web analytics
zondag, april 21

Vertelling: Tilt – Rob Geukens

Door Rob Geukens

Men zei dat de horizonlijn niet altijd zo geplooid was, dat het landschap boven die lijn vroeger geen weerspiegeling was van ons eigen landschap. Ons leek het onmogelijk, maar de ouderen spraken over een tijd toen hun eigen grootouders jong waren en verhalen vertelden over zeilschepen die het Spiegelmeer bevoeren tot aan de horizonlijn en daar voorbij. Zij keerden na lange tijd terug, hun bemanningen vermoeid en bebaard, maar verrijkt met verhalen van wat zich aan de oevers van de overkant allemaal bevond.
‘Het spiegelbeeld van onze oevers,’ gromden onze ouders, wanneer we als kinderen deze verhalen opgewonden kwamen navertellen. Want iedereen wist natuurlijk dat je de horizonlijn niet kon oversteken. Wie de Plooi durfde te naderen kwam zichzelf tegen, eerst als een stip hoog in de lucht, die geleidelijk aan groeide en scherper werd en verticaal daalde langs een muur van water, tot je jezelf herkende en ernaar kon zwaaien en die andere versie, de verticale jij, terugzwaaide. Dat beeld werkte zo ontstellend dat zelfs de meest onverschrokken zeelui besloten dat het welletjes was geweest en de steven afwendden van dat naderende spiegelbeeld, om het later aan land op een stevig drinken te zetten en een behouden terugvaart te vieren. Want wat anders kon je verwachten dan een frontale aanvaring met een ander schip, wanneer je toch zou volharden in je koers? Of verdween je gewoon, boegspriet vooruit, in die verticale wand van water, als een sierduiker die vanaf een hoge plank loodrecht het oppervlak doorbreekt, enkel wat uitdijende kringen achterlatend in je zog?
Niemand die het antwoord echt wist en niemand die ooit een serieuze poging ondernam om het antwoord te vinden. Het Spiegelmeer was voor de meesten onder ons gewoon een deel van de omgeving, iets waar we niet te veel acht op sloegen. Telkens als het Nautisch Instituut met nieuwe onderzoeksresultaten het avondnieuws probeerde te halen in de hoop extra subsidies los te weken, schudden we meewarig het hoofd. Om die reden was dan ook helemaal niemand bezorgd toen datzelfde Nautisch Instituut met de melding kwam dat er iets aan de hand was met de horizonlijn van het Spiegelmeer, en met de loodrechte hoek die het meer maakte met het deel dat we genoegzaam als ‘ons deel’ beschouwden.
Ik geloof dat in het begin niemand het feit zelfs maar oppikte, althans niemand van de bewoners van ons kustdorp. Iemand anders was duidelijk wel alert, want op zeker ogenblik arriveerde een konvooi uitzonderlijk vervoer met de langste oplegger die we ooit gezien hadden, om een fonkelnieuw onderzoeksschip te water te laten in onze haven. De vloot van het Nautisch Instituut was op slag in omvang verdubbeld, een succesje waar we die avond allemaal een glaasje meer om ledigden uit sympathie voor deze vindingrijke rakkers. Er was die avond geen enkele medewerker van het Instituut aanwezig om het succes mee te vieren, iedereen was druk bezig het schip uit te rusten voor een nieuwe expeditie.

De opwinding die je zou verwachten bij het aanvatten van een dergelijke onderneming viel nauwelijks waar te nemen bij de crew en wetenschappers van de Wulk II, zoals het schip gedoopt werd. Iedereen werkte met een ernst en gejaagdheid die we zelden zagen in onze gezapige gemeenschap. De zenuwen stonden strak gespannen, een teken dat we achteraf bekeken misschien wat ernstiger hadden moeten nemen. Toen de Wulk II vertrok voor haar eerste expeditie op het Spiegelmeer, wekte dat slechts belangstelling bij de kinderen van het dorp en bij enkele ouden die van het observeren van de haven hun dagbesteding hadden gemaakt. We hadden dan ook enkel hun relaas, hoe onvolledig en vertekend ook door te veel leeftijd of net het gebrek daaraan, om wijzer te worden uit wat er die dag met de Wulk II gebeurde.
Het schip gooide de trossen los toen de zon al halverwege de klim naar het zenit was. Naast de kapitein en drie bemanningsleden waren ook twee wetenschappers van het Instituut aan boord geklommen langs de metalen valreep. Die rustte volkomen stil op de kade, wat volgens de ouden wees op een volledig kalm meer, die dag. Gewoonlijk zat er altijd wel wat deining op het water en was de havenlucht gevuld met het aanhoudende geschuur en gebonk van scheepsladdertjes op steen. De Wulk II was in absolute stilte uitgevaren. Zelfs de meeuwen hadden die voormiddag hun kop gehouden. Over deze dingen was iedereen het eens.
Over wat volgde liepen de getuigenissen uiteen. Drie kinderen, die ondanks de waarschuwing van hun ouders de glibberige pier waren opgelopen om aan het uiteinde mosselen en kokkels los te snijden met hun zakmesjes, vertelden hoe de Wulk bij het naderen van de Plooi begon te daveren en heftig op en neer te bewegen, alsof ze ginder plots in een storm terecht was gekomen. Dat vertelden althans twee van de drie. Het derde kind, een jongen van negen die zich het verst op de pier had gewaagd, zei dat de Wulk de Plooi was genaderd en daar zijn spiegelbeeld tegenkwam, dat loodrecht naar beneden zakte. Het relaas van de jongen was wat onsamenhangend, maar hij besloot uiteindelijk toch met enige zekerheid te hebben gezien hoe de Wulk II over de horizonslijn was gegaan en plots aan de andere kant verscheen, boegspriet recht naar de hemel gericht, en op het gespiegelde oppervlak was verder gevaren, tot hij uit het zicht was verdwenen. Zijn spiegelbeeld was echter niet over de lijn geraakt en op ons deel van het meer terecht gekomen, zoals je misschien zou verwachten.
Dit verbazingwekkende verhaal werd ten dele bevestigd door een bejaarde man die iedere voormiddag een langzame wandeling langs de haven maakte. Hij had gezien hoe een donkere vorm vanaf de horizonlijn loodrecht de hoogte in was gegaan, maar of het inderdaad de Wulk II betrof, of zelfs maar een schip, kon hij niet met zekerheid zeggen. Een gepensioneerd koppel dat die ochtend, sterk ingeduffeld tegen de koude wind en met rode neuzen die over hun sjaals kwamen piepen, koffie had gedronken op het terras van koffiehuis Zeerust, had de hele tijd naar het Spiegelmeer gekeken, maar helemaal niets opgemerkt. Zelfs het vertrek van de Wulk II leken ze gemist te hebben.
Wat er ook echt was gebeurd, rond kwart voor het middaguur die dag was het radiocontact met de Wulk II verloren gegaan en het schip was niet meer weergekeerd van het Spiegelmeer.

Nu kregen de activiteiten van het Nautisch Instituut wel onze volle aandacht. Alle zeewaardige boten en sloepen gingen het Spiegelmeer op om, samen met het oude en kleinere onderzoeksschip De Steltloper III, op zoek te gaan naar de Wulk II en diens bemanningsleden. Langs de oever stonden tientallen kijklustigen met verrekijkers en telescopen naar het rechtopstaande deel van het meer te kijken. Zij konden bevestigen dat er geen brokstukken of mensen in reddingsvesten ronddobberden op het meer, maar dat hield ons niet tegen mee het water op te gaan. Mijn broer en ik hadden een oude roeiboot waarmee we soms bij kalm weer gingen nachtvissen. Onze Rogtrog was groot genoeg om nog twee of drie extra opvarenden aan boord te hijsen, mochten we die aantreffen in het water. Een stel meiden, dochters van de rijkste man van het dorp, haalde ons in met een schitterend witte motorboot en draaide een treiterig rondje om onze sloep. Toen gooiden ze ons lachend een touw toe waar we ons aan vastklampten en ons schrap zetten tegen de binnenkant van de boeg. Ze gaven vol gas met hun krachtige motor en namen ons op sleeptouw tot we de rest van de zoekvloot hadden ingehaald.
Ondanks de grimmige context van een verloren gegaan onderzoeksschip hadden we een knaldag. De bootjes dobberden meer rond dan ze actief zochten, er werden flesjes gekraakt en picknickmanden bovengehaald. Ik denk dat iedereen wel ongeveer begrepen had dat de Wulk II die dag niet gevonden zou worden. Niet zonder dat iemand van de zoekers de horizonslijn overstak, en daar was voorlopig niemand toe bereid.
Achteraf hoorde ik hoe bij valavond het meer oplichtte met tientallen scheepslantaarns en zaklampen en hoe flarden muziek uit onze radio’s door de wind naar de oever gevoerd werden. Op het spiegelende wateroppervlak dat boven ons deel van het meer uittorende verschenen evenveel lichtjes als sterren tegen een zacht rimpelende hemel. Toen de zon volledig was ondergegaan vielen al die sterren in vertraagd beeld naar een enkel convergentiepunt boven in de hemel, toen onze zoekvloot langzaam terugkeerde naar de haven.
De Wulk II hadden we niet gevonden, maar mijn broer en ik kwamen wel naar huis met het telefoonnummer van Emma en Alice, de meiden die ons op sleeptouw naar de Plooi hadden genomen. De dagen nadien was onze aandacht dan ook gevestigd op alles behalve de gebeurtenissen rond het Spiegelmeer. Dat kan je achteraf misschien betreuren, maar wat verander je daar nu nog aan? Ik heb geen spijt van de fijne tijd die we toen hadden, onze laatste volledig zorgeloze dagen aan de oever van het meer.
Als je aan een situatie niets kan veranderen, dan kan je je er maar beter niet druk om maken en proberen te genieten, zoals mijn grootvader altijd zei. Dat klopte deels: misschien kan je niets doen om veranderende omstandigheden tegen te houden, maar je kan wel wat doen om je daarop voor te bereiden.

Ik geloof dat het meer dan twee weken na de vruchteloze – en behoorlijk festieve – zoektocht naar de Wulk II was dat onze aandacht weer even op de toestand van het Spiegelmeer werd gevestigd. Tijdens de zoektocht en ook de dagen daarna had de Steltloper III een aantal metingen verricht. Ze had zich rakelings langs de Plooi begeven, wat een ontstellende ervaring was gebleken voor de opvarenden, omdat ze zo uren langszij een spiegeling van zichzelf hadden doorgebracht die onder een hoek van 90° naar hen was toe gekanteld, wat zelfs de ervaren scheepslui hondsmisselijk en gedesoriënteerd had achtergelaten. Meer dan eens had dit hypnotiserende effect de stuurman doen afwijken en het schip in de richting van de watermuur gestuurd. Na de derde plotse koerscorrectie had de kapitein besloten dat het welletjes geweest was en een terugkeer naar de haven bevolen. De hoofdwetenschapper van het Instituut had hierop hevig geprotesteerd, maar op het water was hij niet de baas.
‘Roei maar een keer terug, als je nog meer metingen wil uitvoeren. De Steltloper III blijft vanaf nu op minstens driehonderd meter afstand van de Plooi.’ Het Instituut moest het dus doen met wat ze al hadden gemeten tijdens eerdere trips. Die beperkte dataset maakte dat, wanneer ze met een eerste alarmerende conclusie de media opzochten, deze op de nodige scepsis werd onthaald. Hoe vreselijker de boodschap, des te minder we ze willen geloven, lijkt het soms.
Mijn broer en ik keerden op een ochtend terug van een sessie nachtvissen toen de kade in rep en roer stond. Mensen stonden druk te praten en te ruziën en enkele omstaanders hadden opnieuw hun telescopen op de verticale massa water gericht.
‘Onzin, die idioten van het NI zoeken gewoon aandacht. Aandacht, en geld voor een nieuwe boot. Met angstzaaierij zal dat nog lukken ook!’ zei iemand.
‘En toch, volgens mijn grootmoeder kwam in haar kindertijd de andere oever minder hoog. Ze toonde me oude foto’s en het lijkt er inderdaad op dat het Spiegelmeer toen nog niet in een hoek van 90 graden stond, maar in een stompe hoek,’ antwoordde een ander.
‘Met foto’s kan je alles bewijzen. Makkelijk te vervalsen. En die oude foto’s zijn niets waard.’
‘Noem je mijn grootmoeder een leugenaar? Of seniel?’
Mijn broer leidde me door de kibbelende massa. Aan de kiosk kochten we de krant, waarin het Nautisch Instituut zijn bevindingen uitschreeuwde: Spiegelmeer instabiel. Het artikel gaf aan dat het NI de metingen van de afgelopen dertig jaar had afgezet tegen de meest recente gegevens, die de Wulk II voor haar verdwijning nog had doorgeseind. Volgens die gegevens was de hoek die ons deel van het meer maakte met het rechtopstaande deel vanaf de Plooi kleiner geworden. Aanvankelijk lagen de metingen te dicht bij elkaar om van een significant verschil te kunnen spreken, maar over de decennia heen was er een duidelijke trend. In dertig jaar tijd was de hoek van 92,5° gekrompen tot 87,1°. De afgelopen vijf jaar had zich de grootste krimp voorgedaan, goed voor 1,7° verschil. Dit waren geen natuurlijke schommelingen meer, of het resultaat van onnauwkeurige instrumenten.

‘Het Spiegelmeer klapt dicht,’ concludeerde de hoofdwetenschapper in het artikel. ‘De effecten daarvan zullen we veel sneller gaan ondervinden dan iedereen had verwacht.’ Niemand wist of de versnelling zich zou doorzetten, of de krimp in een stabiel tempo zou vorderen, of mogelijk kon worden stilgelegd of zelfs gekeerd. De heersende toon op de kade leek voorlopig dat die knakkers van het Instituut of op geld belust waren, of op hun kop gevallen waren of minstens totaal van streek door de verdwijning van hun nieuwe schip en alle opvarenden, vrienden en collega’s. Niemand leek echt de mogelijkheid ernstig te nemen dat het bestaan, zoals iedereen het al generaties lang kende, gedoemd was te verdwijnen.
Mijn broer staarde naar de glinsterende watermuur die boven de Plooi oprees, en naar de vage contouren van de andere oevers, die half verscholen gingen in de wolkensluiers. Ik had een vermoeden van zijn gedachten op dat ogenblik, al sprak hij ze niet uit. Mijn broer was een tegendenker. Wanneer de meeste mensen zus zeiden, ging hij na of het niet eerder zo kon zijn. Ik wist dat hij zou proberen om de onwenselijke vermoedens van het Instituut bevestigd te krijgen.

© Eline van de Molengraft

Tot op deze dag, nu we leven in de eeuwige schaduw van het Spiegelmeer dat zich als een oesterschelp over ons bestaan dichtvouwt, betreur ik de dwaasheid van mijn jonge jaren, toen ik meer geïnteresseerd was in avonturen met Alice dan in het ondersteunen van mijn broer met zijn zelfgekozen missie. Ik genoot ten volle van de geneugten die horen bij volwassen worden en trok me weinig aan van de wereld om me heen, terwijl mijn broer steeds dieper in een schijnbaar waanzinnige obsessie verzonk en almaar vaker alleen het meer op ging met eerst de Rogtrog, en later met de Polyp I, een kleine eenmanszeilboot die hij op de kop had getikt bij een oude visser. Zijn missie om de conclusies van het NI te bevestigen leek ons eerst absurd, omdat we allemaal geloofden dat die conclusies op niets gebaseerd waren. Zelfs jaren nadat het Instituut zijn activiteiten had gestaakt bleef mijn broer doorgaan. En naarmate het rechtopstaande deel van het meer steeds verder en sneller over ons deel kantelde en de uren daglicht verminderden, bleef hij doorgaan met zijn onderzoek.
Tegen die tijd was onze houding ten opzichte van het Spiegelmeer volledig omgeslagen, omdat niemand de werkelijkheid nu nog kon ontkennen. Het was alleen afwachten hoeveel jaren ons nog restten, hier aan de oevers, en wat de kwaliteit van die jaren zou zijn. Steeds meer mensen trokken weg uit het dorp, in de hoop te ontkomen aan het naderende onheil. Maar een verrassend groot aantal mensen besloot gewoon te blijven en zich proberen aan te passen. Alice en ik hoorden tot die groep. We begrepen de risico’s wel, maar het leek alsof iets in ons hart ons ervan weerhield te vertrekken. Een gevoel dat het uiteindelijk wel weer in orde zou komen. Alsof de film nooit zou aflopen. Het dorp was ons hele leven, we waren hier geboren en opgegroeid, waren hier verliefd geworden en getrouwd. Hier was ons kind geboren. En wie kon zeggen of wat hier gebeurde vroeg of laat niet elders zou voorvallen? Dat je door het pijnlijke afscheid moest gaan en je ergens vreemd vestigde, om dan vast te stellen dat de hemel daar ook op je hoofd dreigt te vallen?
Mijn broer bleef zoeken, niet langer naar bevestiging van de resultaten van het Nautisch Instituut. Maar wat dan wel? Hij was al lang geleden opgehouden er met iemand over te spreken, na jarenlang bespot en nagewezen te worden. Zocht hij een manier om het proces om te keren? Je kon evengoed bidden dat de zon voortaan in het westen opkwam. Zijn ondernemingen leken ons absurd, de werken van een gek, en een verspilling van de mooie tijd die ons nog restte voor de wereld dichtklapte en alles donker zou worden. Wij hadden al jaren geleden opgegeven het meer op te gaan en de steeds benauwdere ruimte nabij de Plooi te verkennen, op zoek naar tekenen van beterschap. We klampten ons vast aan de oever van het meer, koppig als schulpen onder een scheepsromp, wachtend op het onvermijdelijke. Tot op een dag iemand een zeil op het meer spotte, van een eenzaam bootje dat zich richting de Plooi waagde.
Ik hoefde zelfs niet te kijken om te weten dat het mijn broer was en dat ik hem nooit meer terug zou zien. Ik haastte me met mijn verrekijker naar de kade. Het was inderdaad de Polyp I, de mast prikte trots als een middelvinger naar het schuin overhellende dak van water daarboven, het zeil bolde op in de wind. Ik zag enkel de rug van mijn broer, zijn rechterarm bijna nonchalant achter zich, de hand rustend op de roerstang. Hij had zelfs niet de moeite genomen afscheid te nemen. Ik tuurde hem na tot hij niet meer dan een stip was. Misschien hoopte ik dat hij nog één keer achterom zou kijken. Toen was hij weg, de Wulk II achterna. De hemel boven onze hoofden werd donker en de nacht viel.

De nacht is bijna eeuwigdurend nu, de hemel boven onze hoofden bestaat uit een donkere massa water waartegen de lichten van onze huizen en lantaarns weerspiegeld worden. Naar boven kijken is nu de meest voorkomende bezigheid. Mensen zitten vaak urenlang in hun tuin naar boven te kijken naar hoe een spiegelversie van ons dorp langzaam naar beneden komt. Daarboven lopen ook mensen rond en onze verrekijkers bevestigen dat zij precies op ons lijken en precies dezelfde handelingen verrichten als wij, met dezelfde gelaten uitdrukking op het gezicht. Sommige dorpsgenoten doen niets anders meer dan eindeloos zwaaien naar hun spiegelbeeld en kijken hoe dat spiegelbeeld naar hen terugzwaait, alsof ze zichzelf de vergetelheid in willen hypnotiseren. Enkel aan de rand verschijnt een streep zonlicht dat onze dagen een beetje verlicht, zo’n uur per etmaal.
Wie wilde vertrekken is intussen al lang weg. Mijn dochter is er een van. Zij vond elders liefde en bouwde een gezin, buiten de schaduw van het Spiegelmeer. Ze zegt dat het daar beter is, dat ik ook zou moeten vertrekken. Dat is voor mij geen mogelijkheid meer. Ik ben hier oud geworden, heb nooit wat anders gekend. Wie overblijft, heeft zich in zijn lot geschikt, en wacht af wat er komt, zonder hoop of wanhoop. Gewoon je tijd uitzitten, daar lijkt het nog het meeste op.
Alice overleed vorig jaar. Laat mijn einde maar samenvallen met het einde van mijn wereld. Soms wandel ik langs de kade, mijn hondje strak aan de lijn voor me uit, en blijf dan even staan om naar de Plooi te kijken. Daar is het tegenwoordig altijd donker, gehuld in een eeuwige schaduw. Ik voel dan een steek in mijn maag, van hoop die eigenlijk niet meer zou mogen bestaan. Ergens verwacht ik een lichtje te zien opduiken in het diepst van de duisternis, een lantaarn die de terugkeer van mijn broer aankondigt, en van de Wulk II, en diens verdoemde bemanning, teruggekeerd uit de muil van het beest, met een oplossing waar niemand meer op durft hopen.
Ik hou mezelf voor de gek. Mijn broer zocht geen oplossing, maar ontsnapping. Ik zal nooit weten of het hem gelukt is.

Het is dagen geleden dat er nog licht scheen langs de rand van het bijna volledig dichtgeklapte Spiegelmeer. Iedereen wacht het einde af. Ik voel angst, maar vreemd genoeg ook een soort verwachting. Mensen hier spreken nog amper. De geluiden van bedrijvigheid hebben plaatsgemaakt voor de gespannen stilte van ingehouden adem, en op de achtergrond horen we enkel het eeuwige ruisen van de golfjes op het meer, dat zowel van onder als van boven ons komt. Nu zie ik daar toch beweging op het water. Geen lichtje, geen lantaarn, maar de vage contouren van een sloep.
Niet de Polyp I, dit bootje heeft geen zeil. Vond hij een ander vaartuig om weer tot ons te komen? Meer dorpsgenoten staan aan de kade nu. Zij zien het ook. Ik voel een hand op mijn schouder en leg mijn eigen rechterhand op de schouder van de vrouw die naast me staat. In mijn linkerhand houd ik de leiband van de hond. Die tuurt met een scheef kopje naar de duisternis. Ziet hij het roeibootje ook? Het is een jonge man, een tiener bijna. Hij is nog ver van de oever. Stopt hij met roeien? Komt hij naar ons? Mijn ogen raken vermoeid van de inspanning, waardoor het beeld spookachtig op mijn netvlies zwemt. Hij lijkt bijna transparant, een spookroeier uit onze verbeelding. Dan keert hij zijn bootje en roeit weer in de richting van de Plooi. Hoe erg moet ons dorp er voor hem uitzien, dat hij de absolute duisternis verkiest? Hoe hopeloos?

Men zei dat de horizonlijn niet altijd zo abrupt eindigde, dat er vroeger achter die lijn nog een heel landschap bestond. Er was gewoon niemand die het ooit durfde verkennen. Voor zover wij wisten eindigde de wereld daar en stortten de waters van het Spiegelmeer zich achter die lijn de eindeloze diepte in. Onze grootouders vertelden over de tijd toen zij zelf kinderen waren en er een verhaal rondging over een eenzame zeiler die van over de horizonlijn was gekomen. Hij kon niet meer dan dertig geweest zijn, als je op zijn uiterlijk afging. Maar uit zijn ogen scheen de ouderdom en vermoeidheid van eeuwen naar buiten. De mogelijke wonderen die hij aanschouwd had tijdens zijn lange reis gaf hij niet prijs aan onze gemeenschap. De meeste mensen versleten hem voor een gek die ergens verder op de oever een bootje te water had gelaten en vervolgens met de zon in de rug op ons havendorp had aangestuurd, waardoor het leek alsof hij van over de horizon was gekomen. Maar de weinigen die hem na een lang en teruggetrokken leven in een huisje aan de rand van het dorp hun vriend durfden noemen, vertelden dat hij op een dag vertrokken was van een plek net zoals de onze en altijd rechtdoor was blijven varen. Mijn grootvader vertelde hoe zijn beste vriend, amper veertien destijds, zo geobsedeerd was door deze vertelling dat hij op een nacht een roeiboot van zijn vader stal en het meer opging. Tegen zonsopgang was hij niet meer dan een stip aan de horizon en voor de dorpsbewoners goed en wel beseften wat er gaande was en een reddingsschip hadden uitgestuurd, was die stip verdwenen.

 

Over de auteur:
Rob Geukens schrijft boeken en kortverhalen. Hij publiceerde verhalen in Ganymedes, Fantastische Vertellingen en in enkele bundels, zoals het recente Bloedzuigers in de polder. Zijn jeugdboeken worden uitgegeven door Clavis. Meest recent verscheen de Tijdeters, en spoedig laat hij ook Monsterjager los op de jeugd. Op www.robgeukens.com publiceert hij op onregelmatige basis een blogpost.

Over de illustrator:
Mijn naam is Eline van de Molengraft en ik ben afgestudeerd aan de opleiding Illustratie & Animatie aan de Kunstacademie AKV St. Joost in ‘s-Hertogenbosch. Met mijn passie voor illustratie creëer ik een stijl die romantisch, filmisch en sprookjesachtig is, waarbij ik gebruikmaak van uitgesproken kleurencombinaties, een speels handschrift en verfijnde details. Ik illustreer graag digitaal en heb ook interesse in immersieve verhaalbeleving, waarbij ik bewegende of interactieve elementen toevoeg aan mijn werk. Je kunt mijn werk bekijken op mijn website en op Instagram onder de gebruikersnaam illustrations_by_eline.

 

© 2020 – 2024 Fantasize, Rob Geukens & Eline van der Molengraft

You cannot copy content of this page