web analytics
dinsdag, mei 17

Vertelling: Ulfheddin – deel 4 en slot

Door Isabelle Plomteux. Lees ook deel 1, deel 2 en deel 3.

Ik deins achteruit en trek de deken steviger om me heen. ‘Wat heb je in hemelsnaam gedaan?’
Ze recht haar rug. ‘Wat ik moest doen. Mijn geduld is op, jongedame.’ Razendsnel schrijft ze een omcirkelingsspreuk in de lucht. Ik duik weg en trek Halsteinn mee. We landen op de houten verandavloer, ik val recht op mijn gewonde arm. De tranen springen me in de ogen. Sissend adem ik in. Halsteinn vloekt. Het gebrul onder ons neemt onaardse vormen aan. Het terras begint te kreunen en te deinen. Nagels schieten los. De planken onder mijn moeders hoge hakken breken en springen met een hard gekraak omhoog. Geschrokken grijpt ze zich aan de balustrade vast.
‘Let op Tess, Ulv.’ Halsteinn springt overeind. Zijn sneeuwogen flitsen. ‘Het is wel duidelijk dat niemand je hier mag, Jasmin Wylander.’ Met opa’s zwaard in de aanslag stapt hij op haar af. ‘Dus pak dat mooie lijf van je bijeen en verdwijn voor ik het doorsteek.’
Ze wankelt de golvende trappen af. Zodra ze op het gras staat, neemt het gebonk af.
‘Ze moesten je bang maken, Tessindra, meer niet. Je doen beseffen dat je niet zonder je krachten kan.’ Haar stem klinkt smekend nu. ‘Het was voor je eigen bestwil.’
Met mijn kloppende arm tegen me aan krabbel ik overeind. ‘Verdwijn. Ik wil je niet meer zien. Nooit meer.’ Mijn stem slaat over. Ulv duwt zijn kop tegen mijn been en Halsteinn posteert zijn koele, harde lijf naast het mijne. Met zijn vrije hand trekt hij me voorzichtig tegen zich aan. ‘Deze dame blijft hier.’
Mijn moeders ogen veranderen in twee vuurspuwende spleetjes. De grond onder haar voeten trilt waarschuwend.
‘Het is in orde, opa. Ze gaat al weg. Eruit,’ zeg ik met vaste stem. Briesend keert ze ons de rug toe en beent naar de scheur. Aan de andere kant is haar chique Londense appartement te zien. Halverwege draait ze zich om.
‘Je krijgt hier verschrikkelijk spijt van. Let op mijn woorden. En als je op een dag terug komt kruipen, denk dan maar niet dat ik je binnenlaat! In onze clan is geen plaats voor…’
Vleugelgeruis doet haar stilvallen. Een enorme schaduw valt over haar heen.
‘Jasmin Wylander!’ dondert een bekende stem. ‘Nu is het welletjes!’
‘Oma!’ Ik maak me van Halsteinn los en ren de veranda af, naar de reusachtige draak toe. Met een zware bons landt ze op het grasveld. Ulv en Halsteinn komen me achterna. Opa’s zwaard ligt stevig in Halsteinns hand.
‘Tess, wat doe je?’ vraagt hij.
‘Het is oma.’
Zijn grijze ogen knipperen. ‘Een draak, je omoe is een draak? Bij Sleipnir, dat meen je toch niet?’
Ik glimlach. ‘Ze is niet echt een draak. Ze is een geest. Ze komt graag theatraal uit de hoek.’
‘Tessi, echt,’ zegt oma. ‘Waarom verpest je mijn plezier?’ Ze buigt haar enorme drakenhoofd naar ons toe en snuffelt aan Halsteinn. Met bewonderenswaardige zelfbeheersing blijft hij staan.
‘Je jaagt hem de stuipen op het lijf,’ zeg ik.
Halsteinn begint te lachen. ‘Ik dacht dat mijn familie raar was, maar dit slaat alles! Was zij het, eerder op de vliering?’
Ik loop rood aan en knik. Achter oma sluipt mijn moeder naar de scheur toe.
‘Je dochter gaat ervandoor, omoe,’ zegt Halsteinn.
‘Hier blijven, achterachterkleindochter.’ Oma’s enorme drakenstaart valt op Jasmins wijd uitstaande jurk. Halsteinn lacht nu voluit. Oma trekt de wild tegenspartelende Jasmin naar zich toe en blaast naar haar. Kleine belletjes drakenvuur dwarrelen uit haar reusachtige neus.
‘Van al mijn nakomelingen ben jij het onmogelijkst. Sicca, hoe haal je het in je hoofd!’
Het gerommel onder onze voeten zwelt weer aan.
‘Wat is dat toch?’ vraagt Halsteinn.
‘Tessindra moest inzien dat ze hier niet thuishoort,’ gilt mijn moeder. Tevergeefs probeert ze zich los te wringen. ‘Ze kan zoveel meer bereiken als ze wil.’
Ik leg mijn hand onder mijn arm. Mijn hechtingen steken gemeen.
‘Tessi is al waar ze wil en moet zijn, Jasmin,’ zegt oma. ‘Is het niet, tuin?’
Het gerommel gaat over in een zacht gezoem. Het geluid trekt door de hele vallei. Een warme windvlaag ruist tussen de hoge dennen door en tilt mijn rode haar op. Halsteinn deinst verbijsterd achteruit. ‘Je oren! Je bent een fae?’ Hij steekt opa’s zwaard opnieuw vooruit, in mijn richting ditmaal. Verbaasd tast ik naar mijn oren. Gisteren waren ze nog perfect normaal. Nu lopen ze uit in fijne puntjes.
‘Nee, vampier,’ zegt oma. ‘Tessindra is vanaf nu geen fae, maar een faerin, de bewaakster van de tuin. Hier, kind, ik heb nog iets van je.’ Ze reikt in haar drakenbinnenste. Als haar reusachtige drakenklauw weer tevoorschijn komt, ligt er een bol knisperende energie in.
‘Mijn krachten?’ zeg ik.
Ze glimlacht. ‘En nog wat extra’s. Het was een test, lieverd, de tuin en zijn bewoners wilden zeker zijn van hun faerin. Ze moesten weten dat je alles voor deze plek overhebt.’
‘Mijn hart woont hier, oma.’ Ik voel mijn krachten weer op hun plaats glijden. Als de pijn aan mijn arm bijna meteen verdwijnt, adem ik opgelucht uit.
‘Net als het mijne,’ zegt ze.
Plots begrijp ik het. ‘Jij was de vorige faerin.’

© Marcel Ozymantra

Haar reusachtige hoofd knikt.
‘Als iemand mij nu niet meteen vertelt wat voor plek dit is, gaan er koppen rollen!’ dondert Halsteinn.
‘Doe maar, Tessi,’ zegt oma. ‘Laat het hem maar zien, mijn toestemming heb je. En als hij er niet mee om kan gaan, wis je gewoon zijn geheugen.’ Ze gooit haar reusachtige drakenhoofd in de lucht en lacht. Bijna verschroeit ze het haar van mijn moeder. ‘Jasmin, wij gaan naar Londen.’ Ze spreidt haar vleugels en beweegt ze een paar keer op en neer. De windvlaag blaast me bijna omver. Halsteinn grijpt me haastig bij mijn bovenarm. Tevergeefs probeert mijn moeder zich los te wringen.
‘Ja, dan kan je onderweg nog wat nadenken. Tessi, tot binnenkort?’
Ik knik. In een wolk van geruis en gegil stijgen ze op.
‘En nu,’ zegt Halsteinn bedrieglijk kalm, ‘ga jij mij vertellen wat er hier aan de hand is.’
Ik draai me naar het bos en spreid mijn handen. ‘Kom maar,’ zeg ik tegen de bomen. Een voor een komen ze tevoorschijn. De eenhoorns, de griffioenen, de faunen, de centauren, de feniksen, de stryx, de hippogriefen, de talloze andere fabeldieren. Ze stellen zich in een cirkel rond ons op en kijken de vampier aan. Halsteinn staat hen aan te staren. Hij krabt in de blonde stoppels op zijn kin.
Ik lach. ‘Dit is wat wij faerin doen. We houden de sluier in stand, wij zorgen ervoor dat sprookjes sprookjes blijven. Ook al leven deze schepsels gewoon te midden van ons, delen we de wereld met ze, wij zorgen ervoor dat jullie er niets van merken.’ Ik loop naar een eenhoorn toe en streel zijn hals. ‘Je dacht toch niet dat heksen, vampieren en demonen de enige bijzondere wezens waren?’ zeg ik als Halsteinn blijft zwijgen. Hij schudt verstomd van nee. Aarzelend steekt hij zijn hand uit naar een grote feniks die vlak voor hem is neergestreken.
‘De tuin is een plaats waar de sluier niet bestaat. Het is een plek waar de gewone wereld geen toegang tot heeft, waar de dieren naartoe kunnen als ze gewond zijn of ziek, of gewoon eenzaam. Ondanks al onze inspanningen blijven er helaas niet zoveel van hen meer over.’
In mijn geest klinkt plots luid gekwetter. Een vrouwelijke vuurdraak komt in volle vaart uit het bos. Ze vliegt recht op Halsteinn af.
‘Ho,’ zeg ik luidop, ‘rustig, Mayla.’
De vampier tuurt naar de snel naderende vuurdraak. Ze cirkelt rond zijn blonde hoofd en stort een uitzinnige regen wyverntaal over hem uit. Halsteinn houdt zijn hoofd schuin. ‘Wat zegt ze?’
Ik knipper met mijn ogen. ‘Je hoort haar?’
Hij aarzelt even voor hij knikt. ‘Ik begrijp haar niet, maar ik hoor wel iets, in mijn geest. Een echo van… weet ik veel…’ Sidderend haalt hij adem. ‘Ik kan niet geloven dat ik dat net gezegd heb. Ik word gek, geloof ik.’
‘Nee, hoor.’ Ik glimlach en leg mijn hand op zijn koele arm. ‘Kon je vroeger ook dingen horen? Voor je een vampier werd?’
‘Soms. Ik heb er nooit wat van gezegd, de anderen zouden me gek verklaard hebben.’ Hij slikt iets weg. ‘Weet jij wat ik ben, Tess, onder dit vampierjasje?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar ik ken iemand die het misschien wel weet. Kom mee.’ Ik been het grasveld over en loop op de hut af. ‘Nu heb ik toch weer natte voeten opgelopen, zeker!’
Halsteinn glimlacht gespannen. Eenmaal binnen ruil ik mijn natte sokken haastig voor een droog paar. Daarna trek ik de hoge rubberlaarzen aan die voor de gesloten deur in de hoek naast de open haard staan. Als ik de palm van mijn linkerhand tegen de deur leg, zwaait die moeiteloos open. Ik lach verrukt. Mijn krachten zijn echt terug. We staan in een reusachtige kamer. Ze is uitgehouwen in de rotsige heuvelrug en ligt afgeladen vol met Vikingwapentuig. Bijlen, zwaarden, knotsen, schilden, noem maar op. Halsteinn kijkt met grote ogen om zich heen. ‘Bij Freya, ik stond al te kijken van dat ene zwaard, maar dit… wat is dit voor een arsenaal?’ Ongelovig draait hij om zijn as.
‘Dit is de helft van opa’s voorraad, de rest is nog bij hem, beneden.’
‘Opa’s voorraad? Beneden?’
‘Ik zal het je laten zien.’ Ik loop naar de rotsmuur en trommel met mijn vuist op een vergrendelde deur. ‘Opa? Kun je even opendoen?’
Een diep, boos gerommel is het antwoord.
‘Opa, toe nou. Jasmin is weg. Ik heb een verrassing voor je.’
Nog meer gerommel. Ik knipoog naar Halsteinn. Hij glimlacht ongemakkelijk.
‘Hij is perfect onschadelijk,’ zeg ik. ‘Opa, laat ons binnen of ik doe het zelf! Je weet dat ik dat kan.’
Met een ruk schuiven de grendels weg. De deur zwaait open. Een vochtige, kille lucht komt ons tegemoet.
‘Het ruikt naar water,’ zegt Halsteinn verbaasd. Ik knik. Ik stap de gang in en haal een toorts van de muur. Automatisch reik ik naar de aansteker die tussen de strijdbijlen op de zware schraag naast de deur ligt, tot ik me realiseer dat het voortaan veel eenvoudiger kan. Lachend houd ik mijn linkerwijsvinger bij de toorts. Meteen vlamt ze op. Ik steek ze voor ons uit de gang in. Een naar beneden spiralende trap verdwijnt het kille duister in. Begeleid door het flakkerende licht van de toorts volgen we de uitgesleten treden.
‘Die opa van je is een behoorlijke kluizenaar,’ zegt Halsteinn terwijl we steeds verder afdalen. ‘Is hij ook een draak?’
‘Nee,’ zeg ik glimlachend. ‘En hij is niet echt mijn opa. Hij is veel ouder. Hij is een van de eerste bewoners van de tuin, maar als kind noemde ik hem opa en dat is zo gebleven.’
Een ongeduldig gebulder weerkaatst in het trappenhuis.
‘Ja, grompot, ’ roep ik naar beneden, ‘we komen eraan.’ Ik daal de laatste treden af en steek de toorts de grote grot in. Donker water kabbelt tegen de onderste traptrede aan.
‘Wat is dit voor een plek?’ Halsteinn kijkt onderzoekend rond.
‘Mijn thuis, de laatste vijftien eeuwen,’ snauwt een zware stem. ‘Wie ben jij en wat kom je hier doen? Tessi, ik wil geen bezoekers die zich aan me komen vergapen, dat weet je best.’
‘Opa, stop met mopperen. We zijn zo weer weg, we willen je gewoon wat vragen.’ Ik stap de smalle, droge strook naast het water op en steek hier en daar een toorts aan. Flakkerend licht valt op de zware, ronde schilden die in een lange rij aan een houten reling bevestigd zijn. De roeispanen die normaal tussen de schilden door steken, staan rechtop op het brede dek. Als een colonne oorlogssperen wijzen ze naar het hoge plafond van de grot, een teken dat opa in een bijzonder slechte bui is.
‘Een Vikingschip,’ zegt Halsteinn ademloos. ‘Een drakar!’ Hij loopt me voorbij en stapt op opa af. Die keert hem prompt de achtersteven toe.
‘Oud stuk chagrijn,’ zeg ik. ‘Doe niet zo onaardig en begroet je bezoeker fatsoenlijk.’
Onder luid geplons en gemopper draait opa zijn zware boegbeeld, een drakenkop, naar ons toe. Halsteinn tuimelt haast achterover. Hij zoekt steun bij de rotswand achter hem.
‘Met wie kom je nu weer aanzetten?’ zegt opa.
‘Opa, dit is Halsteinn. Halsteinn, dit is het laatste levende Vikingschip. Zoals steeds heeft hij een humeur om op te schieten.’
‘Jij zou ook geen schitterend humeur hebben als je in een grot lag te beschimmelen,’ gromt opa.
Halsteinn staat hem met open mond aan te staren. Met een diepe frons op zijn voorhoofd loopt hij op de voorsteven van het schip af, waar hij iets lijkt te controleren.
‘Wat doe je?’ zegt opa boos.
Halsteinn kijkt naar hem op. Zijn grijze ogen schitteren. ‘Jij bent het. Je bent het echt. Je leeft.’ Hij monstert de statige drakar van kop tot teen. Aarzelend steekt hij zijn bleke hand uit.
Opa schuift weg. ‘Natuurlijk leef ik. Tessi, haal die zwakzinnige hier weg.’
‘Kom.’ Teleurgesteld leg ik mijn vingertoppen op Halsteinns onderarm. ‘Dit was een slecht idee. We kunnen maar beter gaan voor hij ons een nat pak bezorgd. We proberen het later nog wel eens.’
Halsteinn schudt mijn vingers van zich af en begint te lachen. Een diepe, bevrijdende lach. ‘Berak- shak-ür, je bent geen spat veranderd!’
Hevig gespetter en geraas. Het reusachtige drakenhoofd van opa duikt op uit de duisternis en pint ons tegen de muur van de grot.
‘Hoe noemde je me?’ Woest torent hij boven ons uit. Hij hoost een lading grotwater over ons heen.
‘Opa!’
Lachend schudt Halsteinn het ijskoude water uit zijn haar. ‘Hallo, Berak.’ Zijn stem klinkt dik. ‘Ik ben het.’ Opnieuw steekt hij zijn hand uit.
Mijn mond valt open. ‘Je kent hem.’
Hij knikt. Uit zijn ooghoek loopt een traan. ‘Hij mag dan jouw opa niet zijn, hij is wel zo goed als de mijne. Berak-shak-ür was het schip van mijn grootvader. Hij was Odins eerste Ulfhedinn. Hij verdween met zijn bemanning in een helse storm toen ik vijf was. Het lichaam van mijn grootvader spoelde als enige aan. Iedereen ging ervan uit dat Berak met man en muis vergaan was.’
‘Hij offerde zich op om ons te redden,’ zegt opa met een haast onherkenbare stem. ‘Sveinn, ben jij het echt?’ Hij buigt zijn grote hoofd nog verder naar voren, tot hij neus aan neus staat met de vampier. Hij ademt zijn geur diep in.
‘Je bent een draugr,’ zegt hij. ‘Natuurlijk, wat anders. Al lang?’
‘Ja,’ zegt Halsteinn, meer niet. Teder raakt hij het reusachtige drakenhoofd aan.
Er trekt een rilling door het grote schip. Het water rond de boeg golft onstuimig en overspoelt onze voeten. Opa tilt zijn grote hoofd op en slaakt een kreet die tegen de wanden van de grot weerkaatst. De roeiriemen zakken het water in en een loopplank ploft naast ons neer. ‘Kom aan boord, barnebarn, waar wacht je nog op?’
Met drie grote passen is Halsteinn de loopplank op. Halverwege draait hij zich naar me om. ‘Kom je nog of hoe zit het?’
Ik knik beduusd en sukkel achter hem aan.
Hij lacht, net als opa. ‘Landrat.’ Halsteinn steekt een hand uit om me aan boord te helpen en keert me vervolgens de rug toe. Opgetogen struint hij het dek rond.
‘Dit is gewoon onmogelijk,’ zegt opa. ‘Als ik nu droom wil ik nooit meer wakker worden. Eindelijk weer een Ulfhedinn aan boord.’
Halsteinn lacht. Hij stampt hier en daar op de dekplanken en controleert de stevigheid van opa’s tuigage. ‘Je bent in prima conditie, Berak.’ Zijn grijze ogen schitteren. Het volgende moment breekt de troep de grot binnen. Twaalf jankende wolven stormen het schip op. Uitzinnig springen ze om Halsteinn heen.
‘Bende wilde beesten,’ moppert opa, maar zijn stem klinkt warm.
Halsteinn knielt bij de wolven neer en aait hen over de kop.
‘Ik laat jullie,’ zeg ik, ‘opa en jij hebben elkaar vast veel te vertellen.’
Hij tilt zijn hoofd op. ‘Nee, blijf. Kan hij de grot uit? Komt dit water op het meer uit?’
‘Ja hoor, hij wil het gewoon niet.’
‘Ik wilde het niet,’ corrigeert opa me. Zijn grijze drakenogen, even grijs als Halsteinns ogen, schitteren. ‘Hijs de zeilen,’ buldert hij, ‘vier de trossen, weg zijn we!’
Halsteinn kijkt me hoopvol aan. ‘Is het veilig?’
Ik knik. ‘Hij blijft achter de sluier, net als wij zolang we op het schip blijven.’
Hij komt overeind en steekt zijn hand naar me uit. ‘Wat zeg je ervan, Tess, zullen we een tochtje gaan maken?’
‘Graag.’ Ik laat mijn vingers in de zijne glijden.
Even later varen we de zon in. Opa’s rood-wit gestreepte zeil bolt op in de fikse bries. We schieten letterlijk het meer over.
‘Goeie genade,’ zeg ik.
Halsteinn lacht uitgelaten en trekt me nog wat steviger tegen zich aan. Ulv komt op ons af. Jankend strekt hij zijn verbonden poot naar me uit.
‘Je hebt gelijk,’ zeg ik. ‘Dat verband mag er nu wel af.’ Ik maak me los uit Halsteinns armen.
‘Wat mankeert hem eigenlijk?’ vraagt hij terwijl ik het gaas lospeuter. ‘Is hij gewond?’ Bezorgd buigt hij zich over Ulv.
‘Niet echt.’
Ulv grijnst en toont hem zijn met runen bedekte voorpoot.
Halsteinn ploft naast hem op het dek neer. ‘O goden! Jullie zijn Odins stormtroepen. Beraks bemanning.’ Verwilderd kijkt hij me aan. ‘De verloren Ulfhednar.’ Hij draait zich naar Ulv. ‘Jij bent Ulv Halvorsen.’
De wolf knikt. Zijn ogen zijn verdacht vochtig. Halsteinn trekt hem tegen zich aan en klopt hem op de rug.
Nu begrijp ik waarom Ulv met alle geweld naar de vampier toe wilde. ‘Hij herkende jou lang voor je hem herkende,’ zeg ik als hij zich van Ulv losmaakt.
‘Ze zijn al zo lang wolf dat ze niet meer naar hun menselijke gedaante terug kunnen.’ Opa’s drakenhoofd koestert zich in de zon. ‘Ik weigerde dan wel de grot te verlaten, maar dat wilde niet zeggen dat zij ook opgesloten moesten zitten. Ik heb ze in hun wolvengedaante de wereld ingestuurd. En moet je kijken wie ze naar me teruggebracht hebben! Goed werk, jongens! Jij ook, faerin.’
Ik lach. ‘Ik heb er niet echt veel mee te maken, maar bedankt.’
‘Sinds je als driejarige in de grot opdook, heb je me persoonlijk voor razernij behoed, Tessindra.’ Opa kijkt tevreden om zich heen. ‘Het is Noorwegen wel niet, maar het mag er wezen.’
‘Kijk,’ zeg ik tegen hem, ‘daar is de pub waar ik werk. Ik heb je erover verteld, weet je nog?’
Hij wendt zijn voorsteven en vaart er wat dichter naartoe. De wolven hangen over de reling of liggen languit op het dek in de zon.
Halsteinn knielt bij hen neer. ‘Jij bent Per,’ zegt hij tegen een van hen. Het dier heeft een opvallend buikje. ‘En jij… Reidar!’ zegt hij tegen de slanke wolf die ernaast ligt.
Ze knikken grijnzend. Halsteinns lach schalt over het dek, tot hij plots zijn gevoelige neusvleugels openspert. ‘Er is een vampier in de buurt.’ Hij hijst zich overeind.
‘Charles?’ zeg ik ongerust.
Hij schudt zijn hoofd en tuurt naar de pub aan de rand van het water. Ik volg zijn blik. Er staat een Range Rover met buitenlandse nummerplaat op de met grind bedekte parkeerplaats. Een lange, opvallend bleke man met een donkere baard leunt tegen de wagen en kijkt bezorgd naar het meer. De wind doet zijn lange, zwarte haren opwaaien. We varen recht op hem af. Halsteinn verstrakt.
‘Een vriend?’ vraag ik.
Hij knikt.
Ik kom naast hem staan. ‘Hij is naar je op zoek.’
‘Ik breng je naar de kant.’ Opa past zijn zeilen aan. De wolven richten hun gele ogen op Halsteinn.
‘Nee, bestefar.’ Met zijn hand op Beraks brede reling schudt Halsteinn het hoofd. ‘Ik zal hem een bericht sturen dat ik in orde ben, maar ik blijf hier. Bij jullie.’ Hij trekt me tegen zijn koele lijf. ‘ Hier hoor ik thuis. Bij de andere gekken,’ fluistert hij lachend in mijn oor voor hij zijn lippen naar de mijne brengt.

 

Over de auteur:
Op een lentedag ergens in 2016 werd ik, Isabelle Plomteux (Leuven, 1969) ongevraagd met een personage in mijn hoofd wakker. Ook al legde ik mijn kraakster beleefd uit dat ze veel beter af zou zijn met iemand die ervaring had in schrijven, ze wilde van geen wijken weten.
Tussen het grote verhaal door schrijf ik af en toe korte verhalen. Met een daarvan, Vuurvlieg, eindigde ik in december 2020 tot mijn trots en vreugde op de derde plaats bij de Harland Awards-schrijfwedstrijd. Mijn andere verhalen vind je hier, op Fantasize.

Over de illustrator:
Marcel Ozymantra (Moz)(1970) is illustrator & vormgever. Doet de vormgeving van cultureel tijdschrift Sintel. Illustreert voor Fantastische Vertellingen, Parmentier, Fantasize e.a. Doet ook de vormgeving en webdesign voor buurt-tv IBTV. In andere hoedanigheid ook schilder & schrijver.

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Isabelle Plomteux & Marcel Ozymantra