web analytics
maandag, mei 16

Vertelling: De strijd tegen de leefbelasting – deel 1

Door Eowen Valk

‘Toon ons wie de leefbelasting aan de godin betaalt,’ zei de hogepriester.
De puntige haaientand prikte in Ania’s handpalm. Ze probeerde te slikken, maar haar keel leek zo droog als een schep zand. De altaarzaal zat zo vol met mensen, dat diverse laatkomers buiten bij de ramen meeluisterden. Haar ogen ontmoetten die van Eran, die vanaf de tweede rij nagelbijtend naar haar keek. Hun zoontje sliep rustig bij hem op schoot.
Om haar heen lieten andere moeders zuchten van opluchting ontsnappen. Ania vouwde haar hand open. Haar hart miste een slag. Dit moest een vergissing zijn. Als priesteres van Himala was ze toch veel belangrijker dan de andere moeders? Waarom bepaalden de heilige haaientanden nu dat zij haar kind moest afstaan? De tand gleed uit haar handen en tikte op de tegel.
‘Ania, jij trok de zwarte cirkel.’ De hogepriester raapte de tand op en stopte hem terug in de rode tandenzak. ‘We hebben twee dagen om afscheid te nemen van je zoon.’
Ania woelde met haar handen door haar haren. ‘Nee! Hij is vijf maanden. Dat is te jong! We moeten opnieuw loten.’
Iemand in de zaal lachte hardop. Zivana kwam naar voren uit de menigte van vaders en volwassenen zonder kinderen. Haar zwarte krullen stonden zo wijd als de huidflap van een kraaghagedis. ‘Waar is je loyaliteit nu, Ania? Geen praatjes over hoe we eerbiedig Himala’s regels moeten naleven?’
Ania zuchtte. Die stoffenwever liet geen moment onbenut om giftige pijlen op haar te richten. ‘Ga terug naar je plek, Zivana.’
De vrouw ging grijnzend voor haar staan. ‘Jij krijgt wel weer een nieuwe. Dat zei jij bij de vorige bloedboomceremonie tegen mij. Die woorden vergeet ik nooit meer.’ Zivana tikte ruw met een vinger tegen haar borst, terwijl ze de woorden haast uitbraakte.
Ania sloeg de hand weg. ‘Ga terug naar je plaats. Je zet jezelf voor gek.’
‘Toen jij de vorige keer mijn dochter van me wegtrok en aan de hogepriester overhandigde, hoopte ik dat jij ooit in mijn schoenen zou staan. Ik heb vaak gebeden om dit moment.’ Ze reikte met haar handen naar het plafond. ‘De godin verhoorde mijn gebeden. Geef Himala wat haar toekomt, dan kunnen we allemaal weer rustig verder leven.’ In haar ogen zat geen greintje medelijden.
Ania kreeg het warm. Hoe haalde dat mens het in haar domme hoofd om zoiets achterlijks aan de godin te vragen? Dat Himala daarnaar luisterde. Oh, de vernedering. Ze greep de top van Zivana’s jurk vast.
De hogepriester duwde hen uiteen. ‘Zivana, ga onmiddellijk bij de anderen zitten. Geen geruzie in de tempel.’
Zivana droop af.
‘Over twee dagen is de ceremonie. Tot die tijd kan iedereen afscheid nemen van Nim,’ zei de hogepriester.
Priester Fado bracht Ania een stuk opgevouwen rode stof met een patroon van witte bomen. ‘Wikkel hem vlak voor de ceremonie in deze stof. Maak ook het voorgeschreven masker. Plak met honing strandzand op de buitenkant.’
Ze wilde dat ongelukskleed niet zien. Het was het laatste dat ieder ingeloot kind of volwassene droeg tijdens de ceremonie. Dat Zivana de stof voor de tempel weefde, maakte het nog moeilijker om het textiel te accepteren. De woorden van de hogepriester gingen aan haar voorbij. Ze walgde steeds meer van zijn bewegingen en de woorden die hij uitsprak. Als hij de tand voor volwassenen had getrokken in plaats van de kindertand, dan waren de laatste dagen van een oudje ingegaan.
Na de bijeenkomst verliet iedereen de tempel. Ania knielde bij het altaar, staarde naar het vrouwelijke beeld, de goudkleurige bloemversiersels en inscripties. Ze begreep niets van de uitkomst. Ze had haar priesterestaken altijd met zoveel toewijding en enthousiasme uitgevoerd. Hoe kon de godin haar dan zo laten vallen?
Eran kwam naar haar toe. Ze nam Nim van hem over en hing hem in zijn draagzak. Ze kuste het jongetje meermaals op zijn voorhoofd. Dat gevoel van haar lippen tegen zijn huidje wilde ze nooit vergeten.
#
De kolossale bloedboom, Himala’s troon, stond slechts op enkele meters van de tempel. Ania schatte dat ze zelf zo’n vijf keer in de omtrek van de stam paste. De grote schotelvormige takkenkroon had de laatste weken bijna alle bladeren verloren, wat de tijd voor de bloedboomceremonie inluidde. De bast leek donkerder dan normaal, bijna zwartbruin. Het eiland had honger. Ania wilde schreeuwen, tegen de bast slaan, maar hield zich in. Niet met zoveel pottenkijkers in de buurt.
Eran raakte haar arm aan. ‘Wees niet boos op jezelf. Je kunt er niets aan doen. Ga mee naar huis. Laten we van Nim genieten zolang het nog kan.’
Ze draaide zich om. ‘Himala heeft me in de steek gelaten.’ Haar stem trilde meer dan de bedoeling was. Hij legde z’n arm om haar heen en voerde haar van de boom weg. Vanaf de heuveltop keek ze uit over de groene bossendeken, die bijna het hele eiland bedekte. Ze zag de mangoplantage en een eind verderop de bananenplantage. Haar dorp, Palm Nayon, lag omgeven door palmbomen aan het strand. Ze zag zelfs de boten, die als gekleurde strepen op de zandstrook lagen. Verderop, bij de noordelijke inham, lag het dorp Mabato, vanwaar boten met handelswaar van en naar andere eilanden en het vaste land voeren. Over drie jaar waren zij aan de beurt om de leefbelasting te betalen.
De menigte liep in een stoet langs de helling naar beneden. Ania keek iedereen na. Al die mensen, opgelucht dat zij er goed vanaf kwamen. Ze accepteerde die uitkomst niet. Er moest een manier zijn om haar kleine schat te redden.
#
In de uren die volgden, brachten mensen geschenken mee en betuigden hun steun. De gesprekken drongen maar half tot haar door. Toen het laatste bezoek weg was, ging Ania met het masker en een potje honing naar het strand om de buitenkant van het masker met zand te bedekken. Terwijl ze staarde naar de ondergaande zon overmanden de tranen haar. Talloze keren had ze met Eran geprobeerd om zwanger te raken. Al die frustratie omdat het niet lukte, de roddels van de anderen die haar pijn deden. Ania sloeg met haar vuist in het zand. Ze had zo vaak in haar gebeden om een kind gesmeekt, dus Himala wist hoe waardevol Nim voor haar was. Wat wreed om een geschenk te geven en dan weer terug te eisen. Het donderen van de nabije branding overstemde haar kreten van pijn en angst, de wanhoop die haar vasthad en niet meer losliet. Haar lieve zoontje van vijf maanden, die ze ten koste van alles wilde beschermen, gekozen door een wreed lot om de godin tevreden te stellen.
#
De ochtend van de ceremonie brak aan. Ania gaf Nim een mengsel van melk en slaapbessensap. Zodra hij sliep, wikkelde ze hem in de ceremoniële stof en zette het zanderige masker op zijn gezicht. De buitenkant bevatte schelpen op de plaats waar ogen hoorden te zitten. Rode bloemen van hibiscus en passiflora waren als haarstukken aan de randen geplakt. In dit kostuum zag Nim eruit als een pop, overdreven uitgedost, maar levenloos.
Eran pakte Nim op en wiegde hem zacht heen en weer. Hij kuste Nims handje. ‘Ik zal je nooit vergeten, mannetje. Dankzij jou kan iedereen straks in voorspoed verder leven.’ Hij drukte hun zoontje stevig tegen zich aan. Ania keek van hem weg. Iedereen ja, zondaars, bejaarden, bemoeizuchtige mensen zoals Zivana. Veel mensen hadden niet eens de moeite genomen om afscheid van hem te nemen. Een groeiende pijn in haar keel breidde zich uit naar haar borst. Ze pakte Nim van Eran over. ‘Ga jij vast naar de tempel. Ik wil nog even met hem alleen zijn. We komen zo.’

© Sjoerd de Boer

Priesteres Manula en priester Fado hadden de stam van de bloedboom versierd met rode en goudkleurige linten. Iedereen uit het dorp stond in een kring om de boom. De hogepriester droeg speciaal voor deze dag een rood habijt met goudkleurige, boomvormige borduursels. Hij verbrandde kruiden, terwijl de priesters een lofzang voor Himala zongen. Ania voelde zich steeds beroerder. Ze kende elk onderdeel van de ceremonie uit haar hoofd.
‘Dit moment is altijd moeilijk. Iemand uit ons midden gaat naar de godin en laat zijn leven achter zich. Dat is het offer dat Himala elke drie jaar van haar eilandvolk verlangt, in ruil voor vruchtbare grond. Zo tonen we onze dankbaarheid voor het goede leven op haar eiland,’ zei de hogepriester. ‘Ania, kom naast me staan.’
Elke stap kostte haar meer energie dan normaal. Fado doopte een kwast in een gouden kom, waarin een mengsel van bloemenoliën en bloed van blauwe azuurhagedis zat. Hij schilderde er een cirkel mee op de stam. Ania slikte meermaals. Haar hart ging als een dolle tekeer. Een windvlaag blies een geurmengsel van jasmijn, frangipani en orchidee in haar gezicht.
De hogepriester legde zijn handen tegen de bast. ‘Heilige Himala, wij staan voor uw troon om u het offer te schenken, uit dankbaarheid voor alle gewassen die u laat groeien en alle fruitbomen waarvan wij mogen plukken. Schenk ons opnieuw drie goede jaren, in ruil voor Nim. Aanvaard onze betaling van de leefbelasting.’ De hogepriester knikte naar haar.
Ania hield Nim voor de bloedboom omhoog. Een mondvormig gat opende zich op de plaats waar Fado een cirkel had geschilderd. Ania huiverde. Nu was er geen weg terug. De blikken van de anderen maakten de spanning in de lucht ondraaglijk. Ze legde Nim in de opening en stapte achteruit.
De hogepriester richtte zijn armen op de stam. ‘Het offer is van u. Neem wat u toebehoort.’
De opening sloot zich. Onder leiding van de hogepriester zong iedereen het afsluitende zegenlied. De takken van de boom kraakten en bewogen, waarna de laatste bladeren naar beneden dwarrelden.
‘De leefbelasting is betaald!’ riep de hogepriester. ‘Vanavond luiden we een nieuwe periode van voorspoed in met een feest op het dorpsplein. Er is een barbecue georganiseerd. Bakker Bodero zorgt voor ananastaart, mangotaart en bananentaart. De broers Mamoer leveren mangobier.’
De aanwezigen juichten. Ania vocht tegen een opkomende misselijkheid. Die klootzakken juichten, omdat ze zich vanavond weer konden volvreten ten koste van een baby. Terwijl iedereen kletsend de tempelheuvel verliet, bleef Ania voor de bloedboom staan. Ze bestudeerde de takken om erachter te komen hoe de boom reageerde op de offergave. Ze omhelsde de stam, legde haar oor tegen de bast en sloot haar ogen. Vanbinnen klonk een zacht, rommelend geluid. Een hand kwam op haar schouder neer. Ze schrok op.
Eran keek haar aan met roodomrande ogen. Zijn wangen glommen door traanvocht. ‘Kom je mee naar huis?’ vroeg hij zacht.
Ze legde haar vinger tegen haar lippen. ‘Sst. Ik hoor leven.’
Iets kriebelde langs haar been. Ze keek omlaag. Een boomwortel wond zich als een slang om haar enkel. Ania schrok, keek om zich heen. De anderen waren al weg. Ze trok met haar been, trapte met haar andere voet op de wortel. ‘Help me dan!’
Eran greep de wortel vast, probeerde de levende keten te ontwarren. Er zat geen beweging in. ‘Dit heeft geen zin.’ Hij rende naar de rand van de heuveltop en riep om hulp.
Niet lang daarna keerde hij terug. ‘Ze zijn te ver weg of willen ons niet horen.’ Hij veegde zweet van zijn voorhoofd. ‘Waarom gebeurt dit? Wat heb je gedaan?’
Ania haalde een mes van haar heupriem en sneed in de boomwortel.
Eran greep haar pols vast. ‘Niet doen! Die wortel is heilig!’
‘Wil je dat ik hier voor de rest van mijn leven vastzit? Ik wil verdomme weg! Niemand is teruggekomen. Zie je dat dan niet?’
Hij liet haar los. ‘Ik haal de hogepriester wel. Hij weet wat we moeten doen.’
‘Nee, laat me niet alleen! Hij mag dit niet weten. We lossen dit zelf op.’ Ze sneed dieper in de wortel. Een rode plas met stroperige vloeistof vormde zich rond haar schoen.
#
Bij thuiskomst pakte Eran een pot mangolikeur uit de kast en schonk er een beker mee vol. Met grote slokken dronk hij de inhoud op. Ania trok de beker uit zijn handen.
‘Ga nou niet drinken. Je moet zo de winkel openen.’
‘Die oliën en reukwaters kunnen wel wachten. Ik heb de bloedboom nog nooit zo zien doen. Echt ongelooflijk! Je hebt iets zondigs gedaan, naast het ruïneren van Himala’s troon. Vertel op.’ Hij trommelde met zijn vingers op de tafel. Het lawaai werkte op haar zenuwen.
Ze pakte de pot met mangolikeur en zette die in de kast. ‘Nee.’
Eran schoot overeind. De stoel viel naar achteren. ‘Geef die drank terug. Kan het jou dan niets schelen dat Nim dood is!’
‘Natuurlijk wel!’ Vanuit de slaapkamer klonk zacht gehuil.
Eran draaide zijn hoofd naar de kamerdeur. ‘Wat hoor ik nu?’ Hij beende naar de slaapkamer.
Ania trok aan zijn arm. ‘Wacht, ik moet je iets vertellen.’
Hij rukte zich los uit haar grip, liep door naar de rieten kist, waaruit het geluid kwam. Een opgerolde jurk, die tussen de rand en de deksel zat geklemd, hield de kist open. Eran tilde Nim op. Hij draaide zich om en keek haar aan met waterige ogen. ‘Daarom wilde je dat ik eerder naar de tempel ging. Als Nim hier is, wat heb je dan geofferd?’
‘Een stoffen pop die even groot en zwaar was als Nim.’
Eran ging op bed zitten. De kleur trok uit zijn wangen. ‘Besef je wel dat je hebt gedaan? Je bent nota bene priesteres!’ Hij stond op. ‘Ik moet de hogepriester waarschuwen. De godin zal heel kwaad worden.’
Ania sloeg haar arm om hem heen en gaf een kus op zijn wang. ‘Houd het geheim.’
‘Maar in de heilige geschriften staat…’
‘Ik weet wat er staat! Ik ken de teksten beter dan jij. Ik kon het niet. We hebben een paar jaar geprobeerd om mij zwanger te krijgen. Nu we eindelijk Nim hebben, moeten we hem afstaan. Misschien lukt het niet meer om opnieuw zwanger te worden. Wil je niet weten of het mogelijk is om de leefbelasting te veranderen? Misschien is de godin ook tevreden met iets anders. Een koe, een geit, een pop?’
Eran wreef over zijn gezicht. ‘Als dat zo was, dan hoefden we geen mensenlevens te offeren. Alleen het ultieme geschenk is goed genoeg om onze dankbaarheid te tonen.’ Hij wiegde Nim in zijn armen en kuste het jongetje op zijn voorhoofd. Nim kraaide en legde zijn handje tegen Eran’s wang.
‘Niemand durft iets anders te proberen. Beloof me dat je dit geheimhoudt. Alsjeblieft? Als je het niet voor mij wilt doen, doe het dan voor hem. Je wilt hem toch volwassen zien worden?’
‘Natuurlijk wil ik hem zien opgroeien. Maar wat zal de godin ons aandoen als ze erachter komt dat we de leefbelasting niet hebben betaald?’
Nim begon te huilen. Ania pakte hem over, ging op het bed zitten en legde hem aan de borst. Eran aaide over zijn voetje. ‘Ik begrijp dat je het uit liefde deed, maar de anderen zullen niet begripvol zijn. Wat doen we als ze erachter komen dat je Himala voor de gek hield?’ Hij wreef met zijn handen over zijn gezicht. ‘Ze zullen jou lynchen, Nim alsnog offeren …’
‘We zorgen ervoor dat ze er niet achter komen.’
Eran lachte weemoedig. ‘Kom op. Hij groeit. Op een gegeven moment merkt iemand dat hij nog leeft.’
‘We kunnen naar een van de andere eilanden of het vasteland verhuizen. Dan verkoop je daar je oliën en reukwaters.’
‘Wil je echt alles opgeven?’
Ania zuchtte. ‘Als dat nodig is om Nim te redden, dan moeten we dat doen.’
Eran wreef over zijn kin. ‘Ik weet het niet. We moeten hier goed over nadenken. Ik maak voor nu luchtgaten in de zijkant van die kist. We houden Nim verborgen, zolang het kan.’
#
Bam! Bam! Bam! Bam!
Ania schrok wakker en sloeg de deken van zich af. Op haar tenen sloop ze naar het raam en keek door de gordijnspleet. Het was nog donker buiten.
‘Zie je iets?’ Eran rolde uit bed. Hij keek ook naar buiten.
‘Ik zie niemand. Het is te donker.’
Bam! Het klonk boven haar hoofd. Ania keek omhoog. Bam! Bam! Bam! Meerdere voorwerpen ramden met veel lawaai tegen het dak, alsof iemand er grote stenen op gooide. Eran deed de olielamp aan. Nim barstte in huilen uit. Ania pakte hem op en wiegde hem sussend in haar armen. Haar ogen speurden het plafond af naar scheuren. ‘Wat is dat? Laat het ophouden.’ Ze vocht tegen de drang om onder het bed te kruipen.
Eran pakte een hamer. ‘Als het paard maar niet in paniek raakt. Ik ga buiten kijken.’
Ze snelde hem achterna. ‘Nee, blijf bij ons. Misschien is het gevaarlijk. We moeten bidden tot Himala en haar om bescherming vragen.’
#
Gapend gaf Ania Nim de borst. Na het vreemde lawaai had ze nauwelijks geslapen. De tuin lag sinds vanochtend vol met kokosnoten. Buiten klonk veel rumoer. De gordijnen zaten nog dicht. Ania spitste haar oren in de hoop wat woorden op te vangen.
De voordeur vloog open. Eran stormde naar binnen en sloot de deur. ‘Dit geloof je niet. Alle fruitbomen en struiken in de omgeving hebben hun fruit op de grond laten vallen. Overal liggen kokosnoten, mango’s, bananen, bessen, van alles. Anderen vertelden me dat de mangobomen van de plantage allemaal hun fruit hebben gedumpt. Bij de bananenplantage schijnt ook niets meer te hangen. Zelfs het onrijpe fruit is nu mierenvoer. Iedereen heeft het erover.’ Eran wreef met zijn handen door zijn haren en liet een diepe zucht ontsnappen. ‘Dit is verschrikkelijk. Himala weet wat je hebt gedaan. Ze straft ons voor jouw zonde.’
‘Alsof ik de enige ben die zondigt. Je hebt geen idee wat de anderen binnenshuis doen.’
Hij sloeg zijn armen over elkaar. ‘Himala is boos, omdat je weigert om Nim aan haar te geven. Breng haar zo snel mogelijk een verzoeningsoffer om het goed te maken, anders verhongert iedereen.’
Ania beet op haar onderlip. Was Himala werkelijk zo boos dat ze iedereen dreigde te verhongeren? ‘Dat kan alleen als de kippenboer kuikentjes te koop heeft.’ Haar keel was zo droog dat het moeite kostte om de woorden eruit te krijgen. ‘Zolang de vissers nog vis binnen halen, hoeven we niet te verhongeren.’
‘Alles wordt duurder, omdat voedsel van de andere eilanden moet worden vervoerd.’ Eran maakte het slot van het zware hoekkastje open en haalde de geldkist eruit. ‘Ik ga de winkel openen.’ Hij haalde er een paar munten uit en gaf die aan haar. ‘Voor een kuiken. Doe het zo snel mogelijk.’
Iemand bonsde hard op de deur. Ania trok een deken over Nim heen. Eran schoof het kijkluik open. ‘Fado, waar hebben we je bezoek aan te danken?’
‘Ania moet ons assisteren bij een zielenrustceremonie. Yaniv en Ezer zijn vanochtend overleden.’
Ania zuchtte. Yaniv was Zivana’s man. Een herinnering aan de ruzie met die feeks in de tempel flitste door haar hoofd.
‘Ik geef het meteen aan haar door,’ zei Eran.
‘Ze moet haar priesteressenhabijt dragen. Ik wacht hier wel op haar.’
Ania haastte zich naar de slaapkamer. Ze kuste Nim op zijn voorhoofd en legde hem in de rieten kist. ‘Wees lief terwijl ik weg ben, mijn kleine garnaal.’
Nim kraaide en bewoog met zijn handjes door de lucht, alsof hij haar gedag zei.
#
Ania stond met de hogepriester achter de tafels waarop de lichamen lagen opgebaard. Fado en Manula hadden Yaniv en Ezer in rode stof gewikkeld voor de zielenrustceremonie. Schaaltjes met reukwater probeerden in deze warmte de lucht dragelijk te houden. Ania concentreerde zich op de bloemengeur. Gelukkig had Eran er nog iets aan verdiend. De altaarzaal zat halfvol mensen. Sommige huilden. Zivana zat op de voorste rij, naast Manula. Ze zag zo bleek en futloos dat het leek of de nacht al het leven uit haar had gezogen.
‘De families zijn dankbaar dat jullie met zovelen zijn gekomen om afscheid te nemen. Ik zal de zielenrustceremonie uitvoeren en hen zegenen, zodat de familieleden hen kunnen begraven,’ zei de hogepriester. Hij goot een zakje kruiden in een kommetje en stak die aan. Een dikke rooksliert verspreidde een zoetige, kruidige verbrandingsgeur. De hogepriester bewoog het kommetje boven de overledenen om de zielen aan te sporen hun lichaam te verlaten.
Zivana stond op. ‘Hogepriester, mijn man was strenggelovig. Waarom heeft de godin zijn leven genomen?’
‘Himala’s wegen zijn ondoorgrondelijk,’ zei de hogepriester. ‘We moeten vertrouwen op haar plan.’
‘Plan?’ Zivana wees met een vinger naar Ania. ‘Dit is jouw schuld! Jij deed iets verkeerd bij de bloedboomceremonie. Daarom viel het fruit van de bomen en is Yaniv dood!’
Ania slikte. Iedereen staarde haar afwachtend aan, alsof ze wachtten op een verklaring.
Zivana beende op haar af. ‘Wat heb je gedaan? Waarom liet Himala fruit van de bomen vallen?’
‘Ik…ik weet het niet,’ stamelde Ania. ‘Misschien is Himala boos op een ander, of op meerdere mensen.’ Ze liep naar de eerste rij. ‘Iemand heeft twee zilveren schalen uit de tempel gestolen tijdens de bloedboomceremonie. Heeft iemand gezien wie dat deed?’
Niemand antwoordde. Ania wees naar Ceder. ‘Jouw vrouw heeft regelmatig blauwe plekken. Als wij vermoeden dat je haar slecht behandelt, dan weet Himala dat ook.’
De man keek beschaamd om zich heen. ‘Ze stoot zich vaak. Dat is niet mijn schuld.’
Ania liep langs de voorste aanwezigen en wees naar Botanna op de derde rij. ‘Jij hebt twee keer ’s avonds voedsel van de offerbakjes gestolen. Manula zag je. Die offers waren voor de godin, niet voor jou.’
Botanna schrok. In de menigte ontstond geroezemoes.
‘Ik ben in Mabato overvallen,’ riep Rahil. ‘Er zijn meer zondige mensen dan je denkt!’
Ania liep naar Zivana. ‘Wat deden Yaniv en Ezer zo vroeg buiten? Gingen ze op rooftocht?’
Zivana keek haar woedend aan. ‘Yaniv ging kijken wat al dat lawaai veroorzaakte. Toen het erg lang duurde, ging ik hem achterna. Ik vond hem in de tuin met een aantal kokosnoten naast hem. Je had de bulten op zijn hoofd moeten zien.’
‘Yaniv en Ezer hebben gezondigd. Dit is hun straf!’ riep de kippenboer. ‘Ezer stal al drie keer kuikens, als ik op de markt kippen verkocht. Hij ontkende het steeds, maar mijn buren zagen hem. Waarschijnlijk hadden die mannen meer op hun kerfstok!’
‘Hou je mond! Yaniv was een beter persoon dan jij ooit zult zijn!’ krijste Zivana.
Diverse mensen praatten door elkaar. Opmerkingen over Himala klonken van alle kanten.
De hogepriester klapte luid in zijn handen. ‘Mensen, blijf kalm! Ik moet de zielenrustceremonie afmaken, zodat we hen kunnen begraven!’
Manula begeleidde Zivana naar haar stoel. De hogepriester ging voor in een gezamenlijk gebed. Ania gluurde voorzichtig tussen haar wimperharen door. Iedereen bad met gesloten ogen, behalve Zivana. De weduwe staarde haar onafgebroken aan. Ze kreeg het er warm van. Ze sloot haar ogen, zodat ze dat mens niet hoefde te zien zolang het gebed duurde.

Dit is het einde van deel 1. Lees ook deel 2.

 

Over de auteur:
Natuurliefhebber Eowen Valk schrijft in haar vrije tijd fantasy en korte horrorverhalen. Daarnaast houdt ze van lezen, spannende films kijken, moestuinieren en bloggen. Een aantal van haar verhalen is gepubliceerd in diverse verhalenbundels en
Fantastische Vertellingen. Vorig jaar verscheen zelfs haar eerste Engelstalige horrorverhaal in een verhalenbundel. Je kunt meer over haar schrijfactiviteiten lezen op www.eowen.nl. Daarnaast is ze ook te vinden op Facebook, Twitter en Instagram.
Het verhaal
De strijd tegen leefbelasting won in 2020 de derde prijs bij de Waterloper verhalenwedstrijd.

Over de illustrator:
Sjoerd de Boer:
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.”
Voor mij is dit een van de meest iconische zinnen ooit, vaak gekoppeld aan het even iconische kinderboekkarakter Pippi Langkous van Astrid Lindgren. Het is een basis voor zelfvertrouwen, een positieve instelling en het aangaan van uitdagingen. En als je er dan voor gaat, dan moet je in mijn ogen ook doorzetten! Maar wie ben ik? Ik heb door de jaren heen een rugzak vol kennis en ervaringen opgedaan als onder andere auteursbegeleider, vormgever, schrijver en projectredacteur en nu ook als illustrator. Meer weten? Bezoek mijn website: www.vanverhaaltotboek.nl

 

© 2020 – 2022 Fantasize, Eowen Valk & Sjoerd de Boer