web analytics
maandag, november 28

Vertelling: Het gebedenboek van jonkvrouw Amber

Door Guido Eekhaut

Drie deelnemers slagen erin uit het gebouw te ontsnappen voordat het implodeert, alsof het opgeslokt wordt door een zwart gat waarbij alle restanten van beschaving en fatsoen verdwijnen. Drie maar. Een onbekend aantal wordt nooit meer teruggezien, tenzij het een of andere wormgat hen weer uitspuwt, maar dan slechts in de vorm van nanodeeltjes. Het publiek vindt dit allemaal best fijn, zolang zij maar niet de verzekeringspremies moeten neertellen.
Amber Dexter kijkt over de stad. Er zijn nog honderden andere gebouwen te vernietigen. Dat is meer dan ze aankan. Er zullen ook nooit genoeg deelnemers aan het spel zijn. Jammer, maar ze wordt hier hoe dan ook rijk van. Elke minuut van interplanetaire verspreiding van zulke evenementen op Y-Toob levert haar een som geld op die ze nooit zinnig kan spenderen. Zal ze een eiland kopen, of een eerste aanbetaling doen voor een asteroïde? Dan nog is het geld niet op. Ze heeft al vier eilanden. Het grote geld zit al een decennium of twee in asteroïden, maar het vet is eigenlijk al wat van de soep. Steden vernietigen is één ding, je geld besteden een heel ander hoofdbrekens.
Morgen Tokio? Die stad is nog grotendeels intact. Keuze genoeg, dus.
Er zijn uiteraard critici. Er zijn altijd critici. Sommigen willen de planeet intact houden. De Vert/Groenen. Ze willen desnoods de steden weg, maar er wouden voor in de plaats. Ze willen vissen in de rivieren en veel andere dieren in de oceanen. Alsof bomen stemrecht hebben, of er geld mee te verdienen valt.
Amber haalt de neus op en zwiept de datastroom aan de kant. Nanomodules verstrooien zich, opgeschrikt. Ze is een moeilijke en veeleisende klant. De drie overlevende deelnemers krijgen gelukwensen en een contract voor Europa. De maan, niet het continent. Hen om te bouwen alleen al kost een fortuin. Niets menselijks beweegt zich aan het oppervlak van de manen van Jupiter en Saturnus.
Waar voordien het gebouw was, is het licht nu gedempt. Het is geen echt zwart gat. Dat risico wil niemand lopen.
‘Misschien willen we eerst de oude steden aandoen, jonkvrouw Amber,’ fluistert de fluwelen stem van Archibald in haar beide oren. Net iets te monotoon, oordeelt ze, net iets te weinig passie. Hij wil een afspraak noteren in zijn gebedenboek, maar grijpt naast het net, wat haar betreft.
‘Ik heb geen voorkeur, zolang het vuurwerk maar aantrekkelijk is,’ zegt ze. Het gaat om een half miljard kijkers, daar gaat het om. Er moeten altijd wel enkele overlevenden zijn, anders kunnen de toeschouwers niet sympathiseren. De massa heeft haar helden nodig.
‘We dachten aan Parijs,’ fluistert Archibald, onverstoorbaar.
Ze vraagt zich af waar hij op het moment is. Baan om de maan? Nee, er is geen tijdsverschil. Hij is in de buurt. Zijn mismaakte lichaam is onderhevig aan aardse zwaartekracht. Ze hoopt dat hij pijn lijdt.
‘Parijs was vroeger decadent, nu is het hooguit een museum. Waar zijn de laatste Fransen? Op Mars? Willen ze verkopen?’
‘Ze bieden tien procent van het oppervlak,’ zegt hij, ‘aan de oostkant van de stad, maar net buiten het centrum.’
‘Het zijn kliederende, vervelende, melancholische dwazen met te veel geld, meester Archibald. Ik speel niet mee.’
Een zonsondergang haast zich om het landschap nog wat glans te geven. Amber gaat niet op de sterren wachten. Ze heeft de sterren al vaker gezien, en onder betere omstandigheden. De atmosfeer zit vol roet en stof. Niets daarvan hindert haar, maar het beperkt wel het zicht.
Ze beweegt haar linkerhand over de console. De bubbel wordt opaak. Ze stapt opzij, naar een tafel waar de bedienden eten en drank klaargezet hebben. Terwijl de rest van de mensheid intraveneus gevoed wordt, bezit zij de luxe van een echte slokdarm. En smaakpapillen. Laat ons de papillen niet vergeten.
Buiten zal een massa zich nog vergapen aan de rest van het schouwspel, maar zij is zoals altijd snel verveeld. Jupiter, dat is een schouwspel. Saturnus, dat ook. Al de rest is routine. De nanogeesten tegen de zoldering fluisteren haar vol bewondering toe. Ze heerst over leven en dood. Ze heerst over haar eigen fragment van de beschaving. Ze bepaalt het lot van een half miljard mensen.
Niet méér?
Iets meer dan een half miljard, haasten de nanogeesten zich. Een groeiend aantal. Zeker wanneer ze een deel van een asteroïde koopt. Kan ze niet beter een belang in een van de kolonies op Titan of Europa kopen? Cijfers en grafieken tuimelen over haar heen.
Genoeg!
Stilte vult haar geest.

Parijs blijkt een teleurstelling te zijn. Het geboden stadsdeel is een rommeltje van woonkazernes, huizen uit de negentiende en vroege twintigste eeuw, en werkplaatsen die lang geleden iets te betekenen hadden. De datastroom probeert haar te sussen. De Fransen wijzen op het historische belang van dit stadsdeel, maar wat betekent geschiedenis voor haar, die zelf de geschiedenis schrijft terwijl ze van haar ontbijt geniet?
Ze stelt voor: honderd deelnemers. De overlevenden krijgen een plaats op Ceres IV, levenslang, incluis een baan. Er is altijd volk nodig op de asteroïden. Het is dus geen cadeau. Veeleer doet Amber enkele vrienden een genoegen. Kolonisten, die het aanbod niet zullen weigeren omdat ze geloven dat het een gunst is. Mensen vragen erom bedrogen te worden.
Ze keert pas op het laatste moment terug naar de stad, is getuige van het verdwijnen van dat ene stadsdeel, wordt op de hoogte gebracht van zeven overlevenden, wuift alles weer weg en vertrekt opnieuw. Zelfs de kijkers op Y-Toob zijn weinig enthousiast. Het lijkt alsof aarde heeft afgedaan als bindmiddel voor diegenen die vertier zoeken.
Een interplanetaire oorlog, overweegt ze.
‘Dat meent u niet ernstig,’ zegt Guin, die tijdelijk haar operationele raadgever is. ‘Te veel economisch verlies, te weinig actie, te weinig…’
Interplanetaire oorlogen zijn zo weinig spectaculair, dat niemand eraan begint. Games, ja, maar die zijn allemaal onzin. Je kunt een interplanetaire oorlog voeren die een decennium duurt, en in al die tijd heb je hooguit twee of drie militaire incidenten. Te grote afstanden.
‘Mars waarschuwt dat er aan hun installaties en steden niet geraakt wordt,’ zegt Guin.
Hij is weinig nuttig, beseft Amber. Hij zal moeten gaan. Om de drie of vier maanden heeft ze nieuwe medewerkers. En nieuwe ideeën, hoopt ze. Maar die worden steeds zeldzamer. De mensheid sterft uit, vanwege gebrek aan ideeën en door verveling. We vervelen ons het uitsterven in, meent Amber.
Een buitenaardse bedreiging. Dat zou een interessante optie zijn.
Maar er zijn geen buitenaardsen te bekennen. De mens is nog altijd alleen.

© Sjoerd de Boer

Ze klemt haar gebedenboek tegen zich aan. Voor haar kijken de hologrammen van drie mannen haar aan. Archibald ziet er slecht uit. Je kunt alle organen vervangen, behalve het brein. Daar is hij ziek. Er woekert wat in zijn brein, hij heeft niet lang meer te leven. Hij zal nog altijd tien keer langer geleefd hebben dan de gemiddelde bewoner van Mars of de asteroïden. Dat neemt hij met zich mee. Het is het enige wat hij met zich meeneemt.
Ze planten je bewustzijn in een machine, denkt Amber. Maar dat gebeurt pas over vijfhonderd jaren, wanneer we eindelijk weten wat het bewustzijn eigenlijk is. Dus voorlopig gaan we allemaal definitief dood, wanneer ons laatste orgaan het begeeft.
In haar gebedenboek staan de namen van steden, niet van mensen. Mensen zijn het boek niets waard. Er is ook een lijst van die eilanden en van de asteroïden waar ze hoopt zich in te kopen. Als haar brein in orde blijft, heeft ze misschien nog een half millennium. Tenzij ze eerder al uit verveling zelfmoord pleegt.
Wat de meest voorkomende doodsoorzaak is bij mensen zoals zij.
Bij de opperklasse.
De achtergrond wordt gevormd door de bruinrosse bol die Mars is. Deimos komt net op. Hier en daar vertoont de planeet groene zones. Het zijn er nog steeds niet genoeg. Te veel mensen, te weinig plaats.
We hadden de aarde moeten redden, zeggen de Vert/Groenen. Maar er zijn altijd mensen die liever achterom kijken, dan voorwaarts. Ze willen de problemen uit het verleden oplossen, wat zinloos is, en ondertussen worden ze onvoorbereid de toekomst in gestuurd.
‘Misschien Ganymedes,’ oppert een van de twee andere mannen. Amber kent hem vaag. Zijn naam staat in een bijna onleesbaar schrift onder zijn hoofd. Er is vertaling, maar die interesseert haar niet.
‘Om het even,’ zegt ze. ‘Wat is de ROI?’
‘Op het ogenblik zeven procent, jonkvrouw. Dat is best aardig, zoals u wel weet.’ Hologrammen fladderen langs haar gezichtsveld. Ze negeert ze. De man kijkt verstoord. ‘Zeven procent is beter dan op Mars.’
‘En hoelang is dat al zeven procent?’
‘Sinds…’ De man aarzelt. Hij kent de cijfers. Hij hoeft ze gewoon maar uit zijn geest te plukken. De nanogeesten tegen het plafond in de module van Amber waarschuwen. Ze moet oppassen voor deze man. Ze lijken vandaag bijzonder geagiteerd.
‘Een week,’ vult ze zelf aan. ‘Voordien was de ROI negatief. Waarom hoopt u informatie voor mij te verdoezelen? U weet dat dit zinloos is.’
‘Een kleine glitch in mijn datastroom, jonkvrouw,’ zegt de man snel. Ze weet dat hij liegt. Ze wil hem als deelnemer aan een van haar volgende wedstrijden. Misschien een wijk in Los Angeles? Stad van vertier en vertoon? Hij zal dat niet waarderen. Hij zal dat niet overleven, want hij is oud.
Ze doet geen zaken met hem.
Ze kiest dan maar voor Ganymedes.
Geld moet rollen.

Een gouden gloed verspreidt zich over die wijk van Los Angeles waarvan ze de naam net zo goed meteen vergeet. Binnen enkele honderden jaren komen hier mensen om het allemaal te herbouwen, om de hele planeet te reconstrueren, om in enkele jaren te herscheppen waar ooit generaties aan werkten. Zelfs de fameuze brug komt er opnieuw, ook al zal die nutteloos zijn.
Het is de moeite en de inspanning niet waard, dat is haar oordeel. Wordt haar mening gevraagd, zal ze dat ook zeggen. Zij, en anderen zoals zij, verwijderen een voor een de lelijke kankervlekken van het oppervlak van de planeet. Zelfs de Vert/Groenen zijn dergelijke ingrepen genegen. Wat voor nut hebben steden, en fabrieken, kanalen, luchthavens, snelwegen — wanneer er nauwelijks nog mensen zijn?
Het stof gaat enigszins weer liggen. De nanogeesten geven haar de namen van de acht overlevenden. Wat is hun prijs deze keer? Ah, burgerschap van Mars. Ze hadden het slechter kunnen treffen. Mars, dat is de toekomst. Misschien moet ze daar wat meer geld aan spenderen. Amber knijpt de vinger van haar linkerhand samen. Het gebedenboek gloeit een moment lang op en dooft dan opnieuw. Een paar miljoen aandelen zijn van eigenaar gewisseld.
Als kind gaf ze zich gewonnen wanneer er gevaarlijke spelletjes gespeeld werden. Ze verloor ook nog haar maagdelijkheid toen ze tien was. Het bleef in de familie. Ze leerde het gebedenboek vertrouwen wanneer er niemand anders vertrouwd kon worden. Een deel van de familie week uit naar Ganymedes. Een ander (kleiner) deel naar Europa. Er zijn oorlogen gevoerd om de faveurs van de jongste telg, die gedoemd is alle rijkdom van die familie te erven. In het gebedenboek prijken de namen van zeven aanbidders, een voor een op gewelddadige wijze gestorven.
Ach, denkt ze, je kunt je maagdelijkheid maar één keer verliezen.
Daarna maakt het niets meer uit wie er in je bed belandt.
Maar de namen van de belangrijkste mannen of vrouwen in haar bed worden onthouden, voor de eeuwigheid.
Los Angeles is verwaarloosbaar klein geworden. Het was dan ook lange tijd een icoon. Iedereen kwam er graag, vernietigde er graag genoeg het een of andere belangrijke bouwwerk. Daar is ze zelf ook schuldig aan. Ten lange leste blijven de voorsteden over, maar ze neemt zich voor hier niet meer te komen. Er leven nog steeds mensen, voorbij de radeloosheid. De mensheid heeft zich verspreid over het zonnestelsel, maar heeft niet méér fatsoen geleerd dan tijdens de voorbije eeuwen. Een goed deel van die mensheid leeft nog alleen maar virtueel, omdat lichamen toch zo saai en moeilijk te onderhouden zijn.

De nanogeesten die tegen het plafond van de stuurruimte klonteren, verwelkomen haar. Schitterende schoonheid, nu reeds terug? Uw immense wijsheid leidt ons naar nieuwe werelden! Welke geniale invallen kunnen wij nu helpen verwezenlijken? Ze negeert ze. Dat doet ze altijd, maar de nanogeesten kan het niets schelen. Ze hebben bewustzijn noch gevoelens. Het is digitale slavernij van haar kant, maar iedereen die het zich kan veroorloven, doet het. Ze moet echter bepaalde settings wat aanpassen; die dingen overdrijven toch wel een beetje. Haar ego hoeft ook niet de hele tijd gestreeld te worden.
Aarde is nog steeds een grotendeels blauwe bol tegen het slordige zwart van het heelal. Ze heeft opzettelijk de zonnekant gekozen, omdat ze nog steeds gek is van het uitzicht. Ze kon ook sub-orbitaal gaan, maar die dingen zijn zo saai. Ze heeft haar eigen schepen, die altijd in een hoge baan om de planeet op haar wachten.
Vanaf deze hoogte is van menselijke activiteit niets te merken. De planeet zag er zo een miljoen jaren geleden ook uit, daarvan is ze overtuigd. En over een miljoen jaren. Tussenin is de mens gepasseerd en weer vertrokken. Nog steeds alleen in het bekende universum.
Wat later verlaat ze de hoge baan in dezelfde shuttle waarmee ze naar het schip kwam. Ze heeft een menselijke bemanning, een onvoorstelbare luxe. Echte mensen die haar op haar wenken bedienen. Hologrammen vertellen haar wie ze zijn, wat hun functie is. Ze zijn inwisselbaar en altijd jong. Jong en mooi. Het oog wil ook wat.
In Tokio is er eerst een vergadering met de een of andere raad van bestuur. Die Japanners zijn nog steeds traditioneel bezig, en ze ontmoeten je in levende lijve, in een echt kantoor, met hapjes en thee. Ook hier menselijke bedienden. Dat is uitzonderlijk, want er wonen hooguit nog maar enkele tienduizenden Japanners op de eilanden. Ze zijn zo goed als uitgestorven, als volk, omdat ze niet meer aan kinderen toekwamen, al vanaf het eind van de twintigste eeuw niet. Altijd op zichzelf, dat ook.
Maar die tienduizenden bezitten de collectieve rijkdom van de hele natie. Waarom lopen er hier dan nog menselijke bedienden rond? Ze weet het niet. Ritueel, ondergeschiktheid, plaats in de hiërarchie — ze zal het nooit begrijpen.
‘We wensen op z’n minst een participatie in de operatie op de Maan,’ zegt de oudste van de gastheren. Hier geen nanogeesten tegen de zoldering. ‘In ruil daarvoor financieren wij uw expedities naar de Kuipergordel.’
Ah, de Kuipergordel. Voorlopig de verst van Aarde verwijderde plek in het zonnestelsel. Enkele miniplaneten en veel rotsblokken. Waarschijnlijk een heleboel kostbare metalen, in elk geval veel ijs. IJs zet je ter plekke om in brandstof voor de schepen. De metalen gaan naar de Gordel, naar de Manen en naar Mars. Alles gaat traag, maar de mensheid heeft tijd.
Later op de dag staan ze op een uitgestrekt terras en kijken over de stad heen, die zo goed als intact is. De Japanners geloven in conservatie, ook al staan de meeste van deze gebouwen leeg. Geloven ze in de terugkeer van de mensheid? Willen ze die mensheid dan hier verwelkomen, in wat misschien de laatste zo goed als intacte stad van de planeet zal zijn?
‘U scheidt nooit van uw gebedenboek,’ merkt de voorzitter op, met een snelle blik op het voorwerp in kwestie. ‘Wij vragen ons af of het een religieuze betekenis heeft?’
‘Het is als mijn geheugen,’ zegt Amber. ‘Meer moet u er niet achter zoeken.’
‘En u hebt nood aan dat geheugen?’
‘Het biedt mij troost.’
De voorzitter moet daar even over nadenken. ‘Misschien zijn wij een van de laatste volken die dat nog begrijpt, mevrouw,’ zegt hij ten slotte. ‘Ook wij vinden troost in het verleden. Dat is omdat er voor ons en onze beschaving geen toekomst meer is.’
‘U hebt, net zoals iedereen, een toekomst.’
‘Nee, we hebben vrijwillig afstand gedaan. We sterven uit, als beschaving. En dat aanvaarden we. Het is een gedachte die ons melancholisch maakt, maar uiteindelijk troosten we ons ermee dat we ons geen zorgen meer moeten maken om ons nageslacht.’
‘Heel weinig mensen doen dat. Bijna niemand kent zijn eigen nageslacht nog.’ Amber denkt aan haar eicellen, verspreid over een aantal bekende werelden.
‘Onze beschaving was een unicum voor de mensheid. Precies daarom besloten we dat ze ook een passend einde moest krijgen.’
‘Waarom dan nog zaken doen?’
‘Onze beschaving eindigt, maar niet de artefacten, kunst, literatuur die ze achterlaat. Die zullen behouden worden. Daar zorgen anderen voor, met fondsen die wij nalaten.’
‘Misschien,’ zegt Amber na enkele momenten, ‘is dat ook precies wat de hele mensheid moet doen.’
‘Er is buiten de mensheid niemand anders,’ zegt de voorzitter.
‘Er zijn de machines,’ zegt Amber. ‘Die zullen ons overleven.’

Terwijl ze weer de shuttle naar het schip neemt, merkt ze dat ze nu een deel van de nachtzijde van de planeet kan zien. Vroeger zag je dan ook de verlichte steden. Dat is nu maar nauwelijks het geval. Hier en daar zijn er nog enkele vage lichtpunten, de bijna vergeten plekken waar mensen samenhokken en vanwaar zij ongetwijfeld naar de sterren kijken. Maar de nachtzijde van de planeet is verder bijna helemaal in het duister gehuld.
Amber slaat haar gebedenboek open. Het gloeit langzaam in haar handen. Ze zoekt troost. Ook zij zoekt troost. Het is het laatste gevoel wat haar overblijft.

 

Over de auteur:
Guido Eekhaut publiceerde ruim vijftig boeken en meer dan dubbel zoveel verhalen in allerlei genres (misdaad, weird, speculatieve fictie, fantasy). Hij kreeg in 2009 de Hercule Poirot prijs voor
Absint en werd twee keer genomineerd voor de Gouden Strop. Zijn boeken en verhalen verschenen ook in vertaling, voornamelijk in het Engels, Duits, Spaans en Pools.

Over de illustrator:
Sjoerd de Boer:
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Voor mij is dit een van de meest iconische zinnen ooit, vaak gekoppeld aan het even iconische kinderboekkarakter Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Het is een basis voor zelfvertrouwen, een positieve instelling en het aangaan van uitdagingen. En als je er dan voor gaat, dan moet je in mijn ogen ook doorzetten! Maar wie ben ik? Ik heb door de jaren heen een rugzak vol kennis en ervaringen opgedaan als onder andere auteursbegeleider, vormgever, schrijver en projectredacteur. Nu is voor mij de tijd gekomen om mijn droom te volgen: via Van Verhaal Tot Boek wil ik andere schrijvers helpen om inspiratie, motivatie en verdieping te vinden en hun (schrijvers)dromen te realiseren. Maar bovenal ben ik positief, creatief, gedreven, enthousiast en oplossingsgericht als persoon. Dus als je als schrijver vastloopt of twijfelt aan jezelf, dan sta ik vanaf nu naast je: “Ik denk dat je het wel kunt.” Meer weten? Bezoek mijn website: www.vanverhaaltotboek.nl

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Guido Eekhaut & Sjoerd de Boer

You cannot copy content of this page