web analytics
maandag, mei 16

Vertelling: Anatha – deel 2

Een verhaal van Terrence Lauerhohn in 3 delen. Lees ook deel 1.

Minutieus doorzocht hij het laboratorium terwijl zij het met openstaande bek en starende ogen nauwgezet onderzocht.
Tussen de puinhopen van Mentors vernietigde apparatenvond hij weinig bruikbaars. Toch bleken de spaarzame middelen voldoende om een genezing op gang te brengen, mede dankzij de herstellende enzymen in het lichaam van de neosuchus, die zelfs het helingsproces van haar weggerotte hand versnelden.
Tane gaf haar vers voedsel. Het halfdier at met evenveel geestdrift als toen ze het vlees van de hemeltand verorberde. Haar korte staart, bedekt met driehoekige schildjes, bewoog voortdurend tijdens het verslinden van het voedsel. Na elke gulzige hap opende ze haar bek en toonde ze haar blikkerende tandjes voor een aandoenlijke kopie van een menselijke glimlach.
Nadat hij een sliert kwijl van de zijkant van haar stugge lippen had weggeveegd, aaide ze liefkozend de rug van zijn hand. ‘Niet zo haastig. Er is genoeg,’ fluisterde hij haar toe. Hij sneed een klein stukje van het synthetische vlees voor haar af. Ze nam het aan en scheurde er met haar bek een reep vanaf. Grommend vrat ze door. Tane zei er verder niets van en liet haar haar honger op eigen wijze stillen.
‘Hoe moet ik je noemen?’ Hij richtte zich niet tot haar. ‘Anatha,’ zei hij zacht en hij vond de naam passend. Passender dan Sobek, al lag de naam van die krokodilllengod dankzij haar uiterlijk en genetische oorsprong meer voor de hand.

© Gert-Jan van den Bemd

‘Anatha,’ herhaalde hij en keurde zijn besluit goed. Want ze was voortgekomen uit een allesvernietigende oorlog, waarmee de antieke godheid wiens naam ze nu droeg werd geassocieerd.
Ze keek na het noemen van haar naam een ogenblik op en strekte een hand naar hem uit, alsof ze doorhad dat het haar naam was. Daarbij slingerden de hoornen slierten op haar schedeldak langs de zijkanten van haar gezicht.
Tane herkende een ander mythisch wezen in haar… Medusa. Zo wilde hij haar niet noemen en beschouwen. Hij liet haar dooreten en wendde zijn blik af, om haar onbeschaafde, dierlijke manieren te ontwijken.
Zwijgend begaf hij zich naar een console, waar hij zijn toekomstige relatie met deze nieuwe metgezel overdacht. Hij vroeg Computer om de bijna menselijke lichaamsbouw van de neosuchus te verklaren.
Het apparaat ratelde gevoelloos het antwoord op: ‘Neosuchus. Halfdier. Originele soort uitgestorven gedurende de grote extinctie die plaatsvond in de drieëntwintigste eeuw, gangbare jaartelling van het post-Holocene tijdperk. In het jaar 45836 van het derde kwartaal na de verplaatsing van de maan is er genetisch materiaal gerecupereerd.’ Computer begon aan een saaie beschrijving van het recupereren. Tane droeg de machine op om dat deel over te slaan en terug te komen op de neosuchus en de aard van het ras.
‘Levensduur, gemiddeld 160 aardjaren. Intelligentiequotiënt op deugdelijk niveau gestagneerd. Corporeel uiterlijk en zelfregenererend vermogen dankzij klassieke genmodificatie van het eigen DNA, met gebruikmaking van het Homo sapiens superior DNA,’ klonk het weer even opsommend. ‘Passief in evolutie. Gekweekt om te dienen. Afhankelijk gemaakt in navolging van wetsartikelen 3.6A en 3.4C.’
Tane bracht een wrang lachje uit bij het horen van de laatste drie zinnen, die de voorouders van zijn eigen ontwerpers zo kernachtig typeerden. Binnen de periferie van de mensheid was geen wezen of denkend apparaat ooit boven hen komen te staan. Dat in stand houden was hun strengst geëerbiedigde wet. Zelfs zijn eigen leermeester had het niet gewaagd deze heilige regel met voeten te treden door hem intelligenter te maken dan de mensen zelf waren.
Computer eindigde de informatiestroom met een naargeestig feit: ‘Wetsregel 1.3A van artikel 397, lid 4: het is halfdieren niet toegestaan zich voort te planten. Verplichte genetische manipulatie heeft dit onmoge…’ Tane zette Computer uit. Hij haatte de experimenten van zijn makers. Te meer omdat hij er nu zelf naar verlangde deze wetenschappen te beheersen en te verbeteren, zodat hij het bestaan van een slaafs wezen kon manipuleren. ‘Ik zoek geen slaaf,’ vertelde hij zichzelf om zijn schuldgevoel te bedaren. ‘Ik zoek gezelschap.’ Even keek hij sluiks naar Anatha. Zij had genoeg gegeten en bedankte hem grommend voor het voedsel. Het wakkerde zijn schuldgevoel aan.
Hij bracht haar naar een kamer met bed.
Ze keek hem ongelovig aan.
Tane besefte dat een bed voor haar iets was dat aan de meesters toebehoorde. Zij had haar leven in stallen doorgebracht, en had altijd geslapen op stro. Slapen als een mens, in een bed, was voor haar taboe. Dat haar kaste ondergeschikt was hadden haar eigenaars haar op hardvochtige wijze aangeleerd. De oudere littekens bewezen het.
Hij haalde Anatha naar zich toe, wat ze toeliet. Hij legde zijn armen om haar heen. ‘De mens is verdwenen. Hij kan je niet meer slaan, Anatha.’ Voorzichtig hielp hij haar naar de matras.
Ze beefde over heel haar lijf. Met wijd open ogen keek ze om zich heen. Haar langgerekte pupillen wisselden voortdurend van grootte.
‘Er is niemand die je zal straffen. Rust, Anatha. Zonder angst.’ Hij aaide de slierten aan haar hoofd.
Zwijgend legde ze zich neer op bed. Ze ontspande haar ledematen. Haar ogen bleven echter open tijdens het rusten. Een troebel vlies schermde ze af van het daglicht.

De dagen daarna verliepen minder somber, zelfs regelmatig met gelach. Anatha wende helaas niet aan zijn onnatuurlijke huid.
Tane dreef zijn lichaamstemperatuur op zodat zijn kunstmatigheid minder opviel en zij eerder geneigd was geborgenheid bij hem te zoeken.
Vaak lagen ze samen op een bank. Haar lichaam wurmde zich dan tegen dat van hem om de kilte te ontvluchten. Zij was koud. Altijd. Desalniettemin verwarmde zij hem, diep in zijn innerlijk, als ze in elkaars armen lagen.
Hij fluisterde haar graag lieve woordjes toe, waarop zij kirrend reageerde. Hij keek in haar ogen en kreeg toegang tot haar simpele gedachten. Wat veilig zijn, beschermd worden voor haar betekende. Hij was haar beschutte haven, en het laboratorium was dat voor hen beiden. Geen van de verschrikkingen in de dode steden kon hen hier bedreigen of hun samenzijn verstoren.
Datgene wat hun geluk bedreigde bleek zich helaas in Anatha zelf te verstoppen. Steeds vaker vertroebelde vocht haar jaden ogen, als weer een frisse bries naar binnen waaide, vrij van stof, met zelfs de geur van verse gewassen. De aarde herstelde zich langzaam en lokte zijn metgezel met de belofte van de vrijheid, die de vertrekken in het laboratorium haar onthielden.
En heel spoedig waren er meer zaken waar een tekort aan dreigde te ontstaan. Mentors woonstee had voor hem tot nu toe in alles voorzien. Hij miste Anatha’s sterke behoefte om te kunnen rennen en springen. Ook had zij voedsel nodig, en de voorraden raakten op.
Dag na dag stonden ze beiden urenlang op het balkon en keken naar de horizon, waar de laatste branden uitdoofden. Wanneer de zon enige momenten achter elkaar haar licht door de wolken wist te priemen, en de hemel even blauw zag, straalde Anatha. ‘Mag buiten toe, Tane?’ vroeg ze hem dan smekend.
Voor hem betekende het herstel net als bij haar een nieuw begin, dat in zijn geval een angstwekkende emotie met zich meebracht. Hij was bang haar te verliezen. Aarzelend pijnigde hij zichzelf en suste de stemmen in hem die zeiden dat ze zich makkelijk liet voorliegen, tot ze slechts fluisteringen waren. Plechtig beloofde hij haar keer op keer dat ze naar buiten zouden gaan wanneer het veilig was, met de wil zijn belofte waar te maken.
Hij hield zijn eerlijkheid vol. Hij hield vol, want hij kon haar onmogelijk kwetsen. Haar kunnen kwetsen was uitgesloten omdat hij van haar was gaan houden.
Tijdens de uren dat hij aan dit alles dacht, drong de menselijke aard zich wreder dan ooit tevoren aan hem op. Het enige wat miste was het zilte vocht waaruit bleek hoe kwetsbaar de mens kon zijn, en dat nooit uit zijn ogen zou druppen.

Op een zekere dag, na vele duizenden eerdere, was de lucht blauw, met meer witte wolken dan donkere. De vegen smog die boven de ruïnes hadden gehangen, waren opgelost. Een Arctische lente, behaaglijk, zoals het seizoen hoorde te zijn.
Anatha greep zijn rechterhand knellend vast, wees naar de zon. ‘Tane. Wij buiten?’ Ze ratelde de woorden en keek hem aan, haar ogen glinsterden opzichtiger dan gewoonlijk.
‘Het heeft tijd nodig, Anatha. Het is te gevaarlijk. Er is straling, er zijn hemeltanden.’ Hij vervloekte zijn verraderlijke gedrag. De volle waarheid onthield hij haar. Hij bedroog haar met het weglaten van details, dat het gevaar op de meeste plaatsen was geweken. Berouwvol streek hij een paar slierten die haar ogen bedekten weg van haar voorhoofd. ‘Ik,’ hij bedwong zijn tegenzin, ‘ik zal naar een stralingsvrij gebied laten zoeken. Over enkele uren kunnen we vertrekken.’
Anatha bedankte hem met een innige omhelzing, terwijl hij de storm van twijfel die in hem woedde goed verborg.
Zij merkte niks van zijn ware emotie zijn leugen. ‘Jij lief, ik voorzichtig, bij jou blijven.’ Ze legde haar hoofd tegen zijn borstkas, net onder zijn kin.
Tane drukte haar steviger tegen zijn lichaam en staarde naar de blauwe lucht, zodat zijn ogen zijn schuldgevoel niet konden verraden. Hij haatte de gezonde aarde en dacht met spijt terug aan de sluier van as en de stinkende walm, waardoor Anatha dicht bij hem bleef.

De middagzon verlichtte de ruïnes op de plek waar hij de luchtsloep naartoe liet vliegen.
Anatha wees tijdens de daling ongeduldig naar de horizon en slaakte opgewonden kreetjes. Ze hield haar armen wijd in het licht van de ster, haar kaken ver van elkaar.
Tane reageerde gemaakt en flauwtjes op haar uitbundige gilletjes. Hij keek met haar mee. De wereld was nieuw, voor haar en voor hem. Aarde, hoe deze er vandaag de dag uitzag, haalde het bij lange na niet bij de glorie en pracht van vroeger. Toch was het een plaats waar leven ontsproot en volhield. Trillende halmen gras hadden wortel geschoten naast en tussen omgevallen muren. De spruiten vonden bescherming in windvrije spleten. Het wassende groen klom al over de beenderen en bedekte ze met hun lijkwade van glorende hoop. De flora begroef de resten van de menselijke beschaving onder een wedergeboorte. De planten maakten van hun nalatenschap een vervagende herinnering.
Zijn kunstmatige brein doorweekte Tane met blijheid omdat Anatha gelukkig was. Maar hij genoot niet van de zonnestralen over de puinhopen.
Voorzichtig landde hij in een brokkelige straat.
Het landingsgestel van de sloep stond amper op ferme bodem, of Anatha stond al naast het toestel. ‘Tane, kom. Mooi.’ Ze haalde een keer diep adem. ‘Adem goed!’ Ze greep naar zijn hand, ze miste doordat hij terugtrok. Met zijn andere gebaarde hij haar in de boot te komen. ‘Anatha, pas op, er leeft daar meer dan planten.’
Ze tuurde in zijn ogen, draaide haar hoofd de andere kant op en weer terug naar hem. ‘Nee, ik niet bang. Daar gevaar weg. Ik voel.’ Ze liep van de sloep vandaan.
Tane rende haar achterna. Zij versnelde. Probleemloos haalde hij Anatha in en legde een arm rond haar middel. Hij liet haar zijn vuurwapen zien. Ze knikte en mompelde dat ze het begreep.
Met het wapen in de aanslag ging hij voorop. Afgezien van hun zwaar gedempte voetstappen in de as, met hier en daar een krakend geluid wanneer hun voetzolen beenderen braken, heerste de stilte. De dood bestond hier naast het leven.
Een gerimpeld spiegelbeeld staarde terug toen Tane zichzelf in een plas helder water bekeek. Waar hoor ik bij? Beschouwt Anatha mij zoals ik Computer beschouw? Hij bewoog dankzij trefzekere schakelingen en software. Rede spoorde zijn reflexen consistent aan. Spieren werkten op basis van zijn programmering. De fysiek van zijn lichaam was nergens onevenwichtig, nooit dartel. Hij liet zijn mondhoeken hangen, omdat het zo hoorde en niet uit een reflex zoals echte mensen.
Anatha’s grijns stond breed, haar lach klonk luid en galmde door de ruïnes. Ze genoot van het leven dat in haar bruiste. Haar lichaam droeg het haar op. Ongecontroleerd. Geen circuits. Ze sprong meters ver vooruit en profiteerde van de vrije ruimte om haar heen.
Hij riep haar terug. Ze leek hem niet meer te horen.
Ze sprong opnieuw, naar twee elkaar ondersteunende muren, de enige toegang tot een half overeind staand gebouw. Daar wachtte ze en wees naar een in een van de muren uitgehakt esculaap. ‘Kijk! Mij beloofd door meester. Ik hier wonen. Niet meer werken. Paradijs.’
“Aanbieden van Organisch Materiaal voor Genetische Reformatie”, stond boven het symbool. De strakke, koperen letters waren ingelegd in het beton. Ze blonken zoals ze hadden gedaan voordat de oorlogen aanvingen. Een vals schijnsel met een afstotelijke betekenis, fel naar Anatha uitgestraald.
De ruimte in het donker achter de driehoekige poort, die zij helaas aanzag voor een toegang naar een veilig Eden, verstopte een gruwelijke waarheid. De neosuchus was oud. Niet in kracht en levenslust, maar wel berekend naar de menselijke maatstaven die haar nut voor de maatschappij bepaalden. Doordat haar scheppers zichzelf net op tijd hadden vernietigd, was ze gered van een wreder lot dan dat van hen.
‘Nee, Anatha. Hier hoor je niet thuis. We moeten weg, naar huis. Er loert hier een erger gevaar dan hemeltanden.’ Hij forceerde zichzelf op dwingende wijze te spreken.
Zij stribbelde tegen en duwde zijn uitgestoken armen van zich af.
Tane greep haar vast, bereid om tot het uiterste te gaan. Hij sleurde haar weg van de muren.
Ze worstelde hardnekkiger om uit zijn grip te komen. ‘Mij beloofd, Tane. Paradijs.’ Ze klemde een hand rond een bakstenen hoek. ‘Jij meegaan. Ik niet weggaan van jou.’
Hoe kon hij het haar duidelijk maken? Terwijl hij naar woorden zocht, rukte hij aan de arm waarmee ze naar de wand reikte. ‘Het paradijs is weg, Anatha! Het is kapot. Kijk, verbrokkelde stenen.’ Hij trok aan een baksteen. Hij slaakte een kreet, en verraste zichzelf met zijn authentieke razernij omdat de steen te stevig vastgemetseld bleek te zijn. Vervolgens zuchtte hij en verslapte zijn poging om Anatha tegen te houden.

Op 26 februari verschijnt deel 3. Lees ook deel 1.

Over de auteur:
Terrence Lauerhohn is geboren op 31 mei 1960 in een Brabantse wieg te ’s Hertogenbosch. Pas op 51-jarige leeftijd schreef hij zijn eerste roman, Noptula (sciencefiction), die goede reviews ontving. Sindsdien zijn en worden een flink aantal kortverhalen van hem in genremagazines en verhalenbundels gepubliceerd, waarvan verschillende zelfs in de USA. Terrence houdt zich het liefst niet aan een bepaald genre binnen de verbeeldingsliteratuur, zodat zijn grenzeloze fantasie alle richtingen van het onwerkelijke kan inslaan. Het auteurschap blijkt zijn passie te zijn, ontdekte hij. Zijn Dark-Fantasyroman, De Negen Cirkels (2014 Zilverbron) was een van zes genomineerde titels voor de Hebban Awards 2015, categorie Fantasy. In 2015 publiceerde hij Wegversperring (thrillerdebuut), bij aquaZZ, i.s.m. Ambilicious. Nirwana (2016/Ambilicious) is zijn derde boek en tweede thriller. Nirwana is een kafkaësk verhaal met een dystopisch tintje. Op 5 november 2018 verscheen zijn vierde boek, Zielenmenners (fantasy/spanning, met horrorelementen), bij Ambilicious. In het najaar van 2019 debuteerde hij met zijn misdaadroman Blauwe bonen (Ambilicious).

Over de illustrator:
Gert-Jan van den Bemd (Breda, 1964) is schrijver, kunstenaar en wetenschapsjournalist. Hij publiceerde twee romans (De Verkeerde Vriend, 2018 en Na De Val, 2019) en verhalen en gedichten in onder andere Tirade, Extaze, Op Ruwe Planken en Ganymedes. Met zijn beeldend werk exposeerde hij in Nederland, België, Marokko, Hongarije, Litouwen, de Verenigde Staten van Amerika en Zuid-Afrika.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Terrence Lauerhohn & Gert-Jan van den Bemd