik ken je langer dan vandaag.’
‘Je wilt me toch niet vertellen dat je bang bent voor een oud nagelbijtend wijf dat al half in haar graf ligt?’
‘Dat niet, maar jij bent niet zo onschuldig als je je voordoet.’
Ze begint hardop te lachen en steekt haar arm uit met gespreide vingers.
Geschrokken deinst hij achteruit.
‘Wees gerust. Ik zal je niet veranderen in een pad of zoiets. Je bent per slot van rekening wel mijn broer.’ Weer die harde lach.
‘Waarom loop je op blote voeten?’
Ze kijkt hem aan en zegt: ‘Het is een netelige kwestie, die dikke enkels van me. Ze belemmeren mijn voortgang.’
‘Je staat te lang achter die heksenketel van je. Geen wonder dat je enkels uitzakken.’
‘Denk je dat ik een ordinaire heks ben!’
‘Geen idee. Van heksen en brouwsels heb ik weinig tot geen verstand.’
Ze zucht en slikt het antwoord dat al op haar tong ligt weer in. ‘Wil je me nu wel of niet helpen? Zalfjes en kruidenmengsels werken niet.’ Ze knabbelt aan de nagel van haar pink. ‘Ik ben ten einde raad. Ik vraag je anders nooit iets.’
‘Stop met dat nagelbijten van je. Walgelijk.’
‘De walm uit je pijp is net zo smerig.’
‘Smerig? Tabak is geneeskrachtig. Dat wist je zeker niet. Ik vertel je dat tabaksolie wellicht kan helpen tegen je kwaal. Het werkt tenslotte ook tegen wintervoeten, eksterogen en andere huidaandoeningen. Een smeersel van tabak kan de pijn in je …’
‘Man, je raaskalt,’ onderbreekt ze hem. ‘Tabak is slecht, dat weet iedereen tegenwoordig. Daar ga je dood aan.’
‘Zie ik er dood uit? Dan geloof je het toch niet. Voor die misvormde enkels van jou is het waarschijnlijk toch al te laat, vertel ik je. Aderlating zou misschien nog enige verlichting kunnen bieden.’ Uitgebreid legt hij uit hoe een goede aderlating werkt en dat bloedzuigers de laatste tijd ondergewaardeerd worden.
Ongeduldig luistert ze naar hem. Hij blijft maar doorratelen over tabak en wat je er allemaal mee kan doen.
Als er toch even een stilte valt, laat ze hem merken dat ze er genoeg van heeft. ‘Man, wat ben jij breedsprakig. Ik heb wel genoeg gehoord.’
‘Als je er zo over denkt.’
‘Je denkt toch niet echt dat ik serieus overweeg om me in te smeren met tabakssap of mijn aderen te laten leegzuigen door bloedzuigers?’
‘Je vroeg een oplossing voor je probleem. Die gaf ik je.’
‘Een wrede middeleeuwse oplossing. Heb ik daarvoor de zee getrotseerd?’ Ze kluift ongegeneerd op haar nagels. ‘Ik ga, want aan jou heb ik ook niets. Je bent een alwetende verteller van niets.’
‘Wat je wilt,’ zegt hij. ‘Maar doe iets aan dat nagelbijten. Een vreselijke gewoonte.’
‘Je valt in herhaling.’
‘Ik kan het niet vaak genoeg zeggen.’
‘Weet je waar jij eens iets aan moet doen? En dan heb ik het niet over die stinkpijp van je.’
‘Er valt niets meer aan mij te doen.’

© Marcel van der Sleen

Ze snuift. ‘Je hebt een betweter die het te hoog in zijn bol heeft.’
‘Hoe durf je! Wie denk je wel dat je bent!’
‘Je zus, vertel ik je. De beste kruidengenezer van de streek.’
De alwetende verteller begint te lachen. ‘Lulkoek. Je bent een simpel kruidenvrouwtje dat wat aan hekserij doet. Als je de beste was, dan had je zelf wel een middeltje geweten voor je pijnlijke enkels.’
Dat schiet de oude vrouw in het verkeerde keelgat. Ze schraapt haar keel en spreidt haar vingers. ‘Hoe durf je mij te beledigen!’
De alwetende verteller deinst achteruit met zijn handen voor zich. ‘Niet doen! Je begrijpt me verkeerd.’
‘Wat valt daar nu verkeerd aan te begrijpen?’ Ze bijt een stuk van haar duimnagel af en spreekt een toverspreuk uit. ‘Je verdiende loon, betweter!’
De alwetende verteller schrompelt ineen en verandert in een slang.
‘Je hebt geluk dat de maan al bijna vol is, anders had je een maand lang over deze rots in zee moeten kruipen.’ Ze draait zich om en loopt naar de stenen trap. Haar broer kronkelt onder het hek door en glijdt de trap af, sneller dan zij kan lopen. Met een snelle beweging hapt hij naar haar enkel en bijt.
Ze gilt en laat van schrik haar wandelstok vallen. Met moeite weet ze haar evenwicht te bewaren op de gladde trap.
‘Dat is je straf voor dat eeuwige nagelkluiven,’ sist de alwetende verteller. ‘En zo krijg je alsnog die heilzame aderlating.’ Hij zoekt kronkelend zijn weg tussen de rotsen en verstopt zich voordat ze in staat is om wraak te nemen.
Ze denkt echter helemaal niet aan wraak. ‘Tegengif, ik moet tegengif hebben,’ tiert ze. In paniek rent ze met twee treden tegelijk de trap af, haar rokken hoog houdend met beide handen.
De alwetende verteller kijkt haar na. Als een bezetene trekt ze aan de roeispanen en roeit ze even later door de branding naar de kust. ‘Je had het kunnen weten, zus: alwetende vertellers hebben altijd het laatste woord.’

 

Over de auteur:
Killian McNeil is een pseudoniem van Harrie Adema. Hij woont in Zuid-Limburg, maar is geboren in het Drentse Schoonebeek. Hij heeft een voorkeur voor sciencefiction en fantasy, maar is ook een liefhebber van sprookjes en historische verhalen. Zijn eerste publicatie was het verhaal Starman in 2013. Ook won hij in dat jaar de Feniksprijs van de Fantastels schrijfwedstrijd. In 2015 haalde zijn verhaal Bloedrode bloemen op een sneeuwwit slagveld de Edge-Zerobundel van dat jaar. Een aantal verhalen van hem zijn opgenomen in de Ganymedes-jaarboeken en de bundels van Historische Verhalen.

Over de illustrator:
Marcel van der Sleen (1984) is opgeleid tot grafisch vormgever, maar de drang om te tekenen bleef. Daarom is hij ook als illustrator aan de slag gegaan. Zijn hart ligt bij fantasy & sciencefiction, omdat hij daarin zijn fantasie en beeldend vermogen helemaal vrij kan laten.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Killian McNeil & Marcel van der Sleen