web analytics
maandag, november 28

Special Tweestrijd: Vertelling – De heks van Achterdijk

Door Ninja Paap-Luijten

Ze noemden haar de heks van Achterdijk. Dat was geen scheldnaam; het was zelfs op een vreemde manier liefkozend bedoeld. Naneni had het zelf veroorzaakt, want niemand in het dorp kende haar naam. Niemand wist waar ze vandaan kwam. Er was iets wat het hele dorp wel wist: de heks kon mensen genezen, deed dat gratis en wees nooit iemand af.
Nooit.
Dat was dan ook de reden dat ze deze avond nietsvermoedend haar deur opende, een glimlach op haar gezicht, en ze stijf bleef glimlachen toen ze herkende wie er door twee dorpelingen op hun platte kar naar haar huis was gebracht.
‘We vonden hem bij de beek,’ zei Jake.
Zijn vader, Sanner, wreef met zijn mouw het zweet van zijn gerimpelde voorhoofd. ‘Hij is er slecht aan toe, m’vrouw.’
‘Breng hem naar binnen,’ hoorde ze zichzelf zeggen.
Vader en zoon tilden samen de man van de kar. Naneni keek toe hoe ze hem onder de oksels en bij de benen kalm naar binnen brachten en neerlegden op het kleed voor de open haard, waar altijd alle zieken en gewonden werden neergelegd.
Jake vroeg nog iets, maar ze had geen idee wat. Zijn vader trok hem mee naar buiten. Ze vertrokken.
Na een korte aarzeling knielde de heks van Achterdijk neer naast de man die bij de beek was gevonden. Hij was naakt en bloedde uit meerdere wonden. Dat kon ook niet anders, ze kon zich goed herinneren hoe zij was neergestort. Brandwonden over zijn hele lichaam rookten nog na – als de mensen goed hadden nagedacht, hadden ze daaraan kunnen herkennen dat deze man niet menselijk was. De ervaring had haar echter lang geleden geleerd dat mensen liever geloofden in wat veilig was dan dat ze erkenden wat er nog meer kon zijn.
Voorzichtig raakte ze zijn wang aan. De diepe snee die daar bloedde, schroeide onmiddellijk dicht en de naakte man opende zijn ogen. Het kwam als een schok dat hij nog steeds diezelfde diepbruine ogen had, alsof ze drie eeuwen terug in de tijd werd geworpen.
Hij probeerde terug te deinzen, want hij had op zijn beurt haar herkend.
‘Blijf liggen, Balter, je bent er slecht aan toe,’ zei ze.
‘Jij!’
‘Ik,’ beaamde ze. Vervolgens draaide ze hem zwijgend op zijn zij. Ze beet op haar lip. Diepe verwondingen trokken bloederige sporen over zijn schouders. Er leek een stuk metaal te zijn achtergebleven, hoewel ze dat nu niet goed kon zien. Daarvoor zou ze eerst de wond beter moeten bekijken, het ding zat diep. Alleen als ze met haar oude zicht keek, zag ze de rafelige stompen. Bot lag ontbloot tussen weefsel en bloed. Zo had het er destijds bij haar ook uitgezien, dat moest wel. Dat had ze zelf natuurlijk nooit kunnen zien, net zoals hij niet naar zijn eigen rug kon kijken.
‘Laat me met rust, serpent,’ kermde Balter.
‘Ik ben je enige hoop. Of sterf je zo graag? Ga je graag je pleidooi houden bij Lucifer?’
‘Klets niet, ik…’
Een vlaag van woede kreeg de overhand. Ze prikte een vinger in de wond waar bot uitstak, al wat restte van de linkervleugel.
Balter gilde en probeerde weg te kruipen. Snel greep ze hem bij zijn arm.
‘Stel je niet zo aan,’ beet ze hem toe.
Tot haar verbazing begon hij zacht te huilen. Was dit dezelfde man die haar van de berg had geworpen? Die haar zo hatelijk had beschuldigd van dingen die ze niet had gedaan?
‘Laat me gaan, ik heb dit niet verdiend…’
Naneni zuchtte diep en smeerde het bloed dat aan haar vinger was gekomen af aan zijn been. ‘Lig stil, grote peuter. Dan help ik je.’
‘Jij…’
‘Ik,’ beaamde ze opnieuw.
Balter snikte verder. Ze blies haar adem richting zijn hoofd en keek toe hoe hij in een diepe slaap wegzakte.

Het genezen van mensen was eenvoudig. Haar magie, verre van verdwenen, dichtte wonden met gemak en genas ziektes zonder moeite. Dat deed ze al zolang als ze hier ronddoolde. Dit was haar zesde dorp. Achterdijk beviel haar wel. De dorpelingen hier waren rustig en ze genoot ervan om ze te helpen. Maar zelfs zij kon niet alles genezen. Soms kon ze slechts verlichting bieden, als de grijpklauwen van de dood al vastgehaakt zaten aan de ziel. Vaak kon ze zich daarin vinden. De dood hoorde hier bij het leven. Het was niet aan haar om de keuzes van het lot te betwisten. Ze kreeg het er weleens moeilijk mee als de keuze op een kind was gevallen, of op een van de dorpelingen die ze graag had gemogen. Toch kon ze die gevoelens meestal snel van zich afzetten.
Dit – dit was van een heel andere orde.
Nu Balter de slaap van haar verdovende adem sliep, kreeg ze de tijd om na te denken. Dat was bijna een fatale fout geweest. Vooral voor hem. Ze kwam pas tot zichzelf toen ze al een mes tegen zijn hals hield. Geschokt sprong ze overeind. Ze smeet het mes op de grond, wendde zich van Balter af en vluchtte naar buiten, haar achtertuin in.
Wat was dit? Een test? Een straf?
Vertwijfeld keek ze naar boven, maar de hemel zweeg alsof ze een mens was. De eerste sterren fonkelden in de snel dieper wordende duisternis. Ze kon de zee ruiken en de rook die uit haar eigen schoorsteen kwam. Een kikker kwaakte in haar vijver.
Naneni bekeek haar handen. Die beefden. Ja, ze had hem willen vermoorden. Ze had dat mes gepakt. Dat kon ze zich herinneren. Maar het was zó snel gegaan…
Hoe groot was de kans dat twee van hen onschuldig van de berg waren gegooid? En dat ze dan op dezelfde plek eindigden? Was hij bewust hierheen gekomen?
Nee, hij was verbaasd geweest haar te zien. Woest zelfs.
Weer voelde ze de diepe haat oplaaien die ze dacht achter zich te hebben gelaten. Geïrriteerd duwde ze het weg. Daar had ze nu niets aan.
Naneni liep terug naar binnen en dwong zichzelf naar de bloedende smeerlap te kijken die voor haar open haard op een leren kleed lag. Hij was nog net zo gespierd als toen, dat kon ze niet ontkennen. Goed gebouwd, fraaie bos krullen, flaporen. Dat had hem ooit aandoenlijk gemaakt, tot ze zijn toorn leerde kennen.
Uit zijn rechterschouder stak het stuk metaal. Het leek wel… naar boven gekomen, alsof Balters lichaam het uitstootte. Het was een of ander edelmetaal. Het restant van iets. Het gloeide zwart van magie.
Naneni raapte het mes van de grond en stapte dichterbij.
Ze had haar beslissing genomen.

© NInja Paap-Luijten

Diep in de nacht zat ze in haar tuin naar haar vijver te kijken. De waterlelies bedekten bijna de helft van de vijver, stonden volop in bloei en waren prachtig paars van kleur. Op de bladeren gaven zeldzame kikkers een concert. De beesten waren doorzichtig. Ze had ze per ongeluk gemaakt, toen ze een gewone kikker had gevonden. Soms was haar aanraking al genoeg om blijvende veranderingen te veroorzaken.
Het geluid van voetstappen kwam dichterbij. Blote voeten door het gras. Ze keek niet om. Ze keek ook niet opzij toen hij naast haar kwam zitten. Toch kon ze vanuit haar ooghoek zien dat hij een van haar langere gewaden had aangetrokken. Het stond hem beter dan haar.
Balter stak langzaam zijn hand uit en raakte haar schouder aan, daar waar de mensen dachten dat haar bochel zat.
Ze rilde. Het bleef een gevoelige plek.
‘Waarom…’ Meer zei hij niet.
‘Wie heeft jou naar beneden gestuurd?’ vroeg ze. Haar stem was schor. Oud leed was erin te horen. Oud leed en vermoeide haat.
Balters hand zakte in zijn schoot. Hij staarde naar de kikkers. ‘Jouw zuster.’
Het antwoord verkilde haar tot op het bot. Nu keek ze wel degelijk opzij, op zoek naar een leugen op zijn gelaat, een teken, iets, wat dan ook. Ze vond niets. Met die diepbruine ogen die ze zelfs in het schaarse licht van de lantaarns kon zien, keek hij haar lang aan. Er lag verdriet in zijn blik, spijt en wanhoop, maar geen leugen.
‘Zij was het…’ zei hij.
‘Ik vond duistere magie in de speerpunt die in je schouder was blijven steken,’ zei Naneni. ‘Zo duister dat het mij zelfs vanaf een afstand bijna tot moord aanzette.’ Ze zei niet dat ze het in de haard had gegooid. De eigenaar van dat stuk besmet zilver zou niet lang meer leven. Ondanks alles had ze nog steeds contacten in het hogere. Of, in dit geval – het lagere.
‘Ik heb altijd gedacht dat jij schuldig was,’ zei Balter. ‘Toen ik die speer in me kreeg, laaiden die gevoelens weer op. Als ik er niet zo belabberd aan toe was geweest, had ik je aangevallen.’
‘Dat was sterke magie,’ beaamde ze. Dat verklaarde waarom ze elkaar te lijf hadden willen gaan toen hij bij haar werd gebracht. Hij had geluk dat zij sterker was dan magisch opgewekte gevoelens. ‘Die magie was er echter niet toen jij me lang geleden verstootte, samen met de anderen.’
‘Nogmaals, ik dacht dat het waar was. Dat jij…’
‘Ik begreep niet hoe jij dat kon denken.’
Balter plukte een grasspriet en trok die doormidden. ‘Ik denk dat we nu allebei begrijpen hoe het zit.’
‘Marre,’ fluisterde ze zacht voor zich uit. ‘Dat kreng. Waarom in naam van de Hoogberg?’
‘Ze heerst nu.’
‘Dat meen je niet.’
‘Ik ging tegen haar in.’
Naneni kneep haar ogen samen. ‘Lucifer rekent met haar af. Haar heerschappij is voorbij.’
‘Misschien.’
Het bleef een poosje stil.
‘Je had terug kunnen keren,’ zei Balter.
‘Terug naar de haat en nijd en dat gekonkel? Ik leef liever hier.’
Balter zweeg weer.
Naneni zweeg ook.
Zo bleven ze zitten, in stilte, twee gevallen schepsels. Naneni wist dat hij zelf een keuze zou moeten maken, daar kon ze hem niet bij helpen. Ze had hem al genoeg geholpen, maar dat was wie ze nu was. Voor de mensen was ze de heks. Wat hij zou worden, dat moest hij zelf bepalen.
Het lot had hier op hen geen grip.
De kikkers kwaakten, doorzichtig en luidruchtig.
Naneni wachtte geduldig tot Balter zijn beslissing had genomen.
‘Heb jij dat gedaan?’ vroeg hij uren later. ‘Die kikkers?’
‘Per ongeluk, ja.’
‘Naneni?’
Voor het eerst in drie eeuwen hoorde ze haar naam. Ze wenste dat ze hem kon blijven haten, maar dat zat niet in haar aard. Ze reikte opzij en nam zijn hand vast.
Hij legde de zijne eroverheen.

Over de auteur:
Ninja Paap-Luijten (1986) woont in Naaldwijk met haar man en dochter. Ze is fantasyauteur, schrijfcoach en vertaler (Engels-Nederlands). In 2019 kwam haar debuutroman (Oragayn) uit bij uitgeverij PeruBo Publishing. Sindsdien zijn er meerdere fantasyverhalen van haar hand verschenen. De afbeelding maakte ze speciaal voor dit verhaal.

 

© 2020 – 2022 Fantasize & Ninja Paap-Luijten

You cannot copy content of this page